Menu

Basis

De machtsstrijd rond het hogepriesterschap

Gedurende de laatste twee eeuwen van het eerste millennium vóór Christus is de geschiedenis van het hogepriesterschap knap ingewikkeld. Niet alleen zijn er verschillende priesterlijke families die het hogepriesterschap opeisen, maar er is ook de figuur van de meestal buitenlandse politieke leider die hogepriesters kon afzetten, vervangen of in hun waardigheid bevestigen.

Zowel de Seleucidische koningen (opvolgers van Alexander de Grote) die vanaf ongeveer 200 voor Christus het opperbewind voerden over Juda, als de Romeinen die in de eerste eeuw voor Christus invloed uitoefenden over de joden, hebben ingegrepen in de bezetting van het hogepriesterschap. Ook Herodes de Grote (40-44 voor Christus) heeft verschillende hogepriesters vervangen.

Tegelijkertijd vond er in deze periode een radicale innovatie plaats, omdat in de loop van de tweede eeuw voor onze jaartelling de familie van de zogenaamde Makkabeeën (zie onder) niet alleen het hogepriesterschap overnam, maar dat ook nog eens combineerde met het politieke en militaire leiderschap over de joden. De Makkabeeën maakten daarbij handig gebruik van de steeds zwakker wordende positie van de Seleucidische overheersers.

In deze bijdrage gaan we eerst na wie volgens de overlevering de rechtmatige hogepriesters waren aan het begin van deze periode. Deze worden wel aangeduid met de naam Sadokieten, dat wil zeggen: de hogepriesters die de juiste afstamming hadden omdat ze van Sadok afstamden, de hogepriester ten tijde van Salomo. Vervolgens gaan we in op de rol van het Seleucidische bestuur, dat invloed had op de hogepriester. We weten op grond van een recent gevonden inscriptie, dat deze invloed aanzienlijk geweest moet zijn. Ten slotte komt de nasleep van de opstand van de Makkabeeën tegen de Seleucidische koning Antiochus IV (175-164 voor Christus) aan de orde. De Makkabeeën combineerden een tijd lang de hogepriesterlijke en politieke macht.

Sadokieten en de strijd om het hogepriesterschap

Wie feitelijk het hogepriesterschap in Jeruzalem bekleedde, hing af van twee factoren: de goedkeuring van de Seleucidische koning of de Romeinse machthebbers en de uitkomst van een binnen-joodse concurrentiestrijd. Een belangrijk argument bij die strijd was de claim van de afstamming van Sadok, en daarmee de juiste afstamming van Aäron, de eerste hogepriester. De Hebreeuwse naam Sadok roept associaties op met rechtvaardigheid. Sadok was de zoon van Achitub, een nakomeling van Eleazar, de derde zoon van Aäron. Sadok steunde David bij verschillende van diens conflicten en hielp de ark van het verbond over te brengen naar Jeruzalem (1 Kronieken 15,11-13). Hij deed ook dienst in de door Salomo gebouwde Eerste Tempel in Jeruzalem en zalfde Salomo tot koning (1 Koningen 1,28-46). Een belangrijke schakel in Sadoks stamboom is Pinechas, de zoon van Aärons zoon Eleazar. Numeri 25 vertelt hoe Pinechas een einde maakt aan de afgoderij en hoererij van de Israëlieten bij Baäl-Peor, door een zekere Zimri en de Midianitische vrouw waarmee Zimri seks had samen te doden. Op deze wijze maakte hij een eind aan Gods woede over de afvalligheid van de Israëlieten. Hij werd rijkelijk voor deze daad beloond, want zijn familie verkreeg het hogepriesterschap voor altijd (Numeri 25,13; vergelijk Psalm 106,30-31).

De nakomelingen van Pinechas en Sadok hadden zo als het ware automatisch recht op het hogepriesterschap. Deze claim wordt bevestigd door de profeet Ezechiël, die stelt dat de priesters van Sadokitische afkomst loyaal gebleven waren aan God. Zij waren daardoor de rechtmatige hogepriesters die dienst zouden doen in de na de ballingschap herbouwde tempel (Ezechiël 40,45-46; 43,19; 44,15; 48,11). In de eerste decennia van de tweede eeuw voor Christus waren, in lijn met Ezechiëls passages, afstammelingen van Sadok hogepriester in Jeruzalem, maar deze situatie veranderde in de jaren zeventig van die eeuw.

Het tweede boek van de Makkabeeën beschrijft uitgebreid hoe de ene Sadokiet het hogepriesterschap van de andere overneemt in die jaren zeventig (2 Makkabeeën 3–5). 2 Makkabeeën vertelt eerst dat het onder hogepriester Onias III allemaal goed gaat in de tempelstaat waarvan Jeruzalem het centrum vormde. Onias handhaafde de joodse wetten, maar zijn broer Jason, dus ook een Sadokiet, maakte aan die situatie een einde door Griekse gebruiken in te voeren. Jason verwierf het hogepriesterschap voor de grote som geld van 440 zilveren talenten van de Seleucidische koning Antiochus IV (175-164 voor Christus).

2 Makkabeeën schildert Jason af als een booswicht en een landverrader, waarbij de introductie van Griekse gebruiken het springende punt vormt. Voor de koninklijke goedkeuring van deze introductie beloofde hij de koning nog eens 150 zilveren talenten te betalen. Het gaat vooral om de oprichting van een gymnasium in Jeruzalem, toen geen middelbare school, maar een soort sportinstituut, en de invoering van de efebie, een vereniging voor de opleiding van jongemannen van de elite, die trainde in het gymnasium (2 Makkabeeën 4,9). Een andere maatregel van Jason betrof de registratie van inwoners in Jeruzalem vergee als Antiochenen (2 Makkabeeën 4,9.12.19), mogelijk militaire als basis voor het oproepen van jongemannen hogeprie voor militaire dienst, maar waarschijnlijker als grondslag voor de selectie van een elite van burgers van de Griekse stad (polis) Jeruzalem, waarvan het burgerrecht naar Antiochië verwees, de hoofdstad van het Seleucidische rijk. Het is de vraag in hoeverre deze maatregelen werkelijk haaks stonden op de joodse praktijk, maar de auteur van 2 Makkabeeën laat daar geen enkel misverstand over bestaan. Hij beklaagt zich dat de priesters ten tijde van Jason de offers in de tempel verwaarloosden en liever naakt gingen sporten in de worstelschool, een duidelijk bewijs dat het onder deze hogepriester helemaal de verkeerde kant op ging.

Het is ironisch dat aan Jasons hogepriesterschap na drie jaar op dezelfde wijze een einde kwam als aan dat van Onias III. Een zekere Menelaüs, met een onduidelijk afkomst, maar waarschijnlijk geen Sadokiet, verkreeg het hogepriesterschap van de koning door nog aanzienlijk meer geld toe te zeggen, 300 zilveren talenten boven op het bedrag dat Jason geboden had (2 Makkabeeen 4,24).

2 Makkabeeën karakteriseert Menelaüs als een tiran die tekeer kon gaan als een beest (2 Makkabeeën 4,25). Jason probeerde vergeefs met militaire middelen het blijkbaar zeer lucratieve hogepriesterschap terug te krijgen. De machtsstrijd tussen Menelaüs en Jason leidde volgens 2 Makkabeeën tot het keiharde ingrijpen van koning Antiochus IV, met 40.000 slachtoffers in Jeruzalem als gevolg, terwijl nog eens 40.000 inwoners als slaaf verkocht werden (2 Makkabeeën 5,11-14). Menelaüs was de koning verder behulpzaam bij het plunderen van de tempel, waarbij Antiochus maar liefst 1.800 talenten buitmaakte (2 Makkabeeën 5,15-16; vgl. 1 Makkabeeën 1,20-24).

Jason probeerde vergeefs met militaire middelen het zeer lucratieve hogepriesterschap terug te krijgen

Het is onbegrijpelijk dat een joodse hogepriester met een zo grote financiële aderlating van de tempel en het wegvoeren van een deel van de inboedel akkoord kon gaan. Het hogepriesterschap van Menelaüs en zijn plaatsvervanger Lysimachus leidt een schrikbewind in van Koning Antiochus IV, in wiens opdracht vele joden tijdens de sabbat gedood werden (2 Makkabeeën 5,25-26; vgl. 1 Makkabeeën 1,29-40), de tempel omgevormd werd tot een heiligdom van de Griekse oppergod Zeus en in feite omstreeks het jaar 167 voor Christus de gehele joodse godsdienst afgeschaft werd (2 Makkabeeën 6,1-11).

Sommige geleerden twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze berichtgeving, omdat zulke drastische maatregelen door de koning niet plausibel zijn en sommige details weersproken worden door een andere joodse bron die dezelfde periode behandelt: 1 Makkabeeën. Dit boek gaat vooral over een andere familie van hogepriesters, maar alvorens die te bespreken verdient de context van de Seleucidische overheid nog een toelichting.

De rol van het Seleucidische bestuur

2 Makkabeeën suggereert dat de repressie van Koning Antiochus IV in Juda vooral te wijten is aan de interne joodse verdeeldheid, die zich toespitste op het hogepriesterschap en het al of niet volgen van Griekse gebruiken. In 1 Makkabeeën is de koning zelf de hoofdschuldige, omdat hij de joden wilde dwingen over te gaan tot een soort van eenheidsreligie in zijn rijk. Beide boeken duiden de werkelijkheid vanuit een binnen-joods perspectief. Uit niet-joodse bronnen kunnen we afleiden dat de Seleucidische koningen altijd al het hoogste gezag uitoefenden over alle tempels en godsdiensten in de Seleucidische provincie van Coele Syrië en Phoenicië, waartoe ook de tempel in Jeruzalem behoorde.

De recente publicaties van een cluster documenten uit 178 voor Christus bevestigen dit heel duidelijk. Deze documenten zijn op een stele gepubliceerd, een soort publicatiebord van steen. De documenten op deze zogenaamde Heliodorus Stele, die onder meer in Maresha, een stad ten zuidwesten van Jeruzalem gelezen konden worden, vermelden de benoeming van een zekere Olympiodorus tot de functionaris die verantwoordelijk was voor alle tempels in de provincie, of meer waarschijnlijk tot de opperpriester van al deze tempels. Uit inscripties weten we dat een dergelijke functionaris ook al eerder bestond. Antiochus III benoemde in 209 voor Christus een zekere Nicanor tot opperpriester en toezichthouder van alle tempels ‘aan de overzijde van de Taurus’ (dat wil zeggen: ten zuiden van het Taurusgebergte, dat in Zuid-Oost Turkije ligt; zie SEG 37.1010; 54.1237; 54.1353).

De koning is zelf de hoofdschuldige, hij wilde de joden dwingen over te gaan tot een soort van eenheidsreligie in zijn rijk

Eén van de officiële brieven op de Heliodorus Stele noemt een nog belangrijker functionaris, namelijk de zaakwaarnemer van de koning, dus de tweede man van het rijk. Zijn naam is Heliodorus. Het toeval wil dat Heliodorus ook de naam is van de persoon die in opdracht van Koning Seleucus IV (187-175 voor Christus) de tempel in Jeruzalem wil plunderen, zoals in 2 Makkabeeën 3 beschreven staat. De tempels van het rijk genoten de bescherming van de koning en hadden vaak privileges bedongen, maar zij moesten tegelijkertijd belasting aan de koning betalen als tegenprestatie. Het is goed mogelijk dat een dergelijke betaling bij weigerachtige tempels afgedwongen werd.

Een opmerkelijk gegeven in het uitgebreidste document op de Heliodorus Stele (zie regel 14-25) is dat de koning in omslachtige en onduidelijke zinnen een probleem aanstipt, maar niet expliciteert. Het ligt voor de hand de daaruit blijkende ongemakkelijkheid van de koning te verklaren vanuit de veronderstelling dat de koning eerder verleende privileges had opgeheven of de belasting van de tempels verzwaard had. Een dergelijke verzwaring van de lasten kon plaatselijk tot een protest of zelfs een weigering om te betalen leiden, in feite een opstand. We weten dat de joden in Juda evenals andere volkeren een aantal privileges van Seleucus’ vader, Antiochus III, gekregen hadden, toen hij het opperbestuur van het gebied overnam van de Ptolemeïsche koning (Flavius Josephus, Joodse oudheden 12.138-144). Het is plausibel dat Seleucus in 178 voor Christus zich machtig genoeg voelde om de door zijn vader verleende privileges af te schaffen of zo hard geld nodig had, dat hij zich genoodzaakt zag dat te doen. Deze kennis over het bestuur van de tempels in het Seleucidische rijk werpt een nieuw licht op de conflictueuze relatie tussen de Seleucidische koning en de achtereenvolgende joodse hogepriesters. De privileges van de tempel in Jeruzalem en de tempelbelasting voor de koning moeten een belangrijke factor geweest zijn, en het ligt voor de hand dat de verschillende hogepriesterlijke facties ook verschillend met deze kwestie omgegaan zijn.

De Makkabeeën

De laatste groep van hogepriesters die hier besproken moet worden zijn de Makkabeeen. Onder deze naam zijn twee groepen van joodse helden bekend, de priester Mattathias en zijn vijf zonen en verdere nakomelingen, een familie van vrijheidsstrijders, en een groep van joodse martelaren die tijdens de vervolging van de Seleucidische koning Antiochus IV doodgefolterd zijn. Hier gaat het om de eerste groep, waarvan de meest uitgebreide geschiedenis in 1 Makkabeeën 2-16 verteld wordt (zie ook: 2 Makkabeeën 5,27–15,39).

Mattathias behoorde tot de priesterlijke clan van Jojarib (1 Makkabeeën 2,1), die genoemd wordt in 1 Kronieken 24,7. Het is op grond van Kronieken onduidelijk of Mattathias Sadokiet was, maar de auteur van 1 Makkabeeën brengt zijn familie wel in verband met de Sadokieten (zie onder). Flavius Josephus noemt Hasmon als voorvader van Mattathias (Oudheden 12,265) en op grond van deze naam worden de Makkabeeën ook wel Hasmoneeën genoemd. Mattathias’ weigering in opdracht van Koning Antiochus een heidens offer te brengen in zijn stad Modein (1 Makkabeeën 2,15-27) functioneert als startsein tot een opstand tegen de koning, die meestal Makkabeeënopstand genoemd wordt.

De naam Makkabeeër is afkomstig van de Griekse bijnaam makkabaios voor Mattathias’ oudste zoon Judas (1 Makkabeeën 2,4), die meestal wordt afgeleid van het Aramese woord maqqaba‘ (‘hameraar’) dat zinspeelt op Judas’ fysieke verschijning of zijn militaire successen.

1 Makkabeeën beschrijft niet alleen hoe de bevrijdingsoorlog van Judas en zijn broers stap voor stap succesvol is, maar vertelt ook de geschiedenis hoe de Makkabeeën zich ontwikkelen tot de legitieme joodse leiders. In de eerste fase van de bevrijdingsgeschiedenis maken de Makkabeeën zich meester van de tempel, reinigen en herstellen deze en brengen vervolgens de offercultus weer op gang. De herinwijding van de tempel wordt nog altijd jaarlijks gevierd tijdens het Chanoekafeest dat meestal in december valt. 1 Makkabeeën 4 vertelt hoe de Makkabeeën daarbij de centrale rol spelen (zie 2 Makkabeeën 10,1-8), hetgeen ongetwijfeld anticipeert op hun latere rol als hogepriesters.

Wanneer Judas in de veldslag bij Elasa valt (161 voor Christus), volgt zijn broer Jonathan hem op. Jonathan profiteert van de machtsstrijd tussen de Seleucidische koningen Demetrius I en II en de troonpretendent Alexander Balas, die Jonathan tot hogepriester benoemt in 152 voor Christus. Jonathan weet het gebied van Juda uit te breiden in westelijke richting en hernieuwt ook het vriendschapsverdrag met de Romeinen dat zijn broer Judas gesloten had (1 Makkabeeën 12,1-4).

Wanneer Jonathan verraderlijk vermoord wordt door een andere troonpretendent, volgt zijn broer Simon hem op (142 voor Christus). Ook hij moet tot hogepriester benoemd zijn door de Seleucidische koning, maar 1 Makkabeeën wekt de indruk dat hij zowel tot hogepriester als tot politiek leider gekozen is door de priesters en de vertegenwoordigers van het joodse volk. Dit blijkt uit het besluit (140 voor Christus) van de bijeenkomst dat op bronzen platen op een goed zichtbare plaats in het tempelcomplex gepubliceerd was. Een afschrift is bewaard gebleven in 1 Makkabeeën 14,27-49. De vergadering besluit de Makkabeeër Simon eer te bewijzen en zijn in feite drievoudige leiderschap te bekrachtigen op grond van zijn bijzondere verdiensten. Hij wordt bevestigd als de politieke leider, de opperbevelhebber en de hogepriester van de joden (1 Makkabeeën 14,35.38.41-42.47). Als verdiensten wordt de bescherming van de tempel van Jeruzalem, de overwinning op de buitenlandse vijanden van het volk en het creëren van een duurzame vrede genoemd (14,31-37).

De tekst vertelt dat Simon zelf als financier van de staat optrad en de joodse soldaten uit zijn eigen portemonnee betaalde (14,32). Het decreet verleent Simon en zijn zonen een bijna onbegrensde macht. Een detail lijkt te zinspelen op de claim van het eeuwig durende Sadokitische hogepriesterschap: vers 41 vertelt dat Simon en zijn zonen tot leider en hogepriester aangesteld zijn ‘totdat er een betrouwbare profeet zal opstaan’.

Meestal wordt gesteld dat deze clausule weinig voorstelt, omdat de tijd van de profeten voorbij was. Bovendien zijn er in hoofdstuk twee toespelingen op Pinechas’ daad in Numeri 25, die een analogie suggereren tussen Pinechas en de Makkabeeën.

Mattathias’ weigering te offeren, wordt direct in verband gebracht met Pinechas: ‘Zo toonde hij zijn toewijding aan de wet, zoals ook Pinechas eens had gedaan met Zimri, de zoon van Salu…’ (1 Makkabeeën 2,26-27; vgl. 2,54).

De conclusie is duidelijk: als de Makkabeeën niet zelf van Sadokitische afkomst waren, dan verdienden hun daden in elk geval dat zij het eeuwig durende hogepriesterschap van de Sadokieten verkregen. Niet alle joodse groepen zullen het hiermee eens geweest zijn. We weten bijvoorbeeld dat er ook Sadokieten tot de Qumrangemeenschap behoorden, die weinig op had met de Makkabeeën. Maar dat is stof voor een ander artikel.

Jan Willem van Henten is hoogleraar Religiewetenschappen aan de universiteit van Amsterdam.

Literatuur

• Deborah Rooke, Zadok’s Heirs: The Role and Development of the Priesthood in Ancient Israel (Oxford: Clarendon Press, 2000).

• Hannah Cotton-Paltiel, Avner Ecker en Dov Gera, “Juxtaposing Literary and Documentary Evidence: A New Copy of the So-called Heliodorus Stele and the Corpus Inscriptionum Iudaeae/Palestinae (CIIP),” Bulletin of the Institute of Classical Studies 60 (2017): 1-15.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken