De genezing van een vijandelijke bevelhebber
Bij 2 Koningen 5,1-27
2 Koningen 5,1-27 vormt een literaire eenheid waarin gespeeld wordt met tegenstellingen en onderliggende vragen: vriend en vijand, onderlinge machtsverhoudingen, wie er waar een god is, wie de ware profeet of dienaar is, voor wiens aangezicht je invloedrijk bent en buigt, hoe je je bezit verwerft en hoe niet.
Naäman is een vat vol tegenstellingen: succesvol bevelhebber van de vijand én werktuig van God; een groot krijgsman, maar melaats. Desondanks oefent hij veel invloed uit. Hij staat in groot aanzien ‘voor het aangezicht’ van zijn koning. Ook een bij een Aramese strooptocht buitgemaakte Israëlische blijkt als slavin van zijn vrouw een grote invloed te hebben. Haar opmerking dat de profeet in Samaria haar meester kan genezen, komt bij Naäman en vervolgens bij de Aramese koning terecht, die die genezing bij de Israëlitische koning opeist. Als de genezen Naäman erkent dat er in heel de wereld geen God is behalve in Israël, is dat ook aan haar te danken. Het verhaal blijft realistisch: voor een slavin geen beloning achteraf of vrijheid en terugkeer naar haar land. Maar als het gaat om de God van Israël, voor Gods aangezicht, is zelfs wie in den vreemde slavendienst moet verrichten waardevol en invloedrijk.
Man van God: koning of profeet?
Naäman maakt zijn opwachting bij de koning van het land dat hij eerder succesvol binnenviel, weliswaar niet als overvaller, en met rijke geschenken. Tegelijkertijd overhandigt hij echter die brief waarin de koning opdracht krijgt om hem te genezen. Geen wonder dat deze denkt dat de vijand op een conflict uit is.
Het dienstmeisje had gesproken over ‘de profeet in Samaria’. Doordat de Aramese koning zijn bevelvoerder naar de koning stuurt, ontstaat er spanning: wie is ‘de profeet’ die melaatsheid kan genezen? Wie dit kan, spreekt namens God, want genezing valt onder de goddelijke invloedsfeer (Ex. 4,6-7). ‘Ben ik soms een god?’ vraagt de koning dan ook als hij het verzoek leest. Hij scheurt zijn kleren. Subtiel wordt hier gespeeld met het gebruik dat melaatsen hun kleren scheuren (Lev. 13). De rollen zijn echter omgekeerd: de melaatse vijand heeft invloed, terwijl de koning in zijn onmacht om aan de vraag te voldoen het rouwritueel uitvoert. Op dit moment wordt Elisa in het verhaal geïntroduceerd, als ‘man van God’. Hij bekritiseert zijn koning om het scheuren van zijn kleren, en vraagt om Naäman door te sturen. Hij zal dan weten dat er een profeet in Israël is. Niet de koning maar de profeet spreekt en handelt namens God, is de onderliggende boodschap. Dit onderbouwt de kritische functie die de profeet tegenover de koning in de boeken Koningen heeft.
De ontmoeting
Naäman komt in zijn strijdwagen bij Elisa. Hij verwachtte, zo blijkt later, dat de profeet naar buiten zou komen, God zou aanroepen en hem zou genezen door hem op de aangetaste plek aan te raken. Maar Elisa komt niet, raakt hem niet aan, en noemt zelfs in de opdracht om zich te baden Gods naam niet. Boos trekt Naäman weg. Baden kan hij thuis ook, en waarom zou het water van de Jordaan beter zijn? Opnieuw blijkt hier welke belangrijke rol een dienaar kan spelen, zeker bij een meester die bereid is te luisteren. Ze overtuigen hem om te doen wat de profeet vraagt, en prompt is Naäman genezen. De genezing voltrekt zich doorheen het doen wat namens God gezegd wordt (vgl. Ex. 4,6-7), niet door een magische aanraking of een indrukwekkend aanroepingsritueel.
Naäman keert met heel zijn gevolg terug naar Elisa, die hem ditmaal wel ontmoet. Naäman komt tot erkenning dat JHWH de enige God is en dit omsluit ook dankbare erkenning van zijn profeet. Maar Elisa weigert elk geschenk aan te nemen, en zet dit met een eed kracht bij. Bij de genezing hoeft Gods naam niet te vallen, bij het weigeren van dit geschenk wel. Weigert hij voordeel te halen uit de genezing, of een geschenk afkomstig uit rooftochten tegen zijn eigen volk? De tekst zegt het niet. Het effect is wel dat de vijandelijke bevelhebber zijn dank anders moet uitdrukken. Dit doet hij ook. In Naämans visie is de godheid en diens verering locatiegebonden, aan de aardbodem verankerd. Ook al is er geen andere god in de wereld: deze God kan enkel op Israëlitische grond aanbeden worden. Daarom wil hij aarde meenemen om zijn verering fysiek mogelijk te maken. Opnieuw klinkt dan het realisme van de politieke werkelijkheid. Dat deze man in zijn thuisland gaat verkondigen dat enkel JHWH God is, of openlijk weigert de god van zijn land te vereren, is te hoog gegrepen. Wel is er een duidelijke afbakening: het zou bij die éne uitzondering moeten blijven. De profeet spreekt zich hierover niet uit, tenzij men zijn vredeswens als instemming beschouwt. De vraag om genezing van deze vijandelijke bevelhebber werd eerder geïnterpreteerd als een mogelijke aanknoping voor een nieuw militair conflict (2 Kon. 5,7). Is dit sjalom impliciet een opdracht, dat zijn genezing zou leiden tot vrede?
De episode met Elisa’s dienaar Gechazi rondt het verhaal af. Hij bedenkt hoe hij zelf zijn voordeel kan doen uit de situatie. Je kunt zo’n invloedrijk man toch niet beledigen door zijn geschenken te weigeren, verantwoordt hij dit voor zichzelf. Dat hij tegenover Naäman liegt over de geschenken die Elisa nodig zou hebben, geeft aan dat hij goed beseft dat zijn redenen niet zuiver zijn. Elisa laat er geen twijfel over bestaan: is dit de manier om je bezit te verwerven? Met de ziekte van Gechazi is de tegenstelling compleet. De dienaar van de profeet die, namens God sprekend, uit is op eigenbelang, is onrein. De vijandelijke bevelhebber, instrument van God, is rein, geschikt voor Gods dienst.