De Tora door Ezra voorgelezen
6e zondag van de Herfst (Nehemia 8)
Dit hoofdstuk schetst een groots moment in het bestaan van het Joodse volk: de voorlezing van de Tora onder leiding van priester en schriftgeleerde Ezra. Ezra speelt hier de rol van zijn leven, hij mag de Tora aanbieden aan het volk. Waarom hij, en waartoe die grootse scène?
Uiteraard kan Nehemia, als leek en burgerlijk bestuurder, de Tora niet aanbieden, maar dat hij in zijn ‘eigen boek’ opnieuw geïntroduceerd wordt (8:10: ‘Nehemia – dat is de stadhouder’) blijft wat vreemd. Is dit hoofdstuk verdwaald en hoort het elders thuis, in het boek Ezra, bijvoorbeeld na Ezra 8 of aan het eind (zo ook sommige Griekse versies)? Het helpt mij meer om twee filmische mogelijkheden te overwegen: ofwel een cameo, een optreden van een beroemdheid in de ‘show’ van een ander om een specifieke rol te vervullen, ofwel omgekeerd het boek Ezra beschouwen als een spin-off van dit hoofdstuk, vanuit de gedachte dat deze priester-geleerde best een eigen verhaal verdiende.
Hoe dan ook, let op hoe bescheiden Ezra te werk gaat: hij wordt gevráágd (Nehemia 8:1). Overal waar Ezra optreedt, doet hij dat niet op eigen initiatief, maar op verzoek van anderen (vergelijk Ezra 9:1-2, vooral 10,4). Om die reden meent de Talmoed (bSanh. 21b) zelfs dat hij waardiger dan Mozes was geweest om de Tora te ontvangen – alleen was hij te laat geboren.
Liturgie
De setting is goed doordacht. De dag van samenkomst is het begin van de zevende maand – tegenwoordig is dat Rosj Hasjana, Joods nieuwjaar. Dat wordt echter terloops verteld en niet benadrukt; ook de sjofar (ramshoorn) klinkt niet (vergelijk Leviticus 23:24vv.; Numeri 29:1-11). Zou dat opzet kunnen zijn? De hele setting is nogal alternatief en niet erg klerikaal.[1] De plaats waar we staan, is het plein voor de Waterpoort – water, dan denk je aan de Tora als bron, voor bomen van leven (Psalmen 1; Jeremia 17:8). Dus níet het tempelplein, zoals Flavius Josephus heeft, die een probleem blijkbaar aanvoelt en dat meteen gladstrijkt.[2] De hoofdpersonen staan op een plankier dat speciaal voor die gelegenheid is neergezet. Eenvoudiger en tijdelijker kan het niet. Zelfs dat wordt nog toegelicht: Ezra staat op die verhoging omdat het openen van het boek van de Tora zichtbaar moet zijn (Nehemia 8:5). Er zijn rituelen: lofprijzing, staan, knielen, buigen, responsies (‘amen’), maar geen offers.
Leerhuis
’s Morgens wordt de Tora voorgelezen, tot de middag, vervolgens wordt die uitgelegd. Daarbij spelen de Levieten de rol die ze ook elders krijgen toegewezen (zie 2 Kronieken 17:7-9; 35:3). Schriftuitleg volgt op de liturgische declamatie, en dat geeft zin aan de herhaalde uitdrukking dat wat gelezen is, bedoeld is om begrépen te worden door iedereen (8:8.12). Ook al bij de beschrijving van het publiek klonk twee keer dat de voorlezing bestemd was ‘voor ieder die het kon begrijpen’, met nadruk op inclusiviteit: mannen én vrouwen, ook tot tweemaal toe (8:2.3). Prediker (‘Luisteren (…) is beter dan het offer van een dwaas’ – Predediker 4:17) zou tevreden zijn geweest.
Raadselachtig is waarom Ezra daar staat met dértien vertegenwoordigers uit het volk (8:5). Een twaalftal had zo mooi symbolisch het volk Israël kunnen vertegenwoordigden, maar zo staat het er niet. Natuurlijk kun je aan de tekst sleutelen, de laatste naam is naar de Griekse versie wel met ‘hier eindigt de lijst’ (!) vertaald; maar in 8:8 zijn de Levieten die uitleg gaan geven ook weer met z’n dertienen, en dat lijkt te toevallig. Het is alsof het symbolisch niet te mooi mág kloppen: inhoud gaat boven vorm.
Emoties
De lezing en vooral de uitleg van de Tora roepen hevige emoties op. Er vloeien tranen, en de Levieten moeten alle zeilen bijzetten om er wel een feestelijke dag van te maken, want het zijn tranen van verdriet. Daar is maar één verklaring voor: schrik en schaamte als het volk beseft hoe weinig er terechtgekomen is van het houden van de voorschriften van de wet. Een vergelijkbare reactie kennen we ook van koning Josia, wanneer het wetboek dat in zijn tijd gevonden wordt hem wordt voorgelezen: rouwbetoon en het scheuren van zijn kleren (2 Koningen 22:11). Zou men vooral geschrokken zijn van het slot van de Tora, de beruchte hoofdstukken waarin ieder die zich niet houdt aan de wet wordt bedreigd met forse straffen? Zou misschien Deuteronomium 29:24-28, waarin aangekondigd wordt dat ongehoorzaamheid leidt tot ballingschap, ná de ballingschap extra pijnlijk zijn geweest om aan te horen? Bedenk dat deze gemeenschap zich nog steeds identificeert als ‘ballingschapsgemeenschap’ (8:17), ook al zijn ze volgens de gebruikelijke datering van het boek Nehemia (445 v.Chr.) meer dan zeventig jaar terug in hun land, zodat er nauwelijks nog voormalige ballingen in leven kunnen zijn.
Een opdracht voor alle tijden
Die angst lijkt goed aan te sluiten bij de theologie van de boeken Nehemia en Ezra, waarin het besef van collectief falen groot is, evenals de angst voor Gods toorn bij een nieuwe overtreding (zie onder andere Ezra 9:13-15). Vandaag overheerst evenwel de vreugde: er wordt gegeten, gedronken en Loofhutten gevierd, want men heeft net uit de Tora geleerd dat dát feest deze maand gevierd moet worden. Dat was niet meer gebeurd sinds de intocht onder Jozua – afgezien van de viering in Ezra 3:4, die is Ezra even vergeten. Dit hoofdstuk beschrijft een opdracht die van alle tijden is: wat geschreven staat met eerbied te omringen, in voorlezing tot klinken te brengen, zorgvuldig uit te leggen én in de praktijk toe te passen, in het vertrouwen dat dat goed nieuws is, waar iedereen zich in mag verheugen.
Deze exegese is opgesteld door Joep Dubbink.
Voetnoten
[1] Zie uitgebreider: J. Dubbink, ‘Ezra en de Tora – Nehemia 8 als alternatieve liturgie’, Schrift 247 (42/1, febr. 2010), 20-24.
[2] Joodse Oudheden XI, v. 5.