Menu

Premium

De woestijn zal bloeien als een roos

Preekschets Advent bij Jesaja 35

Preekstoel

De woestijn zal zich verheugen,
de dorre vlakte vrolijk zijn,
de wildernis zal jubelen en bloeien,
welig bloeien als een lelie,
jubelen en juichen van vreugde. (Jesaja 35:1)

Schriftlezing: Jesaja 35
Overige lezing: Matteüs 11:2-6

Liturgisch kader

Jesaja 35 hoort met de hoofdstukken 2,7 en 40 bij de favoriete profetenlezingen in de Adventstijd.

Daardoor ontstaat het risico te denken dat de tekst niets nieuws meer te zeggen heeft. Tijdens licht onderzoek op internet en in prekenbundels viel me op dat de context zelden ter sprake komt, terwijl deze altijd onmisbaar is voor het verstaan van de tekst.

Liedsuggesties

Twee opties voor berijmingen van Jesaja 35: ‘De dorre vlakte der woestijnen’ van Ten Kate (dat vanwege de melodie de bijnaam ‘de woestijnpolka’ kreeg), te vinden als nr. 47 in de Evangelische Liedbundel (zie ook Kerkliedwiki). Daarnaast een eigentijdse bewerking van Huub Oosterhuis: ‘De steppe zal bloeien’ (LB 608).

Voor bij de tweede lezing:

    • LB 534 (‘Hij die de blinden weer liet zien’)

    • LB 446 (‘Zijt Gij waarop de wereld wacht’)

Uitleg

Enkele vragen die de tekst oproept:

    • Wat is de context?

    • Over wie gaat het? In welke tijd? In welke situatie?

    • Wat doen woorden als wraak en vergelding in zo’n beloftevol lied?

    • Waarom wordt Johannes de Doper in de gevangenis op deze perikoop gewezen?

Compositie

Veel kerkgangers gaan ervan uit dat er ooit een profeet was die Jesaja heette, en dat hij de auteur is van dit hele bijbelboek. Vanwege deze veronderstelling is het zinvol om – bijvoorbeeld voorafgaand aan de lezing – de gemeente te informeren over de compositie van Jesaja. Samenvattend: ooit waren er drie profeten in verschillende tijden die de woorden hebben doorgegeven die in dat ene bijbelboek Jesaja staan opgetekend.

Het eerste deel (Jesaja 1-39) speelt zich af tussen 750 en 700 voor Christus. Jesaja wordt geroepen in een onzekere tijd, vol spanningen buiten maar ook binnen Israël. Het tweede deel (Jesaja 40-55) stamt uit de tijd van de Babylonische ballingschap, aan het eind van de zesde eeuw voor Christus. Er treedt een profeet op die het einde van de ballingschap aankondigt. Omdat hij in veel opzichten lijkt op die eerste profeet, noemen we hem de tweede Jesaja. Ten slotte het derde deel (Jesaja 56-66): dit speelt zich af in de vijfde eeuw voor Christus, als de joden terug zijn in hun eigen land. Ze zien de puinhopen en vragen zich af of er nog iets terecht komt van Gods beloften. Een derde Jesaja spreekt hen moed in.

Het gaat dus om drie verschillende profeten in drie verschillende tijden. Hun boodschap is dan ook verschillend, maar de rode draad is de telkens terugkerende oproep om te vertrouwen op Gods beloften. En daarom staan die drie samen in dit ene boek.

Context

Jesaja 34 spreekt over het gericht over Edom en dat liegt er niet om. Een jaar van wraak, een dag van vergelding, doornen en distels schieten op, aaseters zijn alom aanwezig. Het hele land Edom wordt één grote woestijn.

Vervolgens horen we in Jesaja 35 over een woestijn die zich verheugt en een wildernis die bloeit. En over mensen die door de woestijn terugkeren uit de ballingschap. Dat zou je eerder verwachten in het tweede deel van Jesaja, dat het einde van de ballingschap aankondigt. Hoe zit dat?

Ik stel het me zo voor: er was ooit een eindredacteur die de drie delen bij elkaar voegt om er een geheel van te maken. Hij heeft hoofdstuk 34 voor zich: Edom wordt een woestijn, er komt niets van terecht. En hij denkt: dat kan toch niet het laatste zijn, het oordeel? Er is toch meer? Daarom voegt hij een lied toe, een lied waarin hij de mensen moed inspreekt met woorden uit dat tweede deel over de terugkeer. Mooi bedacht, maar hoe komt hij daarbij?

Aan het eind van Jesaja 34 horen we: kijk het na in het boek van de Heer en lees – Hij heeft het land hen toebedeeld en zij mogen daar voorgoed wonen. De eindredacteur zegt: ik heb dit lied niet zomaar bedacht, maar ik heb het uit het boek van de Heer, ik heb het gemaakt vanwege de belofte van God en ik nodig jullie uit om mee te zingen! A.J. Heschel schreef: ‘Profetische voorspellingen zijn zelden definitief. Geen woord van God is zijn laatste woord (260),’ en ‘Bijna elke profeet brengt tegelijk met terechtwijzing en straf ook troost, belofte en hoop op verzoening (40).’

Wraak en vergelding

Maar toch, hoe mooi ook, in dit lied gaat het – net als in het vorige hoofdstuk – weer over wraak en vergelding: ‘Jullie God komt met zijn wraak, Gods vergelding zal komen.’ Inderdaad, maar nu staan deze woorden in het kader van de bevrijding. Nu geen leeuw of roofdier meer, ze zijn allemaal verdwenen. Nu breekt het licht door. Mensen zien wraak en vergelding vaak als negatief en hebben weinig oog voor de keerzijde. Deze woorden maken duidelijk dat al het geweld waar onze wereld vol van is, God niet koud laat. Hij reageert daarop. Wraak is dan bedoeld als rechtzetten. En vergelding als afmaken, voltooien. Als wij mensen wraak nemen, berg je dan maar. Als wij mensen gaan vergelden, dan kan het zomaar uit de hand lopen. En daarom moeten wij het aan God overlaten. Paulus herinnert ons daaraan in Romeinen 12: ‘er staat geschreven dat de Heer zegt: Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal vergelden.’ Paulus citeert daar Deuteronomium 32:35 om te benadrukken dat wij geen eigen rechter mogen spelen.

Woestijn in Namibië
(Beeld: Martin Redlin via Pixabay

In de woestijn

Dit lied gaat over bevrijding, terugkeer uit de ballingschap. Maar zoals eens na de uittocht uit Egypte: de weg naar het beloofde land gaat dwars door de woestijn. En dat is een weg van ontberingen, afzien, uitputting. Dan kan er een moment komen dat je de moed opgeeft. Geloven is in de Bijbel altijd het gaan van een weg. Denk aan Abraham die op weg gaat met vertrouwen op Gods belofte. Zo is dit lied ook bedoeld om de terugkerende ballingen te bemoedigen: ga de woestijn nu maar in en dan zul je het ontdekken dat de waterbronnen gaan bloeien, dat het dorstige land weer leven voortbrengt. De profeet ziet mensen die verblind zijn door wat hen overkomt, verlamd blijven zitten, doof zijn voor woorden van troost, met stomheid geslagen zijn. En daarom zegt hij: Als je op weg gaat, dan gebeurt het. Wat gebeurt er dan? Dan zullen blinden zien, lammen lopen, doven horen, stommen spreken.

In de gevangenis

Die woorden van de profeet klinken opnieuw in het evangelie. Johannes de Doper hoort in de gevangenis allerlei verhalen over het optreden van Jezus, maar Johannes heeft zo zijn twijfels. En daarom laat hij zijn leerlingen vragen: ‘Bent u de komende of moeten wij een ander verwachten?’ Een begrijpelijke vraag, want hij had de Messias aangekondigd als een oordeel: ‘De bijl ligt aan de wortel van de boom’ (Mat. 3:10). Maar Herodes, de hoogste boom, staat nog. Waarom wordt hij niet bevrijd? Jezus reageert zoals elke rabbi dat zou doen: met woorden die de leerling aan het denken moeten zetten, zodat hij zelf het antwoord ontdekt. Jezus citeert uit Jesaja 35, maar wat de profeet zegt over wraak en vergelding laat Jezus weg. Er gaat wel veel in vervulling maar nog niet alles. Met het optreden van Jezus is het messiaanse rijk begonnen, maar nog niet voltooid. En omdat Jezus zich realiseert dat die boodschap hard kan aankomen bij Johannes, voegt hij eraan toe: ‘Gelukkig is hij die aan mij geen aanstoot neemt’ (Mat. 11:6).

Aanwijzingen voor de prediking

Jesaja 35 kan klinken als een overspannen verwachting. Anderzijds: het klinkt wel vanaf de puinhopen en dan is het een dappere droom. Maar hoe is dat voor de hoorders nu? Ik denk aan mensen die, net als de terugkerende ballingen de moed dreigen op te geven omdat hun wereld een woestijn lijkt. Ze zien het niet meer zitten, komen niet in beweging, goede woorden dringen niet tot hen door, ze zijn met stomheid geslagen. Van oudsher leest de kerk in de Adventstijd niet alleen de verhalen van de verwachting van Jezus’ geboorte, maar ook het verhaal dat meer dan dertig jaar later speelt: over Johannes in de gevangenis. Advent is immers de tijd van verwachting en daarover gaat de vraag van de Doper. Over teleurgestelde verwachtingen. En die zijn van alle tijden en juist daarom is het zo goed dat zijn vraag steeds weer in de Adventstijd klinkt.

Wat lijken we soms op Johannes, want we zien er zo weinig van en we vragen met Gerard Reve: ‘Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ Wat Jezus doet is mooi, maar het is de totale verlossing nog niet. Laten wij ons overtuigen en veranderen door de kracht van de tekenen van Jezus?

Tekenen vandaag

Onlangs besprak ik Jesaja 35 met collega’s, en we daagden elkaar uit: waar zijn vandaag de tekenen te zien?

Iemand noemde ziekten die vroeger niet genezen konden worden, maar waar nu medicijnen voor zijn. ‘Is dat niet een bloem in de woestijn?’ Een ander wees op de strijd in de 19de eeuw tegen de kinderarbeid. En zelf dacht ik aan een rondreis door Israël. Toen we midden in de woestijn uitstapten zei de gids: ‘Dominee, wilt u hier nu Jesaja 35 voorlezen?’ We keken rond en zagen aan de ene kant een bloeiende sinaasappelboomgaard en aan de andere kant een rozenkwekerij – midden in de woestijn. Is dit haalbaar als adventsverwachting? Een beetje meer vrede, een beetje meer zicht op God zou al fantastisch zijn.

Bert Aalbers is emeritus PKN-predikant. Hij werkte in Halle, Epe, Maarssen en Breukelen. Van 1999 tot 2007 doceerde hij Nieuwe Testament aan de Hogeschool voor Theologie NBI in Utrecht.

Geraadpleegd

Heschel, A.J. (2013). De Profeten. Skandalon.

Riemersma, N. “‘Bent u degene die zou komen…?’ Over de vraag van Johannes de Doper in Lucas 7:18-23”

Snijders, L.A. (1969). Jesaja deel I (De prediking van het Oude Testament). Callenbach.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken