Menu

Premium

De zaaiende pelgrim

Over christelijke levensstijl

In dit artikel ga ik kritisch en beoordelend in op een tweetal visies op de mogelijkheid en wenselijkheid van een christelijke levensstijl—visies die elders in dit nummer van Kerk en Theologie zijn beschreven c.q. bepleit: die van het cultuurchristendom en die van de kerk als contrastgemeenschap. Kritiek en oordeel vergen een maatstaf. In de eerste sectie expliciteer ik de maatstaf die ik zal hanteren—de maatstaf van de zaaiende pelgrim.

De zaaiende pelgrim

In christelijke kring inspireren diverse beelden het denken over de relatie tussen christen-zijn en de wereld, en daarmee geven ze ook voeding aan bepaalde levensstijlen en diverse praxeis.

Eén zo’ n beeld is dat van de pelgrim. De pelgrim is onderweg, hij heeft een doel voor ogen, en de weg die hij aflegt is letterlijk het middel om dat doel te bereiken. De pelgrim verblijft nergens lang—als hij ergens verblijft, is dat hooguit om uit te rusten en nieuwe krachten op te doen voor het vervolg van de tocht. De pelgrim is overal te kort om zich echt met anderen te verbinden. Hij is altijd een voorbijganger. En dat is, in dit beeld, zowel begrijpelijk als goed. Want de tijden en zeden in het doorgangsgebied zijn kwaad, verleidingen en verzoekingen liggen overal op de loer, het gevaar dreigt alom. Maak je gezicht van puimsteen, wend het gelaat naar het oosten, volhard tot het einddoel bereikt is.

Dit wat mij betreft aangrijpende beeld, is het beeld van John Bunyans christen op reis naar de eeuwigheid. Vaak is dit smalend en depreciërend afgedaan als doperse wereldmijding. Maar voor een christen die zo leeft, heb ik oprecht respect (het adjectief, dat feitelijk overbodig is daar er geen onoprecht respect kan bestaan, laat ik staan) en ik herken in zijn en haar leven een bijbelse oproep.

In het beeld van de pelgrim zoals ik dat hierboven heb uitgewerkt, speelt de kerk, de christelijke gemeenschap, geen rol. Maar dat kan aan dat beeld zonder veel bezwaar worden toegevoegd. De kerk is dan de gemeenschap van pelgrims, die elkaar ondersteunen in de soms barre tocht door het immer vijandelijke gebied, dat ‘wereld’ heet. De kerk is de gemeenschap van reisgenoten waarvan de een de hand van de ander grijpt als die dreigt te wankelen.

Dit beeld van de pelgrimage kent tenminste twee (samenhangende) elementen die voor andere christenen, waarvoor ik evenzeer veel respect heb, problematisch zijn. Ten eerste het element van de wereld als een vijandelijk grondgebied. De wereld, zo zegt deze christen, is Gods rijksdomein waarin Gods vol- en heerlijkheid zichtbaar is. Wie de wereld mijdt, mijdt wat God goed genoeg vond om te scheppen. Wie de wereld kwaad noemt, ontkent dat God zag dat zij goed was. Het tweede, hiermee samenhangende, element is de idee van de eeuwige voorbijganger die zich nooit bindt of verbindt. Hij is een ongrijpbare voorbijganger die voorbijgaat aan de mensen door wier midden hij heengaat, met hun noden en vreugden, hun sores en successen. Hij is ongrijpbaar en dus onbegrepen.

Het beeld dat in de harten van deze christenen staat gegrift, is het beeld van de zaaier, die zaait dus werkt in de wereld, en erop vertrouwt dat het zaad minstens voor een deel vrucht zal dragen. De wereld is de akker, en dus moet men aan de wereld niet voorbijgaan en die onaangeroerd links en rechts laten liggen, maar men moet volhardend de akker bewerken en ook geduldig wachten, want men weet niet wat welk effect zal hebben. De christen staat niet buiten de wereld, maar midden in de wereld, en leeft daar als ingezetene van een goddelijk rijk. Hij neemt deel aan alles wat tot de schepselmatige wereld behoort, zoals: cultuurvorming, politiek, kunst, wetenschap en probeert alles daarin zo te wenden dat het heil van mensen en de eer van God daarin zichtbaar worden.

Ik zei het al, beide beelden spreken me toe. Ben ik daarmee schizofreen? Nee. Want er is al vaak op gewezen dat de bijbelse notie van ‘wereld’ minstens twee verschillende betekenissen heeft. Er is ten eerste de betekenis die in de geschriften van Johannes prominent is: ‘de wereld’ is (a) ‘dat wat tegen Gods bedoelingen in gaat.’ Maar ‘de wereld’ kan ook betekenen (b) ‘het geheel van Gods schepping’. Het is wel duidelijk dat iets ‘van de wereld’ in zin (b) kan zijn, maar niet ‘van de wereld’ in zin (a). Wat tot de wereld behoort, is daarom nog niet ‘werelds’. In termen die door christelijke filosofen worden gebruikt, kan ik het ook zo zeggen: ‘de wereld’ in zin (b) is een structuur-aanduiding, maar in zin (a) een richting-aanduiding. De wereld als structuur is het geheel van natuurlijke en cultuurlijke samenhangen waarin de mens krachtens zijn menszijn is opgenomen. Een mens heeft een lichaam en kan waarnemen en voelen en is daarmee opgenomen in het grote geheel van fysische en biotische en psychische verbanden: hij moet eten en drinken, rusten en slapen, gevaren ontwijken, daarbij steeds rekening houdend met en reagerend op de fysische realiteiten om hem heen. Tevens is de mens opgenomen in cultuurlijke samenhangen van geschiedenis, taal, sociale verbanden, recht en politiek. Al deze samenhangen zijn voor de mens wat water is voor een vis: ze vormen het levenselement waarbuiten hij niet kan bestaan. We kunnen onszelf niet buiten deze samenhangen plaatsen.

Mens-zijn is, in deze zin, in-de-wereld-zijn. Binnen deze natuurlijke en cultuurlijke structuren speelt zich het menselijk leven op aarde af. En zo, is de christelijke overtuiging, is het door God gewild en bedoeld en dus goed.

Binnen de structuren van natuur en cultuur kan men echter op heel verschillende manieren opereren. Hiermee komt ‘de wereld’ als richting-aanduiding in beeld. Mensen kunnen, om het in de termen van Augustinus te zeggen, binnen de genoemde structuren de blik gericht hebben en houden op God en diens Rijk, maar ook kunnen ze hun blik van Hem afwenden. Binnen dezelfde scheppingsstructuren kunnen mensen heel verschillende richtingen opgaan. De christen gelooft dat hij in alles moet pogen trouw te zijn aan de Heer, dat hij zich in zijn hele leven in-de-wereld dient te laten richten door wat God wil. Het alternatieve leven in de wereld is een leven dat niet gericht is op God maar op iets anders. Dat is een werelds leven, waarbij ‘wereld’ de aanduiding is van (a). Zomin als het mogelijk is om mens te zijn buiten de natuurlijk en cultuurlijke samenhangen, zomin is het mogelijk om binnen die samenhangen te leven en geen richting te gaan, geen richting te kiezen. “You’re gonna have to serve somebody” zegt een Dylan-song, “it may be the devil or it may be the Lord, but you’re gonna have to serve somebody”. Er zijn, in deze benadering, in het leven in-de-wereld geen ‘adiafora’, geen onverschillige zaken, overal kunnen we verschillende richtingen opgaan, en overal moeten dus keuzes gemaakt worden, of zijn er, zonder dat we ons dat misschien bewust waren, keuzes gemaakt. Het leven is, hoe dan ook, of men het wil of niet, zaaien in de wereld. Men kan niet niet-zaaien. Maar we hebben wel invloed op wat we zaaien, en daarmee, indirect ook op de oogst.

Wie geen vreemde in Jeruzalem is, zal in dit tweede beeld, in deze tweede benadering van de plaats van de christen in de wereld, de neocalvinistische levensbeschouwing ontwaren zoals die op indrukwekkende wijze door onder meer Abraham Kuyper in zijn Stone-Lectures van 1898 is verwoord.[1][2][3] In het ‘richtings’element is de essentie van het beeld van de pelgrim bewaard gebleven. Daarom spreek ik over de zaaiende pelgrim.

Het bovenstaande is de inleiding, het uitgangspunt en de maatstaf voor hetgeen ik zal zeggen over christelijke levensstijl.

Om te beginnen: de geschetste visie impliceert dat het onmogelijk is geen levensstijl te hebben. Want wat is een levensstijl? Een levensstijl is ‘een wijze van’ doen een ‘manier om’ iets te doen. In voorbeelden: eten moeten we allemaal, maar er zijn verschillen wijzen van eten, verschillende manieren om te eten. Het is niet mogelijk te eten en dat niet op een bepaalde wijze te doen. Omgaan met mensen doen we allemaal, maar er zijn verschillende manieren van omgang. Het is niet mogelijk met anderen om te gaan en dat niet op een bepaalde manier te doen. Denken doen we allemaal, maar er zijn verschillende denkwijzen. Het is niet mogelijk te denken en dat niet op een bepaalde wijze te doen. Leven doen we allemaal, maar er zijn verschillende wijzen of manieren van leven. Het is niet mogelijk te leven en dat niet op een bepaalde wijze of op een bepaalde manier te doen. Welnu, wat de bovenbeschreven visie impliceert, is dat er een christelijke manier van leven is, een christelijke manier om al datgene wat het leven tot leven maakt, te doen en te beleven. Voorbeelden kunnen dit concreet maken:

·Het is niet mogelijk om niet met anderen om te gaan en ook niet mogelijk om niet op een bepaalde manier met anderen om te gaan. De christelijke manier van omgaan met anderen wordt, normatief, gekenmerkt door: liefde, trouw, aandacht, verdraagzaamheid, zorgzaamheid, zorgvuldigheid.

·Het is niet mogelijk niet te spreken en ook niet om niet op een bepaalde manier te spreken. De christelijke manier van spreken wordt, normatief, gekenmerkt door: geen vals getuigenis geven tegen over over je naaste, niet zouteloos maar pittig spreken, op juiste momenten de juiste woorden spreken (dat zijn ‘gouden appelen op zilveren schalen’), niet roddelen, wat goed en positief is benoemen, complimenteren en bestraffend toespreken waar dat gepast is, zwijgen over wat in het geheim aan je is toevertrouwd.

  • Het is niet mogelijk om niet op God te reageren en ook niet om niet op een bepaalde manier op God te reageren. De christelijke manier van op God reageren wordt gekenmerkt door: tijd doorbrengen met God individueel en in gemeenschap, gebed in vele verschijningsvormen (dank- en klaaggebeden, voorbeden, zegenbeden, gebeden voor zieken), vasten, liederen zingen.

  • Het is niet mogelijk niet over God te denken en ook niet om niet op een bepaalde manier over God te denken. De christelijke manier van denken is rijk en gevarieerd, maar wordt, normatief, gekenmerkt door wat in de grote confessies is neergelegd, zoals: dat God de schepper is van alle dingen; dat Jezus Christus, die na gekruisigd en drie dagen begraven te zijn geweest, uit de dood is verrezen en de zoon van God is; dat Christus de tweede persoon is van de goddelijke Triniteit; dat God eens alle mensen zal oordelen; dat God zonden vergeeft en genade schenkt; dat Hij niet ver is van een ieder van ons; dat Hij hoort naar gebed.

  • Het is niet mogelijk niet in de natuurlijke wereld te leven en ook niet om niet op een bepaalde manier in de natuurlijke wereld te leven. De christelijke manier van leven wordt, normatief, gekenmerkt door: de zorg om te behoeden en bewaren, rentmeesterschap, het tot ontplooiing brengen van wat in de schepping ligt op een wijze die heilzaam is voor de naaste en tot eer van God.

Ik zou deze lijst nog vele malen langer kunnen maken, want er is erg veel waardoor, normatief, een christelijke levensstijl gekenmerkt wordt. Een christelijke levensstijl betreft ook de omgang tussen de seksen, seksueel verkeer, internationale verhoudingen, economisch handelen, sport en ontspanning, en, ervan uitgaande dat er geen adiafora zijn, omvat het gehele leven in alle facetten.

Is nu alle christelijke werking in het persoonlijke leven, in de cultuur en in de samenleving ook een kerkelijke werking? Is alle christelijke activiteit kerkelijke activiteit? Het is wel duidelijk dat dat niet zo kan zijn. Van christelijke ouders die met hun kinderen meeleven en waar nodig meevechten en dat doen vanuit hun geloofsovertuiging gaat een christelijke werking uit, maar het is geen kerkelijke werking. Hetzelfde geldt voor ondernemers, leraren, artsen, ambtenaren, politici enz. enz. die hun werk doen vanuit een christelijke levensstijl. Van hen gaat een christelijk effect uit, maar het is geen kerkelijk effect. Voor Abraham Kuyper was dit gegeven de reden om een onderscheid te maken tussen de kerk als institutie en de kerk als organisme.[4] De kerk als institutie is een organisatie met leden, met gezagsdragers en ontzagsdragers, met reglementen en bepalingen die neergelegd zijn in kerkelijke wetboeken waarin toelatingsvoorwaarden en royementscondities zijn gespecificeerd, met een financiële administratie, met onroerend eigendom, etc. De kerk als institutie draagt zorg voor de eigen leden, voor het onderricht aan hen, voor de bediening van de sacramenten, voor het gaande houden van het gebed en van de lofzang, voor de Woordverkondiging, voor evangelisatie en zending. Maar de kerk als organisme is het geheel van christelijke presentie en levensstijl zoals dat zichtbaar wordt buiten de muren van de kerk, buiten de kaders van de eredienst, buiten de gemeenschap van kerkleden.

Cultuurchristendom

Wanneer ik in het licht van het bovenstaande de beschouwing van Wouter Slob over het ‘cultuurchristendom’ bezie, moet ik concluderen dat dit, normatief, geen authentieke christelijke levensstijl is. Immers, de cultuurchristen meent dat wat ik hierboven als de christelijke wijze van denken over God heb aangeduid, niet langer volgehouden kan worden. En ook wat ik bij deandere bullets heb neergeschreven wijst de cultuurchristen af. Uit het stuk van Slob wordt duidelijk dat de cultuurchristen de christelijke levensstijl afwijst, al heeft hij er vanuit historisch en biografisch oogpunt misschien nog wel belangstelling voor, zoals men ook belangstelling kan hebben voor een demente grootouder. Wat veel minder duidelijk wordt, is waarom hij dit alles afwijst, waarom hij meent dat dit alles niet langer volgehouden kan worden. Het betoog over ‘het verlies van waarheid’ kan de reden niet zijn. Want dat is filosofisch zo warrig en wazig dat het nauwelijks serieus kan worden genomen.

Als ik Slob goed begrijp, maar daar ben ik niet zeker van, is de gedachtengang van diegenen die zich verenigen onder de vlag van het cultuurchristendom ongeveer als volgt: [A] ‘Wij hebben grote aarzelingen bij de waarheidspretenties van de christelijke leer (van het leerstellige christendom). Wij denken echter niet dat het christelijk geloof geen zeggingskracht heeft.’ Vanaf hier wordt het vanuit Slobs artikel onduidelijk hoe de cultuurchristen denkt. Enerzijds lijkt hij te denken: [B1] ‘Maar die zeggingskracht bestaat onafhankelijk van waarheidspretenties — althans wanneer de notie van ‘waarheid’ op een bepaald klassieke manier wordt opgevat. Ik aanvaard een ander waarheidsbegrip dan het klassieke adaequatio rei et intellectus ofwel de correspondentietheorie van de waarheid, nl. een postmodern waarheidsbegrip. En gegeven dat waarheidsbegrip, kan nog steeds gezegd worden dat het christelijk geloof waar is, en zeggingskracht heeft.’ Anderzijds echter lijkt hij te denken: [B2] ‘Maar die zeggingskracht is onafhankelijk van waarheid. Want de waarheid bestaat niet; de christelijke leerstellingen zijn niet waar.’ Wat ervoor pleit om te denken dat volgens Slob de cultuurchristen [B1] denkt, is dat Slob eerst de correspondentietheorie van waarheid bekritiseert en op zoek lijkt te gaan naar een alternatieve waarheidstheorie. Zo’n alternatief is alleen maar gewenst teneinde datgene wat de cultuurchristen niet meer waar acht in de correspondentietheoretische zin van ‘waar’, toch nog waar te kunnen achten in een alternatieve zin. Wat ervoor pleit om te denken dat volgens Slob de cultuurchristen [B2] denkt is dat hij dat in feite met zoveel woorden zegt. Maar als dat zo is, dan is de hele exercitie over de correspondentietheorie van waarheid overbodig. Immers, dan aanvaardt de cultuurchristen die theorie en zegt: de leerstellingen van het christendom zijn allemaal onwaar. En dan is vervolgens de logische stap, die dan echter weer niet gezet wordt, dat de cultuurchristen gedachte [B2] als volgt vervolgt: [B2*] ‘Het genuine christelijk geloof heeft niets met leerstellingen te maken, niets met het aanvaarden van dogma’s, maar is uitsluitend een levenspraxis, een opvolging van de praktische imperatieven van Jezus om te leven als een barmhartige Samaritaan, en conform de bergrede.’ Kortom, hoe de cultuurchristen nu echt denkt, wordt niet erg duidelijk.

Toch zijn bepaalde dingen wel duidelijk, en daarop wil ik ingaan. Ik ga nueerst na welk waarheidsbegrip de cultuurchristen precies afwijst, en welke redenen hij daarvoor heeft. Vervolgens bezie ik het postmoderne waarheidsbegrip dat hij aanvaardt, en bezie wat het betekent wanneer het christelijk geloof in deze postmoderne zin ‘waar’ genoemd wordt. Tenslotte beoordeel ik deze positie in het licht van de maatstaf van de zaaiende pelgrim.

De cultuurchristen wijst, zegt Slob, de correspondentietheorie van de waarheid af. Deze theorie (die overigens nogal verschillende gedaante kan aannemen) zegt, in de kern, dat een uitspraak (of gedachte, theorie, stelling, bewering) waar is, wanneer de wereld zo is als in de uitspraak wordt gesteld. De uitspraak “Citroenen zijn zuur” is waar dan en slechts dan als citroenen zuur zijn; meer is niet nodig, minder volstaat niet. Veruit de meeste christendenkers in verleden en heden zijn vrienden van deze theorie. Concreet betekent dit dat wanneer zij uitspreken ‘God is de schepper van alle dingen” en “God was in Christus de wereld verzoenende met zichzelf’ zij daarmee claimen dat deze uitspraken waar zijn, d.w.z. dat het daadwerkelijk zo is dat God de schepper is van alle dingen en dat het daadwerkelijk zo is dat God in Christus de wereld verzoenende was met zichzelf. De cultuurchristen, zo begrijp ik Slob, wijst dit af. Deze doet de geciteerde uitspraken (misschien) nog wel, maar claimt tevens dat ze niet waar zijn in de correspondentietheoretische zin ‘waar’.

Welke redenen heeft de cultuurchristen hiervoor? Hier wordt het betoog van Slob warrig, maar hier is mijn reconstructie: de reden waarom de cultuurchristen de correspondentietheorie van de waarheid afwijst, is omdat deze theorie niet zegt wat te doen als er conflicterende waarheidsclaims worden gedaan. Stel dat een christen zegt ‘God is de schepper van alle dingen’, en een atheïst, bijv. Herman Philipse, of Richard Dawkins, zegt ‘Er is geen God en dus is God niet de schepper van alle dingen’ dan worden er conflicterende waarheidsclaims gedaan. En de correspondentietheorie van de waarheid zegt niet wat we moeten doen om dit conflict op te lossen. En dus moet die theorie worden afgewezen.

Is dit nu een goede reden om deze theorie af te wijzen? In het geheel niet. Hier is een enorm misverstand in het spel over de aard van de correspondentietheorie van waarheid. Deze theorie wil (alleen maar) zeggen wat de natuur van ‘waarheid’ is, nl. overeenstemming van een uitspraak met zoals het feitelijk is. Maar expliciet maken wat het geval is wanneer een uitspraak waar is, is iets anders dan expliciet maken hoe men erachter kan komen of een bepaalde uitspraak waar is of niet. Het eerste is een metafysische kwestie, het tweede een epistemische. Hier is een analogie: het is één ding om te weten wat een kankergezwel is, maar een heel ander dingen om te weten dat iemand kanker heeft. Wanneer iemand weet wat een kankergezwel is (“een klomp van snel zich delende cellen dat ander weefsel aantast”), d.w.z. weet wat de aard van zo’n gezwel is, weet hij daarmee nog niet of Mohammeden Ingrid zulk een gezwel hebben. Men moet echter niet stoppen te denken dat men weet wat de aard van een kankergezwel is, omdat men daarmee nog niets in handen heeft om te constateren of Mohammed en Ingrid zulk een gezwel hebben. Zo ook moet men de correspondentietheorie van waarheid niet opgeven omdat die theorie geen concrete aanwijzingen geeft hoe men een conflict van claims kan beslechten.[5] Wat nodig is, is een inhoudelijke zakelijke discussie over de gronden die pleiten voor en tegen de waarheidsclaims van het christendom—en dat is iets anders dan een discussie over waarheidsbegrippen.[6]

(Er is nog een gedachtengang, even weinig valide, die de cultuurchristen lijkt te aanvaarden, namelijk deze: Omdat de correspondentietheorie niet helpt om een conflict van waarheidsclaims te beslechten, bestaat er geen waarheid: “De waarheid bestaat niet.” De cultuurchristen lijkt als volgt te redeneren: (i) als er waarheid is, denkt iedereen hetzelfde; (ii) niet iedereen denkt hetzelfde; (iii) dus is er geen waarheid. Het probleem in de redenering zit in (i) en valt eenvoudig in te zien. Veel mensen denken dat er buitenaards leven is; veel andere mensen denken dat er geen buitenaards leven is. Maar daaruit volgt niet, zoals de cultuurchristen meent, dat er dus geen waarheid is omtrent het bestaan van buitenaards leven. Het punt is dat er vele ongekende waarheden zijn.[7])

Welk alternatief waarheidsbegrip aanvaardt de cultuurchristen dan wel? Hier is het opnieuw, of nog steeds, enigszins schimmig, want enerzijds, zoals ik in de vorige alinea en in [B2] aangaf, lijkt hij te menen dat waarheid niet bestaat, maar anderzijds lijkt hij te menen dat waarheid wel bestaat, maar iets anders is dan correspondentie met feiten. Wat is dat alternatieve waarheidsbegrip? Slob lijkt aan de cultuurchristen een ‘dialogisch waarheidsbegrip’ toe te schrijven (of aan te bevelen). Maar wat is dat voor begrip? Meer concreet: wanneer een cultuurchristen zegt dat de uitspraak “God is de schepper van hemel en aarde” waar is, dan wordt mij niet duidelijk wat het betekent dat deze uitspraak moet worden beschouwd als ‘waar’ in de zin van de dialogische waarheidstheorie. (Gelet op wat ik in de vorige alinea schreef, is het ook mogelijk dat een cultuurchristen deze uitspraak niet zou willen doen en dat hij eenvoudigweg ontkent dat er waarheid is — en in het bijzonder dat er christelijke waarheid is. Maar de stelling dat er geen waarheid is, is een zichzelf aborterende claim. En de stelling dat er geen christelijke waarheid is, kan ik alleen maar uitleggen als de stelling dat uitspraken als ‘God is de schepper van alle dingen’ en ‘God was in Christus de wereld verzoenende met zichzelf’ onwaar zijn. Maar voor deze stelling heeft de cultuurchristen zoals geportretteerd door Slob geen enkel argument gegeven.) Het blijft dus onduidelijk wat het alternatieve, ‘dialogische’, waarheidsbegrip is. En als ik het artikel van Slob lees, bekruipt me het gevoel dat hij helemaal geen alternatief voor de correspondentietheorie van waarheid wil presenteren. Hij schrijft: ‘Dat betekent dat we de christelijke waarheid niet massief moeten voorhouden … maar mogen voorleggen. … [Ze moet] niet bewaakt … worden, maar verkondigd.’ Uit deze zinnen spreekt geen alternatieve waarheidstheorie (geen theorie dusdanig dat christelijke uitspraken ‘waar’ zijn in de zin van deze theorie) maar een suggestie betreffende hoe de ‘christelijke waarheid’ gepresenteerd en gecommuniceerd zou moeten (of kunnen) worden. En dat is iets heel anders. Overigens is het lastig in te zien wat er ‘voorgelegd’ en verkondigd moet worden als het geen leerstellingen zijn, dan wel oproepen die leerstellingen impliceren dan wel vooronderstellen..

Hoe dan ook, de beschrijving van het cultuurchristendom zoals gegeven door Slob is, inderdaad, gemeten aan het criterium van de zaaiende pelgrim, een verwatering. Geen zoutend zout, geen licht op een berg, geen baken van hoop, geen grondslag voor zekerheid, geen aanwijzing voor het eeuwige leven.

De kerk als contrastgemeenschap

Het idee van James Kennedy van de kerk als contrastgemeenschap, komt er, in het licht van het bovenstaande veel beter van af. De kerk is de gemeenschap van christenen die in de wereld leven en daarin de richting van Christus willen gaan. Feitelijk gesproken zal die gemeenschap met de huidige culturele setting contrasteren. Maar de kerk moet niet willen contrasteren om het contrasteren. Als ze contrasteert is dat omdat ze trouw is aan Christus. En een gemeenschap die trouw is aan Christus, hoeft niet per se te contrasteren met de dominante cultuur. Het viel me onlangs op dat in het boek Handelingen der Apostelen staat dat de eerste christenen in de gunst stonden bij het gehele volk! De kerk in Nederland van nu staat daar niet in — en de schandelijke daden van kerkelijke gezagsdragers is daar niet de hoofdoorzaak van. Maar normatief gesproken heeft, naar christelijke overtuiging, de kerk een heilbrengende en bevrijdende boodschap, en is hetEvangelie als zaad in de wereld dat overal kan opschieten en een heilzame, helende, bevrijdende en zegenende uitwerking kan hebben in alle structuren die het menselijke in-de-wereld zijn uitmaken.

Bij wijze van conclusie: het beeld van de zaaiende pelgrim is wat mij betreft een inspirerend beeld aangaande de relatie van een christen tot de wereld en, mits goed uitgelegd, bevat het tal van aanwijzingen voor een christelijke levensstijl. Dat is belangrijk, want naar mijn mening zien we van een christelijke levensstijl niet te veel maar te weinig in onze wereld.[8]

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken