De tuinman
Bij Johannes 20,1-18
Vlak bij de oude stad Jeruzalem, buiten de stadsmuren, gebeurt van alles. Mensen hebben er moestuinen of een ezelweitje. Maar ook begraven ze er hun doden. Kepouros bijvoorbeeld heeft een heel grote mooie moestuin, vlak naast de begraafplaats. Hij kweekt er groenten en bloemen die hij kan verkopen. Hij verdient er genoeg aan voor een goede boterham. Midden op zijn tuin staat een schuurtje, waarin het gereedschap ligt en waar ook wat werkjassen en tuinbroeken hangen.
Kepouros is vroeg opgestaan. Hij gaat gauw naar zijn tuin om slakken te rapen en om te wieden tussen de groenten. Maar het wordt een heel vreemde morgen. Eerst ziet hij tussen de sla en de komkommer iemand lopen met zowat niks aan. Dat kan zo niet, in de kille ochtend. Hij wenkt en roept: ‘Pak maar een jasje en een tuinbroek uit de schuur.’
Even later komt er een vrouw aan die naar de begraafplaats gaat. Je kunt zien dat ze kapot is van verdriet. Misschien gaat ze wel naar het graf van haar kind. Maar ze komt binnen een minuut al van de begraafplaats hollen, schuin over, dwars door de radijzen en wortels van Kepouros. ‘Nou moe,’ zegt hij.
En weer iets later komen er twee mannen uit de stadspoort rennen. Alsof ze een wedstrijdje doen. Dan loopt die voorop en dan weer die. Schuin over, dwars door de boontjes en de kool van Kepouros.
‘Wel ja,’ roept Kepouros, ‘dat kan er ook nog wel bij!’ Even later ziet hij ze weer teruggaan van de begraafplaats over de weg naar de stad terug, druk met elkaar in gesprek. Kennelijk is die vrouw ook weer teruggekomen. Want aan de andere kant van zijn moestuin ziet Kepouros haar opeens staan, tussen de lelies en de zonnebloemen. En kijk, bij haar staat die bloterik, nu in een jasje en tuinbroek van hem, Kepouros. Het lijkt of die vrouw hem om de hals wil vliegen. Maar dan is hij opeens weer weg. En die vrouw?
Rustig, rechtop en blij lijkt het wel, wandelt ze nu de weg af naar de stad.
Kepouros schudt zijn hoofd. Vreemd, heel vreemd allemaal…