Menu

Premium

De Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband) en de Duitse kerkstrijd in 1934

Toen de voorlopige classis (= synode) van de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband) op14 februari 1934 samenkwam, lag er een voorstel van de kerk van Rotterdam ter tafel, waarin gevraagd werd om een steunbetuiging aan het adres van de Duitse kerken die begin januari in Barmen waren samengekomen en zich achter een verklaring van Karl Barth hadden geschaard.

Zie Het Kerkblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederland zooals die samenleven in Hersteld Verband, 11 februari 1934, ‘Een nagekomen voorstel’. De verklaring van januari 1934 zal ter onderscheiding van de Barmer Thesen uit mei 1934 aangeduid worden als de verklaring van BarmenGemarke.

Een dergelijk voorstel was niet vanzelfsprekend. In Woord en Geest had een langdurige discussie gewoed over nationaalsocialisme en fascisme, en op de agenda stond 14 februari ook een voorstel van de kerk van Hilversum om politieke propaganda door predikanten af te keuren.

Over de discussie in Woord en Geest Ben van Kaam, Parade der mannenbroeders. Protestants leven in Nederland 1918-1938 (Wageningen z.j.) 190-195. Het archief van de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband) berust in Het Utrechts Archief.

Terwijl nu juist voor een man als de Amsterdamse predikant J.J. Buskes Jr. actueel belijden impliceerde dat er politiek stelling werd genomen. Dat was trouwens ook de officiële opvatting van het Hersteld Verband.

Zie hierover F.W.G. Herngreen, Een handjevol verkenners. Ontstaan en geschiedenis van het ‘HV’. De Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband (Baarn 1976) 54-59. Over Buskes en het nationaalsocialisme E.D.J. de Jongh, Buskes, dominee van het volk (Kampen) 149-153.

Betekende zo’n steunbetuiging niet dat het HV zich met de Duitse politiek bemoeide? In dit artikel probeer ik een antwoord op deze vraag te geven en plaats ik de steunbetuiging in haar historische context.

K. Meier, Der evangelische Kirchenkampf I-III (Göttingen 1976-1984), aldaar I, 165-175; K. Scholder e.a., Die Kirchen und das Dritte Reich I-III (Frankfurt a/M 1977-2001) aldaar I, 701-742 en II,

36; W. Veen, Collaboratie en onderwerping. Het Duitse protestantisme in 1933 (Gorinchem 1991). Met dank aan Wilken Veen, van wiens kennis van zaken ik dankbaar gebruik heb gemaakt.

Op de achtergrond speelt de vraag mee of we over de befaamde Barmer Thesen (mei 1934) kunnen spreken zonder deze verklaring van Barmen-Gemarke uit januari 1934 daarbij te betrekken.

George Harinck, ‘De ontvangst van de Barmer Thesen in Nederland, 1934-, in: George Harinck (red.), 75 jaar Barmer Thesen, 1934-2009 (Amsterdam 2009). Van ouder datum, maar nog steeds de moeite waard is G. Manenschijn, ‘Strijd om Barmen’, GTT 86 (1986) 1-27.

Achtergrond

Op 13 november 1933, een dag na de verkiezingen, die voor Hitler en de NSDAP glorieus waren verlopen, vond in het Berlijnse Sportpalast een manifestatie van de Duitse Christenen plaats.

Ik volg hier Veen, Collaboratie en onderwerping, 337-347. Zie ook J. Beckmann, Rheinische Bekenntnisssynoden im Kirchenkampf (Neukirchen 1975) 34-46.

De toespraak van R. Krause liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Adolf Hitler was de door god gezonden redder en bevrijder, de kerk diende bevrijd te worden van alles wat niet Duits was. Hij noemde in dit verband het Oude Testament een boek van veehandelaren en pooiergeschiedenissen. Ook het Nieuwe Testament moest ontdaan worden van joodse en bijgelovige berichten. Het wezenlijke van de ‘Jezus-leer’ sloot zijns inziens naadloos aan bij het nationaalsocialisme. Krause werd op een enthousiast applaus onthaald.

Anders was de reactie in de Pfarrernotbund, een verband van predikanten dat kritisch stond tegenover de Duitse Christenen en dat was opgericht uit protest tegen de invoering van de Ariërparagraaf in de kerk. Voor velen was de toespraak van Krause niet acceptabel. De vraag was of het zou lukken de Rijkskerk in een andere koers te doen bewegen. Daarover ontstond tussen Martin Niemöller (Pfarrernotbund) en Barth groot verschil van mening. Voor Barth was het moment gekomen afstand te nemen van de zittende kerkregering. Hij wilde nieuwe verkiezingen, Niemöller wilde onderhandelen met rijksbisschop Müller. Tijdens de gesprekken hierover kwam Barth met een aantal stellingen waarin hij zijn positie duidelijk maakte.

De Stellingen van Barth zijn opgenomen in K. Barth, Lutherfeier (München 1933 = Theologische Existenz heute,no 4) 20-21. Zie ook Veen, Collaboratie en onderwerping, 440-443.

Zijn protest, zo stelde Barth, richtte zich tegen de door de Duitse kerkregering vertegenwoordigde leer van de Duitse Christenen, die hij typeerde als dwaalleer. Als gevolg van machtsmisbruik was zij tot de heersende leer in de kerk geworden. Hij besefte dat de leer van de Duitse Christenen het resultaat was van een ontwikkeling sinds 1700 en zijn protest richtte zich daarom tegen het bederf in heel de evangelische kerk. Bewust zette zijn protest tegen de dwaalleer van de Duitse Christenen niet in bij de Ariërparagraaf, de verwerping van het Oude Testament of de christologie van de Duitse Christenen. Dit verzet was fundamenteel van aard, het raakte de bron van alle dwaalleer, namelijk de overtuiging dat er naast de Schrift ook natuur en geschiedenis een bron van godskennis zou zijn. Een protest tegen het machtsmisbruik van de Duitse Christenen moest zich niet beperken tot individuele misstappen van de kerkregeringen, maar moest de rechtmatigheid van die kerkregeringen als zodanig bestrijden. Om effectief te zijn moest men het eens zijn over het wezen en het geheel van de ziekte der kerk. In zijn laatste stelling sloot hij andersdenkenden uit. Wie het op een van de door hem geopperde punten niet eens was, behoorde zelf tot de Duitse Christenen en zou een serieuze kerkelijke oppositie niet mogen storen.

Uit teleurstelling over het feit dat zijn radicale koers geen navolging vond, richtte Barth zich in de weken daarna op de gemeenten in het Rheinland om in preken en voordrachten aan hen duidelijk te maken, waarvan hij de theologen niet had kunnen overtuigen, aldus Veen. Het waren deze kerken die begin januari in Barmen samenkwamen in een ‘freie reformierte Synode’, ook wel bekend als de synode van Barmen-Gemarke. Deze nam een verklaring van de hand van Barth aan, waarin zij zich keerde tegen wat zich op kerkelijk en theologisch gebied afspeelde.

Zie K. Immer, Freie reformierte Synode zu Barmen-Gemarke am 3. und 4. Januari 1934. Vorträge, Verhandlungen, Entschließung (Wuppertal-Barmen 1934) 20-34. De verklaring is ook opgenomen in Karl Barth, Gottes Wille und unsere Wünsche (München 1934) 9-15.

Hij werd verzonden aan de rijkskanselier, de rijkspresident en de rijksminister van binnenlandse zaken. Bij de rijksbisschop werd geprotesteerd tegen zijn ingrijpen in het kerkelijk jeugdwerk. De volgende dag stelde ook de Reformierter Bund für Deutschland zich achter deze verklaring. Otto Weber, die had aangestuurd op een compromis met de Duitse Christenen, stelde zich niet herkiesbaar als bestuurslid. Zijn plaats werd ingenomen door Barth.

Deels ontleend aan J.J. Buskes Jr., ‘De gereformeerden in Duitschland’ Woord en Geest, 2 februari 1934, deels aan Karl Barth, Gottes Wille und unsere Wünsche , 9-15.

In deze thesen namen de kerken afstand van enkele fundamentele theologische overtuigingen van de Duitse Christenen. Natuur en geschiedenis waren voor hen geen bron van godskennis, het Oude Testament werd van net zoveel belang voor het geloof geacht als het Nieuwe Testament, de kerk had een kritische taak ten opzichte van de overheid, ze was niet de dienstknecht van de staat, ze had haar eigen vorm en eigen boodschap, van een Führerprincipe kon in de kerk geen sprake zijn, de gedachte aan een Rijkskerk werd afgewezen.

Persoffensief in het Hersteld Verband

Kort na het drama in het Sportpalast nam Buskes de afgewezen verklaring van Barth in Woord en Geest op.

J.J. Buskes Jr., ‘Het protest van Karl Barth’, Woord en Geest, 8 december 1933. Hij vermeldt ten onrechte dat de stellingen ontleend zijn aan Für die Freiheit des Evangeliums (München 1933 = Theologische Existenz Heute,no 2). Zie onder noot 7.

De Rotterdamse predikant E.L. Smelik vroeg er in Het Kerkblad aandacht voor. ‘Zal het protestantisme in Duitsland zelfstandig blijven?’

E.L. Smelik, ‘Zal het protestantisme in Duitschland zelfstandig blijven?’, Het Kerkblad, 7 januari 1934.

Smelik meende dat Barths bestrijding van het ‘Duitse systeem’ niet voor tweeërlei uitleg vastbaar was en hij verwachtte dat Barth wel spoedig Duitsland zou worden uitgezet. Tenzij het Hitlerregime in het reformatorisch protestantisme een macht zou vermoeden waarmee niet te spotten viel.

Van Barmen was in dit artikel geen sprake, maar het was op zijn minst een gelukkige coïncidentie dat Smelik zijn artikel over Barths verzet in dezelfde week publiceerde als de vergadering te Barmen plaatsvond. Verder is van belang te constateren dat Smelik besefte dat Barths theologische stellingname politieke consequenties zou hebben. Die mening werd niet door iedereen gedeeld, en anderen hadden juist om die reden bezwaar tegen het optreden van Barth. In de komende maanden zou deze verschillende perceptie van Barth herhaaldelijk aanleiding zijn voor discussie in de HV-pers.

Korte tijd later liet Buskes opnieuw van zich horen, in Woord en Geest ging hij in op de situatie van de Duitse kerken door aandacht te vragen voor een brochure van Barth, Die Kirche Jesu Christi.

J.J. Buskes Jr., ‘De strijd om de vrijheid van het evangelie in Duitschland’, Woord en Geest, 19 januari 1934; K. Barth, Die Kirche Jesu Christi (München 1934 = Theologische Existenz Heute, no 5).

In het Voorwoord van die brochure vroeg Barth aan het buitenland om terughoudendheid en benadrukte hij dat zijn oppositie geen politieke oppositie was. Het ging om een theologische dwaling, die evenzeer de buitenlandse als de Duitse kerken bedreigde.

Barth, Die Kirche Jesu Christi, 3- het bijzonder vanaf bladzijde 7.

Was het strategie, om zijn handen vrij te houden? Om het regime op afstand te houden?

Zo A.A. Spijkerboer in een commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

Of sprak er een zekere naïviteit uit? In ieder geval voor Smelik en Buskes was het onmogelijk om de politieke consequenties van dit theologisch standpunt niet te zien.

Van Roon, Protestants Duitsland en Nederland 1933-1941 (Utrecht/Antwerpen 1973, 227, die verwijst naar Leidstersblad, mei 1934 waarin Buskes zich in deze zin uitsprak, maar het is van meet af aan de mening van Buskes geweest.

Buskes sprak de hoop uit dat Barth niet tot compromissen zou komen.

Nog steeds was niet over Barmen-Gemarke gesproken, maar een week later verscheen in Woord en Geest een vertaling van de Barmer Verklaring.

‘De gereformeerden in Duitsland en het Nationaal-socialisme’, Woord en Geest, 26 januari 1934, overgenomen uit de NRC van 21 januari 1934.

Weer een week later ging Buskes op de betekenis van deze verklaring in.

Buskes, ‘De gereformeerden in Duitschland’, Woord en Geest, 2 februari 1934.

Hij riep de lezers op met de gereformeerden in Duitsland mee te leven, ‘niet uit politieke overwegingen. Maar om zuiver geestelijke motieven’.

In deze weken moet het plan gerezen zijn om als Hersteld Verband een sympathieverklaring te doen uitgaan.

Zie hierover G. van Roon, Protestants Nederland en Duitsland 1933-1934, 53-57.

Te laat om het voorstel rond te zenden, werd het kort voor de classisvergadering in Het Kerkblad opgenomen.

Het Kerkblad, 11 februari 1934.

In datzelfde nummer werd een vertaling opgenomen van het voorwoord dat Barth schreef bij Die Kirche Jesu Christi, waarvoor Buskes in Woord en Geest al eerder aandacht had gevraagd.

J.J. Buskes Jr., ‘Een woord van Karl Barth voor ons in Nederland’, Het Kerkblad, 11 februari 1934. De vertaling was overgenomen uit De Stuwing. Maandblad voor Nederland en Nederlandsch-Indië, uitgaande van de Amsterdamsche Maatschappij voor Jongemannen.

Barth verklaarde daarin aan zijn buitenlandse lezer nadrukkelijk dat zijn verzet geen politiek karakter had. Hij verzette zich tegen een bepaalde theologie die bij het nationaalsocialisme zijn toevlucht had genomen. Niet uit onverschilligheid ten aanzien van staat en maatschappij, maar omdat de eigenlijke beslissingen ook over staat en maatschappij in de kerk vallen. De kerk moet nuchter en zakelijk kerk zijn. Daar ging het hem om, zonder zijdelings een politieke oppositie te bedoelen. Dit gezegd zijnde stelde hij vervolgens dat het evangelie in de Duitse kerk vervangen was door een aan de staat aangepaste ideologie. Het buitenland moest echter niet denken dat dat alleen in Duitsland voorkwam, het was een thema waar iedere kerk voor kwam te staan. Tot zover Smeliks weergave van Barth. Het lijkt een dubbelzinnige boodschap. Enerzijds zei Barth expliciet dat hij geen politieke oppositie op het oog had, anderzijds wees hij erop dat de eigenlijke beslissingen in de kerk vallen.

Het kan geen toeval zijn dat dit stuk in Het Kerkblad werd gepubliceerd kort voor de classisvergadering waarop over het voorstel van Rotterdam zou worden gesproken. Men wist dat de verhouding tussen kerk en politiek in HV kringen gevoelig lag. Op diezelfde vergadering lag er een voorstel ter tafel van Hilversum om uit te spreken dat het met het oog op het geestelijk welzijn der kerken gewenst was dat predikanten zich zouden onthouden van het openbaar propaganda maken voor enige politieke partij. Dat voorstel was het jaar daarvoor rondgegaan bij de kerken. Eerder al was de verhouding tussen kerk en politiek in Amsterdam-Centrum een probleem geweest en ieder wist dus van de gevoeligheden.

Zie H. Langeveld, Protestants en progressief. De Christelijk-Democratische Unie 1926-1946 (’s Gravenhage 1988) 367-368.

Verder merk ik op dat deze hele kwestie zozeer een zaak naar het hart van Buskes was, dat het haast niet voorstelbaar is dat Smelik en de kerk van Rotterdam hier op eigen houtje hebben gehandeld. Maar van enig overleg tussen Smelik (of de kerk van Rotterdam) en Buskes heb ik geen sporen gevonden. Overigens schreef Buskes niet alleen over de situatie in Duitsland, hij sprak er ook over op allerlei samenkomsten. Hij was bijvoorbeeld op 8 februari 1934 te gast op de gemeentevergadering van de Gereformeerde Kerk (in Hersteld Verband) te Haarlem. De afgevaardigden van Haarlem gingen goed voorbereid naar de classisvergadering.

Een verslag van deze avond in Het Kerkblad, 18 februari 1934, ‘Kerk en Staat. En hun verhouding’, ondertekend door D.

Aan Buskes zou het niet liggen als het voorstel van Rotterdam het niet haalde.

Voorlopige classis

Zo kwam de kwestie op de voorlopige classis.

Zie Het Utrechts Archief, Archief Hersteld Verband, inventarisnummer 2, Notulen classis, 14 februari 1934.

Blijkens de notulen werd er stevig over het voorstel gediscussieerd. De gevoeligheden blijken uit wat genotuleerd werd. Men wilde zich niet met de interne kerkelijke aangelegenheden van de Duitse kerken bemoeien, laat staan een uitspraak doen over de huidige Duitse staat. Het ging om een geestelijke verbondenheid met de betrokken kerken. Het voorstel werd aangenomen, in die zin dat men in principe akkoord ging met een dergelijke sympathiebetuiging en dat er een deputaatschap werd benoemd, bestaande uit de predikanten J.G. Geelkerken, J.C. Aalders en L. Nieuwpoort, dat een brief zou ontwerpen en deze voor commentaar aan de kerken zou doen toekomen. Tevens drong de vergadering erop aan dat de kerken zich bewust zouden worden en zich zouden inleven in de geestelijke strijd van de gereformeerde kerken in Duitsland.

Na dit besluit bleef de aandacht voor Duitsland de gemoederen in HV-kring bezighouden. Geen wonder. Nu was het de tijd om de kerken te beïnvloeden. Alle kerken van het Hersteld Verband moesten immers hun goedkeuring nog hechten aan de brief. Maar niet alleen medestanders van Barth als Buskes kregen een plaats in Woord en Geest. Iemand die een tegenovergestelde positie innam was ir C.G. Meeder, die zich al eerder had doen kennen als een aanhanger of op zijn minst een sympathisant van het fascisme.

Zie hierover Ben van Kaam, Parade der mannenbroeders, 195.

Hij bestreed dat de vrijheid van de kerk in het geding was.

C.G. Meeder, ‘De strijd in de Duitsche Kerk’, Woord en Geest, 23 februari 1934.

Evenmin ging het zijns inziens om een strijd tussen orthodoxe protestanten tegen de van hoger hand gesteunde Duitse Christenen, die zouden streven naar de suprematie in de Duitse kerk. En hij bestreed de gedachte dat het zou gaan om de vrijheid van de evangelieverkondiging omdat de Duitse Christenen het Oude Testament verwierpen. Wat dat laatste betreft, beriep hij zich op Otto Weber, die meende dat dit slechts gebeurde door een klein deel van de Duitse Christenen. Met een beroep op de Pfarrernotbund stelde Meeder dat de oppositie geenszins tegen de staat was gericht, maar alleen tegen enkele ‘radicale en moderne dwaalleringen’ zoals die in bepaalde kringen werden gepropageerd. De Nederlandse berichtgeving over de situatie in Duitsland werd zijns inziens gekenmerkt door bemoeizucht, met vaak een averechts effect, zoals gebleken was uit lot van de Joden. In dit verband beriep hij zich op Die Kirche Jesu Christi, waarin Barth zich in het voorwoord richtte tot het buitenland met de oproep om toch vooral terughoudend te zijn in het beoordelen van de kerkelijke situatie. De redactie van de rubriek ‘Kerkelijk leven’ (ds. H.C. van den Brink) voelde zich genoodzaakt te verklaren dat opname van dit artikel geenszins betekende dat de inhoud ook de visie van de redactie weergaf. ‘Hetgeen trouwens onzen lezers genoegzaam bekend kan zijn.’ Een week daarna begon J. Diepersloot aan een vijfdelige serie over ‘dialectische theologie en christelijke politiek’, waarin niet alleen Meeder een antwoord kreeg, maar ook Schilder, die zich in De Reformatie voortdurend tegen Barth keerde.

J. Diepersloot, ‘Dialectische theologie en christelijke politiek’, I-V, Woord en Geest, 2 maart -13 april 1934. Zie over Schilder en Barth G. Harinck, De Reformatie. Weekblad tot ontwikkeling van het gereformeerde leven1920-1940 (Baarn 1993) reg. i.v.

Buskes vroeg in datzelfde nummer onder meer aandacht voor de afzetting van Niemöller en gaf twee citaten van Hitler, die voor zichzelf spraken.

J.J. Buskes Jr, ‘Ds Niemöller’, Woord en Geest, 2 maart 1934; ‘Staat en kerk in Duitschland’, Woord en Geest, 2 maart 1934; ‘De kerk in Duitschland’, Woord en Geest, 2 maart 1934

In het eerste citaat horen we Hitler zeggen dat de staat van de kerken eist dat deze hem alle steun verschaft die hij nodig meent te hebben. In het tweede citaat spreekt hij de verwachting uit dat de kerken de nationaalsocialistische staat met achting zullen bejegenen. Daar mocht Meeder – tegen wie dit ongetwijfeld gericht was- het mee doen.

In Het Kerkblad van 4 maart wijdde Nieuwpoort een artikel aan de kwestie.

L. Nieuwpoort, ‘Een belangrijk besluit’, Het Kerkblad, 4 maart 1934.

Hij kondigde daarin aan dat de kerken binnenkort een conceptbrief aan de Duitse kerken konden verwachten voor commentaar. Hij sprak daarbij de hoop uit dat geen enkele kerkenraad het zou nalaten zijn goedkeuring daaraan te hechten. Voor alle zekerheid verklaarde hij dat de kerken zich niet wilden bemoeien met binnenlandse politieke of kerkpolitieke zaken van Duitsland. Hij verwees daartoe naar Barth, die gesteld had dat het niet ging om een protest tegen de nationaalsocialistische staat, maar tegen een theologische dwaling. Dat de kerken hadden uitgesproken niet alleen een sympathiebetuiging te willen zenden, maar ook hun volkomen instemming hadden betuigd stemde hem dankbaar. De kerken hadden beseft dat het om een buitengewoon ernstige zaak ging. Het betrof geen interconfessionele verschillen, het ging om het onderscheid tussen de ware en de valse kerk. De verklaring van Barmen-Gemarke was een belijdenis uit de nood geboren.

J.C. Aalders reageerde op deze kwalificatie, ‘Maatgevende belijdenis’, Het Kerkblad, 18 maart 1934.

De brief aan Barmen-Gemarke

De volgende dag, 5 maart, verzonden deputaten hun voorstel met een begeleidende brief naar de kerken.

Het ontwerp was van de hand van Geelkerken. Zie Historisch Documentatie Centrum Vrije Universiteit (HDC), Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1937, waarin allerlei correspondentie over deze zaak is opgeborgen. Daaronder ook het ontwerp van de conceptbrief.

Met andere woorden: toen de kerken de conceptbrief hadden ontvangen, was het iedereen nog eens opnieuw duidelijk gemaakt dat het niet om een politieke actie ging. De kerken kregen twee weken de tijd om te reageren. Deden ze dat niet, dan gingen deputaten ervan uit dat men het met hen eens was. Een week later werd de verklaring van Barmen-Gemarke in Het Kerkblad afgedrukt, Van den Brink gaf enkele weken later nog wat uitleg over de ‘vrije synode’ van Barmen.

Het Kerkblad, 11 maart 1934, ‘De verklaring van de Gereformeerde Kerken in Duitschland’ en Het Kerkblad, 8 april 1934 H.C. van den Brink, ‘Wat was de ‘vrije synode’ van Barmen?’, overgenomen uit de Overtoomsche Kerkbode. Aan de enige mij bekende serie van de Overtoomsche Kerkbode ontbreekt het jaar 1934. Ik weet dus niet in welk nummer dit artikel oorspronkelijk verschenen is.

De conceptbrief luidde als volgt.

Ik vond de begeleidende brief bij het concept in het archief van de Hervormde Gemeente te Hilversum, berustende bij het Streekarchief Gooi en Vechtstreek (SAGV). Onder de aanduiding ‘archiefvormer is daarin opgenomen de Gereformeerde Kerk van Hilversum (in Hersteld Verband). Zie inventarisnummer 306, Adres aan de Evangelisch-Reformierte Gemeindenbevat de conceptbrief en de daarbij behorende correspondentie. In Van Roon, Protestants Nederland en Duitsland, 329, noot 257, staat dit inventarisnummer nog vermeld als 201, een aanduiding uit een vroegere inventaris.

Hooggeachte broeders in onzen Heer Jezus Christus,

Met ontroering en dankbaarheid volgen de Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband) Uw strijd voor de vrijheid van het Evangelie en de zuiverheid der kerk, in de vaste overtuiging, dat Uw strijd, vrij van alle politieke bijoogmerken geenszins een oppositie is tegen de tegenwoordige staatsorde in Uw land, doch een zuiver geestelijke strijd tegen een theologische gronddwaling, die de waarheid van het Evangelie aantast in haar wezen en de kracht der kerk tot op den wortel verwoest en dat deze strijd Uwerzijds voortspruit uit diepgevoelde verantwoordelijkheid voor de verkondiging van het Woord Gods, welke aan de kerk is toevertrouwd.

Wij bidden U in dezen strijd toe de genade van onzen Heer Jezus Christus om tot het einde toe trouw te mogen blijven.

Daarnaast gevoelen zij zich van Godswege geroepen om uit te spreken, dat zij de Verklaring door U afgelegd op Uw “Vrije Synode” te Barmen den 4en Jan. l.l. geheel overeenkomstig de waarheid der Heilige Schrift achten en daarom er van harte mee instemmen.

Vooral omdat zij zich bewust zijn, dat dit insluit de erkenning, dat de strijd, dien Gij te strijden hebt, niet een toevallige dwaling in de Duitsche kerk betreft, maar een gemeenschappelijke nood en een gemeenschappelijk gevaar der geheele Christelijke kerk in onze dagen. Een nood en een gevaar, welke vroeg of laat voor elke Christelijke kerk, die dit in waarheid wil zijn, even acuut kunnen worden als thans voor U het geval is.

Wij zijn er daarom van overtuigd, dat Gij ook voor ons dien strijd strijdt en wij met U denzelfden strijd zullen hebben te strijden voor de zuiverheid en de vrijheid van de kerk van Jezus Christus, gebouwd op het fundament van Apostelen en Profeten.

Wij leven in het vertrouwen, dat al onze gemeenten er steeds dieper van doordrongen zullen worden, dat deze betuiging van medeleven in Uw strijd en van instemming met Uw verklaring ons onder verantwoordelijkheid jegens den Heer der kerk plaatst om tegen genoemde gronddwaling als tegen een gemeenschappelijk gevaar en een gemeenschappelijken nood der gansche Christelijke Kerk onzer dagen op onze hoede te zijn en wij erkennen het als onze plicht om haar in de kracht des Geestes door middel van diepe bezinning op het Woord Gods te ontdekken en in al haar vormen te bestrijden.

Wij verklaren U voor het aangezicht van den Heer der kerk, dat het onze oprechte bede is om ook onzerzijds door Gods genade trouw te mogen zijn in het bewaren van de zuiverheid van het Evangelie en ons belijden en van de vrijheid der Kerk van Jezus Christus naar binnen en naar buiten en wij sterken ons daarbij, in de gemeenschap der heiligen, aan Uw voorbeeld van trouw en aan de waarheid van Uw moedig getuigenis, die ons, bij allen ernst der tijden en de velerlei redenen tot droefheid en zorg, toch ook zoo bovenmate dankbaar en vreugdevol stemmen.

De genade van onzen Heer Jezus Christus zij met U allen.

De meest kerken reageerden instemmend, enkele hadden wat commentaar op de gekozen formulering, maar geen van de kerken was tegen de brief.

Reacties in HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1937. Opvallend was dat G. Ubbink, predikant te Tienhoven en Utrecht persoonlijk reageerde. Hij bepleitte de brief niet te versturen om de NSB-ers in de kring van het HV niet voor het hoofd te stoten. Zie HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1934, 19 maart 1934, van G. Ubbink aan deputaten Barmen.

De kerk van Hilversum had de uitdrukkelijke voorwaarde dat men bij publicatie in de pers de gehele inhoud ervan op zou nemen.

HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1934, 15 maart 1934, van de kerkenraad van Hilversum aan deputaten Barmen.

Toen bleek dat het concept was gewijzigd, reageerde men geïrriteerd.

HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1934, 12 april 1934, van de kerkenraad van Hilversum aan deputaten Barmen.

De raad verkeerde in de veronderstelling dat hij uitdrukkelijk gesteld had dat het adres gepubliceerd en verzonden zou worden zoals het als concept hem was toegezonden (wat onjuist was). Daar hadden deputaten zich niet aan gehouden. De ‘vaste overtuiging dat Uw strijd vrij van alle politieke bijoogmerken geenszins een oppositie is tegen de tegenwoordige staatsorde in Uw land’ was namelijk weggelaten. Men was er van overtuigd dat het een zuiver geestelijke strijd was, zo heette het nu.

De Nederlandse en de Duitse tekst zijn opgenomen in Het Kerkblad, 1 april 1927 en zijn gedateerd 27 maart 1934.

Geelkerken -die deze en een andere wijziging zelf had aangebracht

Zie HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1934, 22 maart 1934, van J.G. Geelkerken aan L. Nieuwpoort en J.C. Aalders (afschrift).

– verdedigde de wijziging met een beroep op de opdracht van de classicale vergadering, die sprak over een ‘genoegzame eenparigheid’ als voorwaarde voor verzending. Men had onder meer rekening gehouden met opmerkingen van Amsterdam-Zuid en Utrecht. De raad van Zuid had gemeend dat de gewraakte passage in feite niets anders was dan een citaat van Karl Barth en als zodanig niet steunde op een uitspraak van de betroffen kerken. Door hem te laten staan, zo was opgemerkt, zou men zich juist in de kwestie van kerk en politiek mengen. Een tweede wijziging was aangebracht op instigatie van de kerk van Utrecht, die geconstateerd had dat de gronddwaling niet nader omschreven werd, hetgeen aanleiding zou kunnen geven tot misverstand. De term werd weggelaten en er werd verwezen naar de verklaring zelf. De geestelijke strijd betrof niet langer een strijd tegen een ‘theologische gronddwaling’, die de waarheid van het evangelie in haar wezen aantastte, het was een zuiver geestelijke strijd tegen ‘de in Uwe Verklaring van 4 januari 1934 genoemde dwalingen’.

SAGV, Archief GK (in HV) Hilversum, inventarisnummer 306, Adres, 17 april 1934, van deputaten Barmen aan de kerkenraad van Hilversum.

De kerkenraad van Hilversum bestreed dat deputaten hiermee aan de opdracht van de classis hadden voldaan. De argumentatie van Amsterdam-Zuid achtte hij niet geloofwaardig en men was van oordeel dat de mening van Amsterdam-Zuid maatgevend was geweest voor 24 andere kerken.

Binnen het Hersteld Verband was de kerk van Amsterdam-Zuid de grootste en de rijkste, die fors bijdroeg aan het in stand houden van dit voortdurend noodlijdend kerkverband. Regelmatig hadden de kleinere kerken de indruk dat Amsterdam-Zuid die machtspositie misbruikte.

De raad vroeg deputaten opnieuw een brief aan de kerken in Duitsland te schrijven met de mededeling dat de kerken zich van alle politieke bijoogmerken wilde onthouden en dat de bedoeling van de adhesie geenszins was geweest oppositie te uiten tegen de bestaande staatsorde.

HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1934, 26 april 1934, van de kerkenraad van Hilversum aan deputaten Barmen.

Deputaten meenden echter juist gehandeld te hebben. Terecht stelden ze dat Hilversum niet gezegd had alleen met de tekst van het concept akkoord te kunnen gaan. Aan het verzoek om een tweede brief aan de kerken in Duitsland gaven ze geen gehoor. Indien de kerkenraad van Hilversum daar geen genoegen mee wilde nemen, diende hij zich tot de classis te wenden. Daarmee beëindigden deputaten de discussie met de kerkenraad van Hilversum.

SAGV, Archief GK (in HV) Hilversum, inventarisnummer 306, Adres, 2 mei 1934, van deputaten Barmen aan de kerkenraad van Hilversum.

Om deputaten de pijnlijke situatie te besparen dat zij na een half jaar wellicht alsnog een tweede brief aan de kerken in Duitsland zouden moeten schrijven, deed de kerkenraad van Hilversum dat zelf maar.

HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1934, 23 mei 1934, van de kerkenraad van Hilversum aan deputaten Barmen en 14 mei 1934 van de kerkenraad van Hilversum aan de ‘Evangelisch-Reformierten Gemeinden in Deutschland wie diese in der “Freien Synode” zu Barmen am 4. Januar beisammen waren’ (afschrift).

De brief van de kerken was via Barth aan de betreffende kerken gezonden.

Van Roon, Protestants Nederland en Duitsland, 55, meldt dat de brief in het archief van Barth niet is te vinden. Dat ligt voor de hand, hij was namelijk niet aan Barth gericht. HDC, Archief Geelkerken, doos 52, ‘Archief’, ca. 1932-1934, bevat een kladje in het handschrift van Geelkerken aan iemand die als ‘Professor’ wordt aangesproken met het verzoek de brief bij de betrokken kerken te bezorgen. Het ligt voor de hand dat dit K. Barth was.

Op de volgende vergadering van de classis werd gemeld dat men geen reactie had ontvangen. Daarna wordt er niets meer over de zaak vernomen.

Naspel

Met dat de brief verzonden was, was niet direct alle aandacht voor Duitsland verdwenen. Diepersloot was nog niet klaar met zijn beschouwingen over de dialectische theologie en de politiek en diende Meeder in een hartstochtelijk betoog van repliek. Er was maar één conclusie mogelijk: het theologisch protest van Barth was naar zijn inhoud een oordeel over het nationaalsocialisme zelf.

Diepersloot, ‘Dialectische theologie en christelijke politiek’, II, Woord en Geest, 9 maart 1934.

Nieuwpoort was wat voorzichtiger. ‘Wie zich uit partijpolitieke sympathie of antipathie interesseert voor de Duitse kerkstrijd, speelt gevaarlijk spel’. Dat wilde Nieuwpoort wel aan Meeder toegeven.

Nieuwpoort, ‘De strijd in de Duitsche kerk’, I-IV, Woord en Geest, 16 maart – 6 april 1934, aldaar I, 16 maart 1934.

Het ging om een ‘zuiver geestelijke geloofsstrijd’, om fundamentele vraag: Wat is openbaring? Deze discussie werd tot strijd toen de Duitse Christenen zich onder bescherming van de staat meester maakten van de kerk. Meeder liet het er niet bij zitten en wees Diepersloot erop dat Barth expliciet afstand had genomen van een politieke interpretatie van zijn oppositie. Hij beriep zich daarbij op het bovengenoemde geschrift van Barth, Die Kirche Jesu Christi, wat hij uitvoerig citeerde.

C.G. Meeder, ‘Ook dialectische Politiek?’, Woord en Geest, 23 maart 1934.

Hij wilde niet aannemen dat Barth de consequenties van zijn eigen theologie niet zou hebben doorzien. Bovendien was er niet alleen door Barth maar ook door anderen gewaarschuwd tegen een politieke misvatting van de kerkelijke oppositie. Dit was voor Nieuwpoort aanleiding om een artikeltje aan de NSB te wijden.

L. Nieuwpoort, ‘De kerk en de Nationaal Socialistische Beweging’, Woord en Geest, 30 maart 934.

Hij was er mordicus tegen dat de kerk die beweging moest bestrijden en beschuldigde de GKN ervan dat alleen maar te doen uit politieke motieven. En nog veel minder gaat het aan de nationaalsocialistische staat te bestrijden. Op zich zijn dictatuur, parlementarisme en democratie zaken die buiten het evangelie om gaan. Maar de grenzen zijn daar waar de staat zich met het kerkelijk leven gaat bemoeien, waar de staat vraagt om een religieuze rechtvaardiging en waar de staat eisen stelt aan de kerk die zij omwille het evangelie niet kan inwilligen. Maar daar ging Barmen niet over. Barmen-Gemarke maakte zijns inziens volstrekt helder dat het nooit Barths bedoeling is geweest politieke oppositie te voeren. Natuur en genade, staat en kerk, ideologie en evangelie, politieke en kerkelijke strijd lagen voor Barth op verschillend vlak.

Buskes was wijs en deed alsof zijn neus bloedde. Hij schreef over het verzet van Niemöller, die ondanks zijn afzetting bleef preken, en over de Westfaalse synode die door de Gestapo uiteen werd gejaagd. Hij meende dat ze recht hadden op onze steun. Dat had zijns inziens niets van doen met politiek, maar wel met de kerk van Jezus Christus en haar strijd tegen de machthebbers van deze eeuw.

J.J. Buskes Jr, ‘De strijd om de vrijheid van het evangelie in Duitschland’, Woord en Geest, 30 maart 1934.

Geen theoretische discussie over wat Barth al dan niet zou hebben bedoeld, maar direct naar het gewone leven. Daar werd het ware gezicht van de nationaalsocialistische staat zichtbaar. Diepersloot ten slotte antwoordde zowel Meeder als Nieuwpoort.

J. Diepersloot, ‘Ook dialectische politiek’, Woord en Geest, 27 april Woord en Geest van 4 mei 1934 verscheen nog een nabeschouwing, waarin Diepersloot op enkele reacties die zijn artikelen serie had opgeroepen, onder meer de reactie van G.C. Berkouwer.

Hij bestreed dat we volgens Barth met elke ordening van het maatschappelijk leven vrede zouden kunnen hebben en beklemtoonde dat Barth zijn oppositie vrij wilde houden van politieke motieven en niet op politieke gronden met de staat in conflict wilde komen. Feitelijk echter lag in zijn strijd tegen de Duitse Christenen de afwijzing van de staat besloten. Met Nieuwpoort was hij het eens, maar hij meende dat er inderdaad sprake was van grensoverschrijdingen. In dat verband wees hij er op dat Barth in dezelfde brochure die door Meeder was aangehaald, ook had gezegd dat de eigenlijke beslissingen in de kerk vallen, niet in de staat.

Slotopmerkingen

De Gereformeerde Kerken in Nederland (in Hersteld Verband) vormden het enige kerkverband in Nederland dat in 1934 een openlijke sympathiebetuiging stuurde. Zo schreven ze geschiedenis.

Zie Van Roon, Protestants Nederland, 13-57.

De publicaties uit deze kring laten tevens zien hoe men Karl Barth en de kerkstrijd interpreteerde: enerzijds als een strijd om het rechte verstaan van het evangelie, met alle consequenties die dat voor staat en maatschappij met zich mee bracht, anderzijds als een theologie die alleen voor de kerk zelf van belang was. Men had daarbij in eigen kring zeer beslist te maken met NSB-ers, die kerk en politiek graag gescheiden wilden houden en gevoelig waren voor alles wat zweemde naar kritiek op Duitsland.

Zie behalve Van Kaam, Parade der mannenbroeders, ook J.J. Buskes Jr., Hoera voor het leven (Amsterdam 1963) 173-180. Nader onderzoek is hier gewenst.

Over het antwoord op de vraag of aan de verklaring van Barmen-Gemarke politieke consequenties verbonden dienden te worden, kon eigenlijk geen twijfel bestaan. De verklaring van Barmen-Gemarke was een veel duidelijker verklaring dan de beroemd geworden Barmer Thesen die in mei van dat jaar werden aangenomen. Niet alleen de theologie van de Duitse Christenen werd afgewezen, inclusief een expliciete verwijzing naar het Oude Testament en de afwijzing van de rassentheorie, maar ook de staat werd kritisch benaderd, ja, dat was zelfs de roeping van de kerk. Dat sommigen in de kring van het HV Bart a-politiek interpreteerden kan alleen maar verstaan worden uit een politieke naïviteit of een afkeer van Barths socialistische stellingname. Nieuwpoort was veel optimistischer over de situatie in Duitsland dan Buskes en Diepersloot.

Dat brengt mij tot de vraag naar het grote verschil tussen de verklaring van Barmen-Gemarke en de Barmer Thesen. Wellicht hangt dit samen met het feit dat deze synode van Barmen louter uit gereformeerden bestond, die vanouds meer afstand tot de staat kenden dan de lutheranen. Maar daar staat tegenover dat aan de vrije synode die op 18 en 19 februari 1934 te Barmen samenkwam en die de stellingen van 4 januari overnam, ook lutheranen en ‘unierten’ deelnamen.

Meier, Der evangelische Kirchenkampf, I, 167, en Beckmann, Rheinische Bekenntnisssynoden im Kirchenkampf, 59-90.

Een andere reden zou kunnen zijn dat Barths houding bepaald werd door de voortgang van de ontwikkelingen in de verhouding tussen kerk en staat in Duitsland. Hij zocht brede steun voor zijn kerkelijke oppositie en was misschien bereid daarvoor compromissen te sluiten. Vertrouwde hij erop dat zijn theologisch uitgangspunt over de ene gestalte van de openbaring duidelijk genoeg was? In ieder geval dunkt mij dat de receptie en interpretatie van de Barmer Thesen niet losgemaakt kan worden van de receptie en interpretatie die de verklaring van BarmenGemarke ten deel was gevallen. Men wist in Nederland heel goed dat de theologie van Barth politieke implicaties had.

Dat Barth ook anders werd geïnterpreteerd blijkt wel uit de afwijzende reacties op Barths weigering om de eed op Hitler af te leggen. ‘De Nederlandse barthianen die Barmen hadden omarmd’ konden deze politieke wending van Barth niet mee maken, zo meent Harinck, ‘De ontvangst van de Barmer Thesen in Nederland, 1934-, in: Harinck (red.), 75jaarBarmer Thesen, 13, met een verwijzing naar Algemeen Weekblad, 28 december 1934. Wie Harinck op het oog heeft, is niet duidelijk. Zie verder Van Roon, Protestants Nederland en Duitsland, 213-233.

De grote verschillen vragen om uitleg en interpretatie, alleen zo krijgen we zicht op de strekking van de Barmer Thesen.

Anders Harinck, ‘De ontvangst van de Barmer Thesen in Nederland’, in: Harinck (red.), 75 jaar Barmer Thesen.

Ondanks vorenstaande was er in de Nederlandse kerkelijke pers aanvankelijk weinig aandacht voor de Barmer Thesen. Harinck lijkt hij te verklaren uit het feit er in 1934 geen sprake was van een politieke interpretatie van deze thesen. Barmen was een binnenkerkelijke aangelegenheid en viel niet op als iets bijzonders.

Harinck, ‘De ontvangst van de Barmer Thesen in ’, in: Harinck (red.), 75 jaar Barmer Thesen, 11 en 15-16; Zie ook G. Harinck , Tussen Barmen en ( Amstelveen 2003).

Opmerkelijk is dat H.H. Kuyper niet alleen de Barmer Thesen in De Heraut opnam, maar ook commentaar gaf. Weliswaar was vanuit Barmen beweerd dat men zich niet tegen Hitler of het nationaalsocialisme wilde keren, zo stelde hij, maar wie de Thesen nauwkeurig las, kon de oppositie tegen de beginselen van het nationaalsocialisme niet kon ontgaan.

H.H. Kuyper, ‘De eerste vrije Rijkssynode en de zes evangelische waarheden’, De Heraut, 17 juni 1934. De Heraut had in het algemeen veel meer aandacht voor de situatie in Duitsland dan De Reformatie., dat onder redactie stond van K. Schilder. Schilder bestreed de theologie van Barth en schreef over de NSB, over de kerkstrijd in Duitsland zweeg hij bijna geheel, aan Barmen wijdde hij geen woord. Over het HV en de -groep Herngreen, Een handjevol verkenners 105-107.

Ongetwijfeld was dit ook de interpretatie van Buskes en Diepersloot. Zij hebben Barths theologische stellingname zoals die onder meer tot uitdrukking kwam in de eerste stelling van de Barmer Thesen, altijd gelezen als een stellingname met grote consequenties voor het sociale en politieke leven waar dit een christelijk tintje had.

Dat laatste neemt niet weg dat in de kring van het Hersteld Verband de aandacht voor de Duitse kerkstrijd na de brief aan de Duitse gereformeerde kerken, doofde. Er was meer dan een jaar of langer relatief weinig aandacht voor de Kirchenkampf, in 1935 ging de aandacht onder meer uit naar de Oxford Groep, die in het HV veel aanhangers had, Buskes schreef nauwelijks meer in Woord en Geest.

In Het Kerkblad is er midden 1935 iets meer aandacht, vooral in kleine bijdragen van redacteur H.A. van den Hoven van Genderen. Van Buskes bestaat geen bibliografie, De Jongh, Buskes, heeft geen oog voor het gering aantal bijdragen van Buskes aan Woord en Geest in 1934/1935.

In dat opzicht is er niet veel verschil met wat Harinck in andere christelijke bladen constateerde. Wellicht moet de oorzaak hiervan gezocht worden in het feit dat er, tot de verbanning van Barth in het najaar van 1935, weinig spectaculairs gebeurde in de verhouding tussen kerk en staat in Duitsland. Het nieuwtje was eraf, en dat is voor de pers meestal reden om de aanacht ergens anders op te richten. Of misschien had Berkhof meer gelijk dan hij van Harinck krijgt. Deze interpreteerde de geringe aandacht voor Barmen als gevolg van sympathie voor het nationaalsocialisme, het optreden van het Nederlands christelijk persbureau, de hervormde afkeer van dolerende neigingen, gebrek aan voorlichting en gereformeerde afkeer van Barth.

Harinck, ‘De ontvangst van de Barmer Thesen in ’, in: Harinck (red.), 75 jaar Barmer Thesen’, 15, noot 29, met een verwijzing naar H. Berkhof , ‘De Barmer Thesen in ’, In de Waagschaal, 30 mei 1964.

Ik voeg daaraan nog toe dat de interne kerkelijke strijd in zowel de hervormde kerk als de gereformeerde kerken ongetwijfeld ook veel aandacht en energie vergde. Gereformeerden waren op weg naar een nieuwe kerkscheuring, hervormden hadden hun handen vol aan de reorganisatie van de kerk.

Bijlage

Erklärung über das rechte Verständnis der reformatorischen Bekenntnisse in der Deutschen Evangelischen Kirche der Gegenwart.

I.Die Kirche in der Gegenwart

Angesichts der kirchlichen Ereignisse des Jahres 1933 gebietet uns das Wort Gottes, Buße zu tun und umzukehren. Denn in diesen Ereignissen ist ein die evangelische Kirche seit Jahrhunderten verwüstender Irrtum reif und sichtbar geworden. Er besteht in der Meinung, daß neben Gottes Offenbarung, Gottes Gnade und Gottes Ehre, auch eine berechtigte Eigenmächtigkeit des Menschen über die Botschaft und die Gestalt der Kirche, d.h. über den zeitlichen Weg zum ewigen Heil, zu bestimmen habe.

Dieser Irrtum ist derselbe wie der Irrtum der Papstkirche und der Schwärmerei, gegen den sich das reformatorische Bekenntnis richtet. Wenn die evangelische Kirche ihm erliegt, so hat sie aufgehört, evangelische Kirche zu sein. Er muß heute, auch in seinen feinsten und reinsten Gestalten, als Irrtum festgestellt und bekämpft – dem alten Irrtum muß das alte Bekenntnis mit neuer Freudigkeit und Bestimmtheit entgegengestellt werden.

Angesichts der Einheit, in der dieser Irrtum heute in die Erscheinung getreten ist, sind die in der einen Deutschen Evangelischen Kirche zusammengeschlossenen Gemeinden aufgerufen, unbeschadet ihrer lutherischen, reformierten oder unierten Herkunft und Verantwortung, aufs neue die Hoheit des einen Herrn der einen Kirche und darum die wesentliche Einheit ihres Glaubens, ihrer Liebe und ihrer Hoffnung, ihrer Verkündigung durch Predigt und Sakrament, ihres Bekenntnisses und ihrer Aufgabe zu erkennen.

II.Die Kirche unter der Heiligen Schrift

Die Kirche hat ihren Ursprung und ihr Dasein ausschließlich aus der Offenbarung, aus der Vollmacht, aus dem Trost und aus der Leitung des Wortes Gottes, das der ewige Vater durch Jesus Christus, seinen ewigen Sohn, in der Kraft des ewigen Geistes, als die Zeit erfüllt war, ein für allemal gesprochen hat.

Die Kirche hört das ein für allemal gesprochene Wort Gottes durch die freie Gnade des Heiligen Geistes in dem doppelten, aber einheitlichen und in seinen beiden Bestandteilen sich gegenseitig bedingenden Zeugnis des Alten und des Neuen Testamentes, das heißt in dem Zeugnis des Mose und der Propheten von dem kommenden, und in dem Zeugnis der Evangelisten und Apostel von dem gekommenen Jesus Christus.

Die Kirche lebt durch die freie Gnade des Heiligen Geistes davon und darin, daß sie, indem sie das Zeugnis der Heiligen Schrift im Glauben aufnimmt und im Gehorsam weitergibt, die Strenge und die Barmherzigkeit, die Ehre und die Menschenfreundlichkeit des dreieinigen Gottes erkennt und verkündigt.

III.Die Kirche in der Welt

Die Kirche ist in der Welt. Sie bekennt sich in der Nachfolge des fleischgewordenen Wortes Gottes rückhaltlos zu der ganzen Not des von Gott gut geschaffenen, aber in Sünde gefallenen und unter dem göttlichen Fluch stehenden Menschen. Sie vertraut und sie gehorcht allein der eben diesem Menschen in Jesus Christus widerfahrenen Barmherzigkeit. Sie wartet nach Gottes Verheißung auf einen neuen Himmel und eine neue Erde, in welchen Gerechtigkeit wohnt.

Die Kirche anerkennt nach Weisung des Worts Gottes dankbar, daß der Wandel der Menschheitsund Völkergeschichte, die politischen, philosophischen und kulturellen Versuche des Menschen unter der Anordnung des göttlichen Befehls und der göttlichen Geduld stehen. Sie begleitet sie darum mit der ernsten Anerkennung ihres zeitlichen, bestimmten und begrenzten Rechtes mit ihrer Fürbitte, aber auch mit der Erinnerung an Gottes Reich, Gesetz und Gericht, mit der Hoffnung auf ihn, der alles lenkt, um alles neu zu machen.

Die Kirche ist in der Welt unter der Heiligen Schrift. Sie dient dem Menschen und dem Volk, dem Staat und der Kultur, indem sie hinsichtlich ihrer Botschaft und ihrer Gestalt dem ihr vorgeschriebenen Worte Gottes und seinen heiligen Geist gehorsam zu sein bemüht ist.

IV.Die Botschaft der Kirche

Der Auftrag der Kirche besteht darin, in Auslegung und nach Maßgabe des prophetisch-apostolischen Zeugnisses an Christi Statt und also seinem eigenen Wort und Werk dienend, durch Predigt und Sakrament die Botschaft von Gottes nahe herbeigekommenen Reich auszurichten: Gott der Schöpfer hat sich seiner Geschöpfe, Gott der Versöhner hat sich der Sünder, Gott der Erlöser hat sich seiner geliebten Kinder in freier Gnade angenommen.

Die freie Gnade, in der Gott sich unser annimmt, ist die in der Kraft des Heiligen Geistes sich erfüllende Verheißung der Gegenwart Jesu Christi als des Herrn, der für uns Knecht geworden, um unser altes Leben in den Tod zu geben und unser neues Leben an das Licht zu bringen.

Die Gabe der Gnade ist unsere Zugehörigkeit zu Jesus Christus: In ihm sind wir gerechtfertigt durch das Wunder des Glaubens, der immer wieder die in ihm geschehene Vergebung unserer Sünde annimmt. Und in ihm sind wir geheiligt durch das Wunder des Gehorsams, der sich immer wieder unter das Gericht und unter die Weisung des von ihm kommenden Gebotes stellt.

Unser durch den Heiligen Geist in Jesus Christus begründetes und von ihm jeden Tag neu zu erbittendes Leben im Glauben und im Gehorsam wartet auf seine Erlösung durch den kommenden Herrn: in der Auferstehung der Toten, durch das Gericht und zum ewigen Leben.

V.Die Gestalt der Kirche

Die Kirche Jesu Christi ist die sichtbar und zeitlich gestaltete Wirklichkeit der durch den Dienst der Verkündigung vom Herrn selbst berufenen, versammelten und getragenen, getrösteten und regierten Gemeinde und die ebenso sichtbar und zeitlich gestaltete Wirklichkeit der Einheit solcher Gemeinden.

Die Gestalt der Kirche ist dadurch bestimmt, daß ihre äußere Ordnung ebenso wie ihr inneres Leben unter der Verheißung und unter dem Befehl Jesu Christi als des alleinigen Herrn der Kirche steht. Die Gemeinden tragen einzeln und in ihrer Gesamtheit vor ihm die Verantwortung dafür, daß der Dienst der Verkündigung, der Dienst der Aufsicht und die die Verkündigung begleitende Dienste der Lehre und der Liebe in ihrer Mitte ihre berufenen Träger finde und von diesen recht ausgeübt werde.

Die Kirche Jesu Christi ist, was ihre Botschaft und ihre Gestalt betrifft, eine und dieselbe in den verschiedenen Zeiten, Rassen, Völkern, Staaten und Kulturen. Das Recht kirchlicher Verschiedenheiten da und dort steht und fällt damit, daß sie mit der Einheit ihrer Botschaft und Gestalt vereinbar sind.

Die Kirche erkennt im Staate auf Grund der Weisung des Wortes Gottes die Anordnung des göttlichen Befehls und der göttlichen Geduld, kraft welcher der Mensch es versuchen darf und soll, im Rahmen seines Verständnisses von Vernunft und Geschichte, verantwortlich dem Herrn aller Herren Recht zu finden und mit Gewalt aufzurichten und aufrecht zu erhalten. Die Kirche kann dem Staat dieses sein besonderes Amt nicht abnehmen. Sie kann sich aber auch ihr eigenes Amt nicht vom Staate abnehmen, sie kann ihre Botschaft und ihre Gestalt nicht vom Staat her bestimmen lassen. Sie ist, gebunden an ihren Auftrag, grundsätzlich freie Kirche in dem in der Bindung an seinen Auftrag grundsätzlich ebenso freien Staat.

Am Nachmittag, nach dem Vortrag von Pfr. Niesel, nahm die freie reformierte Synode die Erklärung von Karl Barth mit folgender Entschließung an.

Die zu einer freien reformierten Synode versammelten 320 Ältesten und Prediger aus 167 evangelischen Gemeinden Deutschlands bekunden, daß die von ihnen gehörte durch Herrn Professor Dr. Barth verfaßte Erklärung über das rechte Verständnis der reformatorischen Bekenntnisse in der Deutschen Evangelischen Kirche der Gegenwart die Wahrheit der Heiligen Schrift bezeugt und nehmen sie dankbar auf ihre Verantwortung.

Die Hauptversammlung des Reformierten Bundes für Deutschland am 5 Januar 1934 nahm folgende Entschließung an:

Der Reformierte Bund hat mit Dank an der Versammlung der freien reformierten Synode am 3 und 4 Januar 1934 teilgenommen. Er weiß sich mit ihr im Kampf um die Kirche ihren Dienst und ihre Gestalt einig und wird gemäß der gestern angenommenen Erklärung allen Versuchen, die Botschaft der Kirche zu hindern, abzuschwächen oder zu verkehren unbewegt widerstehen, mögen diese Versuche kommen woher sie wollen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken