De tien woorden en de tempelreiniging
Bij Exodus 20,1-17 en Johannes 2,13-25
In de tijd van de tweede tempel, dus ook in de tijd van Jezus, waren de tien woorden onderdeel van de dagelijkse morgenliturgie in het heiligdom van Jeruzalem. Later wilde men de tien geboden ook lezen in het eigen morgengebed. Dat werd echter verboden, waarschijnlijk als reactie op het christelijke gebruik om ze als samenvatting te zien van alle 613 geboden die de jood te onderhouden had. Het is hier niet de plaats om in te gaan op het verschil tussen de katholieke en protestantse telling. Wel blijft die rooms-katholieke verdubbeling van het kuisheidsgebod merkwaardig (zesde gebod: ‘geen onkuisheid doen’; negende: ‘geen onkuisheid begeren’), evenals de protestantse dubbele aandacht voor gesneden beelden en andere voorstellingen.
De tien geboden horen tot de kernteksten van het christendom. Ook van het jodendom? Natuurlijk, maar nooit los van het geheel. De rabbijnen merken op: ‘Mozes hoefde toch niet veertig dagen op de berg te blijven om tien woorden te ontvangen? Hij moest daar ongetwijfeld veertig dagen en veertig nachten blijven om de gehele wet te ontvangen: alle woorden in de vijf boeken van Mozes én het hele corpus van de joodse leer en wetgeving.’
Persoonlijk gericht
De 613 geboden willen heel het menselijke leven omvatten. De tien woorden werden gezien als de voornaamste uitdrukking van de openbaring bij de Sinaï, een proclamatie in tien punten van Gods plannen met zijn wereld. Je kunt beter spreken van woorden dan van geboden. Het eerste: ‘Ik ben de Heer, uw God, die u hebt weggeleid uit Egypte, het slavenhuis’ is geen gebod, maar een verkondiging van God als bevrijder. God is geen tiran die met zijn vuisten op de tafel slaat en zegt: ‘Du sollst!’ (je zúlt).
De woorden zijn allemaal in het enkelvoud gesteld. Waarom? Ten eerste: opdat elk individu tot zichzelf zal zeggen: ‘Ze zijn mij bevolen. Ter wille van mij is de Tora gegeven, opdat ik haar vervul.’ Hij kan niet zeggen: ‘Het is voldoende als de wereld – zonder mij – de tien geboden houdt.’ Ten tweede: omdat het de individuele mens is, die ze overtreedt: Micha heeft het eerste gebod overtreden (Re. 17), Jerobeam het tweede (1 Kon. 12,28-33), de godslasteraar het derde (Lev. 24,10-14), de houtsprokkelaar het vierde (Num. 15,32-36), Absalom het vijfde (2 Sam. 15), Joab het zesde (1 Kon. 2,5), Zimri het zevende (Num. 25,6-15), Achab het achtste (Joz. 7), Ziba het negende (2 Sam. 16) en Nabot het tiende (1 Kon. 21). Het zijn dus geen vage algemene fatsoensregels, maar woorden die mensen persoonlijk aanspreken. Ze zijn positief én negatief gesteld. De positieve geboden brengen de mens in contact met God en de traditie (de sabbat en je vader en moeder). De negatieve zetten ons op het spoor naar een nieuwe wereld. Daar zal niet meer gemoord worden, niet meer gestolen, daar zal trouw zijn en vriendschap.
De uitleg die Jezus van de tien woorden geeft in zijn Bergrede, is typisch joods. Zij staan in de context van de komst van Gods koninkrijk. Waar Israëls bevrijdende God regeert, zal niet meer gemoord worden, maar het leven worden doorgegeven. Men zal daar niet stelen, maar delen, woorden zullen daden zijn en God zelf zal alles in allen zijn.
De tempel in Jeruzalem
De evangelielezing voert ons naar de tempel van Jeruzalem, gebouwd rond de kist met de tien woorden. In de voorafgaande lezing over het teken van de nieuwe wijn in Kana (Joh. 2,1-11), maakte de Messias het bronwater van de Tora tot wijn, woorden van geest en leven: het beginsel van Jezus’ tekenen. Dit woord ‘teken’ komt in de Tora voor om de grote daden van God in Egypte en in de woestijn te benoemen. Dat uittochtrijm klinkt ook mee in dit Johannesevangelie. Hoe zal Jezus daar zelf in staan? Als deelnemer, als medelijder aan de pijn in Egypte. Met Pasen werd in de tempel een lam of een ram geofferd, ter bevestiging van de bevrijding. Eerder noemde Johannes Jezus ‘het lam Gods’ (Joh. 1,35), later zal hij Hem beschrijven als het volmaakte Paaslam, als Hij aan het kruis hangt en de soldaten Hem de benen niet breken (19,32). Terwijl het ware Paaslam werd gekruisigd, werden in de tempel paaslammeren bij duizenden geslacht. Vroeger bracht men offerdieren uit de eigen kudde naar de heilige stad, nu werden die speciaal gefokt en verkocht in de voorhof van de heidenen. In de weken voor Pasen moest ook de tempelbelasting worden betaald. Dat mocht niet gebeuren met munten met Romeinse beeldenaars en opschriften. Deze werden in dezelfde voorhof aan lange tafels ingewisseld tegen speciale beeldloze munten. Dit alles genoot bij het volk weinig sympathie. Jezus’ actie is daarom geen liturgische zuivering van de tempel, maar een actie met politieke consequenties.
‘Breekt deze tempel af …’
Johannes doet meer met dit gebeuren: zowel de tempel als de Messias zijn in het geding. De Messias is immers de hoeksteen (Ps. 118,22) van het daarop gebouwde tempelhuis. Hoe zal het dat huis vergaan? Nog een korte tijd en het zal in vlammen opgaan, de offercultus zal dan bij gebrek aan offerdieren worden gestaakt. Zesenveertig jaar is aan de stenen tempel gebouwd, die Gods inwoning onder de mensen representeerde. Zesenveertig is de getalswaarde van Adam: de mens. God zou zich kwetsbaarder manifesteren dan in steen alleen: in de Mensenzoon die zelf zou lijden.
Johannes gebruikt dit verhaal rond tempel en paaslammeren om de lezer te wijzen op Jezus, het ware Paaslam. Jezus trekt zich na zijn confrontatie met de tempelkliek van Jeruzalem terug, om zich te bezinnen op de woorden die in het heilige der heiligen bewaard werden. Hij wil de woorden van Exodus 20 doen, de naam des Heren heiligen door zijn eigen lichaam te laten afbreken. Wie zijn geheim wil ontdekken, zal in de nacht (Joh. 3,1-21) te horen krijgen dat hij zelf herboren moet worden in geest en waarheid en dat de Mensenzoon omhoog geheven moet worden, opdat ieder die op Hem vertrouwt eeuwig leven zal ontvangen.