Menu

Premium

Dit volk eert Mij met de lippen

Bij Deuteronomium 10,12-21, Efeziërs 4,17-25 en Marcus 7,1-23

De farizeeën verzamelen zich met enkele schriftgeleerden. Dat klinkt dreigend! Er zijn al de nodige botsingen geweest en het loont de moeite om te zien waar de confrontaties bij Marcus over gaan. Ik maak even onderscheid tussen beide groepen. Eerst de schriftgeleerden.

Jezus leert, onderwijst, anders dan de schriftgeleerden, met gezag. De omstanders ervaren zijn onderricht als een nieuwe leer (Marc. 1,22). Jezus vergeeft zonden en wordt beschuldigd van Godslastering (2,6). Ze verwijten Jezus dat Hij aan tafel gaat met tollenaars en zondaars (2,16). Ze zeggen dat Jezus de duivel uitdrijft met Beëlzebul. Het middel is erger dan de kwaal, luidt het verwijt (3,22). Jezus voorzegt dat Hij zal moeten lijden, verworpen zal worden en gedood door overpriesters, oudsten en schriftgeleerden (8,31). Jezus werpt de schriftgeleerden voor de voeten dat zij van de tempel een rovershol hebben gemaakt (11,17). Ze vragen Jezus naar zijn bevoegdheid, zijn autoriteit (11,27-28).

Schrift en traditie

Eén keer prijst een schriftgeleerde Jezus en noemt Hem zelfs ‘leraar’, wanneer Hij hun het grote gebod noemt als het belangrijkste uit de Schrift (12,28.32). De scharen horen Jezus graag en Jezus waarschuwt hen tegen de onwaarachtigheid van de schriftgeleerden: zij eisen de erezetels en eten de huizen der weduwen op. Zelfverrijking dus (12,38-40). De rode draad is enerzijds het verwijt van Jezus aan de schriftgeleerden van onwaarachtigheid in leer en leven en anderzijds hun verwijt aan Jezus dat Hij Schrift en traditie met de voeten treedt.

Een nieuwe leer?

En dan de farizeeën. Zij vragen waarom de leerlingen van Jezus hun vasten niet hielden (2,18) en waarom Jezus en zijn leerlingen op sabbat doen wat niet mag, namelijk aren plukken (2,24). Een genezing op een sabbat is voor hen voldoende reden om Jezus op zeep te willen helpen (3,6). Ze verwijten Jezus dat Hij de traditie aan zijn laars lapt (7,1vv.). Jezus waarschuwt tegen leer en leven (zuurdesem) van de farizeeën (8,15). Ze stellen aan Jezus de strikvragen of het een man is toegestaan zijn vrouw weg te zenden (10,2) en opnieuw, of het geoorloofd is de keizer belasting te betalen (12,13).

De rode draad is hier niet veel anders dan bij de schriftgeleerden. Jezus brengt een nieuwe leer, althans zo wordt zijn onderricht ervaren. Het lijkt er echter meer op dat Hij het stof van de traditie, de leringen der ouden, wegblaast en zo de essentie van de Schrift naar boven haalt. Dat laatste blijkt expliciet in Marcus 12,28 en daartegen hebben zijn opponenten geen verweer. De reden waarom Jezus zo optreedt, vinden we vrijwel aan het begin van het Marcusevangelie (2,18-20): vasten is voorbereiding op wat komt, maar wat komen zou is reeds gekomen, de bruidegom is er al, de verwachte Messiaanse tijd is aangebroken in zijn persoon. Een derde rodedraad-element is het terugkerende verwijt van Jezus dat farizeeën en schriftgeleerden hypocrieten zijn. Hun handel en wandel staat in schril contrast met wat ze onderwijzen. Conclusie: hun leer deugt niet en hun leven evenmin.

Innerlijke reinheid

Het lijkt erop dat er een officiële delegatie uit Jeruzalem naar Jezus is gekomen (Marc. 7,1). Zijn optreden heeft inmiddels zoveel ergernis opgeroepen, dat er al plannen zijn om Hem uit de weg te ruimen (3,6). Maar waar gáát het nu helemaal over? Ga je ruzie maken over handen wassen, of gaat het om rein of onrein (ook) in religieuze zin? Of loopt dat hier door elkaar? Is er een relatie tussen buitenkant en binnenkant, tussen schoon en rein enerzijds en smerig en onrein anderzijds? En bewerkt het handenwassen innerlijke reinheid ex opere operato? Leidt de doop tot vernieuwing van leven? Als we Paulus mogen geloven in de brieflezing van deze zondag, is dat zeker niet ex opere operato het geval, anders zou hij niet zo hameren op dat nieuwe leven. Doordenkend: het gáát om het nieuwe leven rondom de bruidegom (Marc. 2,19), het gáát om innerlijke reinheid, de reinheid van het hart, en die wordt niet bewerkstelligd door uitwendige wassingen van welke aard ook (handen wassen, doop) van buitenaf.

Hun hart is verre van Mij

Jezus vaart honend uit tegen de commissie uit Jeruzalem: de overlevering van mensen stellen jullie hoger dan het gebod van God. Traditie heerst over Schrift. Het gaat God niet om handen wassen, maar om liefde (Marc. 12,28v.). Met de overlevering der mensen is hetzelfde bedoeld als die der ouden: de gebruiken, regels, voorschriften, codes, die al dan niet noodzakelijke aangroeisels die in de loop der tijd het zicht benemen op de kern van de zaak. Van tijd tot tijd moet de bezem erdoor: waar ging het ook alweer over? Waarom gaan we naar de kerk? Waarom dopen we en waarom zo en niet anders? Waarom avondmaal en waarom zo en niet anders? En ga zo maar door: waarom doen we wat we doen? Hebben we nog voeling met de kern van de zaak? Zijn de vormen en gewoonten nog herkenbaar als uitdrukking daarvan, of zijn het lege hulzen geworden?

Hier in Marcus 7(10-13) illustreert Jezus het verwijt dat zij de kern uit het oog verloren hebben met een verwijzing naar Exodus 20,12, maar door het hele evangelie heen is dit verwijt op verschillende manieren te horen. Zie de genoemde bijbelgedeelten hierboven. Uiteindelijk neemt Hij stellig afstand van het belang van rituele rein- en onreinheid. Het gaat om de reinheid van het hart en die blijkt uit het gedrag van mensen. In 7,22 wordt de innerlijke onreinheid getypeerd, in de brieflezing uit Efeziërs 4 lezen we het positief daarvan. In Deuteronomium wordt Israël opgeroepen te wandelen op de wegen die God wijst. Ook daar gaat het om gedrag, ethiek, engagement.

Bij Deuteronomium 10:12-21, Efeziërs 4:17-25 en Marcus 7:1-23

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken