Menu

Premium

De goede moordenaar

‘Niet slecht, zo’n leven. Zoals die goede moordenaar, zo wil ik het ook wel hebben’, zegt een van mijn pastoranten tijdens een groepsgesprek in het huis van bewaring waar ik werkzaam ben. ‘Ben je gek?! Dan weet je niet wat een kruisdood is’, zegt een ander verbaasd. ‘Ik bedoel,’ hervat de eerste, ‘er lekker op los leven. Je kunt er een zooitje van maken. Je kunt doen en laten wat je maar wil. En vervolgens krijg je het paradijs. Nou?!’ ‘Als je het zo bekijkt, zegt weer een ander, dan heb je wel een punt. Tijdens je leven krijg je – op welke manier dan ook – alles, en na je dood ook. Daar wil ik Jezus ook wel om vragen.’

Het lijdensverhaal van Jezus is een verhaal waarop altijd weer veel reacties komen. Voor de meeste ingeslotenen die deelnemen aan de groepsgesprekken en die naar de kerkvieringen gaan in de justitiële inrichting, is dit gedeelte uit het evangelie niet onbekend. Alles wat er gebeurt rond Jezus in die laatste uren van zijn leven komt heel nabij als je vastzit in een huis van bewaring, als je zelf ook nog voor de rechtbank moet verschijnen. Het verhaal over het snelrechtproces waarin Jezus is terechtgekomen, over de veroordeling die hij over zich heen krijgt en over de directe uitvoering van de liquidatie aan een kruis spreekt dan erg tot de verbeelding. Het wordt gevoeld tot in de ziel.

In het evangelie volgens Lucas is er daarnaast het gedeelte over ‘de goede moordenaar’ (Luc. 23:32-43). Zo’n benaming alleen al spreekt tot de verbeelding. Geen wonder dat iemand gaan zeggen: ‘Zo wil ik het ook wel hebben. Tijdens je leven krijg je alles, en na je dood ook.’ Dan volgt bijna als vanzelf de opmerking: ‘Daar wil ik Jezus ook wel om vragen.’

De goede weg

Maar waar vraagt die zogenaamde goede moordenaar eigenlijk om? En wat weten we van hem? Had hij in zijn leven alles wat hij wilde? Misschien. Misschien was hij een groot misdadiger die zware delicten had gepleegd. Wie zal het zeggen? In ieder geval geeft hij in het bijbelverhaal toe dat hij de straf verdient die hij nu ondergaat: de kruisdood. Tegen de andere misdadiger aan het kruis zegt hij: ‘Wij krijgen wat we verdiend hebben voor onze daden.’ Hij vindt dat hij en zijn medegedetineerde een terecht vonnis ondergaan.

De goede moordenaar spreekt open en eerlijk. In het laatste gesprek in zijn leven maakt hij er geen ‘zooitje’ van. Bekering is allesbehalve er een zooitje van maken! ‘Er is in de hemel meer vreugde om één zondaar die zich bekeert dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben’ (Luc. 15:7). Het is de bedoeling dat ieder mens in zijn leven de goede weg gaat. De goede moordenaar weet die goede weg te vinden aan het kruis. Op welk moment in het mensenleven dat geschiedt, maakt voor de vreugde in de hemel niet uit. En als wij (lezers/hoorders van het verhaal over de goede moordenaar) er moeite mee hebben dat deze mens, die wellicht het geweld niet heeft geschuwd en die zich bekeert aan het einde van zijn leven, hetzelfde zal ontvangen als degene die zijn hele leven de goede weg bewandelt, tja, dan is dat ons onchristelijke probleem, en moeten we de gelijkenis over de arbeiders in de wijngaard (Mat. 20:1-16) nog maar eens tot ons door laten dringen.

Twee goede daden

‘Ik gun hem dat paradijs best’, zei weer een pastorant toen we het verhaal over de goede moordenaar van meer nabij bekeken. ‘Ik zit er niet mee dat hij het paradijs krijgt na een leven als recidiveklant. Ik zit er veel meer mee dat als ík me bekeer, ik dat serieus moet doen en ik vervolgens niet meer op pad met een schroevendraaier in mijn binnenzak.’ ‘Zou iemand die zich eerder bekeert, het moeilijker hebben dan iemand die dat pas doet op het einde van zijn leven?’ vraag ik. ‘De goede moordenaar begaat geen enkele misstap meer, ’ antwoordt de pastorant, ‘hij vervolgens krijgen waar hij om vraagt: het paradijs.’

Het paradijs. Dat belooft Jezus hem inderdaad: ‘Vandaag nog zult gij met mij zijn in het paradijs.’ Maar de goede moordenaar vraagt niet om het paradijs. Waarom zou hij daarom vragen? Hij realiseert zich maar al te goed dat hij daar geen recht op heeft volgens zijn daden. Het heil waarop hij hoopt, hij niet claimen op grond van wat hij heeft gedaan. Hoewel, er zijn op het einde van zijn leven twee daden die hem sieren: hij vindt dat hij op grond van zijn daden terecht aan het kruis hangt, en hij wijst de andere misdadiger terecht wanneer deze de draak met Jezus steekt. Vervolgens vraagt hij Jezus om aan hem te denken. De goede moordenaar vraagt om gedachtenis: ‘Jezus, denk aan mij.’ Waarom zou nog aan deze misdadiger gedacht moeten worden? Hij heeft niets uit zijn eigen verleden om tot gedachtenis te stellen. Wellicht is hij zich daar ten diepste van bewust. Hij vraagt dan ook niet om aan zijn daden terug te denken. Maar vraagt: ‘Denk aan mij.’ Dat kan hij vragen. Denk aan mij, schepsel, beeld en gelijkenis van God. En dat niet alleen. Denk aan mij: schepsel, beeld en gelijkenis van God, die erkent dat hij fout zit.

Je ziet zijn naam en roept hem. Of hij is
wat daar nog bij staat of wat Schriftgeleerden
daarnet nog honend over hem beweerden,
je weet het niet, je roept hem op de gis.

Denk aan mij als je thuiskomt in je rijk.
Jezus. Thuis. Rijk. Je roept maar, vreemde dingen,
die in je toegeknepen keel opspringen,
wanhopig, in het wilde weg, – en kijk:

Hij tilt zijn hoofd op en zijn ogen zoeken
de jouwe in de menigte van vloeken,
waardig en zeker, als een eerbewijs.

Vandaag nog, zegt hij (en zijn stem gaat breken)
Samen (maar ook zijn ogen blijven spreken)
Zullen we wonen, in het paradijs.

Michel van der Plas, uit De goede moordenaar, Vreemdeling op doortocht, Utrecht: Ten Have 2002.

De goede moordenaar zit wel in een heel benarde situatie om aan deze erkenning nog daden te koppelen, maar – en dat mag niet vergeten worden – de erkenning zélf is al de eerste goede daad. Vervolgens wijst hij nog een ander terecht. Twee goede daden, die – ook al vraagt hij er niet om – tot gedachtenis gesteld zouden kunnen worden.

Doen wat je kunt

Jezus antwoordt de goede moordenaar met de woorden: ‘Heden nog zult gij met mij zijn in het paradijs.’ Eindelijk is er in het evangelie volgens Lucas een man die uit vrije beweging Jezus niet in de steek laat. Die niet wegrent. Die hem niet verloochent. Die niet gevorderd hoeft te worden. In het evangelie volgens Lucas blijven alleen de vrouwen Jezus trouw op zijn lijdensweg. Vlak voor de tekst over de goede moordenaar ontmoet Jezus hen. Deze vrouwen laten Jezus níét vallen. Zij kunnen weliswaar niets anders dan alleen maar wenen, maar dat doen ze. De goede moordenaar lijkt in dit opzicht op de wenende vrouwen van Jeruzalem. Hij doet ten goede wat hij kán doen ten goede.

Koninkrijk

In het antwoord dat Jezus de goede moordenaar geeft, spreekt hij over het paradijs. Jezus, die op grond van zijn koninklijke claim is veroordeeld, spreekt hier niet over een koninkrijk. De soldaten hebben het zojuist wel gedaan: ‘Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf.’ En in het eerstvolgende vers na deze uitroep staat dat er nog een opschrift boven Jezus hangt, in diverse talen zelfs: Dit is de koning van de Joden. Jezus gebruikt in zijn antwoord aan de goede moordenaar het woord ‘koninkrijk’ niet. Het koninkrijk van Jezus is namelijk heel wat anders dan het koninkrijk waar de soldaten over schreeuwen en waar Pontius Pilatus aan denkt en over laat schrijven. Het koninkrijk van Jezus is voor ons bijvoorbeeld nog te horen in een bede van de Latijnse versie van het Onzevader: adveniat regnum tuum (uw koninkrijk kome). We bidden niet dat het ‘imperium’ mag komen (ook wij zouden beter kunnen bidden ‘uw koninkrijk kome’ dan ‘uw rijk kome’). Jezus, die wel het slachtoffer van dat imperium is, gebruikt een woord dat doet denken aan de hof van Eden: het paradijs. Zoals de vraag van de goede moordenaar begrepen kan worden via de scheppingstheologie, zo is ook in het antwoord van Jezus een terugverwijzing naar de schepping hoorbaar.

Er is nog iemand die niet over ‘koning’ of ‘koninkrijk’ spreekt. Het is de zogenaamde slechte moordenaar. Hij spreekt over ‘messias’: ‘Zijt Gij niet de messias? Red dan uzelf en ons.’ In de penibele situatie waarin de slechte moordenaar verkeert, heeft hij een redder nodig. Een koning is een reddende figuur, maar het woord ‘messias’ legt nog meer de nadruk op heil. Een ultieme heilbrenger zou in deze uitzichtloze situatie misschien nog wel de oplossing kunnen zijn.

Spreken de soldaten alleen over ‘red uzelf’, de slechte moordenaar vraagt om ‘red uzelf en ons’. Er zijn drie gekruisigden. Dus als een van de gekruisigden zichzelf kan redden, waarom dan ook niet meteen de andere twee? De woorden ‘en ons’ zouden uitdrukking van een ultieme poging kunnen zijn om als terechtgestelde misdadiger onder het doodvonnis uit te komen.

De woorden ‘en ons’ triggeren de goede moordenaar om te reageren. Met het ‘en ons’ wordt immers ook hij bedoeld. En daarom neemt hij het woord. Ook hij gebruikt de eerste persoon meervoud: ‘Wíj krijgen wat wíj verdiend hebben.’ Vervolgens richt hij zich tot Jezus. Hij spreekt hem met zijn naam aan: ‘Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw koninkrijk gekomen zijt.’ In tegenstelling tot de slechte moordenaar gebruikt de goede moordenaar wel het woord ‘koninkrijk’. Maar hij vraagt niet om dat koninkrijk.

Stel dat deze gekruisigde, die wij ‘de goede moordenaar’ noemen, als misdaad een moord op zijn geweten heeft en terecht door ons ‘moordenaar’ wordt genoemd, dan gaat het over iemand die andermans leven heeft afgebroken en daardoor nu zelf zijn leven gaat verliezen, maar vervolgens door zijn bekering zijn verloren leven wint. Hij heeft de doodstraf gekregen en hij zal, net zoals Jezus, sterven aan een kruis. Maar omdat hij zich bekeert, kan hij Jezus vragen om hem te gedenken. Door de dood heen zal hij gered worden: ‘Vandaag nog zult gij met mij in het paradijs zijn.’

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken