Menu

Premium

De goede tijd en de goede aarde

Biddag (Prediker 3,1-13 en Marcus 4,1-9)

De lezingen zijn duidelijk ingegeven door het thema Biddag. ‘Er is een tijd om te planten en een tijd om te rooien,’ zegt Prediker. Wij bidden dat het nu de juiste tijd is om te planten en te zaaien. We bidden dat God deze tijd mag zegenen, zodat het zaad in vruchtbare aarde valt, en ons werk vruchtbaar mag zijn.

Tijd, Gods tijd en de eeuwigheid

In het licht van Biddag gaat het om de vraag: wat is de juiste tijd? In Prediker 3,1 worden de Hebreeuwse begrippen zeman en et als synoniemen gebruikt, maar ze hebben doorgaans een andere nuance. Et (Gr.: kairos), wordt de ‘tijd van God’ genoemd. Zeman daarentegen (Gr.: chronos) is de tijd van de wereld.

Het tweede woord dat in dit vers uitgelicht moet worden is chefèts. De lettercombinatie chfts heeft als basisbetekenis ‘ding’. Nu heeft de werkwoordstam de grondbetekenis ‘liefhebben’, terwijl voor het zelfstandig naamwoord de betekenis ‘vreugde’ het meest gangbaar is. Toch geven vertalers van Prediker de voorkeur aan de neutrale betekenis ‘zaak’. Zo vertaalt NBV21: ‘wat er is’. Het zou beter zijn om dichter bij de meest gangbare betekenis te blijven en te vertalen met: ‘en een tijd voor elke goede zaak onder de zon’.

Vers 11 luidt in NBV21: ‘God heeft alles wat er is een goede plaats in de tijd gegeven, en ook heeft Hij de mens inzicht in de tijd gegeven.’ Dit lijkt sterk parafraserend vertaald. Het vers luidt, zo letterlijk mogelijk vertaald: ‘Het geheel heeft Hij mooi gemaakt in zijn tijd (Hebr.: be’itto, dus et met een bezittelijk suffix, derde persoon enkelvoud mannelijk, verwijzend naar God); ook de eeuwigheid (Hebr.: haolam) heeft Hij gegeven in hun hart; zonder dat de mens de daden aantreft (doorgrondt) die God gedaan heeft van het begin tot het eind.’

De tijd in het eerste deel van vers 11 (be’itto) is dus hetzelfde type tijd als de eerder genoemde ‘tijd van God’, de door God bepaalde, kwalitatieve tijd. In het tweede deel van vers 11 wordt het woord ha ‘olam gebruikt, wat in de NBV21 ook vertaald wordt met tijd. Die keuze is begrijpelijk. In het Hebreeuws wordt ha ‘olam vaak gebruikt als ‘eeuwigheid’, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat God de mens inzicht in de eeuwigheid heeft gegeven, bij uitstek zijn domein. Uit het laatste deel van vers 11, de eerste hoofdstukken van Genesis, en ook uit het slot van het boek Job blijkt het tegendeel. Waarschijnlijk is ha ‘olam hier op te vatten als de onbepaalde tijd, wellicht de circulaire tijd van de seizoenen, waarin de mens ook daadwerkelijk inzicht heeft. Van daar dat ha ‘olam hier ook maar met ‘tijd’ wordt vertaald.

Wat is dan de goede tijd? Dat is de tijd van God, die inbreekt in onze eeuwigheid. De tijd van God werkt daarop zowel bevorderend als verstorend met groei en verval, liefde en haat. Wij moeten God erkennen als degene die de tijd van de wereld tot góede tijd maakt, een ruimte waarin we het leven voluit kunnen leven. Tegenwoordig weten we dat tijd en ruimte ook daadwerkelijk beide deel uitmaken van één kosmisch weefsel.

De ellips van het zaad

Ook de evangelielezing Marcus 4,1-9 is met het oog op Biddag gekozen: de gelijkenis van het zaad. Dit is de enige gelijkenis waarvan het evangelie een volledige uitleg geeft. Deze uitleg staat zelf echter niet op het rooster voor Biddag; het gaat vooral om het beeld van de zaaier die zaait en de vraag of het zaad in goede aarde zal vallen.

Het is opmerkelijk dat nergens in de Griekse tekst van deze gelijkenis het zelfstandig naamwoord ‘zaad’ te vinden is. Wel is er de zaaier die zaait: ‘Een zaaier ging eropuit om te zaaien’ (4,2 – NBV21). De vertaling van de NBV04 was hier tamelijk ongelukkig: ‘Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien.’ Ten eerste staat er ho speiroon, ‘dé zaaier’, en niet speiroon tis of anthroopos tis, ‘een of andere zaaier’ of ‘iemand’. Bovendien staat er niet ‘naar zijn land’. Het land wordt pas in vers 8 genoemd, als het góede land. De plekken waar het zaad aanvankelijk belandt, zijn nadrukkelijk niet goed.

Zoals gezegd wordt het woord ‘zaad’ (Gr.: to sperma) niet genoemd. De zaaier en het zaaien zelf (Gr.: to speirein) veronderstéllen het zaad des te sterker. Ook in de volgende verzen wordt het zaad niet genoemd. Er wordt alleen naar verwezen door midden van een bijvoeglijk naamwoord: ‘een ander’ (Gr.: allo) in plaats van ‘een ander zaad’ (Gr.: allo sperma). NBV21 kiest ervoor om dit bijvoeglijk naamwoord aan te vullen met het zelfstandig naamwoord ‘deel’: ‘een ander deel’. Maar waarom? ‘Een ander viel…’ kan toch ook? Het onzijdig enkelvoud van allo laat de interpretatie toe dat het naar slechts een enkel zaadje verwijst. In vers 8 lezen we immers het onzijdig meervoud alla (‘andere’), wat suggereert dat de ándere (zaadjes) – in meerderheid – wel in goede aarde vallen en veel vrucht dragen. We mogen toch wel vertrouwen op de kundigheid van de zaaier?

De stijlfiguur van het weglaten van een woord noemen we ellips. Door weglating kan een woord des te meer aanwezig zijn. Een ander effect is dat wij als lezers al worden voorbereid op de uitleg, dat het niet letterlijk om zaad gaat, maar om onszelf. Wíj moeten immers zelf die goede aarde zijn, zodat het Woord dat als zaad in ons landt, vrucht kan dragen en uitwerking zal hebben in de wereld! De goede tijd en de goede aarde. Dat is waar we op Biddag voor bidden.

Deze exegese is opgesteld door Matthijs de Vries.

Wellicht ook interessant

None

Symposium Genezing na gebed: naar een evenwichtige visie en praktijk?

Huisarts Dick Kruijthoff deed aan de Vrije Universiteit jaren onderzoek naar genezing na gebed. De bevindingen van Kruijthoff en een medisch beoordelingsteam zijn bijzonder: in sommige gevallen traden medisch opmerkelijke genezingen op. Bovendien waren de uitkomsten niet alleen op medisch terrein bijzonder, maar ook de effecten op de persoonlijkheid bleken verrassend. Dick Kruijthoff pleit ervoor om op een fundamenteel andere manier naar dit onderwerp te kijken en om ruimte te laten voor verwondering, juist in onze rationele westerse cultuur.

None

Achtergrondartikel bij het dagboek ‘Samen de hele Bijbel door’

Iedereen zal de vraag herkennen ‘Hoe geef ik de geloofsopvoeding praktisch vorm?’ Deze vraag hebben wij als ouders in ieder geval wel regelmatig onszelf gesteld. Je krijgt geen opleiding om je kinderen op te voeden en je kinderen in het geloof opvoeden is nog weer iets anders. Gelukkig mogen we zelf gevoed worden door het Woord en de zondagse erediensten. Ook zijn er binnen onze gemeente mogelijkheden om onderwijs te ontvangen in de vorm van doopcatechese en de leerdiensten. Wij zijn vanaf jongs af aan begonnen om bij de maaltijden hardop te bidden en een stukje uit de Bijbel, of kinderbijbel, te lezen. Juist het jong beginnen geeft je als ouders houvast en de kinderen gaan er dan ook zelf om vragen als je het zelf vergeet.

Nieuwe boeken