Menu

Premium

Deuteronomium

Indien we een belangrijke stroming in het recente onderzoek naar de herkomst en de compositie van de oudtestamentische boeken mogen geloven, dan geldt het boek Deuteronomium als het middelpunt van het Oude Testament. Immers, in vrijwel alle oudtestamentische boeken zouden sporen van Deuteronomium aanwijsbaar zijn. Meer nog, voor velen is Deuteronomium de noodzakelijke sleutel om de rest van het Oude Testament adequaat te kunnen begrijpen. De vraag – veeleer een raadsel – hoe deze karakteristieken van Deuteronomium in de overige oudtestamentische boeken zijn binnengeraakt, is een zaak op zich die overigens buiten de opzet van dit handboek valt.

In deze bijdrage zullen de volgende kwesties aan de orde komen: structuur en inhoud; personages; stijl; stereotiep taalgebruik; intertekstualiteit.

Structuur en inhoud van Deuteronomium

De raamvertelling van Deuteronomium verhaalt de gebeurtenissen aan de vooravond van Mozes’ overlijden. Ze vertellen over Mozes’ laatste levensdagen en over zijn dood. De romp van het boek bevat Mozes’ afscheidsrede. Het zijn de laatste woorden die hij uitspreekt, net vóór de Israëlieten onder leiding van zijn opvolger Jozua de Jordaan zullen oversteken. Als dusdanig luidt het boek het begin van de inbezitneming van het beloofde land in. In Deuteronomium kunnen vier onderdelen worden onderscheiden. Ze zijn elk door een opschrift gemarkeerd: 1:1 (‘dit zijn de woorden’); 4:44 (‘dit is de thora/wet’); 28:69 (‘dit zijn de woorden van het verbond’); 33:1 (‘dit is de zegen’).

De structuur van Deuteronomium

1:1-4

ruimte en tijd – Mozes en Israël

I.

1:5-4:43

Mozes’ eerste toespraak (1:5 ‘dit is de thora‘)

1:5-3:29

terugblik op het verleden: de tocht van de Horeb naar Bet-Peor:

type en anti-type

4:1-43

analyse van het verleden met het oog op heden en toekomst:

parenese: woorden van dreiging en hoop

II.

4:44-28:68

(4:44 ‘dit is de thora‘)

4:44-49

inleiding op Mozes’ toespraak (‘voorschriften, verordeningen en bepalingen’)

5:1-27:26

aanloop en romp van het boek

5:1-11:31

deuteronomische parenese (5:1; 11:31 ‘voorschriften en bepalingen’)

5:1-5

rechtstreeks contact tussen Jhwh en Israël

5:6-21

decaloog: rechtstreeks contact tussen God en volk

5:22-33

rechtstreeks contact is niet meer mogelijk: Mozes als profeet

6:1-11:31

aansporing tot onderhouden van de wet

(6:1 en 11:31 ‘voorschriften en bepalingen’)

12:1-26:16

deuteronomische wet: invulling van de decaloog

(12:1; 26:16 ‘voorschriften en bepalingen’)

26:17-19

protocol van het ‘verbond’

27:1-26

opdrachten voor na de overtocht van de Jordaan

(27:15-26 dodecaloog)

28:1-68

zegen en vloek

28:1-14

zegen (vv. 1.13 geboden: mitswot)

28:15-45

vloek (vv. 15.45 geboden: mitswot)

28:46-68

dreiging van oorlog en ballingschap

III.

28:69-32:52

(28:69 ‘dit zijn de bepalingen van het verbond’)

28:69-30:20

de vernieuwing van het ‘verbond’: woorden van dreiging en hoop

31:1-8

Mozes door Jozua opgevolgd

31:9-13

opdracht tot zevenjaarlijkse voorlezing van de wet en

deponering van de verdragstekst bij de ark (v. 26)

31:14-29

God voorziet afvalligheid en dicteert Mozes een lied van vermaning

31:30-32:43

poëzie (69 dichtregels): het lied van Mozes

32:44-52

aankondiging van Mozes’ dood

IV.

33:1-29

poëzie (54 dichtregels): de zegen van Mozes (33:1 ‘dit is de zegen’):

spreuken voor de stammen

34:1-12

ruimte en tijd – Mozes en Israël

Deuteronomium 1:1-4:43

Deut. 1:1-4 geldt als opschrift van het ganse boek. In deze narratieve passage in de derde persoon stelt een anonieme auteur dat Deuteronomium een redevoering van Mozes is. Tevens geeft hij informatie over de plaats waar en het ogenblik waarop Mozes zijn toespraak hield. Het is het veertigste jaar na de uittocht uit Egypte, te , aan de overzijde van de Jordaan. De uitdrukking ‘aan de overzijde van de Jordaan’ is vanuit tweevoudig opzicht interessant. Door Mozes’ afscheidsrede aan de grenzen van het beloofde land te situeren refereert de auteur aan het boek Numeri, waar expliciet wordt gesteld dat Mozes het volk niet zelf het land zal kunnen binnenleiden (Num. 20:12 – zie ook Deut. 1:37). Maar tevens zegt deze formule iets over het standpunt van de auteur. Hij is iemand die het

beloofde land reeds bewoont. Vanuit zijn zienswijze ligt inderdaad aan ‘de overzijde van de Jordaan’. Impliciet vernemen we daardoor onmiddellijk ook iets over de geadresseerde van het boek. Hoewel Mozes’ redevoering gericht is tot de Israëlieten die klaar staan om het beloofde land in bezit te nemen, is het boek defacto klaarblijkelijk bestemd voor de Israëlieten die het land reeds bewonen.

De uitdrukking ‘dit is de wet’ in Deut. 1:5 leidt het eerste deel van het boek in. Hierin kunnen opnieuw twee secties worden onderscheiden: Deut. 1:5-3:29 geeft een historische terugblik op Israëls tocht van de Horeb/Sinaï naar Bet-Peor teneinde het volk te instrueren. Deze hoofdstukken zijn weldoordacht gecomponeerd volgens de systematiek van type en antitype. Zeven keer (1:30; 2:12; 2:20-22; 2:28-29; 3:2; 3:6; 3:21) treffen we er de formule ‘zoals de Heer/Israël gedaan heeft’ aan. Dit impliceert dat het historische overzicht veel meer is dan een (nostalgische) terugblik op het verleden. De gebeurtenissen van het verleden worden er typologisch geduid, ze zijn model voor wat er in de toekomst te gebeuren staat. Daarbij krijgen de eerste en de zevende plaats een bijzonder gewicht, aangezien Jhwh er het subject is: Jhwh zal voor u strijden, zoals Hij dat voor u in Egypte heeft gedaan (1:30); Jhwh zal met alle koninkrijken doen, zoals Hij met de beide koningen (Sihon en Og) heeft gedaan (3:21-22).

Net zoals Deut. 1:5-3:29 wil hoofdstuk 4 het volk instrueren, maar aan de hand van religieuze ideologie en retoriek. Indien hier al op het verleden wordt gezinspeeld, dan refereert men niet aan concrete expedities of tochten zoals in Deut. 1-3, maar veeleer aan roemrijke heilsdaden, zoals de uittocht (vv. 20.34.37) of de theofanie op de Sinaï (vv. 10-13.36). Deze fungeren als motivatie om zich, vooral na Mozes’ dood (vv. 21-24), ver te houden van afgodendienst, die een bedreiging inhoudt voor Israëls voortbestaan – de verzen 25-28 verwijzen naar de Babylonische ballingschap in de 6de eeuw voor Christus. Tegelijkertijd stellen de verzen 29-31 reeds redding in het vooruitzicht, tenminste als Israël zich opnieuw tot God bekeert. Als dusdanig vormt Deut. 4 een inclusie met hoofdstuk 30. Hier treffen we, in vrijwel identieke bewoordingen, een waarschuwing aan tegen afgodendienst en wordt er gewezen op de gevolgen ervan (vv. 15-19). En ook hier wordt, met hetzelfde vocabulaire, de mogelijkheid van Israëls redding open gelaten, indien het volk berouw betoont (vv. 1-10).

Dreiging van ballingschap (4:25-28)

Dreiging van ballingschap (30:15-19)

(25) Als u (…) zondigt door beelden te maken in welke vorm dan ook, door te doen wat de Heer uw God mishaagt (…), (26) dan roep ik heden de hemel en de aarde op als getuigen tegen u, zodat u wordt weggerukt uit het land dat u aan de overkant van de Jordaan in bezit gaat nemen. In plaats van daar lang te leven, zult u volledig worden uitgeroeid.

(17) Maar als uw hart afdwaalt (…) zodat u zich voor andere goden neerbuigt en die vereert, (18) dan kondig ik u vandaag aan dat u zult omkomen en dat u niet lang zult leven op de grond die u na de overtocht door de Jordaan in bezit gaat nemen. (19) Ik neem vandaag de hemel en de aarde tot getuigen tegen u.

Mogelijkheid tot redding (4:29-31)

Mogelijkheid tot (30:1-10)

(29) Maar zoekt u daar de Heer uw God weer, dan zult u hem vinden, als u Hem tenminste zoekt met heel uw hart en heel uw ziel. (30) Wanneer dit alles over u gekomen is en u geen uitweg meer ziet, dan zult u ten slotte terugkeren tot de Heer uw God en luisteren naar zijn woord. (31) Want de Heer uw God is een barmhartige God; Hij zal u niet aan uw lot overlaten. Hij wil uw ondergang niet en Hij zal het verbond niet vergeten dat Hij onder voet uw vaderen gesloten heeft.

(1) Wanneer alles wat ik u nu heb voorgehouden overu gekomen is (…) en wanneer u het in uw hart overdenkt, onder welke volken de Heer uw God u ook heeft verspreid, (2) zodat u zelf met uw kinderen terugkeert tot de Heer uw God, en Hem met heel uw hart en heel uw ziel weer gehoorzaamt, zoals ik u dat vandaag voorhoud, (3) dan zal de Heer uw God u in uw vroegere staat herstellen; Hij zal zich over u ontfermen (…). (4) Hij zal (…) (5) u naar het land brengen dat uw voorouders in bezit genomen hadden..

Aangezien Deut. 4 en 30 door middel van een zeer gelijkluidend taalgebruik afvalligheid en berouw ter sprake brengen, vormen deze hoofdstukken als het ware een enveloppe rond de eigenlijke ‘thora’ in Deut. 4:44-28:68. Aldus duidt de auteur de wijze aan waarop het gehele boek door de lezer moet worden geïnterpreteerd. Klaarblijkelijk is Deuteronomium bedoeld voor de Israëlieten in ballingschap en wil het hen erop wijzen dat er nog hoop is op herstel, als men tenminste tot God terugkeert door zijn geboden, die vervat liggen in de ‘thora’ van Deut. 5-28, te onderhouden.

Deuteronomium 4:44-28:68

De uitdrukking ‘dit is de thora’ in Deut. 4:44 leidt het tweede en centrale deel van het boek in. Na een inleidende narratieve tekst (4:44-49), waarin over Mozes in de derde persoon wordt gesproken, en die de informatie van de openingsverzen van het boek herhaalt, kunnen twee secties worden onderscheiden, die telkens ingeraamd zijn door het woordpaar ‘voorschriften en bepalingen’. Deut. 5:1-11:31 – het structuursignaal ‘voorschriften en bepalingen’ vindt men in 5:1 en 11:31 – fungeert in de finale vorm van het boek als een tweede proloog bij het eigenlijke wetboek, dat we aantreffen in de hoofdstukken 12 tot en met 26 – ingekaderd door de formule ‘voorschriften en bepalingen’ in Deut. 12:1 en 26:16. De hoofdstukken 27-28 fungeren als epiloog van het wetboek.

Net zoals de eerste proloog in Deut. 1:1-4:43 zowel lessen trok uit het verleden (hoofdstukken 1-3) als een aansporing was tot loyaal gedrag (hoofdstuk 4), zo legt ook 5:1-11:31 nadruk op exclusieve loyaliteit (hoofdstukken 5-7) en trekt het conclusies uit het verleden (hoofdstukken 8-11). Zoals de reflectie op het verleden in de eerste proloog zich hoofdzakelijk concentreerde op de opstandigheid in verband met de inbezitneming van het land – gebrek aan godsvertrouwen (1:22-46) -, spitst de tweede proloog zich toe op de afvalligheid van God in het kader van afgoderij – het gouden kalf (9:7-29).

Deut. 5:1-11:31 vangt aan met de decaloog (5:1-21). Op het eerste gezicht is de decaloog duidelijk onderscheiden van de voorschriften in Deut. 12-26. Immers, de decaloog hebben de Israëlieten uit de mond van God zelf bij de Horeb te horen gekregen (‘van aangezicht tot aangezicht heeft de Heer op de berg vanuit het vuur tot u gesproken’ – 5:4). Daartegenover staat dat Israël de bepalingen van Deut. 12-26 op eigen verzoek slechts doorMozes’ bemiddeling van God heeft ontvangen (5:23-31), waardoor Mozes’ rol van profeet sterk wordt geaccentueerd – zie tevens 18:15-19.

Hoewel de sectie volgend op de decaloog (Deut. 6-11) wordt ingeleid met de formule ‘geboden, voorschriften en bepalingen’, treffen we in deze hoofdstukken toch geen echte wetteksten aan. Het eigenlijke wetboek volgt immers pas in Deut. 12-26. Deut. 6-11 wil als het ware een gunstig klimaat scheppen en wil de Israëlieten er toe aanzetten de ‘verordeningen, voorschriften en bepalingen’ die in detail in Deut. 12-26 aan de orde komen, nauwgezet te volgen en te volbrengen. Het mag dan ook niet verwonderen dat de auteur, ter motivering van het onderhouden van Gods voorschriften, de overvloed van het beloofde land veelvuldig in het vooruitzicht stelt. Immers, de naleving van de wet zal zegen, land en leven met zich meebrengen (zie verderop).

Decaloog (Deut. 5)

Deuteronomische wet

Eerste gebod (5:6-10)

Jhwhis de enige God

12:2-13:19

Het ene heiligdom en de eneGod

Tweede gebod (5:11)

Misbruik van Gods naam

14:1-21

Rituele verschillen tussen Jhwh‘s heilig volk en de volkeren die andere goden aanbidden (14:1.21: ‘U bent een volk dat aan de Heer is gewijd’).

Derde gebod (5:12-15)

De sabbat

14:22-16:17

Cultus en zevenjaarlijkse kwijtschelding – de drie grote feesten

Vierde gebod (5:16)

Eer uw vader en uw moeder

16:18-18:22

Ambten in Israël

Vijfde gebod (5:17)

Respect voor het leven

19:1-21:23 (22:1-12, overgang tussen ‘leven respecteren’ en ‘seksualiteit’)

Intentionele doding

Zesde gebod (5:18)

Echtbreuk plegen

22:13-23:15 (23:16-24:5, overgang tussen ‘seksualiteit’ en ‘eigendom’)

Seksualiteit

Zevende gebod (5:19)

Eigendom

24:6-7(.19-22; 25:4)

Eigendom

Achtste gebod (5:20)

Waarheid voor het gerecht

24:8-25:4

Gerechtszaken

Negende en tiende gebod (5:21)

Begeren

25:5-16

Zwagerhuwelijk -uiteenlopende bepalingen

Door deze aansporende hoofdstukken 6-11 wordt de brug geslagen tussen de decaloog (Deut. 5) en de romp van het boek (hoofdstukken 12-26). Ondanks de genoemde verschillen tussen decaloog en deuteronomisch wetboek geeft het boek Deuteronomium toch enige aanwijzingen dat beide passages aan elkaar zijn gerelateerd. Volgens Deut. 31:26 moet het deuteronomische wetboek immers worden gedeponeerd naast de houten ark, waarin zich de twee stenen tafelen van de decaloog bevinden (zie 10:5). Tevens blijkt, althans op het niveau van de eindtekst van Deuteronomium, dat geheel de deuteronomische wet is opgevat als explicitatie van de decaloog.

De inhoudelijke overeenkomsten tussen het vijfde tot tiende gebod (5:17-21) en Deut. 19-25 zijn zeer opvallend en behoeven geen verdere toelichting. Met betrekking tot deze geboden is de decaloog duidelijk het raster volgens welk het eigenlijke wetboek in zijn finale vorm is opgebouwd. Daarentegen zijn de overeenkomsten tussen de eerste vier geboden van de decaloog (5:6-16) en Deut. 12-18 veeleer vaag en algemeen en voor de huidige lezers vaak niet onmiddellijk herkenbaar. Dit heeft onder meer te maken met het feit dat de wetgevende teksten uit Deuteronomium gecomponeerd zijn volgens de gangbare technieken van de oudoosterse rechtscodificatie, die – naar onze maatstaven – vaak als niet-systematisch en onsamenhangend overkomt. Typisch in dit verband is bijvoorbeeld het fenomeen waarbij legislatieve teksten met elkaar worden verbonden, eenvoudigweg omdat ze een min of meer gelijklopend vocabulaire gebruiken, of omdat men thematische verbanden zag tussen verschillende wetten. De relatie tussen het vierde gebod en Deut. 16:18-18:22 is een goede illustratie van deze werkwijze. Ogenschijnlijk heeft het voorschrift om de ouders te eren niets te maken met regels aangaande het ambt van rechter, koning of Levitische priester. Echter, de overeenkomst tussen ouders en ambtsdragers bestaat wellicht in de eerbied en het respect die men voor beide categorieën van gezagsdragers moet opbrengen. Derhalve werd het gebod uit de decaloog wellicht als model beschouwd voor de meer algemene eis tot eerbied en respect voor mensen met leiding.

Ten aanzien van de wetten uit Deut. 12-26 dient tot slot nog gezegd dat deze in verschillende literaire vormen tot ons zijn gekomen, waarvan de apodictisch (bijvoorbeeld 25:13, ‘U zult in uw buidel geen twee soorten gewichten hebben, zware en lichte’) en casuïstisch geformuleerde wetten (bijvoorbeeld 22:22, ‘Wanneer een man op heterdaad betrapt wordt terwijl hij gemeenschap heeft met een getrouwde vrouw, moeten beiden sterven’) het meest frequent zijn.

In 25:17-19 treffen we reeds, door middel van de inclusie met thema’s uit Deut. 12 – de autochtone bevolking van het beloofde land moet worden vernietigd -, het begin aan van de omraming van het deuteronomische wetboek. Dit raamwerk wordt uiteindelijk afgerond met de voorschriften omtrent twee rituelen – het aanbieden van de eerste vruchten en de gave van een tiende deel van de oogst – die men moet volbrengen ‘wanneer men in het land is gekomen’ (26:1). De laatste verzen van Deut. 26 bevatten als het ware het protocol van de verbondssluiting, waarin beide partijen – Jhwh en Israël – hun respectievelijke verplichtingen tegenover elkaar aanvaarden. Het volk zal de voorafgaande ‘voorschriften, geboden en bepalingen’ (v. 17) onderhouden. En Jhwh aanvaardt Israël als ‘een volk dat aan Jhwh is gewijd’ (v. 19).

Aan het slot van het deuteronomische wetboek volgen nog enige opdrachten die de Israëlieten na de overtocht van de Jordaan moeten vervullen. Het tweede deel vanDeuteronomium eindigt met een uitgebreide sectie waarin zegen, maar vooral vloek centraal staan (hoofdstukken 27-28). Als dusdanig vormen de twaalf vervloekingen in 27:1-26 als een soort dodekaloog – twaalf woorden (van onheil) voor wie de geboden overtreedt -een inclusie met de decaloog van Deut. 5 – tien woorden (van leven) voor wie de geboden onderhoudt (zie 5:33). Door het feit dat de deuteronomische wet wordt afgesloten met een collectie zegenspreuken (Deut. 28:1-14 wordt omraamd door de term mitswot [voorschriften]) en vervloekingen (ook 28:15-45 is ingekaderd door het gebruik van de term mitswot) schaart deze codex zich binnen de oudoosterse traditie van wetteksten die veelal eindigen met een epiloog, waarin zegen en vloek een belangrijke plaats innemen; men denke in dit verband aan de Babylonische codex van Hammurabi.

Deuteronomium 28:69-32:52 en 33-34

De formule ‘dit zijn de bepalingen van het verbond’ in Deut. 28:69 luidt het derde deel van het boek in. Anders dan ten aanzien van de voorgaande delen is het moeilijk een lijn in deze hoofdstukken te zien. Ze zijn veeleer een verzameling van disparaat materiaal, dat, op het niveau van de eindtekst van Deuteronomium, weliswaar op een welbewuste wijze is samengebracht. Door het feit dat Deut. 28:69-31:8 naast woorden van dreiging (de aankondiging van Israëls vernietiging en verspreiding onder de volkeren) ook herstel en nieuw leven (de nabije terugkeer naar het land) in het vooruitzicht stelt, grijpen deze hoofdstukken terug naar Deut. 4, waar dezelfde thematiek in identieke bewoordingen aan de orde is en waardoor de gevolgen van het al of niet naleven van de geboden uit Deut. 12-26 worden belicht (zie hierboven).

Vooraleer het derde deel af te sluiten met het ‘lied van Mozes’ (Deut. 32), wordt door de aanstelling van Jozua als Mozes’ opvolger (31:1-8) de continuïteit van Israëls leiding verzekerd èn wordt de band met het boek Jozua gelegd. Verder worden twee aanduidingen gegeven die betrekking hebben op het wetboek: het moet om de zeven jaar in het openbaar worden voorgelezen (31:10-13) en het moet worden gedeponeerd naast de ark van het verbond (31:26). Tot slot grijpt Deut. 32:44-52, een passage die nogmaals vermeldt dat Mozes de Israëlieten het beloofde land niet zelf zal kunnen binnenleiden, terug naar hoofdstuk 2. Echter, door reeds expliciet melding te maken van de berg Nebo, recht ‘tegenover Jericho’, anticipeert deze perikoop ook op het relaas van Mozes’ dood in Deut. 34, een narratief hoofdstuk dat zowel door de vermelding van de hoofdpersonages van het boek (Mozes en Israël), als door de gedetailleerde situering in ruimte en tijd, een inclusie vormt met het opschrift van Deuteronomium. Tussen Deut. 32 en 34 staat de ‘zegen van Mozes’, waarin Mozes een poëtisch lofgedicht zingt op de verschillende stammen van Israël. De teneur van deze zegen blijkt door de inkadering ervan in een lofpsalm op Jhwh (33:2-5.26-29).

De Personages: Mozes en Israël

Het feit dat vrijwel het ganse boek Deuteronomium een compilatie is van redevoeringen die Mozes in de mond zijn gelegd, laat reeds vermoeden dat, anders dan in de narratieve secties van de Pentateuch, een veelvuldige afwisseling van personages of een duidelijke verhaallijn niet te verwachten zijn: Mozes’ begrafenis is vrijwel het enige dat ‘gebeurt’ in Deuteronomium. Dat we in Deuteronomium weinig actie moeten verwachten, blijkt reedsuit de benaming van het boek, die, net zoals geldt voor de overige boeken van de Pentateuch, een duidelijke aanduiding geeft aangaande de inhoud ervan. Hoewel de term ‘Deuteronomium’ teruggaat op een foutieve Griekse vertaling van de Hebreeuwse grondtekst van Deut. 17:18 – hier wordt gesteld dat de toekomstige koning van Israël een kopie van de wet moet maken; de Septuagint geeft dit weer met deuteronomion‘ (tweede wet) – toch moge duidelijk zijn dat het legislatieve kenmerkend is voor Deuteronomium. Het ‘verbond’ of ‘verdrag’ tussen God en zijn volk Israël is gebaseerd op ‘verordeningen, voorschriften en bepalingen’. En zoals gebruikelijk is bij verdragsdocumenten worden eerst de afzonderlijke partijen expliciet bij naam genoemd (Deut. 1:1).

Mozes is ontegenzeggelijk de centrale figuur van Deuteronomium. Dit blijkt duidelijk uit de aanvang én het slot van het boek. Deut. 1:1 presenteert het ganse boek als de rede van Mozes, die hij in opdracht van Jhwh ten overstaan van de Israëlieten hield en waarin hij onder meer terugblikt op de vele grote daden die hij persoonlijk in de loop van de woestijn-tijd heeft gerealiseerd – slechts in enige verzen in de hoofdstukken 31 en 34 komt God rechtstreeks aan het woord. Het einde van het boek (Deut. 34) zet in de context van het relaas van Mozes’ sterven opnieuw zijn grootsheid in de verf: ‘zijn ogen waren niet verzwakt en zijn krachten niet afgenomen’ (v. 7). Meer nog, Mozes wordt uitdrukkelijk als de grootste van alle profeten naar voren geschoven: ‘Er is in Israël nooit meer een profeet opgetreden als Mozes, die de Heer van aangezicht tot aangezicht gekend heeft’ (v. 10). Met deze woorden van lof wordt niet alleen het boek Deuteronomium afgesloten; bovendien betekent het einde van Deuteronomium tevens het einde van de hele Pentateuch, waarin Mozes, sinds het relaas van zijn geboorte in Exodus 2, als protagonist naar voren is gekomen.

Ook met betrekking tot de geadresseerde van Mozes’ rede is er op het eerste gezicht weinig onduidelijkheid: Deuteronomium wordt gepresenteerd als ‘de rede die Mozes aan de overzijde van de Jordaan voor heel Israël gehouden heeft’ (1:1). Bijgevolg lijkt het erop alsof we te maken hebben met de weergave van een toespraak die de held Mozes – want zo is hij in 1:1-5 en 34:1-10 voorgesteld – in een ver verleden heeft uitgesproken voor de Israëlieten die op het punt stonden na een lange en moeizame woestijntocht eindelijk het beloofde land in bezit te nemen. Toch is er meer aan de hand. Binnen het boek zijn er namelijk aanduidingen dat de geadresseerden niet eenduidig zijn. Bij nader toezien immers blijkt dat de redevoering is gericht tot Israël in drie verschillende stadia van zijn geschiedenis. Nu eens refereert de term Israël aan de Israëlieten die de uittocht uit Egypte hebben beleefd, dan weer aan de generatie Israëlieten voor wie de intocht in Kanaän voor de deur staat en ten slotte aan de Israëlieten die leven tijdens de Babylonische ballingschap, de eigenlijke bestemmelingen van de finale vorm van Deuteronomium.

In de eerste drie hoofdstukken maakt Mozes een strikt onderscheid tussen enerzijds de Israëlieten die de uittocht, de gebeurtenissen bij de Sinaï/Horeb en de lotgevallen te Kades-Barnea hebben meegemaakt en anderzijds de Israëlieten tot wie hij zich richt, met andere woorden de huidige generatie die te bijeen is. Dit onderscheid tussen de Israëlieten die de uittocht in levende lijve hebben ervaren en de Israëlieten die op het punt staan het beloofde land binnen te trekken wordt gelegitimeerd in 1:19-46. Immers, wegens gebrek aan godsvertrouwen na de verkenningstocht van Kanaän vanuit Kades-Barnea had Jhwh gezworen dat niemand van die generatie het beloofde land zou te zien krijgen (zie in dit verband ook Num. 13-14). Wie de hieropvolgende omzwervingen door de woestijn wél zouden overleven, èn het beloofde land ook zouden kunnen binnentreden, waren, naast Kaleb en Jozua, de ‘kleine kinderen’, m.a.w. de volgende generatie die geen schuld trof aan de opstandigheid van de ouders. Mozes’ onderscheid tussen de generatie Israëlieten die te Kades-Barnea in opstand is gekomen en gestorven en de te verzamelde Israëlieten is dus vanuit het verhaalde in de eerste hoofdstukken van het boek volledig legitiem.

En toch merken we dat in de rest van Deuteronomium de door Mozes aangesprokenen steeds worden vereenzelvigd met de generatie die de uittocht in levende lijve heeft meegemaakt. Aldus lezen we bijvoorbeeld in 29:1-4: ‘u hebt alles gezien wat de Heer voor uw ogen in Egypte gedaan heeft met de farao, met al zijn hovelingen en met heel zijn land. Met eigen ogen hebt u de grote plagen, de grote tekenen en wonderen gezien. Maar tot op deze dag heeft de Heer u geen hart gegeven om te verstaan, geen ogen om te zien, geen oren om te horen. Veertig jaar heb Ik u door de woestijn laten trekken.’ Deze identificatie van de aan Kanaäns grenzen verzamelde menigte met de generatie die de uittocht zelf heeft beleefd is geheel terecht: ze is met name gebaseerd op het feit dat het te Moab toegesproken volk onder meer bestaat uit de kleine kinderen van weleer, die, aldus 1:39, de lange omzwervingen door de woestijn wél zouden overleven en het beloofde land zouden binnentrekken. Zij maken constitutief deel uit van ‘gans Israël’ dat Mozes in 5:1 en 29:1 bijeenroept. Daarenboven doet Mozes, ter bepaling van de identiteit van de te verzamelde menigte, beroep op hun doorleefde ervaringen van de uittocht en de gebeurtenissen bij de Sinaï/Horeb.

Ten slotte, anders dan de eigenlijke ‘thora’ van 4:44-28:68, die zich hoofdzakelijk inlaat met het tijdvak van de inbezitneming van het land en dus gericht is tot de Israëlieten die op het punt staan de grens van het beloofde land over te steken, bevat Deuteronomium verschillende passages (4:25-31; 28:47-30:10) die defacto gericht zijn tot de lezers van het boek, met name tot hen die in ballingschap naar Babel zijn gevoerd – hoewel deze tijd vanuit het oogpunt van de voornaamste spreker, Mozes, in de verre toekomst ligt. De zojuist genoemde passages gaan immers niet over de inbezitneming van het land, maar hebben zonder twijfel de verwoesting van het land en de Babylonische ballingschap als gevolg van de ongehoorzaamheid aan Gods voorschriften voor ogen (29:15-28), waarbij ook de hernieuwde inbezitneming van het land in het vooruitzicht wordt gesteld (30:1-10). In dit verband moet worden gewezen op een aantal notities die van de auteur van het boek afkomstig zijn en die Mozes’ toespraak herhaaldelijk – en vaak op subtiele wijze – onderbreken (zo bijvoorbeeld 2:10-12.20-23; 3:9.11.13-14; 31:3). Zij zorgen ervoor dat er een voortdurende brug wordt geslagen tussen het verhaalde verleden en de actuele situatie van de toehoorders. Dit blijkt tevens uit de wijze waarop hoofdstuk 34 de drie generaties Israëlieten samen vermeldt: volgens de verzen 11 en 12 is Mozes degene die te Egypte voor de ogen van Israël indrukwekkende daden verrichtte; vers 8 vermeldt hoe de Israëlieten in de vlakte van Moab treuren bij Mozes’ dood; en vers 10 (‘er is in Israël nooit meer een profeet opgetreden als Mozes’) moet vanuit het standpunt van de lezer van Deuteronomium – de Israëliet tijdens en na de ballingschap – worden begrepen.

Retoriek en parenese

Deuteronomium als schoolvoorbeeld van goede retoriek gelden. Mozes komt er geenszins naar voren als iemand die ‘moeilijk en traag’ (Ex. 4:10) spreekt. Zoals van een goed redenaar verwacht worden, slaagt hij – of beter: de auteur van het boek – er uitstekend in zijn boodschap over te brengen. Daartoe worden verschillende didactische technieken gehanteerd. We vermelden er enige. Op uitmuntende wijze bespeelt hij de emoties van zijn toehoorders: het verleden dat Mozes in herinnering roept, is geïdealiseerd en de fysieke ontberingen die de woestijntocht met zich heeft meegebracht worden geminimaliseerd of zelfs doodgezwegen. Meer nog, de auteur geeft de indruk dat de tocht door de woestijn voor de Israëlieten allesbehalve een uitputtingsslag is geweest: ‘De kleren aan uw lichaam zijn niet versleten en uw voeten zijn niet gezwollen’ (8:4; zie ook 29:4). De tekenen en wonderen die God voor de Israëlieten tijdens hun verblijf in de woestijn heeft gedaan, worden uitvergroot: ‘Hij heeft u het manna te eten gegeven, dat noch u, noch uw vaderen ooit hadden gezien’ (8:3.16). Ook op andere plaatsen beklemtoont de auteur de bevoorrechte positie van zijn toehoorders door hen te vergelijken met hun voorouders, die de voorrechten van de huidige generatie nooit hebben gekend (13:7; 28:36). In dit verband wordt de tegenstelling tussen de woestijntijd en de nooit geziene weelde van het in bezit te nemen land meer dan eens in de verf gezet. De woestijn was ‘verschrikkelijk (…) vol giftige slangen en schorpioenen, een dorstig land zonder water’ (8:15). Daartegenover plaatst de auteur de grandioze overvloed van het beloofde land: ‘Voorwaar, de Heer God brengt u in een heerlijk land, een land met beken vol water, met bronnen en stromen die op de bergen en in de dalen ontspringen, een land met tarwe, gerst, wijnstokken, vijgen en granaatappels, een land met vette olijven en honing, een land waar u niet zuinig hoeft te zijn met brood en waar het u aan niets ontbreekt, een land waar ijzer zit in het gesteente en waar men koper delft uit de bergen’ (8:7-9). Niet alleen het verblijf in de woestijn wordt gebruikt als referentiepunt om de superioriteit van het toekomstige land te beschrijven, ook Egypte – een land dat in het Oude Testament nochtans herhaaldelijk als summum van vruchtbaarheid wordt voorgesteld (zie bijvoorbeeld Gen. 13:10) – plaatst men in contrast met het te veroveren land: ‘Het land dat u in bezit gaat nemen is een heel ander land dan Egypte, waar u vandaan komt. Dat moest u na het zaaien zelf bevloeien, als een groententuin. Het land dat u aan de overkant in bezit gaat nemen, is een land met en dalen, dat door regen uit de hemel besproeid wordt’ (Deut. 11:10-11).

Daarenboven betrekt Mozes/de auteur zijn toehoorders voortdurend zelf in de speech. In dit verband is het frequente gebruik van de uitdrukkingen ‘luister (nu) Israël’ (onder andere in 4:1; 6:4; 9:1; 20:3), waarmee de spreker de aandacht van zijn toehoorders levend wil houden, vermeldenswaard. Teneinde zijn publiek het gevoel te geven persoonlijk betrokken te zijn bij wat wordt geproclameerd, gebruikt de spreker vaak de formule ‘met eigen ogen hebt u gezien’ of ‘u hebt gezien’ (4:3.9.34; 6:22; 7:19; 9:16; 10:21; 11:7; 29:1.2; 34:4).

Voorgaande opmerkingen omtrent de hoogstaande didactische retoriek van Deutero-nomium – men bedenke tevens dat 31:10-11 de opdracht geeft om de voorschriften om de zeven jaar ten overstaan van heel Israël te proclameren – illustreren onomstotelijk dat de karakterisering van dit boek als een zakelijk wetboek niet toereikend is. In Deuteronomium staat niet de wet op zich centraal. Deuteronomium is geen strikt juridisch document. Net zoals de auteur van het boek alles in het werk stelt om Mozes de aandacht van zijn toehoorders te laten wekken, zo ook wil Deuteronomium de lezers voor wie het boek is geschreven veeleer aanmanen en aansporen – met spreekt in dit verband van de typische deuteronomische ‘parenese’ – om de erin vervatte wetten te onderhouden. Immers, de wetten zelf zijn ingebed in een retorisch en aanmanend raamwerk. Deze deuteronomische parenetische stijl is vormelijk moeilijk definieerbaar. Echter, wat er precies onder verstaan wordt, blijkt exemplarisch uit 15:1-18. Deze passage behandelt vooreerst de zevenjaarlijk-se kwijtschelding van schulden (vv. 1-11). De eigenlijke wettekst is zeer kort (vv. 1-3) en stelt in een juridische stijl dat een Israëlitische crediteur de schulden van zijn volksgenoot na verloop van zes jaar moet kwijtschelden:

(I) de zeven jaar moet u een kwijtschelding houden. (2) Bij deze kwijtschelding gaat het als volgt: Ieder die iets aan zijn naaste heeft geleend, moet hem die schuld kwijtschelden. Hij mag zijn naaste of broeder niet tot betaling dwingen, omdat er een kwijtschelding ter ere van de HEER is uitgeroepen. (3) Een buitenlander mag u tot betaling dwingen, maar wat uw broeder van u heeft moet u hem kwijtschelden.

De volgende verzen (4-11) men echter bezwaarlijk als strikt juridisch jargon karakteriseren. Bovendien zijn de eisen niet juridisch afdwingbaar:

(4) Er zullen bij u geen armen zijn, want de HEER uw God zal u overvloedig zegenen in het land dat Hij u in eigendom geeft, (5) als u tenminste gehoor geeft aan wat de HEERuw God zegt, en al de geboden nauwgezet volbrengt die ik u heden opleg. (6) De zegen van de HEER zal op u rusten, zoals Hij beloofd heeft. U zult aan veel volken leningen verstrekken, maar zelf niets hoeven te lenen. U zult over veel volken heersen, maar zij zullen niet heersen over u. (7) Is in een of andere stad van het land dat de HEER uw God u schenkt, een van uw broeders tot armoede vervallen, dan moet u niet hard zijn voor uw arme broeder en uw beurs niet voor hem dichthouden. (8) U moet die integendeel wijd openen en hem alles lenen wat hij tekort komt. (9) En laat niet de lage gedachte bij u opkomen dat het zevende jaar, het jaar van de kwijtschelding, nabij is, zodat u geen medelijden toont met uw arme broeder en hem niets leent. Want als hij zich tegen u op de HEER beroept, dan wordt u schuldig bevonden. (10) Geef met milde hand en met een blij gemoed. Als u dat doet, zal op het werk dat u onderneemt de zegen rusten van de HEER uw God.

(II) Armen zullen er altijd blijven in het land; juist daarom gebied ik u: open uw beurs wijd voor uw behoeftige en arme landgenoot.

Deze wet van de zevenjaarlijkse kwijtschelding van schulden betekende een hele vooruitgang ten opzichte van de vroeger geldende bepaling uit het ‘Verbondsboek’ in Exodus 23:1011, waarbij de bepaling om het cultuurland om de zeven jaar braak te laten liggen en de opbrengst die het land uit zichzelf voortbracht aan de armen toe te kennen geen fundamentele verbetering bracht in het leven van de arme. Dankzij het deuteronomische voorschrift kon een debiteur na een termijn van zes jaar zonder meer met een schone lei beginnen en was hij niet langer afhankelijk van het rustende land om zijn voedsel bij elkaar te scharrelen. Echter, deze wet eiste enorme materiële en financiële tegemoetkomingen van de gegoede laag van de bevolking. Vandaar dan ook dat het onderhouden van de wet vooreerst als ‘godsdienst’ wordt gedefinieerd: het is een kwijtschelding ‘ter ere van de Heer’ (15:2), waarmee de auteur op het geweten inspeelt. Verder houdt de deuterono-mische auteur terdege rekening met mogelijke misbruiken van de wet. Het is immers plausibel dat men aan armen, wanneer het jaar van de kwijtschelding nabij is, geen leningen zou toekennen. Alhoewel deze weigering strikt genomen niet onwettelijk is, bestrijdt de auteur van Deut. 15 dergelijke mogelijke enge interpretaties van de wet in een typisch deuteronomische, emotionele en religieus geladen parenese.

Een identieke werkwijze treft men aan met betrekking tot de wet die de vrijlating van slaven regelt (15:12-18). Enerzijds is dit voorschrift in een strikt juridische taal geformuleerd:

(12) Wanneer uw broeder, een Hebreeuwse man of vrouw, zich als slaaf aan u verkoopt, moet hij uzesjaar dienen, maar het zevendejaar moet u hem vrij laten vertrekken. (13) En bij de vrijlating mag u hem niet met lege handen laten weggaan. (14) U moet hem geschenken meegeven van uw kudde, van uw dorsvloer en uw wijnpers (…). (16) Zegt hij echter: ‘Ik wil niet weg bij u’ (…), (17) dan moet u zijn oor met een priem aan de deur steken en zal hij voor altijd uw slaaf zijn. Voor uw slavin geldt hetzelfde.

Volgens de deuteronomische wetgever moeten slaven na zes jaar dienst in vrijheid worden gesteld. En bovendien moet hun meester – anders dan in het ‘Verbondsboek’ (Ex. 21:1-11) -hen bij de invrijheidstelling een soort startkapitaal meegeven, hetgeen men interpreteren als toekenning van een loon. Voor de rijke opperklasse was deze regel wellicht moeilijk verteerbaar. Daarom tracht de deuteronomische wetgever de wet in een parenetische passage op tweeërlei wijze aannemelijker te maken:

(15) Bedenk dat u zelf slaaf bent geweest in Egypte en dat de HEER uw God u verlost heeft. Daarom geef ik u heden dit gebod. (…) (18) Het mag u niet hard vallen hem vrij te laten: zesjaar heeft hij het dubbele loon van een dagloner voor u verdiend en de zegen van de HEER uw God zal daardoor rusten op alles wat u doet.

Vooreerst doet Deuteronomium een beroep op het economische inzicht van de meester: ondanks de verplichte vrijlating van de slaaf na zes jaar arbeid is de slavernij voordeliger dan de indienstneming van dagloners (v. 18). Verder voert de auteur religieuze argumenten aan. Hij motiveert de invrijheidstelling van slaven door de toezegging van Gods zegen (vv. 14.18) en door de verwijzing naar het Exodusgebeuren (v. 15). Gods bevrijdende handelen dient daarbij als voorbeeld voor het menselijke handelen. Als lid van het volk Israël wordt de meester eraan herinnerd dat hij of zijn voorouders zelf ooit slaaf zijn geweest in Egypte en dankzij Gods tussenkomst zijn bevrijd. Deze religieuze overtuiging indachtig moet de meester de slaven die hij in dienst heeft na verloop van tijd in vrijheid stellen.

Als laatste belangrijke stijlkenmerk van Deuteronomium – de zogenoemdeNumeruswechsel tussen tweede persoon enkelvoud en tweede persoon meervoud (zie bijvoorbeeld 4:23) laten we buiten beschouwing; met betrekking tot deze kwestie moet geval per geval worden onderzocht of we te maken hebben met een stijlkenmerk, dan wel of de wisseling in getal veeleer te wijten is aan de gelaagdheid van de tekst – geldt de vaststelling dat theologische sleutelwoorden en zinswendingen als refreinen door het ganse boek heen klinken. Aangezien op dit punt vorm en inhoud in elkaar overlopen, besteden we aan deze problematiek aandacht in een aparte sectie.

Stereotiep deuteronomisch Taalgebruik

Door regelmatig weerkerende stereotiepe zinswendingen slagen de auteurs van Deutero-nomium er in om de centrale bekommernissen van het boek duidelijk in het licht te stellen. Als belangrijkste aandachtspunten van de deuteronomische theologie komen daarbij zonder twijfel de volgende elementen naar voren: (1) de strijd tegen afgodendienst; (2) de centralisatie van de eredienst; (3) de nadruk op de uittocht, de uitverkiezing van Israël en de sluiting van het ‘verbond’; (4) een uitgesproken monotheïsme; (5) de naleving van Gods voorschriften; (6) Israëls aanspraak op het beloofde land; (7) de leer van de vergelding (beloning/zegen en straf/vloek).

Deze zeven aandachtspunten doorzinderen het ganse boek door middel van een zeer stereotiep taalgebruik. Uit de frequentie en verscheidenheid in formulering waarmee de auteurs van Deuteronomium hun afschuw ten aanzien van de afgodendienst ter sprake brengen, blijkt dat de nadruk op het monotheïsme en de afkeer van (vermenging met) heidense godendienst tot hun centrale aandachtspunten behoren. Verbonden met deze bekommernis om de cultus uit te zuiveren is de kwestie van de centralisatie van de eredienst te Jeruzalem. Welnu, sinds het begin van de 19de eeuw is vrijwel algemeen aanvaard dat een vorm van Deuteronomium – waaruit deze ook moge hebben bestaan – wellicht teruggaat tot de 7de eeuw voor Christus. Er is immers een sterke parallellie aanwijsbaar tussen enerzijds de regelgevingen uit Deuteronomium in verband met de strijd tegen de afgodendienst en de cultuscentralisatie en anderzijds de religieuze hervormingen van koning Hizkia (713-687), maar bovenal koning Josia (640-609), waarover II Koningen 18:4.22 en 22-23 verhalen. Of de cultische voorschriften van Deuteronomium de inspiratiebron waren voor de reformaties, dan wel een reflectie erop, is omstreden. In ieder geval betekende zowel de strijd tegen de afgodendienst als de hervorming en centralisatie van de cultus in Deuteronomium een innovatie van de Israëlitische godsdienst en waren ze een keerpunt in het geloof van Israël.

Dit wordt geïllustreerd door de wijze waarop de deuteronomische auteurs het concept van de ‘naam’ van Jhwh accentueren. We ontmoeten hier een nieuw theologisch concept van de godheid, dat het gangbare volksgeloof, dat ervan uitging dat God zelf in de tempel woonde, wilde bestrijden. Nergens in Deuteronomium wordt de tempel als de verblijfplaats van God zelf of het ‘huis van God’ aangezien. De tempel is steeds de verblijfplaats van Gods naam en is gebouwd voor zijn naam. Teneinde elk mogelijk misverstand te vermijden, waarbij men de tempel als Gods woonplaats zou kunnen aanzien, refereert 26:15 zelfs expliciet aan de hemel als goddelijke verblijfplaats.

De idee van de uitverkiezing van Israël treffen we reeds aan in andere (en oudere) secties van de Pentateuch. Van Abraham is gezegd dat hij is ‘gekend’ door God (Gen. 18:19). Leviticus 20:26 stelt Israël voor als ‘afgezonderd/apart gezet’ van de andere volkeren. In Deuteronomium echter wordt Israëls speciale positie geformuleerd door middel van het werkwoord ‘uitverkiezen’. Deze notie wordt vanuit theologisch oogpunt op verscheidene manieren ingevuld. Vooreerst refereert men herhaaldelijk aan de slavernij in Egypte, waaruit de Israëlieten door Jhwh zijn verlost. Verder speelt de thematiek van het ‘verbond’ tussen Jhwh en Israël een aanzienlijke rol in Deuteronomium, een notie die, indien al niet in oorsprong deuteronomisch, dan toch door Deuteronomium sterk werd gepropageerd. Totslot noemt Deuteronomium de Israëlieten een ‘heilig volk’ of ‘Gods eigendom’, hetgeen impliceert dat Israël zich er voor moet hoeden zichzelf te verontreinigen (7:6; 14:1.21). Israëls uitverkiezing brengt met andere woorden verplichtingen met zich mee: noblesse oblige. Onophoudelijk immers stelt Deuteronomium dat Israël zich moet houden aan Gods ‘voorschriften en bepalingen’ en ‘God vrezen, beminnen en dienen’. Tegelijkertijd echter wilde de auteur van Deuteronomium Israël ervoor behoeden om de idee van uitverkiezing te laten omslaan in een ongehoord superioriteitsgevoel. Derhalve beklemtonen Deut. 7:78 en 9:4-5 dat Israël zich niet mag beroemen op eigen deugd, macht of kracht, maar dat de uitverkiezing volledig te danken is aan Gods liefde voor hun voorouders.

Israëls speciale positie zal in de praktijk zichtbaar worden door de gave van het land, een ander centraal thema in Deuteronomium. Volgens Deut. 12:1 is de deuteronomische wet aan het volk gegeven om na te leven wanneer men het beloofde land in bezit heeft genomen, nadat men de autochtone bevolking heeft verdreven of uitgeroeid. Echter, anders dan in oudere teksten (bijvoorbeeld Gen. 13:15) is het bezit van het land – en het ‘lange leven in het land’ – in Deuteronomium aan voorwaarden gebonden, met name het naleven van de wet (4:26; 11:17; 26:63; 30:19). Met betrekking tot deze materie is de rest van het zogenoemde Deuteronomistische geschiedwerk (Jozua-Koningen) duidelijk aan Deuteronomium gerelateerd. Wegens de afvalligheid van Gods voorschriften verliest men eerst het noordrijk Israël (II Kon. 17:7-23) en later het zuidrijk Juda (II Kon. 21:12-15). Volgens Deuteronomium is het verlies van het land echter niet onomkeerbaar. Wanneer Israël zich bekeert, zal God hen terugbrengen naar het land (4:27-31; 30:1-10).

Tot slot is ook de idee van vergelding – beloning of straf – één van de cruciale aandachtspunten van Deuteronomium. Zowel als gevolg van gehoorzaamheid aan specifieke voorschriften (16:20; 22:7; 25:15) als in het kader van het naleven van de thora in haar geheel (4:1.40; 6:24; 8:1; 11:9; 30:6.15-20; 32:47) belooft Deuteronomium ‘leven’ – dit is: ‘gelukkig zijn’. Israël kiest met andere woorden zelf voor ‘leven’ en ‘geluk’ enerzijds of ‘dood’ en ‘ongeluk’ anderzijds (30:15.19). Aan deze idee van gelukkig leven is de notie van ‘lang leven’ gelieerd. Als straf voor het niet-naleven van Gods geboden geldt vernietiging en verdrijving uit het land.

Deuteronomium en het Oude Testament (Intertekstualiteit)

De relatie tussen Deuteronomium en de rest van het Oude Testament is een kwestie op zich. Derhalve zullen in dit verband slechts enige aandachtspunten van deze heikele problematiek naar voren worden gebracht.

Vooreerst zij vermeld dat Deuteronomium niet het enige oudtestamentische wetboek is. Daarnaast zijn er nog twee andere wettencollecties in het Oude Testament opgenomen, met name het ‘Verbondsboek’ (Ex. 20:22-23:33) en de ‘Heiligheidswet’ (Lev. 17-26). Ten dele overlappen deze wetboeken elkaar, ten dele wijken ze van elkaar af. De vraag naar de (afhankelijkheids)relatie tussen deze verschillende codices is een zeer ingewikkelde materie. We beperken ons hier tot de stelling dat deze collecties als fases in de ontwikkeling van het oudisraëlitische recht moeten worden gezien. Elke poging om de van elkaar afwijkende versies van wetten uit ‘Verbondsboek’, Deuteronomium of ‘Heiligheidswet’ te verzoenen is bijgevolg uit den boze. Exemplarisch nogmaals de regelgeving met betrekkingtot de slavernij gelden. Volgens Exodus 21:7 geldt de regel om schuldslaven na zes jaar dienst in vrijheid te stellen uitsluitend voor mannelijke slaven. Wanneer een slaaf echter verkiest om in de toekomst bij zijn meester te blijven, dan moet men hem ‘voor God’ brengen en daar tegen de deurpost zijn oor als teken van gehoorzaamheid doorboren. Deut. 15:12-18 gaat op verschillende punten een stap verder. Door te stellen dat de meester de vrijgelatene een soort startkapitaal moet meegeven wil Deuteronomium vooreerst de startkansen van de vrijgelaten slaaf grondig verbeteren. Daarenboven geldt dat slaaf en slavin op gelijke wijze behandeld moeten worden. En verder, door het onvermeld blijven van het ‘voor God brengen’ reageert Deuteronomium tegen het bestaan van ‘huizen van God’ buiten Jeruzalem. Leviticus 25 ten slotte gaat nog verder door te stellen dat men zijn tot armoede vervallen broeder überhaupt niet als slaaf mag behandelen, maar als dagloner in dienst moet nemen.

Vervolgens moet worden gewezen op het deuteronomische gedachtegoed en de deute-ronomische terminologie die in vrijwel het gehele Oude Testament aanwijsbaar is. Vanuit Deuteronomium lopen er literaire verbindingslijnen naar zowat alle oudtestamentische boeken. In het licht van de recente stand van zaken, waarin ‘pan-deuteronomisme’ hoogtij viert – het recente onderzoek acht in vrijwel elk oudtestamentisch boek redacteuren aanwijsbaar die onder invloed van het boek Deuteronomium staan -, kunnen we slechts exemplarisch enige elementen van intertekstualiteit met de overige delen van het Oude Testament doen oplichten.

Net zoals Deut. 6:20-25 en in dezelfde parenetische stijl spoort bijvoorbeeld in de Pentateuch Exodus 12:26-27; 13:8-15 ertoe aan de religieuze opvoeding van de kinderen ter harte te nemen door middel van het veelvuldig ter sprake brengen van de uittocht uit Egypte. En de deuteronomische formule ‘zich afkeren van de weg van de Heer’ treffen we aan in Exodus 32:8.

De intertekstuele relatie tussen Deuteronomium en de zogenoemde ‘Historische boeken’ (Jozua tot en met Koningen) is een kwestie op zich. Zowel inhoudelijk als formeel zijn de parallellen tussen Deuteronomium en Jozua-Koningen legio. Zeer veralgemenend kan men stellen dat de auteurs van laatstgenoemde boeken Israëls geschiedenis vanaf de inbezitneming van het beloofde land tot het verlies ervan tijdens de Babylonische ballingschap hebben gezien als het resultaat van het niet-naleven van de voorschriften uit Deuteronomium, waaraan dan ook onophoudelijk wordt gerefereerd. De afkeer van idolatrie, die als hoofdreden voor de ondergang van het noordrijk Israël en het zuidrijk Juda wordt aangevoerd, blijkt bijvoorbeeld uit de parallelle typering ervan als ‘gruwel’ in de boeken Koningen (I Kon. 14:24; II Kon. 16:3; 21:2.11; 23:13).

Ook verbindingslijnen met de profetische literatuur zijn frequent aanwezig, zodanig dat men in het recente wetenschappelijke onderzoek ervan uitgaat dat vrijwel elk profetisch boek een ‘deuteronomistische redactie’ heeft ondergaan. In dit verband zijn de inhoudelijke, maar ook woordelijke overeenkomsten tussen bijvoorbeeld Hosea of Jeremia enerzijds en Deuteronomium anderzijds met betrekking tot cruciale ideeën van laatstgenoemde – men denke aan de veroordeling van de afgodendienst – indrukwekkend. Zowel Deut. 12:2 als Jeremia 2:20; 3:6; 17:2 en Hosea 4:13 veroordelen de afgodendienst ‘op heuvels of ergens onder een groene boom’. Net zoals Deuteronomium en de boeken Koningen noemt Jeremia idolatrie een gruwel (Jer. 32:35; 44:4.22). Zowel Hosea als Deuteronomium beschrijven deidolen als ‘door mensenhanden gemaakt’ (Deut. 4:28 en Hos. 14:4) en ‘van hout en steen’ (Deut. 4:28 en Hos. 4:12) en beiden veroordelen in vrijwel identieke bewoordingen de offerhoogten (Deut. 12:2 en Hos. 4:13). Maar ook met andere profetische boeken zijn er opvallende parallellen aanwijsbaar. De idee van Israëls uitverkiezing is herhaaldelijk betuigd bij Deutero-Jesaja (Jes. 41:8.9; 43:10; 44:1.2; 45:4; 48:10; 49:7), zij het dat in Deuteronomium deze leer dient ter staving van het verbod om afgoden te dienen, zoals de andere volkeren doen (Deut. 4:19-20). In Deutero-Jesaja daarentegen fungeert de uitverkiezing als het medium ter verspreiding van Israëls monotheistische geloof onder de volkeren (Jes. 49:6-7).

Ten slotte zijn er ook met de Wijsheidsliteratuur opvallende literaire gelijkenissen. Vooreerst vinden we deuteronomische wetten die geen parallel hebben in het ‘Verbondsboek’ of de ‘Heiligheidswet’ wel terug in de oudtestamentische wijsheidsboeken. Het moge volstaan in dit verband te verwijzen naar het deuteronomische verbod om grensstenen te verleggen (Deut. 19:14; 27:17) en gewichten te vervalsen (Deut. 25:13-16), misbruiken die ook in het boek Spreuken (22:28; 23:10 en 11:1; 20:10.23) aan de orde komen. Daarnaast verwijst Deuteronomium, net zoals de Wijsheidsliteratuur, regelmatig naar de notie ‘wijsheid’. Volgens Deut. 4:6 zal de naleving van Gods voorschriften naar buiten toe blijk geven van wijsheid. Deut. 1:9-18 beklemtoont dat de leiders van het volk ‘wijs, kundig en ervaren’ moeten zijn, leiderscapaciteiten die ook in Spreuken 8:15-16 ter sprake worden gebracht.

Het feit dat er verbindingslijnen zijn tussen Deuteronomium en de rest van het Oude Testament – zowel met Genesis-Numeri als met de profetische literatuur en de wijsheidsboeken zijn er overeenkomsten aanwijsbaar – toont het uitzonderlijke belang van Deuteronomium aan. Zonder een uitspraak te willen (en kunnen) doen over de herkomst van het aan Deuteronomium gerelateerde materiaal – wie is literair van wie afhankelijk? -blijkt dat zowel het deuteronomische ideeëngoed als de karakteristieke deuteronomische taal en de parenetische stijl het ganse Oude Testament doordesemen. Zelfs de oudste vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta (3 de eeuw voor Christus), heeft niet geaarzeld om van Deuteronomium afwijkende theologieën in de Hebreeuwse grondtekst met de deuteronomische inzichten in overeenstemming te brengen.

Wellicht ook interessant

Bernd Hirscheldt
Bernd Hirscheldt
Basis

Korte Metten: Wondertjes

Een van de mooiste kanten aan het vak van predikant is dat je nooit kan bepalen met wie je in contact zal komen. Dat klinkt misschien wat vreemd. Maar het is een voorrecht om met mensen te kunnen omgaan die je niet zelf hebt uitgekozen, omdat ze precies dezelfde interesses hebben of omdat ze het roerend met je eens zijn. Of omdat je een gemeenschappelijk verleden met elkaar deelt. Dat alles geeft een gevoel van vertrouwelijkheid, maar een nieuwe ontmoeting met een onbekende, iemand die in een heel andere wereld leeft, blijkt vaak veel boeiender te zijn.

Nieuwe boeken