Menu

Premium

De schapen en de bokken

Bij Ezechiël 34,11-17 en Matteüs 25,31-46

De Schriftlezingen voor deze dag kunnen geïnterpreteerd worden als een eschatologische proclamatie van Het Uur U: het moment waarop God als koning van het heelal binnentreedt in onze geschiedenis om te oordelen over goed en kwaad. De profetenlezing en de evangelielezing zullen bij elkaar geplaatst zijn vanwege de gebruikte beeldspraak van een herder die scheiding maakt tussen schapen en bokken (vgl. Ezechiël 34,17 met Matteüs 25,32b). De verbindende schakel vormt Gods oordeel waaraan mensen onderworpen worden.

Met de vermelding van een koning gebruikt Matteüs een beeldspraak uit de profetische traditie van Israël, waarvan ook Johannes gebruikmaakt als hij zegt dat het koningschap van Jezus niet van deze wereld is (Johannes 18,36). De eerste lezing kan helpen om het koningschap van Jezus in het juiste perspectief te zien, namelijk als onlosmakelijk verbonden met zijn herderschap. Niet toevallig zal Matteüs de Mensenzoon zowel met een koning als met een herder hebben vergeleken. Een goede herder is de beste garantie voor het welzijn van allen: iemand die op koninklijke wijze ‘met mensen omgaat’.

Koning én herder

Daarin lijkt Jezus sprekend op de Vader: ‘Zie: Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien’ (Ezechiël 34,11). Ook elders in de Schrift horen de herder en de koning bijeen. Zo verenigt de figuur van David beide ‘identiteiten’ in zich. Koning geworden, blijft David in feite een herder voor de schapen die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd. Maar ook God zelf is de ‘herder Israëls’ (Psalmen 80,1), die als een koning is voor zijn volk (Psalmen 5,3). De beelden van koning en herder geplaatst in hun brede bijbelse context kunnen iets verduidelijken over God en zijn handelen onder ons.

Ezechiël 34,11 staat in contrast met de voorgaande verzen, waarin nadrukkelijk afstand wordt genomen van de manier waarop de ‘herders van Israël’ met hun schapen om¬gaan. Ezechiël 34 is een duidelijk afgerond hoofdstuk, met een consequent volgehouden beeldspraak en een polemische ondertoon, waarin de wijze waarop de leiders van het volk in het verleden hun macht hebben uitgeoefend, profetisch-kritisch wordt geëvalueerd. De verwoesting van Jeruzalem in 587 door Nebukadnessar en de daaropvolgende ballingschap zijn er het gevolg van. Die realiteit wordt beschreven in Ezechiël 33,21-33. Zo voert de profeet het lot van het volk in ballingschap terug op het onverantwoordelijke gedrag van de leiders.

Wie is de goede herder?

De profeet, zelf een balling, wil niet in de catastrofe berusten, maar zijn volk juist moed inspreken door hun voor te houden hoe het anders, béter kan. Dat is de begintoon van deze lezing: het toonbeeld van goed leiderschap is God zelf. Hij zet zich geheel en al in voor het welzijn van zijn volk. Het is dit zicht op God dat in het recente verleden verduisterd werd door het corrumperen van de politieke macht. Zie in dit verband de roep van Israël om een aardse koning in 1 Samuël 8, wat daar wordt uitgelegd als een verwerping van God als koning over zijn volk. Een menselijke koning over Israël zal een zware wissel trekken op het welzijn van het volk, maar bovenal het zicht verduisteren op het ware koningschap van God.

Ezechiël 34,16 vertelt heel concreet waaruit het herderschap van God bestaat. Dit vers vormt het spiegelbeeld van de profetische kritiek in Ezechiël 34,4. De volgorde van de bedreigde groepen is nu omgekeerd: bij God staat de zorg voor de kwetsbare en weerloze mens voorop. Zo zal de verhouding zijn tussen herder en kudde. De verzen 34,17-22 spreken in aansluiting hierop over de verhouding tussen mensen onderling. De herder staat er borg voor dat ieder lid van de gemeenschap tot zijn ‘recht’ (Hebr.: misjpath – 16b) kan komen. Zo wordt een nieuwe ontaarding binnen de gemeenschap voorkómen. Een goede herder is de beste garantie voor toekomst voor het volk.

De werken van barmhartigheid

De Matteüslezing vormt het slot van zijn zogenaamde eschatologische rede (Matteüs 24-25). De zogeheten ‘werken van barmhartigheid’ gaan terug op deze bijbeltekst. Het begraven van de doden is er als zevende werk van barmhartigheid aan toegevoegd, mogelijk vanuit het deuterocanonieke boek Tobit (vgl. de zeven panelen van de Meester van Alkmaar uit 1504 in het Rijksmuseum te Amsterdam). Deze tekst vormt in wezen een oproep tot navolging van God, door te doen wat Hij gedaan heeft: de naakten kleden (de eerste mens in het paradijs), de zieken bezoeken (Abraham na zijn besnijdenis), de gevangenen troosten (de Israëlieten in Egypte), de doden begraven (Mozes na zijn dood). Wie zich in zijn levenswandel door Gods handelen laat inspireren, beantwoordt daarmee aan de roeping van ieder mens om als beeld van Hem zo goed als God te zijn.

De voorstelling van de Mensenzoon die de mensen tot verantwoording roept, is ook elders in de Schrift geen onbekend gegeven, maar komt ook voor in buitenbijbelse apocalyptische literatuur. De invloed van bijbelse apocalyptiek is in de eschatologische rede op meer plaatsen aan te wijzen; zo ligt bijvoorbeeld Daniël 7,13 ten grondslag aan het spreken over de Mensenzoon in het Nieuwe Testament.[1]

De kern van deze lezing is niet zo moeilijk samen te vatten: wie zich belangeloos toewendt naar een ander in een kwetsbare situatie, zal achteraf tot de ontdekking komen dat hij of zij daarin God kon ontmoeten. Daarbij zullen beide groepen mensen zich helemaal niet bewust zijn van wat ze feitelijk doen of nalaten. Wie zich door de ander laat raken, ontmoet God; wie zich ervoor afsluit, zoekt alleen zichzelf en komt ook niemand anders tegen. Het is deze mentaliteit, het ‘om niet’ belangstellen in het welzijn van de ander, die ons in deze lezing voorgehouden wordt als een religieuze levenshouding. De Godontmoeting vindt daar plaats, waar je de mens naast je recht in de ogen durft te kijken en waar je je dan durft open te stellen voor haar of zijn nood. En dat mag je best een koninklijke levenshouding noemen.

Bij Ezechiël 34:11-17 en Matteüs 25:31-46

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken