Menu

Premium

De Goudse catechismus

…het rattennest ende den dreckwaghenvan alle ketterijen…

stond er gekleurd op. De classis was er, zo bleek uit de acta van 1619, van overtuigd dat uit de stad weinig goeds kon komen.

A.Th. van Deursen, Bavianen en slijkgeuzen: Kerk en kerkvolk ten tijde van Maurits en Oldenbamevelt, Franeker 1991, 53.

Ook de magistraat van meende in 1617 zeker te weten dat nooit had gedeugd.

G. Baudartius, Memoryen ofte Cort Verhael der Gedenck-weerdichste so kercklicke als werltlicke geheschiedenissen, Arnhem 1624,boek 9,55.

In de ogen van de onverdacht rechtzinnige geschiedschrijver Baudartius was deze stad naast en een bakermat van de remonstranten geweest.

Baudartius, Memoryen,1.

Voornaamste oorzaak van de rechtzinnige afkeer van was de hardnekkige weigering van de eendrachtig samenwerkende magistraat en kerk om de Heidelbergse catechismus te introduceren. Vanaf de jaren tachtig van de zestiende eeuw was de Goudse weigering over de Heidelbergse catechismus te preken bijna een vast punt op de agenda’s van classicale en synodale vergaderingen.

C.C. Hibben, Gouda in Revolt: Particularism and pacifism in the revolt of the Netherlands 1572-1588, Utrecht 1983, 121-129.

Toen in 1607 Gouda een eigen catechismus publiceerde, was voor rechtzinnige predikanten de maat meer dan vol.

J. Tideman, De Goudsche Catechismus, Groningen 1850, 29-39. Het boek verscheen onder de titel: Korte Onderwijsinghe der kinderen, inde Christelijcke Religie, Gouda 1607.

Door middel van geschriften en missiven aan de Goudenaren trachtten zij de invloed van de Goudse catechismus in te dammen en de Goudenaren ertoe te bewegen de Heidelbergse catechismus te gebruiken.

Het Goudse conflict stond niet op zichzelf. Rechtzinnige predikanten zetten alle zeilen bij om landelijk de Heidelbergse catechismus te introduceren. Zij stuitten daarbij echter op grote weerstand en in 1607 stond allerminst vast dat zij zouden slagen in hun streven. De polemiek over de Goudse catechismus was een kortstondige episode in de langdurige schermutselingen over de Heidelbergse catechismus. Pas tijdens de synode van (1618) werd het debat over de Heidelbergse catechismus in het voordeel van de rechtzinnige predikanten beslecht. Dat de rechtzinnige predikanten een dominante positie verwierven was deels te danken aan politieke steun; deels aan hun argumenten. Van hun wijze van argumenteren voor de Heidelbergse catechismus en tegen alternatieve catechismi is hun polemiek tegen de Goudse catechismus een goed voorbeeld. In dit artikel beschrijf en analyseer ik deze rechtzinnige polemiek tegen de Goudse catechismus. Aan de hand van een aantal geschriften laat ik zien van welke argumenten rechtzinnige predikanten gebruik maakten om de Heidelbergse catechismus te introduceren.

Voorgeschiedenis

Vanaf 1568 trachtten opeenvolgende landelijke kerkelijke vergaderingen de Heidelbergse catechismus ingang te doen vinden in de jonge Nederlandse gereformeerde kerk. De opeenvolgende bepalingen werden steeds nauwkeuriger: terwijl in 1568 het convent van Wezel nog stelde dat niet alleen de Heidelbergse catechismus prima bruikbaar was, maar dat andere catechismi eveneens geschikt waren voor het onderricht aan kinderen, bepaalde in 1574 de synode van Dordt dat kerken de Heidelbergse catechismus moesten gebruiken.

Convent van Wezel, november 1568, cap. 3, art 1-3 in: F.L. Rutgers (red.),Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw,’s-Gravenhage 1889, 20-21; Synode van Dordt, juni 1574, art 2 in: Rutgers (red.), Acta, 135, 171.

In 1578 legde de synode ook vast welke vertaling gebruikt moest worden: kerken dienden voortaan de door Datheen vervaardigde vertaling te gebruiken.

Synode van Dordt, juni 1578, cap. 4, art 2 in: (red.),Acta, 247.

In 1586 trok de synode de touwtjes verder aan en bepaalde dat schoolmeesters of de catechismus of de belijdenis moesten ondertekenen. Tevens schreef deze synode de catechismuspreek op zondagmiddag voor.

Synode van Den Haag, juni 1586, art 61 in: (red.),Acta, 501.

In krap twintig jaar was de Heidelbergse catechismus dus hét leerboek van de gereformeerde leer geworden. Tevens was het geschrift uit de Palts uitgegroeid tot een ijkpunt van kerkelijke rechtzinnigheid en geestelijke gezondheid. Tijdens classicale vergaderingen werd het geestelijk peil van een kerkelijke gemeente afgemeten aan het al dan niet gebruiken van de catechismus.

Zie bijvoorbeeld: Classis , 24 april 1582, art 3-12, J.P. van Dooren (red.),Rijks Geschiedhm- dige Publicatiën [afgekort: RGP], kleine serie, deel 49, 72.

Van meet af aan bestond er in de Lage Landen verzet tegen het verplichte gebruik van de Heidelbergse catechismus. bijvoorbeeld tekende bij monde van stadssecretaris Jan van Hout protest aan omdat de synode niet bevoegd zou zijn de catechismus in te voeren.

J.C. Overvoorde, ‘Advies van burgemeesters en gerecht van aan de Staten van over de acta van de in 1578 te gehouden synode, met inleiding’,Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis [afgekort: NAKG] 9 (1912), 137.

ontwaarde achter de synodale bemoeizucht kwade bedoelingen en vreesde dat de synode bezig was ‘een nyen pausdom te doen insluypen’.

Burgemeesters en regeerders van aan Johan Jacobsz, gedeputeerde van Gouda in Den Haag, 30 augustus 1579 (, Gemeentearchief, oud archief, 2838).

, en meenden eveneens dat de synode te veel macht naar zich toetrok.

Hibben, 108-109.

Belangrijke agitator van het verzet tegen de synodale macht was Dirck Volckertsz Coomhert: hij steunde de Leidse protesten tegen het vermeende synodale machtsstreven en toonde in zijn geschriften aan dat de Heidelbergse catechismus vol ‘mercke- lijcke fauten’ stond. Uit deze ‘merckelijcke fauten’ bleek volgens Coomhert dat de gereformeerde kerk niet de ware kerk was. Hij keerde zich met name tegen de leer van de erfzonde die in de Heidelbergse catechismus werd verkondigd: in tegenstelling tot de catechismus meende Coomhert dat een mens in staat was Gods geboden te onderhouden. De polemiek tussen Coomhert en de gereformeerde verdedigers van de catechismus deed dermate veel stof opwaaien dat de Staten zich met de zaak bemoeiden en openbare godsdienstgesprekken organiseerden.

Zie hierover de onuitgegeven dissertatie van M. Roobol, Landszaken. De godsdienstgesprekken tussen gereformeerde predikanten en D.V. Coomhert onder leiding van de Staten van Holland (1577—1583), 2005..

Uit Coomherts verslag van een van deze disputen blijkt dat hij ervan uitging dat aan zijn kant stond.

Coomhert aan een vriend, , 10 november 1583, WW3, 449a.

Coomherts beschrijving van de Goudse sympathie voor zijn zaak was allerminst uit de lucht gegrepen: de classis had enkele jaren voor dit dispuut al geconstateerd dat in het catechismusonderricht aan de kinderen werd nagelaten.

Classis , 8 maart 1575, art 4, RGP, 31.

Nadat Gouda in 1582 de vrijdenker Herman Herberts als predikant had beroepen, werd bijna een vast punt op de agenda van kerkelijke vergaderingen. De Goudse predikant weigerde namelijk over de catechismus te preken en leverde openlijk kritiek op het gereformeerde leerboek. Daar kwam nog bij dat hij sympathiek stond tegenover de beruchte spiritualist David Joris. Laatstgenoemde had tijdens zijn leven het bestaan van de duivel in twijfel getrokken, de opstanding van Christus geïnterpreteerd als een geestelijk proces dat in de gelovigen plaatsvond en keer op keer gepleit tegen het letterlijk nemen van de bijbel. Met zijn opvattingen had hij onder de reguliere kerken dermate veel weerzin gewekt dat Bazel op brede instemming kon rekenen toen deze stad in 1559 besloot David Joris postuum als ketter te verbranden. Toen duidelijk werd dat Herman Herberts in het begin van de jaren tachtig een heruitgave van het Wonderboeck van David Joris steunde, zetten orthodoxe predikanten alles op alles om deze publicatie te voorkomen.

M.G.K. van Veen, ‘ “Grouwelicke blasphemien”: Davidjoristisch élan en gereformeerde onmacht rond ’, De zeventiende eeuw 20 (2004), 220-228.

Evenals Coomhërt meende Herberts dat de wedergeboren mens in staat was Gods geboden volkomen te onderhouden. Wie, zoals de catechismus, leerde dat de mens tot alle kwaad geneigd was, ontnam de gelovigen de motivatie om een deugdzaam leven te .

Herman Herberts, Bekentenisse des gheloofs, 1591, 240r.

Bovendien had God niet sommigen voorbeschikt tot heil en anderen tot de verdoemenis, zoals de Heidelberger schreef: God had alle mensen voorbestemd tot heil. De idee dat God mensen zou voorbeschikken tot de verdoemenis was naar Herman Herberts mening strijdig met zijn liefde:

ghy Godt (dewelcke de liefde is) t’ghene dat den duyvel toecoemt, dat is haet, zijttoeschrijvende, ende noemt also God den duyvel ende den duyvel Godt.

Herbèrts, Bekentenisse, 289v.-

De Goudse predikant meende dat hij het recht had de catechismus te kritiseren. Het was, zo schreef hij, immers een menselijk geschrift met een leer van mensen. Kritiek op dit boek impliceerde dus geen kritiek op de waarheid.

Herberts, Bekentenisse, 249r.

Volgens hem paste zijn stellingname binnen de jonge gereformeerde traditie. Zelfbewust stelde hij de synode voor om de kerk van Zürich over het conflict te consulteren.

Classis en Delfland, 30 juli 1592, aft 1 (P.H.A.M. Abels en A.Ph.F. Wouters, RGP, kleine serie, deel93, 132).

Herberts’ verwijzing naar Zürich sneed hout. In de jaren vijftig was al gebleken dat Calvijn en de reformator van Zürich, Heinrich Bullinger, op ‘het punt van de predestinatieleer verschillend dachten. Laatstgenoemde benadrukte dat God wilde dat alle mensen zalig zouden worden.

C. P. Venema, ‘Heinrich Bullinger’s Correspondence on Calvin’s Doctrine of Predestination , TheSixteenth Century Journal 17 (1986), 438-443.1

Herman Herberts was niet de enige die de ‘Heidelbergse’ predestinatieleer met een beroep op Bullinger kritiseerde. Ook Coomhert verwees zijn gereformeerde opponenten naar Zürich. In een geschrift over de predestinatie-leer beriep hij zich met regelmaat op de bijbelvertaling van Zürich om zijn betoog dat dat een dubbele predestinatieleer een rariteit van gereformeerde rechtzin- nigen was, kracht bij te zetten.

D.V. Coomhert, Van de predestinatie (WW 3,182v).

Zijn gereformeerde opponenten herinnerde hij eraan dat Bullinger en Melanchthon anders over de predestinatieleer dachten dan Calvijn en Beza.

Coomhert, Van de predestinatie (WW 3, 239v).

Het beroep van tegenstanders van de Heidelbergse catechismus op Bullinger was de rechtzinnige predikanten een.doom in het oog. Tijdens de synode van Dordt kregen zij hulp van afgevaardigden uit Zürich, die trachtten aan te tonen dat het beroep van de remonstranten op hun reformator niet terecht zou zijn.

R. Pfister, Kirchengeschichte der Schweiz, Zürich 1974, deel 2, 419-421..

De Goudse onwil om over de catechismus te preken was bepaald geen incident. Vermaard werden de conflicten in Leiden over dezelfde zaak. Problemen in Leiden cirkelden in eerste instantie rond de vraag wie de bevoegdheid had een predikant te beroepen; later kwam daar onenigheid over de catechismus bij.

Zie over het Leidse conflict C.Kooi, Liberty and Religion: Church and State in Leiden ‘s Reformation, Leiden/Boston 2000, 55-101.

De dissidente predikant Caspar Coolhaes meende dat de Bijbel volstond; de catechismus diende zijns inziens om mensen uit te sluiten. Gedreven pleitte hij voor een brede volkskerk onder regie van de overheid.

C. Coolhaes, Een cort warachtich verhael, 1610, 52, 80..

Voor dit kerkmodel beriep hij zich op het voorbeeld van de kerk van Zürich.

[C. Coolhaes], Van die Christelijcke disciplijn, ende excommunicatie ofte ban, het ghevoelen Rodolphi Gwalteii, dienaer der kercken tot , 1585. Zie ook: M.G.K. van Veen, ‘ “De aert van Spaen- sche Inquisitie”: Coomherts opvattingen over de verhouding tussen kerk en staat’, NTT58 (2004), 72.

De problemen in Gouda en Leiden gingen over twee met elkaar samenhangende kwesties: de bevoegdheden van de kerkelijke en stedelijke overheid en over de rol van de catechismus. Coolhaes en Herberts stond een brede volkskerk voor ogen die de gehele stedelijke samenleving omvatte. Een catechismus die een welomschreven leer vastlegde, paste niet bij dat ideaal. In de stedelijke overheden zagen zij natuurlijke bondgenoten om deze nationale kerk gestalte te kunnen geven. Voor beide kwesties beriepen zij zich op Zürich. Zowel bij hun kritiek op de predestinatieleer uit de Heidelbergse catechismus als bij het door hen gepropageerde kerkmodel meenden zij de reformatoren van Zürich aan hun zijde te hebben.

Niet alleen stedelijke magistraten steunden het verzet tegen de invoering van de Heidelbergse catechismus;

Zie boven, noot 10, 11, 12.

ook kerkgangers stonden er dikwijls afwijzend tegenover. De magistraat van Gouda voerde ter verdediging van zijn weigering de catechismuspreek toe te staan, aan dat tijdens catechismuspreken het kerkvolk het massaal liet afweten.

Provinciale synode van Zuid-, september 1597, art. 13, J. Reitsma & S.D. van Veen (red.),Acta der provinciale en particuliere synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620, deel 3, Groningen 1894, 84-85..

Vanuit het andere (rechtzinnige) kamp wordt deze zienswijze bevestigd. De orthodoxe predikant Henricus van de Corput klaagde dat mensen massaal de catechismuspreek links lieten liggen. Volgens hem was dit gebrek aan belangstelling voor de catechismuspreek deels te wijten aan de nieuwheid van het fenomeen: ‘wat men niet wel en kent, daer heeft men so geen lust toe’. Een andere belangrijke oorzaak voor het gebrek aan belangstelling was volgens hem ‘dat de leer (daerinne begrepen) so veel vyanden, ende tegensprekers heeft’.

H. Bastingius, Verclaringe op den catechisme der christelijcker religie,1594 (ook uitgegeven door F.L. Rutgers, 1893), II. Van de Corput schreef de opdracht aan de Staten van Holland en en aan de Heren van Dordrecht bij dit werk.

Voorstanders van de introductie van de Heidelbergse catechismus roeiden duidelijk tegen de stroom in. Nog in 1620 bepaalde de synode van Zuid-Holland dat de catechismuspreek moest worden gehouden, ook als dat betekende dat op zondagmiddag alleen het gezin van de predikant in de kerk zat.

Provinciale synode van Zuid-, augustus 1620, gravamen 7 (Reitsma & Van Veen [red.],Acta, 441).

Orthodoxe predikanten hadden naar eigen besef geen andere keus dan stijf en strak vol te houden aan de Heidelbergse catechismus: Van de Corput vreesde dat door de nalatigheid in het catechismusonderwijs de zuivere leer geheel en al verloren zou gaan.

H. van de Corput aan een onbekende, 22 februari 1584 (Werken der Mamix Vereeniging 3/2, ep. 64, 286-287).

De Leidse hoogleraar Bastingius beschreef de catechismus als dé verdedigingsmuur rond de kerk. Verschil tussen catechismus en bijbel was er volgens hem amper. Wie de catechismus beschouwde als een gewone menselijke leer had het bij het verkeerde eind: ‘het is Gods Woort, na dien het gantsch ende geheel daer mede bewesen wert’.

Bastingius, Verclaringe, XI, XXVIII.

Toen de Goudse catechismus in 1607 op de markt verscheen, liep de twist tussen voor- en tegenstanders over de catechismus hoog op. De onenigheid tussen voor en tegenstanders van de Heidelbergse catechismus was naadloos overgegaan in de bestandstwisten tussen remonstranten en contraremonstranten. Arminius en Gomarus hadden inmiddels het toneel betreden en na lang aarzelen hadden de Staten toestemming gegeven voor een nationale synode teneinde de rust in de kerk te herstellen. De voorbereidende vergadering ten behoeve van deze synode was echter op een mislukking uitgelopen. Aanhangers van Arminius meenden dat een synode de mogelijkheid moest hebben de catechismus en de geloofsbelijdenis te reviseren; voor de aanhangers van Gomarus was deze wens onacceptabel.

D.J. de Groot, ‘De conventus praeparatorius van mei , NAKG 26 (1935), 148-161.

De kerk van Gouda vervolgde in deze jaren de haar vertrouwde koers. Hoewel Herman Herberts in 1607 overleed, bleef de kerk van Gouda dissident. De magistraat had in de achterliggende jaren doelbewust alleen geestverwanten van Herberts als predikant beroepen. In 1598 was Hermboldus Tombergen naar Gouda gekomen en in 1599 was Herberts’ zoon Theodorus beroepen. Deze Tombergen lijkt sympathiek tegenover de beroemde zestiende-eeuwse spiritualist Sebastian Franck te hebben gestaan. Trigland vermeldt in zijn geschiedschrijving dat hij een boek van Franck zou hebben vertaald; de classis Gouda meldt hetzelfde vergrijp. Theodorus Herberts verdedigde voorafgaand aan de synode van Dordt in een polemiek met de Deventer dichter-predikant Jacobus Revius het remonstrantse standpunt over de predestinatie. Samen met andere Goudse predikanten zou hij zich later aansluiten bij de remonstranten. Theodorus zou, mag men de classis Gouda geloven, bovendien net als ooit de bijbelse profeet Elisa hebben gebeden om een dubbele portie van zijn vaders geest.

J. Trigland, Kerckelycke geschiedenissen, 1640, 772; Den Haag, Algemeen Rijksarchief, Oud Synodaal Archief, [afgekort; ARA, OSA] nr 1051, ‘Register vande dachten der contraremonstranten des classis vander Goude tegen Remonstranten’,115. Van het boek van Tombergen ontbreekt (voorlopig) ieder spoor. Zie ook: Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme, deel 1, sv. Herberts schreef tegen Revius Christelijcke verdedigingh ende breeder bewijs nyt de H. Schriftuyr vande leere der gereformeerder kerckendienaren, die men remonstranten noemt, aengaende de godtlijcke predestinatie, 1617. Over de Goudse beroepingspolitiek zie: P.H.A.M. Abels, ‘Van Vlaamse broeders, slijkgeuzen en predestinateurs. De dolerende gemeente van 1615-, in P.H.A.M. Abels ea. (red.),In en om de Sint-Jan, 1989, 75.

Onder leiding van Theodorus Herberts bereikte dë onenigheid met de orthodoxe predikanten een nieuw hoogtepunt. Aanleiding voor deze opvlammende polemiek was de publicatie van de Goudse catechismus in 1607.

De Goudse catechismus

De Goudse catechismus is irenisch van toon. Het boek omzeilt niet alleen de gereformeerde strijdpunten, ook polemiek tegen andere kerken hebben de auteurs achterwege gelaten. In kort bestek worden de gebruikelijke punten uit het catechismusonderricht, sacramenten, de apostolische geloofsbelijdenis en het Onze Vader, behandeld. Evenals de Heidelbergse catechismus is het Goudse leerboek ingedeeld in drie hoofdstukken: ellende, verlossing en dankbaarheid. Achter de antwoorden op een aantal vragen kan men spiritualistische sympathieën van de auteurs vermoeden. Zo wordt in het boekje benadrukt dat het hoogste goed in een mensenleven de vereniging met God is. Ook wordt de lezer op het hart gebonden dat alleen feitenkennis voor een gelovige niet voldoende is. Van een duidelijke spiritualistische tendens is in de Goudse catechismus echter geen sprake. Het lijkt erop dat de opstellers van de Goudse catechismus over de menselijke mogelijkheden optimistischer zijn geweest dan de opstellers van de Heidelberger waren. Op de vraag of de mens Gods geboden volkomen kan onderhouden luidt het antwoord: ‘Neen ick: maer is my noodich dat mij Godt door zijnen Gheest daer toe lust ende cracht gheve, ende in mij werke het willen ende het volbrengen.’

Tideman, Korte Onderwijsinghe, 37.

Op het punt van de predestinatieleer legt de Goudse catechismus een ander accent dan de Heidelbergse catechismus. De Goudse catechismus noemt Gods verkiezing of verwerping namelijk niet als grond voor de zaligheid of de verdoemenis. Volgens de Goudse catechismus worden degenen die geloven zalig; degenen die niet geloven worden daarentegen verdoemd.

Tideman, Korte Onderwijsinghe, 31.

Wie de auteurs van het boekje waren, bleef in eerste instantie verborgen: de catechismus verscheen anoniem bij de Goudse drukker Jacobus Mignoen. Al spoedig werd echter duidelijk dat vader en zoon Herberts samen met Tombergen verantwoordelijk waren voor de publicatie. Op de achtergrond had Arminius een rol gespeeld. De Goudenaren hadden hem voor de publicatie hun geschrift toegestuurd en hij had er zijn goedkeuring aan gegeven,

C. van der Woude, Sibrandus Lubbertus: Leven en werken, in het bijzonder naar zijn correspondentie, Kampen 1963, 180.

Met zijn irenische toon paste de Goudse catechismus uitstekend in het streven van Herman Herberts en de zijnen naar een brede volkskerk. Een groot deel van het boek bestaat uit bijbelcitaten en uit een parafrase van algemeen aanvaarde geschriften zoals het apostolicum en het Onze Vader. In algemene termen worden centrale punten uit het christelijk geloof uitgelegd zonder dat bepaalde opvattingen worden bestreden. Rechtzinnige opponenten van het Goudse initiatief vonden dat de catechismus veel te ruim en algemeen gesteld was. Zij vonden de irenische toon van het boek bepaald geen pre. De onvermoeibare strijder voor de Heidelbergse catechismus en eeuwige oppo-

nent van Coomhërt, Reijnier Donteelock, typeerde het Goudse leerboek kort en krachtig als een ‘schoe, die aen alle voeten past’.

R. Donteelock, Proeve des Gouschen Catechismi,[1607], 28.

Theodorus Herberts verklaarde later voor de synode dat zijn kinderleer alleen voor intern gebruik bestemd was geweest en dat hij exemplaren zou hebben teruggenomen om te voorkomen dat de Goudse catechismus onder de mensen verspreid raakte, maar dat lijkt mij onwaarschijnlijk.

Synode van Zuid-Holland, oktober 1618, art. 13, Reitsma & Van Veen (red.),Acta, 301.

Een aanwijzing voor bredere verspreiding van Herberts’ catechismus levert een brief van een onbekende aan de predikant van Grave, J. Narsius. Deze onbekende stuurde aan de remonstrants gezinde Narsius ‘12 cleyne goutsche boecken’. Omdat het in de rest van de brief gaat over de polemiek van Donteelock tegen de Goudse catechismus, lijkt het mij aannemelijk dat met deze ’12 cleyne goutsche boecken’ de Goudse catechismus is bedoeld.

Brief van een onbekende aan J. Narsius, 11 maart 1608, GB Rotterdam, Bibliotheek van de Remonstrantse Gemeente, 1654.

Andere aanwijzingen voor bredere verspreiding zijn brieven van predikanten die schrijven de Goudse pennenvrucht in handen te hebben gehad.

Van der Woude, 178-180.

Donteelock meldt dat de Goudse drukker naar Delft zou zijn afgereisd om de Goudse catechismus bij de boekverkopers aan de man te brengen.

R. Donteelock aan de gedeputeerden van de particuliere synode van Zuid-, , 1 februari 1608, ARA, OSA, nr. 524, 128.

De Franeker hoogleraar en vooraanstaande contra-remonstrant Sibrandus Lubbertus achtte het geschrift van dermate groot belang dat hij trachtte de raadpensionaris Johannes van Oldenbamevelt tot een uitspraak over het geschrift te verlokken.

S. Lubbertus aan J. van Oldenbamevelt, Franeker, 16 oktober 1608 (Praestantiumac Eruditorum viro- rum Epistolae Ecclesiasticae et Theologicae varii argumenti, Amsterdam 1660, 272).

Contra-remonstrants misnoegen

Rechtzinnige gereformeerden ervoeren de publicatie van het boek als een dolkstoot in de rug en trachtten de invloed van de Goudse catechismus in te dammen. De Zuidhollandse synode sprak zijn ‘miscontentement’ uit en meende dat de kerk van Gouda niet op eigen houtje een eigen catechismus had mogen uitgeven. Gouda zou nu eindelijk eens werk moeten gaan maken van de invoering van de Heidelbergse catechismus.

Provinciale Synode van Zuid-Holland, oktober 1608, art. 12 (Reitsma & Van Veen (red.),Acta, 282283).

Gedeputeerden schreven in opdracht van de synode een brief aan de broeders van Gouda om hen te overtuigen van de dwalingen in de Goudse catechismus en hen te vermanen op hun schreden terug te keren.

Gedeputeerden van de synode van Zuid-Holland aan de broeders van , 13 februari 1608 (ARA, OSA, 524, 135-138).

Tevens reisden twee gedeputeerden, Ruard Acronius (predikant in Schiedam) en Egbert Aemilius (predikant in Leiden), af naar Gouda om te proberen de kerkenraad en de magistraat van die stad te bewegen zich te conformeren aan wat de gedeputeerden zagen als de normale kerkelijke orde. Ten behoeve van dit bezoek hadden de gedeputeerden een door de synode geautoriseerd stuk waarin de misslagen uit de Goudse catechismus stonden opgesomd. Het bezoek aan de kerkenraad liep op niets uit. Volgens de Goudenaren hadden zij niets nieuws in de kerk ingevoerd; introductie van de Heidelbergse catechismus hadden ze uitgesteld tot na de nationale synode. Het bezoek aan de magistraat moet voor de gedeputeerden ronduit onaangenaam zijn geweest. De magistraat verzocht hen namelijk om voortaan niet meer lastig te worden gevallen over.deze zaak.

De stukken van de gedeputeerden zijn bewaard gebleven: ARA, OSA, nr 524, 451-452.

Donteclock reageerde vrijwel onmiddellijk op de Goudse publicatie en schreef een venijnige reactie. Hij vermoedde dat Arminius achter de publicatie zat. Donteclock toonde zich gepikeerd over het moment van publicatie: volgens hem was het geschrift bedoeld om het revisie-verzoek van de Heidelbergse catechismus te steunen.

Donteclock, Proeve, 9. Zie ook: R. Donteclock aan de gedeputeerden van de particuliere synode van Zuid-, , 1 februari 1608, ARA, OSA, nr. 524, 127.

De zojuist genoemde Ruard Acronius, een belangrijk opponent van de remonstranten, klom eveneens in de pen om de Goudse catechismus te bestrijden.

R. Acronius, Onderwijsinghe, door welcke de vragen ende antwoorden des Catechismi der Ghemeynten Christi in Nederlant ende de Palts, ordentlijck, duydtlijck, ende alzoo na. den grondt der Schrifturen ver- klaert worden, dat in de zelve, de summa der gesonder Leere niet alleen begrepen zij, maer ooc als in een spieghel te aenschouwen, klaerlijck voorgestelt wordt, Schiedam 1608.

Bij zijn Nederlandse vertaling van zijn uitleg van de catechismus schreef hij een opdracht aan de Heren van Schiedam. In deze opdracht stond hij stil bij de Goudse catechismus.

Eerder genoemde Lubbertus schreef evenals Donteclock en Acronius een geschrift tegen de Goudse catechismus. Dit geschrift is nooit in druk verschenen en is vermoedelijk verloren gegaan. Wel heeft Lubbertus’ geschrift in de vorm van een handschrift onder gereformeerde predikanten gecirculeerd.

Van der Woude, 178-180.

‘…onnoodighe ende schadelijcke nieuwicheden… ’

In de titel van Donteclocks tractaat wordt gewaarschuwd tegen ‘onnoodighe ende schadelijcke nieuwicheden’. Daarmee is de toon van het debat gezet. Donteclock tracht de indruk te wekken dat de Goudse catechismus een nieuwe leer verkondigt. Dezenieuwe leer zou geënt zijn op wat mensen als Coomhert en David Joris kort daarvoor hadden geleerd. Door een link te leggen naar David Joris suggereert Dohteclock dat de Goudse catechismus een ketters boek is. Deze indruk wordt versterkt door op dubieuze gronden de leer van de Goudse catechismus te “vergelijken met de leer van Pelagius, de beroemde tegenstrever van de kerkvader Augustinus.

Uit het gegeven dat de Goudse catechismus niet stilstaat bij de erfzonde concludeert Donteclock dat de opstellers van de kinderleer het eens zijn geweest met Pelagius. Donteclock, Proeve, 19.

Acronius hanteert in zijn geschrift dezelfde tactiek. De Goudse catechismus was volgens hem een duivels werk. Het was, zo schreef hij, een van de vele pogingen van de duivel om de waarheid omver te stoten. Dat het boek door Jacobus Migoen op de markt was gebracht, zei eigenlijk al genoeg.

Want behalven dat desen drucker (…) een afvallich vande ghemeynte Christi is, die met Pelagio, Celestino, Juliano, ende andere de erf sonde, zijnde de wortel van alle quaedt, verzaeckt, de volkomenheydt in dit leven droomt, ende met vele andere grove misverstanden besmet is, die hy anderen oock geeme inplanten zoude (…) zoo wordt in de zelve catechismo, vande erf-sonde gantsch gheen ghewach ghemaeckt.

Acronius, Onderwijsinghe, ***5r-5v. Jacobus Migoen was van 1607-1609 als drukker actief in . Onverdacht rechtzinnig was zijn fonds inderdaad niet. Zo had hij onder andere enkele werken van Dirck Volckertsz Coomhert uitgebracht. Zie over hem: Dalmatius van Heel, De Goudse drukkers en hun uitgaven, 1951-1953 sv.

Zowel de gedeputeerden als Donteclock zien achter de Goudse catechismus de gestalte van Coomhert opdoemen. De gedeputeerden vermoedden met name Coomherts invloed op het mensbeeld in de Goudse catechismus. Evenals Coomhert was de Goudse catechismus volgens hen te positief over de menselijke mogelijkheden. Op de vraag of een mens Gods geboden volkomen kon onderhouden (vraag 114 uit de Heidelbergse catechismus) was slechts een ronduit ‘neen’ mogelijk. De Goudse catechismus had echter een ‘Comhart- schen greep’ toegepast en gesteld dat men voor het onderhouden van de geboden Gods genade nodig had. Eigenlijk was alleen vraag en antwoord 114 van de Heidelbergse catechismus juist.

ARA, OSA nr 524,468.

In de brief aan de Goudse broeders formuleerden zij hun verwijt algemener: het Goudse optimisme over de menselijke mogelijkheden zou de dwalingen van de perfectisten (mensen die geloofden in het aardse leven een volmaakte staat te kunnen bereiken) versterken.

De gedeputeerden van de synode van Zuid- aan de broeders te , 13 februari 1608, ARA, OSA,nr524, 137.

Donteclock verweet zijn Goudse opponenten eveneens vraag en antwoord 114 uit de Heidelbergse catechismus omwille van Coomhert en andere perfectisten te hebben weggelaten.

Donteclock, Proeve, 19, 27.

Donteclock vermoedt ook op een ander punt de invloed van Coomhert. Volgens hem zijn de opstellers van de Goudse kinderleer expres op tal van punten onduidelijk gebleven: de opstellers zouden een hereniging van alle godsdienstige stromingen in de Lage Landen op basis van de Goudse catechismus onder leiding van de overheid voor ogen hebben.

Donteclock, Proeve, 34.

Met hun poging de verschillen tussen de verschillende kerken toe te dekken zouden ze de ideeën uit Coomherts Middel tot minderinge der secten weer hebben opgepakt. In dit boek uit 1582 had Coomhert gesteld dat als alle verschillende godsdienstige groeperingen genoegen zouden nemen met de bijbel en allerlei menselijke uitleggingen van de Schrift aan de kant zouden schuiven, een einde zou kunnen komen aan de religieuze twisten die het land in zijn ban hielden. Om dat te bereiken zouden mensen gedurende een interim-periode alle commentaren op de bijbel moeten inleveren bij de overheid.

D.V. Coomhert, Middel tot minderinge der secten ende partijschappen staende dese inlantsche oorlogen, tot dat by ghemeene eendracht daer in voorsien sal zijn, [voor 1582] (WW 3, 394v-397r). Donteclock had toen Coomherts geschrift werd gepubliceerd al fel geopponeerd tegen diens voorstel door middel van: R. Donteclock, A. Comelisz, Ondersoeck des onghehoorden middels, onlancx versiert ende wtghegheven van Dirck Volckertsz. Cornhert, Delft 1582.

Andere polemisten tegen de Goudse catechismus hekelen eveneens de vaagheid van het boek, maar brengen dat niet in verband met Coomhert. Acronius meende dat de Goudse kinderleer ‘een genoechsame leest is, daer alle schoenen over passen’.

Acronius, Onderwijsinghe, ***5v.

De synodale gedeputeerden beschuldigden de auteurs van de Goudse kinderleer ervan de verschillen tussen verschillende geloofsgemeenschap te willen maskeren. Punten waarover verschil van mening tussen de gezindheden bestond, zouden ze bewust hebben weggelaten ‘om also te hebben eene catechismum die allen gesintheden even nakome ende geen onderscheet en make tusschen de waerheyt des genen dat ons got in syn woort leert, ende tusschen valsche opinien ende gesintheden van menschen, welcke meniere [!] van leeren evenwel ooc by anderen secten, als papysten wederdooperen ende andere niet en sal gepresen worden, maer allen den libertinen ende vrygeesten sal behagen, die alle onderscheet der leere soecken wech te nemen, onder den decmantel van liefde ende eenicheyt.’

ARA, OSA, nr 524,466.

Zowel Acronius als Donteclock als de synodale gedelegeerden zagen de Goudse catechismus als een aanval op de Heidelbergse catechismus. Volgens de gedelegeerden wekte de Goudse catechismus de indruk dat er iets ‘onschriftmatich’ in de Heidelbergse catechismus zou zijn, ‘waerdoor (…) den lasteraren den mont wort open gedaen, om de leere der gereformeerde kercke te meer te lasteren.’

ARA, OSA, nr 524, 461. Zie voorts: Acronius, Onderwijsinghe,*** 5v; Donteclock, Proeve, 9-10.

Wie de Heidelbergse catechismus aanviel, viel niet zo maar een boek aan, maar viel de reformatie aan. Donteclock beschuldigde de Goudenaren ervan uit te zijn op de verbetering van de Nederlandse geloofsbelijdenis en de catechismus ‘ende volghens een nieuwe reformatie vande religie.’

Donteclock, Proeve, 3-4.

Door niet onverkort vast te houden aan de Heidelbergse catechismus zou men zich bovendien afscheiden van ‘alle andere uytlantsche Gereformeerde kercken met de welcke wy tot noch toe eens zijn geweest in Leere ende Religie, gelijc dat uyt onse Confessie ende Catéchisme ghebleken is’.

Donteclock, Proeve, 33.

Ook Acronius beklemtoont de eenheid die door de Heidelbergse catechismus zou worden belichaamd. Dit boek was, zo wilde hij zijn lezers doen geloven, door alle gemeenten en universiteiten voor schriftmatig verklaard.

Acronius, Onderwijsinghe, ***5v.

De gedeputeerden meenden dat zonder één vastgestelde catechismus en meerdere catechismi in omloop onherroepelijk ‘groote scheuringe ende tweedracht in de kercken deser landen moeten ontstaen.’

ARA, OSA, nr 524, 462.

Zij meenden dat Gouda doende was ‘haer meer en meer af te sonderen van de eenicheyt in de leere van alle andere kercken hier te lande’.

De gedeputeerden van de synode van Zuid-Holland aan de broeders te Gouda, 13 februari 1608 (ARA, OSA nr 524, 135)..

De Heidelbergse catechismus betitelden zij in hun brief consequent als de algemene catechismus.

Opmerkelijk is het verwijt dat de opstellers van de Goudse catechismus zouden hebben volstaan met het citeren van bijbelteksten. Voor een catechismus was dat volgens Acronius niet genoeg: daarin moesten ook de verschillen met allerlei sekten duidelijk worden gemarkeerd.

Acronius, Onderwijsinghe, ***5v.

Donteclock schrijft dat veel bijbelplaatsen onduidelijk zijn en daarom uitleg behoeven. In deze behoefte moet een catechismus voorzien.

Donteclock, Proeve,13-14.

De gedeputeerden meenden dat teksten uit de bijbel door ‘allerleye ketters verscheydelyck worden misduyt’. Een leraar moet zijn leerlingen daarom ook onderwijzen in de juiste uitleg van de Schrift.

De gedeputeerden van de synode van Zuid-Holland aan de broeders te Gouda, 13 februari 1608 (ARA, OSA, nr524, 136).

Uit de bezwaren van de rechtzinnige gereformeerden wordt een ding duidelijk: aan het gezag van de Heidelbergse catechismus viel niet te tomen. Het idee dat de gelovige aan de Schrift genoeg zou hebben, werd door de opponenten van de Goudse catechismus verworpen. De catechismus garandeerde de rechte leer, zorgde ervoor dat mensen de bijbel op de juiste wijze uitlegden, symboliseerde de eenheid met andere kerken, en markeerde het onderscheid met andere geloofsgemeenschappen, tussen waarheid en leugen. Alleen wie vasthield aan de Heidelbergse catechismus, stond in de ogen van rechtzinnige predikanten in de gereformeerde traditie.

Dit traditie-begrip was opmerkelijk. Anders dan mensen als Acronius en Donteclock wilden doen geloven was de Heidelbergse catechismus geen internationaal geaccepteerd belijdenisgeschrift. De kerken uit de Palts gebruikten het; andere kerken zoals bijvoorbeeld in Zwitserland, gebruikten het boek niet. De rechtzinnige predikanten kozen voor een bepaald deel van de gereformeerde traditie. Het was niet voor niets dat Coolhaes en Herberts een beroep deden op Zürich: Zürich representeerde het andere deel van de gereformeerde traditie. Rechtzinnige predikanten schoven dit deel van de gereformeerde traditie echter succesvol aan de kant en wekten de indruk dat alleen zij de vertolkers waren van het gereformeerde geloof. Pregnant wordt de keuze voor een deel van de traditie verwoord door Revius: Hij roemt de strijd van Lutherus, Zwinglius, Oecolampadius ‘tegen. t’Paus-dom ende alle dwalinghen’, maar meent dat ze op verscheidene punten hebben getwist tegen de waarheid.

J. Revius, Schriftuerlijck teghen-bericht van de leere der ghereformeerde kercken, aengaende de Godlij- cke Predestinatie, ende andere aen-clevende poincten. Teghen de dwalinghen der ghener die haer selven Remonstranten noemen, voorgestelt int boecxken van D.H. Herberts, ghenaemt Cort ende claer bewijs, Deventer 1617, 4r.

In de eerder genoemde brief over de twisten in Gouda stelde de magistraat van Amsterdam dat de remonstranten geen beroep konden doen op Anastasius Veluanus. Hoewel zijn Leken wechwyser in de begintijd van de Nederlandse reformatie een grote populariteit had gehad, meende deze magistraat nu dat Veluanus eenvoudigweg niet tot de gereformeerde traditie behoorde.

Baudartius, boek 9, 54. Zie noot 2. Zie voor meer voorbeelden van een dergelijke traditiebegrip: Van Deursen, 230-231; 287.

Mensen als Theodorus Herberts kritiseerden dit traditie-begrip. Zij wezen erop dat de gereformeerde traditie (zo men, zo’n korte tijd na het ontstaan, al spreken kon van een traditie) veelstemmiger was dan Revius en de zijnen wilden doen geloven. In zijn polemiek met Revius beschuldigde Herberts zijn opponent ervan ten onrechte de ‘tijtel van de ghereformeerde kercke voor hem alleen’ op te eisen.

Herberts, Christelijcke verdedigingh, 6.

Dit weerwoord maakte echter weinig indruk. Aanhangers van de Heidelbergse catechismus konden altijd verwijzen naar de verdachte hoek waaruit de kritiek op het gereformeerde leerboek was voortgekomen. Coomhert had niet alleen de Heidelbergse catechismus gekritiseerd; hij had ook geschreven dat de gereformeerde kerk niet de ware kerk was; Herman Herberts had gesympathiseerd met de ‘aartsketter’ David Joris. Voor mensen als Donteclock en Acronius was het niet moeilijk zich te presenteren als de enige ware erfgenamen van de reformatie. Daarbij suggereerden zij dat zij met hun catechismus altijd al een dominante positie hadden ingenomen en dat critici van de catechismus zich afscheidden van de hoofdstroom van de reformatie. Eerder genoemde Lubbertus herschreef in een brief aan de Schotse hoogleraar Andrew Melville de geschiedenis: volgens hem was de Nederlandse Opstand begonnen omwille van de leer zoals die in de catechismus stond beschreven en hadden talloze martelaren met hun bloed de leer van deze catechismus bevestigd.

S. Lubbertus aan W. Melvinus, 1 juli Praestantium et eruditorum virorum epistolae, 238.

Aanhangers van de Heidelbergse catechismus kregen een dominante positie in de Nederlandse publieke kerk door te doen alsof ze altijd al dominant waren geweest.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken