Menu

Premium

De vorming van de messiaanse kring

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

4e zondag van de Zomer (Matteüs 13:1-23)

Het aan de lezing van deze zondag voorafgaande hoofdstuk 12 ging over Jezus als de trouwe knecht des Heren (Matteüs 12:18-21). In vers 22-37 kwam de tegenwerking tegen Hem aan de orde. De schriftgeleerden en farizeeën wilden een teken (38-45) en zijn eigen familie getuigde van onbegrip (46-50). In het laatste vers (50) heeft de hoop het overwicht – er zal zich een nieuwe kring vormen, een nieuwe familie: ‘Al wie doet de wil van mijn Vader die in de hemel is, die is mijn broeder en zuster en moeder.’

De vorming van de messiaanse kring vormt het hoofdonderwerp van Matteüs 13:1-23. Het heilsplan van God is het zaad van zijn Woord dat van den beginne af over de aarde is uitgezaaid. Iedereen kan zich bij zijn plan rond dat Woord aansluiten, mits hij werkelijk hoorder en doener wil zijn. Jezus Messias is degene die daartoe uitdaagt. In vers 1 gaat Hij naar buiten, net als de zaaier in vers 3.

Land in zicht

Vele scharen ‘vergaderden zich bij Hem’ (NBG ’51). Zal dit een vergadering tot heil zijn? In het lijdensverhaal (28:11) wordt een heilloze vergadering beschreven en na Jezus’ geboorte organiseerde Herodes al een vergadering die meer een kongsie tegen de kleine Messias was (2:4). Deze vergadering is nog neutraal, het zaad van het Woord zal kwistig over iedereen worden uitgestrooid. Het verhaal begint zo. ‘Vele scharen vergaderden zich bij Hem, zodat Hij in een schip ging en daar nederzat, en de gehele schare stond op de oever.’ Vanaf zijn bijzondere preekstoel ziet Jezus de mensen op de oever staan, maar achter hen en boven hen uit is er land in zicht. Dat kun je alleen maar zeggen als je op het water bent, van enige afstand. En er is een afstand tussen de mensen en het nieuwe land, het goede land waarnaar we uitzien.

Land of zaaigoed?

De gelijkenis heeft voor mij altijd iets raadselachtigs gehad. Gaat het nu om de grond, het land, of gaat het om het zaaigoed? Het woord ‘zaad’ kan in de Schrift niet gebruikt worden zonder dat men aan mensen denkt, ‘Abraham en zijn zaad’, mensen die horen en al doende vruchten voortbrengen. Maar tegelijkertijd moet de hoorder ook ontvangend zijn als de schoot van de grond. Die mag niet te weerbarstig zijn of te dor. Waar sprake is van het goede land waar alles honderdvoudig vrucht draagt, heeft dat een messiaanse bijklank (13:9). Zulk land is er nog niet, zo’n messiaanse wereld waar de velden wit staan van de oogst is meer droom dan werkelijkheid. De rotsbodem is weerbarstig, en wat heb je nu aan land dat alleen maar doornen dragen wil
of waar iedereen op trapt? Israël was zo’n land, men kende de tred van soldatenlaarzen die langs de heirbanen stampten en vernietiging brachten van al wat leven en toekomst wilde.

Gods Woord

Jezus kijkt vanaf het schip naar het land. Dat wordt pas goed als het het goede zaad kan ontvangen en doen groeien. Gods Woord wordt uitgezaaid over de aarde, kwistig en overvloedig. Het Woord van Israëls God is op de mens gericht met de bedoeling dat Woord en hoorder gaan samenvallen; dan is het mensenzaad goed en kan het honderdvoudig vrucht dragen. Het zaad wordt van buitenaf gestrooid, Israëls God is de compleet Andere, maar tegelijk volkomen nabij. Daarin verschilt Hij van de afgoden die mensen onderwerpen (de Mammon, en Mars, de oorlogsgod). Hij wil met mensen in gesprek en neemt er geen genoegen mee als het gesprek stokt en de mens en Hij van elkaar dreigen te vervreemden. Het is ‘niet goed dat God alleen zij’ – om Genesis 2:18 te parafraseren. Hij is altijd op zoek naar de helper tegenover Hem. En om te voorkomen dat hemel en aarde van elkaar vervreemden, wil Hij altijd weer zijn zaad uitstrooien, zijn Woord laten klinken en wachten, in iedere tijd opnieuw, op hoorders en doeners van dat Woord.

Jezus is zaaier en zaad

Waar onze parabel spreekt over zaad dat opgroeiende honderdvoudig vrucht draagt (13:8), rijmt dat op Genesis 26:12-13: ‘En Isaak zaaide in dat land en oogste in dat jaar honderdvoudig [vrucht], want de Enige zegende hem.’ De geschiedenis van God met de mensen is afhankelijk van het antwoord op het Woord van het begin. Jezus ziet het land in de verte, maar richt zich tot de menigte voor Hem. Daartussen zullen de dragers moeten staan van Gods nieuwe toekomst. Dat horen is geen eenvoudige zaak. Jezus licht dat toe met een citaat van Jesaja (6:9-10 = Matteüs 13:14-15), een merkwaardig getuigenis over niet willen zien en horen. Dit kwam ook ter sprake in exegeses over Johannes 9, om de drie jaar gelezen op de vierde zondag van de veertigdagentijd. Daar ging het over dichtgeplakte ogen, nu gaat het over verstopte oren. Toch is er hoop. Een kring van getrouwen is zich aan het vormen. De leerlingen die werkelijk leerling willen zijn, zullen middelaars zijn tussen de menigte en de Heer. Hun is het gegeven de geheimen van het Koninkrijk te kennen, omdat ze zich durven engageren. Hun horen wordt handelen. Dat moet van de anderen nog worden afgewacht.

Halverwege Matteüs 13 laat Jezus de scharen gaan. Hij laat hen even aan hun lot over en wacht af of het kwistig rondgestrooide zaad vruchten zal opleveren. Vanaf 13:36 richt Jezus zijn parabels alleen tot de leerlingen. Zij vormen de kern rond Jezus zelf, het Woord, zaaier en goed zaad tegelijk dat in de aarde sterven moet. Hier groeit Hij met het vruchtbare land en met al het zaad op de akker mee. Een groeiproces van allure. Jezus
is zaaier en zaad, Gods beste zaad, zijn Woord.

Deze exegese is opgesteld door Hein Jan van Ogtrop.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken