De scheepseigenaar en de gelovige
William Clifford over God, bewijs en doxastische verantwoordelijkheid
Inleiding
Een zowel in populaire als meer wetenschappelijke literatuur veel voorkomend argument tegen het christelijk geloof, is dat er geen enkel bewijs is voor christelijke geloofsovertuigingen. Wij hebben geen bewijs voor de these dat er een liefdevolle Vader is, dat Christus geïncarneerd is en verzoening heeft gebracht voor de gelovigen, dat de heilige Geest werkt in de leden van de gemeente, enz. En omdat men alleen die overtuigingen mag aanhangen waar men voldoende bewijs voor heeft, mag men er geen christelijke geloofsovertuigingen op nahouden. Het lijkt me daarom van belang eens te kijken naar de al wat oudere, maar tamelijk uitvoerige uiteenzetting van dit argument die aan het einde van de negentiende eeuw door William Kingdon Clifford (1845— 1879) in zijn essay ‘The Ethics of Belief gegeven wordt.’ Impliciet claimt hij dat het verwerpelijk is religieuze overtuigingen te hebben waarvoor men onvoldoende bewijs heeft of overtuigingen met een bepaalde graad van zekerheid te hebben die niet proportioneel is aan het bewijs dat voorhanden is.
[1]
Nergens in dit essay noemt ClifFord het christelijk geloof expliciet, maar het is duidelijk dat een van de speerpunten van zijn essay is dat men verwerpelijk handelt als men christelijke dogma’s aanhangt.
[2]
In heel wat epistemologische en godsdienstfilosofische discussies over doxastische verantwoordelijkheid
[3]
wordt Cliffords artikel terzijde instemmend of afkeurend aangehaald zonder zijn positie nauwkeurig vast te stellen.
[4]
Een grondige analyse van en respons op Cliffords visie op bewijs en geloof in God zal hier wellicht enige verandering in kunnen aanbrehgen.
Er is al vroeg scherpe kritiek geleverd op Cliffords evidentialisme. Wellicht de bekendste reactie is die van William James in zijn ‘The Will to Believe’.
[5]
Zijn kritiek in dit essay wordt door sommigen als een overtuigende weerlegging van Cliffords evidentialisme beschouwd, hoewel het niet het primaire doel van dit essay lijkt te zijn om Cliffords positie te bekritiseren. Met enige terughoudendheid kunnen we daarom de argumenten in dit essay analyseren. Af eri toe treffen we bij James een paar veelbelovende opmerkingen aan, maar door de onduidelijkheid die in Cliffords essay (en niet zozeer in dat van James) aanwezig is en wellicht het andere doel dat James voor ogen stond, lijken deze argumenten als objecties tegen Cliffords standpunt niet steekhoudend te zijn. Daarom presenteer ik in het derde deel enkele nieuwe argumenten tegen Cliffords ‘bewijs-argument’, zoals ik het in het vervolg zal noemen. Bij de argumenten die ik inbreng tegen Cliffords evidentialisme zal ik in het bijzonder aandacht besteden aan religieuze overtuigingen.
In wat volgt wordt op de volgende drie vragen antwoord gegeven. Ten eerste, wat houdt Cliffords evidentialisme in en hoe op basis hiervan het bewijs-argument tegen het christelijk geloof geformuleerd worden? (Ik zal het christelijk geloof in het vervolg als voorbeeld van de omvangrijkere categorie van religieuze overtuigingen nemen.) Het zal duidelijk worden dat Cliffords evidentialisme gecompliceerder is dan de beroemde uitspraak van hem die vaak geciteerd wordt doet vermoeden: ‘it is wrong always, everywhere, and for any one, to believe anything upon insufficiënt evidence.’ Ten tweede, welke kritiek uit James in zijn ‘The Will to Believe’ op Cliffords evidentia- lisme en hoe houdbaar is deze kritiek? Ten derde en ten slotte, op welke manier Cliffords bewijs-argument weerlegd worden?
1. Cliffords bewijs-argument
Om te beginnen zegt Clifford dat het niet zozeer de waarheidswaarde van een overtuiging is die bepaalt of wij prijzenswaardig dan wel afkeurenswaardig zijn in het hebben van die overtuiging. Veeleer heeft het te maken met de wijze waarop wij tot die overtuiging gekomen zijn.
[6]
Ter verdediging van zijn standpunt geeft Clifford twee voorbeelden. Het eerste voorbeeld gaat als volgt. Op een dag is er een scheepseigenaar die weet dat zijn schip allerlei mankementen vertoont. Hij heeft goede redenen om te denken dat de groot is dat de passagiers van het schip de overkant van de oceaan nooit zullen bereiken als zij met dit schip op reis gaan. Diverse mensen hebben hem aangeraden het schip grondig te laten verbouwen voordat hij het opnieuw de zee opstuurt. Echter, omdat hij weet dat een reparatie veel geld zal kosten, zet hij de gedachte dat het schip wellicht niet meer zeewaardig is van zich af en wijst hij zichzelf er op dat het schip tot nu toe altijd veilig de overkant bereikt heeft en dat God er in zijn voorzienigheid wel voor zal zorgen dat alle passagiers, waaronder vele vrouwen en kinderen, niet zullen omkomen. Na vertrek komt het schip in een storm en alle opvarenden worden verzwolgen in de woeste golven. Het is duidelijk dat de eigenaar van het schip schuldig is. Maar zelfs als het schip veilig de overzijde bereikt, zo stelt Clifford, is de eigenaar nog schuldig. Gezien het bewijs dat voorhanden is heeft hij simpelweg niet het recht om te geloven dat het schip zijn bestemming veilig zal bereiken.
Het tweede voorbeeld dat hij geeft betreft een eiland met onder de bevolking een kleine minderheid die bepaalde religieuze overtuigingen aanhangt. Op een gegeven moment is er een groep mensen die deze minderheid er van beschuldigt kinderen van anderen te ontvoeren en ze religieus te indoctrineren^ Er wordt daarop door de overheid een grondig onderzoek ingesteld, maar al snel blijkt dat er geen enkele grond voor de beschuldigingen is en dat de aanklagers dit hadden kunnen weten als zij ook maar het geringste onderzoek hadden verricht. Ook hier, zegt Clifford, is sprake van doxastisch wangedrag: gegeven het bewijs dat voorhanden is mag de groep mensen in kwestie de kleine minderheid niet beschuldigen van religieuze indoctrinatie. Zelfs al zou de kleine minderheid andermans kinderen op een zodanige wijze maltraiteren, dan nog zou men hen er niet van mogen beschuldigen, daar er in deze situatie helemaal geen bewijs aanwezig is om zoiets te denken.
Cliffords bezwaar tegen bepaalde overtuigingen betreft dus niet zozeer de inhoud van die overtuigingen als wel de wijze waarop die overtuigingen verworven of gevormd worden. Met andere woorden, zijn objectie is een de jure objectie en geen de facto objectie. Laten wij Cliffords eerste voorbeeld in onze discussie als uitgangspunt nemen. Waarom is het nu precies verkeerd voor de scheepseigenaar om de overtuiging te hebben die hij heeft? Het antwoord lijkt te zijn dat een cognitief subject een overtuiging aan mag hangen slechts dan als zij daar voldoende bewijs voor heeft. Laten wij deze gedachte Cliffords These (CT) noemen en haar als volgt definiëren:
CT =df. Een cognitief subject S mag een overtuiging B slechts aanhangen als S daar voldoende bewijse voor heeft.
[7]
Nu moet hier aan toegevoegd worden dat CT niet het enige principe is dat men uit ‘The Ethics of Belief afleiden. In het essay komt men verder nog de volgende drie plichten tegen: a) de plicht om twijfel omtrent onze overtuigingen, als die ontstaat, niet terzijde te schuiven, b) de plicht om al onze overtuigingen te bevragen (i.e. om na te gaan of wij voldoende bewijs voor die overtuigingen hebben) en c) de plicht om al het relevante bewijs dat voorhanden is te betrekken in het vormen van onze overtuigingen. In ‘The Ethics of Belief komen wij dus ten minste vier verschillende deontologische principes tegen. Ik zal er van uitgaan dat CT het centrale principe is, omdat dit door Cifford keer op keer herhaald wordt en het thema van zijn essay de ethiek van onze overtuigingen is.
Men zou, zo gaat Clifford verder, kunnen tegenwerpen dat het niet zozeer de overtuiging is die verkeerd is, maar de actie die er op volgt. Men zou dan kunnen zeggen dat de scheepseigenaar wel mag geloven dat het schip zeewaardig is, maar dat hij vervolgens meer onderzoek dient te verrichten. Clifford geeft toe dat in veel gevallen de handeling die op een overtuiging volgt beter onder onze controle is dan de overtuiging zelf. Daarna gaat hij als volgt op de objectie in:
But this being premised as necessary, it becomes clear that it is not sufficient, and that our previous judgment is required to supplement it. For it is not possible so to sever the belief from the action it suggests as to condemn the one without condemning the other. No man holding a strong belief on one side of a question, or even wishing to hold a belief on one side, can investigate it with such fairness and completeness as if he were really in doubt and unbiased; so that the existence of a belief not founded on fair inquiry unfits a man for the performance of this necessary duty. (p. 168)
Als ik hem goed interpreteer beweert Clifford hier drie dingen. Ten eerste men een overtuiging en een handéling die door die overtuiging gesuggereerd wordt niet zomaar van elkaar scheiden: als men een van beiden veroordeelt, dan zal men ook de andere moeten veroordelen. Ten tweede, als men een bepaalde sterke overtuiging heeft of wenst een bepaalde overtuiging te hebben, dan men geen compleet en eerlijk onderzoek verrichten in de mate waarin men dat als men ergens onbevooroordeeld aan twijfelt. Ten derde, als iemand een overtuiging heeft die niet gebaseerd is op eerlijk onderzoek, maakt dat die persoon ongeschikt om het vereiste onderzoek te doen. Nu presenteert Clifford deze claims als waarheden zonder er enige argumenten voor te geven. Verder suggereert hij door zijn manier van formuleren dat er een bepaald verband is tussen deze drie afzonderlijke beweringen. Maar welk verband? Het lijkt mij dat geen van de claims uit een van de andere of twee andere claims volgt. In het vervolg zal ik er van uit gaan dat Clifford de drie bovenstaande claims aanhangt, wat dan ook precies het verband tussen die drie beweringen mag zijn.
Clifford spreekt evaluatief over de scheepseigenaar: ‘he was verily guilty of the death of those men’ (p. 164), “he had no right to believe on such evidence as was before him’ (p. 164) en ‘inasmuch as he had knowingly and willingly worked himself into that frame of mind, he must be held responsible for it.’ (p. 164) De scheepseigenaar is schuldig en had niet het recht om te geloven wat hij geloofde. Op eenzelfde manier spreekt Clifford over de aanklagers op het eiland: ‘Their sincere convictions, instead of being honestly earned by patient inquiring, were stolen by listening to the voice of prejudice and passion’ (p. 166), ‘the question is not whether their belief was true or false, but whether they entertained it on wrong grounds’ (p. 166), ‘and therein he would know that he had done a wrong thing.’ (p. 167)
Dit roept de vraag op of men bij het overtreden van CT een epistemische of een morele norm of wellicht een combinatie daarvan schendt. Een uitspraak als ‘the question is not whether their belief was true or false, but whether they entertained it on wrong grounds’ suggereert het eerste, terwijl ‘he was verily guilty of the death of those men’ meer de tweede optie lijkt te bevestigen. Nergens in ‘The Ethics of Belief gebruikt Clifford termen als ‘epistemisch’ of ‘moreel’ voor de verplichtingen waar hij over spreekt. Gelukkig zegt hij nog wel wat meer over de vraag waarom het nu precies verkeerd is wanneer iemand CT schendt. Elke genuïene overtuiging, zo meent Clifford, is vroeg of laat van invloed op de handelingen van het cognitieve subject in kwestie dat de overtuigingen heeft. Bovendien bevinden wij ons in een gemeenschap met de rest van de mensheid, waardoor geen enkele overtuiging zonder invloed is op het lot van de mensheid als geheel. Daarom is CT van toepassing op al onze overtuigingen. Alle overtuigingen die wij hebben moeten wij bevragen, want zij zijn allemaal van belang voor de mensheid als geheel. En dit is niet alleen op academici van toepassing, maar op ieder lid van de samenleving. Een gevaar is namelijk dat wij goedgelovig worden en allerlei dingen zomaar gaan aannemen.
[8]
Wellicht heeft Clifford in zijn achterhoofd gehad dat het schenden van CT het schenden van een epistemische norm betekent, terwijl de gevolgen daarvan het schenden van een morele norm inhouden.
[9]
Omdat elke overtuiging van belang is voor de mensheid als geheel betekent het schenden van CT daarom altijd zowel het schenden van een epistemische als van een morele norm. Misschien heeft hij in dit verband überhaupt niet aan een onderscheiding gedacht en beschouwde hij het schenden van CT met de bijbehorende gevolgen als het schenden van verplichtingen sec.
In gesprek met sociaal-politieke filosofen is mij gesuggereerd dat Clifford verstaan moet worden tegen de achtergrond van de negentiende-eeuwse ethische godsdienstkritiek. Religieuze overtuigingen mogen wij niet aanhangen, omdat zij verschrikkelijke gevolgen voor de mensheid hebben, zoals blijkt uit godsdienstoorlogen, de bekering met het zwaard en de uitbuiting van de armen in de samenleving. Dit op dezelfde wijze als de overtuiging van de scheepseigenaar en die van de aanklagers verschrikkelijke gevolgen hebben. Volgens mij vergeet men dan echter een belangrijk onderscheid dat Clifford in ‘The Ethics of Religion’ maakt, namelijk het onderscheid tussen het geloof in het bestaan van God en het vereren van God. Het eerste moet beoordeeld worden naar het bewijs dat voorhanden is: ‘But in regard to the doctrine itself, we can only ask, “Is it true?” And that is a question to be settled by evidence.’”Het tweede moet beoordeeld worden naar ethische maatstaven: ‘This must be said to all kinds and conditions of men: that if God holds all mankind guilty for the sin of Adam, if he has visited upon the innocent the punishment of the guilty, if he is to torture any single soul for ever, then it is wrong to worship him.’ (p. 221) Als de christelijke geloofsleer immorele consequenties heeft is dat dus nog geen reden om te denken dat die geloofsleer onwaar is: ‘That a doctrine may lead to immoral consequences is no reason for disbelieving it.’ (p. 219) In zo’n geval is er goede reden om de God zoals die in het christendom geschilderd wordt niet te aanbidden. Echter, waar het Clifford in ‘The Ethics of Belief om te doen is, is niet of wij de christelijke God mogen vereren, maar of wij mogen geloven dat er zo’n Wezen is.
Hoe zit het dan met ons bewijs voor perceptuele en morele overtuigingen? Clifford zegt dat deze categorieën overtuigingen voor zichzelf spreken.’2 Het is niet helemaal duidelijk wat hij hiermee bedoelt, maar er lijken twee mogelijkheden te zijn. Enerzijds is het mogelijk dat dit soort overtuigingen zelfevident is en daarom wel degelijk aan CT voldoet. Anderzijds is het mogelijk dat perceptuele en morele overtuigingen een legitieme uitzondering op CT vormen.
Clifford is zich van nog een ander gevaar bewust, namelijk dat CT het aanvaarden van het getuigenis van anderen in de wetenschap zou uitsluiten. Hij is daarom van mening dat er gevallen zijn waarin wij gerechtvaardigd zijn om het getuigenis van anderen te geloven als die boven onze eigen ervaring of de ervaring van de mensheid als geheel uitgaat en wel die gevallen waarin wij goede redenen hebben om te denken dat de persoon a) betrouwbaar is, b) kennis van zaken heeft en c) een goed oordeel kan vellen.’3 Vervolgens spreekt Clifford over Mohammed en Boeddha (en hetzelfde zou hij, denk ik, over Jezus Christus gezegd hebben als dit niet gevoeliger lag bij zijn hoorders en lezers). Hoewel wij goede redenen hebben om te denken dat deze mensen betrouwbaar en oprecht waren, hebben wij geen enkele goede reden om te denken dat zij kennis van zaken hadden. Overtuigingen die op hun getuigenis gebaseerd zijn schenden daarom CT.
Clifford’ spreekt nergens expressis verbis over een argument tegen het bestaan van God, maar het is duidelijk dat hij dat met zijn spreken over religieuze overtuigingen en bewijs op het oog heeft. Ik denk dat wij recht doen aan Cliffords intentie, als wij het bewijs-argument als volgt formuleren:
| (1) | Elk cognitief subject S mag een overtuiging B eerst aanhangen als S voldoende bewijs è voor B heeft, [prem.; CT] |
| (2) | Geen enkel cognitief subject S heeft voldoende bewijs e voor de christelijke overtuigingen Bt….Bn. [prem.] |
| (3) | Geen enkel cognitief subject S mag de christelijke overtuigingen B…. Bn aanhangen. [(1), (2); modus tollens] |
Men zou kunnen zeggen dat wij Clifford op deze manier geen recht doen,
. omdat hij een dergelijk argument nergens expliciet formuleert. Het laatste lijkt mij correct, maar ik zie niet hoe het eerste daar uit volgt. Het is duidelijk dat Clifford (1) aanhangt. Bovendien is het uit zijn opmerkingen over de rationaliteit van religieus geloof op basis van het getuigenis van mensen als Boeddha en Mohammed duidelijk dat er een grote groep religieuze overtuigingen is die mensen niet mogen vormen. Vervolgens blijkt uit enkele opmerkingen in zijn ‘The Ethics of Religion’ dat in ieder geval heel wat christelijke overtuigingen hier deel van uitmaken, zodat hij in moet stemmen met (3). En ik zie niet in hoe wij op een andere, enigszins plausibele manier van premisse (1) naar de conclusie (3) zou kunnen komen dan op bovenstaande wijze.
2. James ’ argumenten tegen het bewijs-argument
Laten wij nu kijken naar de wijze waarop William James (1842-1910) reageert op het bewijs-argument in zijn essay ‘The Will to Believe’. Zoals reeds gezegd is het naar alle waarschijnlijkheid niet de intentie van James geweest om in dit essay primair de positie van Clifford te weerleggen. Toch suggereert hij door zijn bewoordingen dat met de argumenten die hij geeft ook de positie van Clifford ondergraven is en zo is het essay ook vaak beschouwd. Welnu, de belangrijkste these die James verdedigt is dat onze emoties een rol moeten spelen wanneer intellectuele overwegingen met betrekking tot een echte optie geen uitkomst geven.
[10]
De termen uit deze bewering en andere belangrijke kernbegrippen die James hanteert laten zich als volgt definiëren (cf. pp. 1415):
Hypothese =df. alles wat men als overtuiging hebben en dat voorgesteld wordt om te geloven.
Levende hypothese =df. een hypothese die zich als reële mogelijkheid voordoet aan degene die de hypothese in kwestie beschouwt.
Dode hypothese =df. een hypothese die zich niet als reële mogelijkheid voordoet aan degene die de hypothese in kwestie beschouwt.
Optie =df. de beslissing tussen twee hypothesen.
Levende optie =df. een optie waarin beide hypothesen levende hypothesen zijn.
Dode optie =df. een optie waarin ten minste één van beide hypothesen een dode hypothese is.
Gedwongen optie =df. een optie die gebaseerd is op een complete logische disjunctie zonder de mogelijkheid tot niet kiezen.
Vermijdbare optie =df. een optie die niet gebaseerd is op een complete logische disjunctie zonder de mogelijkheid tot nietkiezen.
Gewichtige optie =df. een optie die of uniek is of onherroepelijk of zeer relevante gevolgen heeft.
Onbeduidende optie =df. een optie die niet uniek of onherroepelijk is of zeer relevante gevolgen heeft.
Echte optie =df. een optie die gedwongen, levend en gewichtig is.
James realiseert zich dat met zijn these dat de wil en onze emoties een rol mogen en soms moeten spelen in onze overtuigingen een bekend probleem om de hoek komt kijken. Immers, er zijn veel overtuigingen waar wij geen vrije wilscontrole over hebben, zoals de overtuiging dat ik ziek ben, wanneer ik met hoge koorts en veel pijn in bed lig (dit kan ik niet geloven) of de overtuiging dat de som van de twee euro’s in mijn broekzak 200 euro is (dit kan ik niet geloven). Dat de wil in deze zaken machteloos is, betekent volgens James niet dat het enige dat overblijft intellectueel inzicht is. Immers, zo meent James, onze willende natuur (‘willing nature’) – waaronder hij ook angst en hoop, vooroordeel en passie, imitatie en partijdigheid, de invloed van onze sociale status, etc. verstaat – kan elke hypothese tot leven brengen behalve hypothesen die reeds dood voor ons zijn. En dat sommige hypothesen dood zijn voor ons komt door voorafgaande acties van onze willende natuur. Dat bijvoorbeeld wetenschappers geen serieus onderzoek doen naar telepathie komt door hun willende natuur: als telepathie mogelijk en betrouwbaar is, zou dat schadelijk zijn voor hun eigen werkzaamheid als wetenschappers. Dat mensen geloven dat er zoiets is als waarheid wordt ook voortgebracht door hun willende natuur, terwijl zij er geen bewijs voor hebben.
Vervolgens maakt James een onderscheid tussen twee manieren om in waarheid te geloven. Enerzijds zijn er empiricisten, die menen dat wij dingen kunnen weten, hoewel wij niet noodzakelijkerwijs weten dat wij kennis hebben wanneer wij ergens kennis van hebben. Anderzijds zijn er absolutisten, die menen dat wanneer wij iets weten wij noodzakelijkerwijs weten dat wij het weten. Veel wetenschappers zijn empiricisten, terwijl we onder filosofen veel absolutisten vinden. De laatste voelen zich er vaak compleet zeker van dat hun theorie waar is: zij hebben de indruk een soort inzicht in de zaak te hebben. Dit noemt James met sommige Middeleeuwse filosofen ‘objectief bewijs’; de adaequatio intellectus nostri cum re, het sterke gevoel van zekerheid (het gevoel van inzicht) dat wij omtrent de waarheidswaarde van sommige proposities hebben!
Laten wij nu kijken naar de argumenten die James te berde brengt. Ten eerste zijn objectief bewijs en zekerheid idealen die op aarde niet gevonden kunnen worden.
[11]
Een van de weinige dingen waar wij zeker van kunnen zijn, zo merkt James enigszins Cartesiaans op, is het feit dat er zoiets als bewustzijn is. Men zou nog enkele mathematische en logische overtuigingen kunnen noemen waar iedereen het over eens is, maar verder is er nauwelijks iets te noemen dat objectief zeker of bewijsbaar is. Bovendien heeft men in de geschiedenis van radicaal verschillende dingen beweerd dat zij objectief bewijs vormen. Het is niet helemaal duidelijk of dit argument tegen Clifford gericht is, maar als dit zo is, dan moeten wij zeggen dat het niet overtuigend is. Ik betwijfel of objectief bewijs en zekerheid, zoals James die beschrijft, de idealen van Clifford zijn. Voor zover ik weet, spreekt Clifford nergens over deze dingen. Zo meent hij dat mensen gerechtvaardigd zijn in het aanvaarden van bepaalde overtuigingen op basis van getuigenis, terwijl dergelijke overtuigingen geenszins het zelfevidente karakter hebben van sommige mathematische en logische overtuigingen.
Het tweede argument dat James naar voren brengt om zijn these te verdedigen dat het dwaas is geen overtuigingen aan te nemen waarvoor wij onvoldoende bewijs hebben, is het gegeven dat wij met name in wetenschappelijk onderzoek vooruitgang boeken door dingen te geloven die pas later waar of onwaar blijken te zijn (met Karl Popper kunnen wij zeggen dat onze kennis
groeit door. Zr/a/and error).
[12]
James wijst er op dat er twee doelen van cognitie zijn: het kennen van waarheid en het vermijden van onwaarheid. En, zo zegt hij, waarom zouden wij met Clifford het tweede doel het primaat laten hebben? Waarom zouden wij niet de nadruk op het eerste leggen door af en toe wat meer risico te nemen in wat wij geloven? Is het niet zo dat grote wetenschappelijke resultaten geboekt zijn doordat mensen zonder goede redenen een bepaald geloof ergens in hadden, terwijl zij zonder dit sterke irrationele geloof nooit zo ver gekomen zouden zijn?.
Naar mijn idee deze objectie gemakkelijk gepareerd worden. te beginnen is het mij niet duidelijk dat Clifford het primaat aan het vermijden van onwaarheid geeft. Immers, naast CT geeft Clifford nog een aantal andere principes. Tezamen met CT, zo meent Clifford, maximaliseren deze de dat beide doelen – het vinden van waarheid en het vermijden van onwaarheid – vervuld worden. Natuurlijk men menen dat CT zo streng is dat dit niet het geval is, maar dan zal men moeten laten zien hoe dat dan precies het geval is en dat doet James niet. Bovendien kan er een onderscheid gemaakt worden tussen het veronderstellen of accepteren van een overtuiging enerzijds (een overtuiging de rol van een ware overtuiging te laten spelen zonder daadwerkelijk de overtuiging te hebben) en het aanhangen of hebben van een overtuiging anderzijds (er daadwerkelijk van overtuigd te zijn dat de propositie waar de overtuiging op betrekking heeft waar is).
[13]
Men hoeft in onderzoek een overtuiging niet daadwerkelijk aan te hangen. Het is voldoende als men de overtuiging als waar veronderstelt. Op deze wijze kan de wetenschappelijke vooruitgang plaatsvinden waar James zo lovend over spreekt. Niets in de visie van Clifford weerspreekt de gedachte dat men een overtuiging als waar kan veronderstellen slechts ter wille van een empirisch experiment of intellectuele redenering. En zelfs al zou het genoemde onderscheid niet overtuigend zijn, dan nog betreffen James’ voorbeelden pragmatische en niet zozeer morele of epistemische redenen om een bepaalde propositie te geloven zonder dat daar voldoende bewijs voor is.
Ten derde wijst James er op dat in bepaalde gevallen onze irrationele natuur invloed heeft op wat wij geloven en dat dit soms – met name in gevallen van gedwongen opties over hypothesen omtrent morele zaken – terecht en goed is.
[14]
Vaak bieden louter intellectuele overwegingen helemaal geen uitkomst, terwijl onze emoties in zo’n geval de doorslag kunnen en soms ook moeten geven. Zo de vraag of er objectief goed en kwaad bestaat of de vraag of een specifieke persoon van mij houdt niet op (louter) intellectuele gronden beslist worden, zoals de absolutisten van ons vragen.
[15]
Het probleem met deze objectie is dat het niet duidelijk is of Clifford een absolutist is; nergens legt hij uit wat hij met bewijs bedoelt. Bovendien erkent Clifford, zoals we gezien hebben, dat wij er bepaalde morele en perceptuele overtuigingen op na mogen houden zonder dat wij er bewijs voor hebben.
Laten wij ten slotte naar James’ vierde argument kijken. Opties omtrent de vraag of God bestaat, zijn zowel gewichtig alsgedwongen. Bovendien is er meestal geen overtuigend bewijs contra de propositie in kwestie. Wanneer wij een sceptische houding aannemen met betrekking tot het bestaan van God, dan verkiezen wij de positie van angst boven die van hoop.
[16]
Als het christelijk geioof waar is, dan maakt het weinig uit of wij actief niet geloven of ons er geen mening over vormen: de consequentie zal voor ons dezelfde zijn (namelijk dat wij niet de oneindige heerlijkheid zullen beërven). Volgens James hebben wij hier het recht om te geloven, zelfs als het bewijs dat niet toelaat.
[17]
De claim van James lijkt te zijn dat de keuze voor bijvoorbeeld het christelijk geloof een gedwongen optie is in de zin dat de enige twee mogelijkheden een positie ad negativum en een positiead positivum zijn. Maar als dat echt zo is, waarom moet hij dan argumenteren tegen een agnostische positie? Uit zijn hele argument blijkt dat James rekening houdt met een derde optie: namelijk die van het weerhouden van een overtuiging over het bestaan van God. Het is goed mogelijk dat de gevolgen bij niet kiezen en afwijzend kiezen identiek zijn, maar hier volgt nu eenmaal niet uit dat niet kiezen geen echte mogelijkheid is. En dit is ook wat we in de praktijk om ons heen zien: er zijn mensen die wel in God geloven, er zijn mensen die geloven dat er geen God bestaat en er zijn mensen die geen van beide overtuigingen hebben en het innemen van een van beide posities uitstellen totdat zij, naar hun mening, een beter oordeel kunnen vormen.
Maar nu het argument zelf. James lijkt te denken dat als in het reeds genoemde soort gevallen het intellectuele bewijs voor en tegen de propositie in kwestie ongeveer gelijk zijn, men het beste de positie van hoop kiezen. Maar dit nooit waar zijn. Immers, dan zou ik van veel hypothesen omtrent andere godsdiensten van de hoop uit moeten gaan dat zij waar zijn, terwijl het duidelijk is dat de waarheidsclaims van diverse godsdiensten elkaar uitsluiten. Misschien bedoelt James dat wij, wanneer het bewijs ‘in evenwicht’ is, onze emoties moeten volgen. Maar ook dit lijkt mij ongeloofwaardig. Immers, het bewijs, zoals James daar over spreekt, voor en tegen bijvoorbeeld de klassiek gereformeerde opvatting van Gods predestinatie en de eeuwige verdoemenis van ongelovigen, zijn ook in evenwicht. Zouden wij hier dan maar op ons gevoel, op onze emoties af moeten gaan? Er is weinig reden om te denken dat die ons dichter bij de waarheid zullen brengen. Ten slotte, opnieuw gaat het hier om pragmatische en niet zozeer om morele of epistemische normen, zodat deze objectie CT niet weerleggen.
De argumenten van James kunnen dus helaas niet overtuigen als weerlegging van CT. Wij moeten ons echter realiseren dat zij te berde gebracht worden in de dialectiek van de discussie en daarom soms wat ongenuanceerd zijn. Bovendien was het wellicht ook niet de primaire bedoeling van James om in dit essay op Cliffords positie in te gaan (maar veeleer positief uiteen te zetten waarom en hoe men de doxastische houding van geloof mag aannemen inzake godsdienstige aangelegenheden, ook als men er onvoldoende bewijs voor heeft). Tenslotte is Cliffords essay warrig, met name omtrent de aard van bewijs, zodat het niet altijd duidelijk is waartegen James argumenteert. Juist deze onduidelijkheid, echter, biedt ons de basis voor een goed argument tegen het bewijs-argument.
3. Een weerlegging van het bewijs-argument
Ik begin met twee preliminaire opmerkingen. Ten eerste roept CT de vraag op wat er precies mis is met het hebben van een ware overtuiging wanneer men er geen of onvoldoende bewijs voor heeft. Het antwoord dat Clifford geeft, is dat het in ieder geval moreel schadelijk is voor de maatschappij of de mensheid als geheel. Maar hoe dat ooit waar zijn? Als ik zonder goed bewijs geloof dat ik de morele plicht heb mijn oma ten minste zes keer per jaar een bezoek te brengen, hoe dat ooit moreel schadelijk zijn voor onze maatschappij? Clifford zegt dat mensen anders het risico lopen goedgelovig te worden. Ik betwijfel of dit waar is, want men verwerpen en nog steeds van mening zijn dat het merendeel van onze overtuigingen op bewijs gebaseerd moet zijn. Maar laten we dit van Clifford ‘in goedgelovigheid’ aannemen. Dit roept de vraag op wat er precies mis is met het goedgelovig aannemen van bepaalde overtuigingen. Ik deel Cliffords visie dat het problematisch is als wij elke overtuiging goedgelovig en zonder enige rechtvaardiging of reden aannemen, maar Cliffords claim is aanzienlijk sterker: geen enkele overtuiging mag goedgelovig aangenomen worden. Afhankelijk van de mogelijke consequenties van het aanhangen van een bepaalde overtuiging zie ik geen enkel probleem met het goedgelovig aanhangen van sommige overtuigingen. Als een rijk persoon zonder goede reden en goedgelovig denkt ten minste de helft van zijn bezit aan de armen te moeten geven en de helft van zijn tijd te besteden aan de lichamelijke verzorging van verstandelijk gehandicapten, wat is daar dan precies moreel mis mee? In dezelfde zin zal men zich moeten afvragen wat het gevolg er van zou zijn als mensen goedgelovig christelijke overtuigingen zouden aanhangen. Voor zover ik het kan zien denk ik dat de resultaten alleen maar positief zouden zijn (indien men oprecht zou proberen een christen te zijn door, laten we zeggen, de voorschriften van de bergrede na te leven): men zou om elkaar geven, beter voor de aarde zorgen, gezonder leven, enz. Men kan zich afvragen hoe lang een dergelijke situatie van goedgelovigheid kan blijven voortbestaan, maar ik zie niet in hoe dit onze maatschappij moreel zou kunnen beschadigen. Bij het aanhangen van overtuigingen zonder goede redenen zal men dus de mogelijke morele consequenties in aanmerking moeten nemen, wil men iets zinnigs kunnen zeggen over de mensheid als geheel.
Wat Clifford volgens mij zou moeten zeggen is dat het schenden van CT geen schending van een morele norm, maar een schending van een epistemi- sche norm inhoudt. Clifford levert in zijn voorbeeld geen kritiek op het feit dat de scheepseigenaar het schip de zee opstuurt, wat inderdaad moreel afkeurenswaardig is, maar op het feit dat de scheepseigenaar gelooft dat het schip zeewaardig is.
[18]
Als men dingen gelooft zonder dat er goed bewijs voorhanden is, dan schendt men wellicht een epistemische norm: men had dat in die situatie niet mogen geloven, hoewel de schending van deze norm misschien in het geheel geen moreel of pragmatisch slechte consequenties heeft. Clifford zal naar mijn idee dan ook achterwege moeten laten dat de schending een overtreding ten opzichte van de maatschappij of ten opzichte van de gehele mensheid betekent. Immers, zelfs als men de enige persoon op aarde zou zijn, zou men nog steeds deze epistemische normen kunnen schenden, hoewel dit geenszins een overtreding ten opzichte van de maatschappij of de mensheid als geheel zou betékenen. In het vervolg zal ik er van uitgaan dat met de schending van CT de schending van een epistemische en niet van een morele norm bedoeld wordt.
Ten tweede lijkt Clifford op diverse plaatsen een versie van doxastisch voluntarisme te veronderstellen, d.w.z. hij lijkt te geloven dat in ieder geval een deel van onze overtuigingen onder onze vrijwillige controle staat. Zo meent hij dat de schiphouder op basis van het voorhanden bewijs niet mocht geloven wat hij geloofde. Dit impliceert dat de scheepseigenaar er op basis van het voorhanden bewijs ook voor had kunnen kiezen niet te geloven wat hij nu wel geloofde. Verderop in het essay suggereert Clifford bovendien dat mensen wilscontrole hebben over de sterkte van hun overtuigingen. Beide versies van dit doxastisch voluntarisme lijken mij implausibel. Als ik de argumenten ten gunste van de theorie van de vier-dimensionaliteit van materiële objecten beschouw of. ten gunste van de these dat mogelijke werelden concrete materiële objecten zijn die spatio-temporaal en causaal onafhankelijk van elkaar zijn, dan vorm ik de overtuiging dat die argumenten niet overtuigend zijn. Ik zou niet weten hoe ik er voor zou kunnen kiezen dat te veranderen en te gaan geloven dat zij wel overtuigend zijn. Ook zou ik niet weten hoe ik de sterkte van mijn overtuiging zou kunnen opvoeren of verminderen. Op welk knopje zou ik moeten drukken? Het enige dat ik doen is meer lezen, er met anderen, zoals de metafysici die een dergelijk standpunt aanhangen, over praten, enz. Waar men de scheepseigenaar schuldig voor moet houden is niet dat hij geloofde wat hij geloofde, maar dat hij niet beter naar het schip is gaan kijken, niet met mensen er over gepraat heeft, enz. Had hij dat wel gedaan, dan zou hij wellicht niet de overtuiging gevormd hebben dat het schip zeewaardig was. CT zal dus veranderd moeten worden, wil zij plausibel zijn. Maar hoe precies? Wil Clifford beweren dat gelovigen – inclusief bepaalde briljante wetenschappers – onvoldoende naar het bewijs gekeken hebben? Dit lijkt mij stug: er zijn heel wat christelijke wetenschappers die al het voorhanden bewijs omtrent het bestaan van God even goed (of wellicht beter) kennen dan veel atheïsten en agnosten en nog steeds in God geloven. Maar wat is dan wel een juiste formulering van het bewijs-argument? Dit wordt door Clifford niet duidelijk gemaakt en ook elders heb ik tot nu toe nog geen plausibele versie gevonden.
En nu het argument zelf. Het is duidelijk dat er twee manieren zijn om het bewijs-argument te ontkrachten: men ontkennen dat premisse (1) waar is en men ontkennen dat premisse (2) waar is (of men zou kunnen verdedigen dat beide premissen onwaar zijn). Welke premisse men ontkent zal naar mijn idee afhangen van wat men onder ‘bewijs’ verstaat. Jammer genoeg geeft Clifford nergens een definitie van wat hij met ‘bewijs’ bedoelt. Indien Clifford een heel brede opvatting van bewijs heeft, dan zou men kunnen beargumenteren dat er voldoende bewijs is voor christelijke geloofsovertuigingen, zoals dat bijvoorbeeld in bepaalde religieuze ervaringen, het getuigenis van kennissen en familieleden, de traditie der eeuwen, de godsbewijzen, enz. gevonden wordt. Indien Clifford een heel nauwe opvatting van bewijs heeft, dan zou men kunnen beargumenteren dat allerlei niet-religieuze opvattingen niet aan CT voldoen, terwijl het alleszins redelijk en epistemisch verantwoord lijkt om die opvattingen te hebben. Zoals Peter van Inwagen terecht opmerkt is de vraag meer concreet of onder Cliffords bewijs alleen die dingen vallen waar iedereen in de maatschappij toegang toe heeft, zoals bepaalde empirische standen van zaken, sommige gebeurtenissen, bepaalde teksten, video’s, of ook dingen die slechts voor een specifiek individu of voor een groep individuen toegankelijk is maar door een publieke taal uitgedrukt kunnen worden, zoals een bepaalde religieuze ervaring of herinneringen, of dat er ook dingen onder vallen die niet in taal uitgedrukt kunnen worden, zoals sommige intuïties, een bepaald gevoel van zekerheid, een zeker inzicht of gevoel van helderheid.
[19]
Ik denk dat Cliffords bewijs in ieder geval zowel doxastisch als experiëntieel (of: empirisch) zal dienen te zijn: als bewijs mogen zowel reeds aanwezige overtuigingen als bepaalde perceptuele of introspectieve gewaarwordingen gelden.
Laat ik van deze twee mogelijkheden tot tegenargumenten drie illustraties geven. Ten eerste valt het op dat de wiskundige Clifford nergens spreekt over mathematische en logische overtuigingen. Dit suggereert dat wij bewijs nodig hebben om de proposities die door de volgende zinnen uitgedrukt worden als waar te mogen beschouwen:
| (4) | 2 + 5 = 7 |
| (5) | Geen enkel volledig transparant object heeft een schaduw |
| (6) | Er zijn geen objecten die tegelijkertijd zowel volledig blauw als volledig rood zijn. |
| (7) | Als A groter is dan B en B groter dan C, dan is A groter dan C |
Hoe zie het bewijs voor dergelijke proposities er uit? Voor (4) is op een bepaalde manier wel wiskundig bewijs te geven, hoewel dat bewijs bijzonder complex is en een speciaal karakter draagt (het is meestal meer een plausibele reconstructie dan een goede reden om te denken dat de mathematische propositie in kwestie waar is). Het overgrote merendeel van de mensen die (4) geloven, gelooft (4) echter niet op basis van dergelijk bewijs; deze mensen hebben dat bewijs zelfs nog nooit onder ogen gehad. Toch, zo lijkt het,, is hun overtuiging dat (4) waar is geenszins onredelijk. Ik me bij bewijs voor de proposities (5) – (7) niet veel meer voor stellen dan een bepaald gevoel van zekerheid, een gevoel van inzicht dat zij (noodzakelijkerwijs) waar zijn. Hetzelfde geldt voor andere overtuigingen, zoals de overtuiging dat er waarheid bestaat, dat onze perceptuele waarneming betrouwbaar is, dat vanuit natuurkundig oogpunt de toekomst niet radicaal anders zal zijn dan het verleden, enz. Het eerste, dat het moeilijk is bewijs te vinden voor de overtuiging dat er zoiets is als waarheid, had James al opgemerkt, maar helaas is het enige dat hij er van zegt dat dit een niet-intellectuele overtuiging is die voortkomt uit een bepaalde passie die wij hebben. Ik zie niet in hoe dat het geval zou kunnen zijn: onze overtuiging dat er waarheid is lijkt me niet een bepaalde emotie of gebaseerd te zijn op een bepaalde emotie. Wel is het zo dat ik een sterke intuïtie omtrent het bestaan van waarheid heb waarvoor geldt dat het heel moeilijk is anderen er van te overtuigingen als zij die intuïtie niet hebben. Welnu, als wij voor deze en soortgelijke overtuigingen niet meer bewijs hebben dan een bepaalde intuïtie, waarom zouden wij dan bepaalde religieuze overtuigingen, die soms op niet veel meer dan een intuïtie teruggaan, afwijzen? (Let op: hier vindt een switch in de argumentatie plaats. Eerst gaven wij kritiek op premisse (1), nu geven wij kritiek op premisse (2).) Hiermee bedoel ik niet te zeggen dat alle overtuigingen die op intuïties gebaseerd zijn, daarmee ook goed of gerechtvaardigd zijn. Als iemand de intuïtie heeft dat de ijskoningin van Narnia momenteel onder een andere fysieke verschijning president van de Verenigde Staten is, dan is iemand daarmee nog niet gerechtvaardigd om dat daadwerkelijk te geloven (hoewel die persoon dat in uitzonderlijke omstandigheden wellicht wel zijn). Er zal dus een criterium moeten zijn. Maar dit criterium is bij Clifford nergens te vinden en de scheiding die hij aanbrengt lijkt mij volstrekt arbitrair. En daar hij een objectie tegen het christelijk geloof meent te leveren, is hij degene die zal moeten verdedigen waarom hij geloofsovertuigingen zo radicaal anders behandelt dan mathematische en logische overtuigingen.
Een zelfde beweging van kritiek op premisse (1) naar kritiek op premisse plaatsvinden, als wij ingaan op wat Clifford zegt over het fenomeen van getuigenis. Als getuigenis (samen met moréle en perceptuele overtuigingen) een uitzondering vormt op CT, waarom religieuze overtuigingen dan niet? Clifford merkt op dat wij pas iemand mogen geloven op basis van haar getuigenis als wij goede redenen hebben om te denken dat zij betrouwbaar is, kennis van zaken heeft en deskundig is in haar oordeel. Betrouwbaarheid lijkt iets te zijn dat wij inderdaad veelal kunnen verifiëren, maar hoe zit het met kennis en oordeel? Hoe ik ooit weten dat de persoon in kwestie de gelegenheid heeft gehad kennis te nemen van de waarheid omtrent een bepaaldezaak en dat zij in het komen tot bepaalde conclusies omtrent die zaak. op correcte wijze te werk is gegaan? Als ik een recent encyclopedisch artikel lees over de geografie en populatie van Argentinië, dan is het goed – zolang er geen epistemische defeaters zijn- er van uit te gaan dat het artikel in ‘kwestie betrouwbaar is, hoewel het voor mij erg moeilijk of wellicht onmogelijk is om na te gaan of de kennis en het oordeel van de auteur voldoende waren om dit artikel te schrijven. Ik beschouw het artikel echter wel als betrouwbaar, simpelweg omdat ik het in een recente en alom geprezen encyclopedie aantref. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat het artikel onfeilbaar is; wellicht is alles in het artikel onwaar of zelfs noodzakelijkerwijsonwaar. Maar dit is een de facto objectie, terwijl Cliffords objectie essentieel een de jure objectie is: de objectie gaat over de wijze waarop wij een bepaalde overtuiging verwerven, niet over het waarheidsgehalte van die overtuiging..
. Laten wij naar een tweede voorbeeld van geloof op basis van getuigenis kijken. Kleine kinderen geloven bijna alles wat hun ouders zeggen. Misschien hebben zij goede redenen om te denken dat hun ouders betrouwbaar zijn, maar geenszins hebben zij goede redenen om te denken dat hun ouders kennis van zaken hebben. Als een vader zijn zoontje vertelt dat er een land is dat groter is dan het land waarin zij zelf wonen en waar de meeste mensen een andere taal spreken, heeft het zoontje dan goede redenen om te denken dat zijn vader capabel is om in deze kwestie een overtuiging te vormen? Absoluut niet. Hij aanvaardt gewoon wat zijn vader zegt, omdat zijn vader het zegt. Toch lijkt het zo te zijn dat het kind geen epistemische normen schendt in het hebben van de overtuiging die hij heeft.
Dit roept de vraag op waarom het geloof in het bestaan van God op grond van het bijbels getuigenis epistemisch verwerpelijk zou zijn. De mensen die de bijbelboeken schreven lijken in het algemeen betrouwbare mensen geweest te zijn, die de tekst niet in dronkenschap of met bepaalde perceptuele gebreken geschreven hebben. Bovendien zijn er veel auteurs die in hoofdlijnen precies hetzelfde beweren en eikaars visie bevestigen.
[20]
Daar komt bij dat er een getuigenis van miljoenen is die de dingen bevonden hebben zoals zij die in de Schrift aantreffen. Wellicht hebben wij geen goede reden om te denken dat de bijbelschrijvers mensen waren die door bepaalde omstandigheden inderdaad kennis van zaken hadden over de dingen die in de Schrift beschreven worden (ik denk dat dit wel zo is, maar laten wij in dit opzicht met Clifford meegaan). Dan nog volgt daar niet uit, zoals we in de bovenstaande voorbeelden gezien hebben, dat wij epistemische normen schenden als wij toch de overtuigingen in kwestie hebben. Opnieuw, misschien is het christendom onwaar. Misschien is de wereld nooit geschapen, werkt de heilige Geest niet in de harten van mensen en zal de aarde nooit vernieuwd worden. Maar het lijkt mij dat in ieder geval sommige christenen, wanneer zij de Schrift lezen en de werking van de heilige Geest in hun eigen leven ervaren, volledig rationeel en epistemisch gerechtvaardigd zijn om het getuigenis van de Schrift en zovele andere christenen aan te nemen.
Tot slot vertoont CT een defect dat wel meer beroemde maar volstrekt implausibele thesen, zoals die van waarheidsrelativisme of het neo-positivistisch verificatieprincipe van betekenis, vertonen: CT weerlegt zichzelf. Premisse (1) heeft de volgende vorm:
| (1) | Elk cognitief subject S mag een overtuiging B pas aanhangen wanneer S voldoende bewijs e voor B heeft,[prem.; CT] |
Clifford is van mening dat ieder mens (1) aan moet hangen, dat ieder mens de overtuiging moet hebben dat (1) waar is. Dit impliceert dat de propositie die door de volgende zin uitgedrukt wordt waar is:
| (8) | Elk cognitief subject heeft voldoende bewijs e* voor deovertuiging dat elk cognitief subject S een overtuiging B pas mag aanhangen wanneer S voldoende bewijse voor B heeft. |
En (8) lijkt mij volstrekt implausibel. Hoe zou het bewijs voor (1) er uit zien? Waar in de natuur moeten wij gaan zoeken om empirische data te vinden die (1) bevestigen? Waar in onze eigen mentale staat moeten wij gaan zoeken naar overtuigingen waar (1) noodzakelijkerwijs uit zou volgen? Ik me niet indenken dat Clifford meer zou kunnen zeggen dan: ‘het lijkt me gewoon zo dat (1) waar is’ of ‘ik heb de sterke intuïtie dat (1) waar is’. Maar als zo’n omstreden principe al op basis van louter intuïtie aangenomen zou mogen worden, waarom zouden wij dan veel breder geaccepteerde religieuze overtuigingen aan een veel strengere eis moeten onderwerpen?
Conclusie
Wij kunnen in ieder geval vier dingen concluderen. Ten eerste lijkt Cliffords visie genuanceerder te zijn dan door velen gedacht wordt: hij lijkt in de toepassing van CT voor bepaalde overtuigingen, zoals perceptuele en morele overtuigingen, een uitzondering te maken. Ten tweede is de respons in ‘The Will to Believe’ van William James, die zich met name concentreert op de rol van de wil en affecties in het vormen van overtuigingen, als reactie op Cliffords evidentialisme niet overtuigend. Ten derde moet CT op in ieder geval twee punten aangepast worden, wil zij plausibel zijn: CT moet zodanig geformuleerd worden dat haar schending de schending van een epistemische ën niet van een morele norm betekent en zij moet zodanig onder woorden worden gebracht dat zij geen doxastisch voluntarisme impliceert. Ten vierde kan het bewijs-argument weerlegd worden door te laten zien hoe het aanvaarden van bepaalde overtuigingen als zijnde in overeenstemming met CT zonder het accepteren van althans sommige (christelijke) geloofsovertuigingen een boedelscheiding aan het daglicht doet komen die niet door Clifford verantwoord is. Wil men deze scheiding kunnen verantwoorden, dan zal men moeten kunnen aantonen dat er voor religieuze overtuigingen – in tegenstelling tot vele mathematische, logische, filosofische en politieke overtuigingen – onvoldoende bewijs is of bewijs is dat een goede reden is om te denken dat de overtuigingen in kwestie onwaar zijn. En wat Clifford ook gedaan heeft, dat in ieder geval niet.
[21]