In Matteüs 4,1-11 wordt niet duidelijk gezinspeeld op Genesis 2,15–3,9. Toch is de combinatie van deze lezingen niet vreemd. In beide tekstgedeelten treedt een tegenstander van God op: de slang in Genesis 3 en de duivel in Matteüs 4. Deze personificaties van het kwaad proberen iemand ertoe aan te zetten om ontrouw te worden aan God, in het eerste geval met succes, in het tweede juist niet. Het tweede scheppingsverhaal (Gen. 2,4–3,24) heeft een etiologisch karakter: het verklaart waarom er mannen en vrouwen zijn en waarom ze kleding dragen. Het legt bijvoorbeeld ook uit waarom slangen op hun buik kruipen,
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden