Drie en Een – vurige namen
Bij Exodus 3,1-6 en Johannes 3,1-16
De zondag van het uitroepteken. En van de dubbele punt. Na alles wat er is gevierd en beleden, van Advent tot en met Pinksteren, van geboorte, via besnijdenis en doop tot sterven, opstaan, hemelvaart, in en door de Geest, nu dan een bekrachtiging van het leven van Christus met een lofzang op Vader (Kerst), Zoon (Pasen) en Geest (Pinksteren)!
Dat volle geheimenis komt nu óók tot leven in de gemeente. Het loopt uit op de handelingen van de apostelen. De leerlingen in de gemeenten komen tot leven, tot voltooiing, dankzij de Drie-ene ‘die nieuwe wegen schrijft in de tijd’. ‘Alle eer en alle glorie geldt de Vader, de Zoon, de Geest’, zingt het lied van Sytze de Vries (NLB 305).
Vreemd en eigen – een godsgeheim
Wie heeft het nog, het kleinood van Bouhuijs en Deurloo: Een vreemdeling in ons midden. Dichter bij verhalen over de naam van God[1]? In Exodus 3,1-6 zien we vonken van die naam. En er klinken meer namen. De ene naam, de Naam van de Ene, verdeelt zich. Over Abraham, Isaak en Jakob. Zoals vonken uit het vuur, en tongen op de hoofden. Die naam en die namen zullen Israël door en uit de woestijn leiden, naar een nieuw leven. Niet toevallig wordt hier, in het roepingsverhaal van Mozes, de woestijn al genoemd. Heilige grond. Want het is de plek waar de Naam te leren en te vertrouwen is. Wie is die god die zich bekend wil maken als degene die de Israëlieten uit de macht van de Egyptenaren wil redden? Een vreemdeling? Zoals Mozes zelf zich een vreemdeling in een vreemd land wist en zijn zoon zo noemde: Ger sjom (2,22)?
Mozes hoedde naar zijn gewoonte de kudde. Het was niet zijn eigen kudde. Die zou hem nog toegewezen worden. Hij kwam nabij de Horeb, ‘de berg van God’. Nog een keer wordt deze uitdrukking gebezigd, niet in de Tora, maar in de profeten, rond Elia (1 Kon. 19,8). Mozes en de profeten, ze weten van de Horeb. Daar klinken de namen van de mensen in woorden die geschonken worden, in het voorbijgaan van de Eeuwige. Daar roept de Ene zijn naam uit.
Verbonden met verleden en toekomst
Toch merkwaardig dat Mozes, zo blijkt uit het vervolg, niet genoeg had aan de betrouwbare en vertrouwenwekkende bevestiging dat hij te maken had met de God van zijn drie aartsvaders (Ex. 2,24; 3,6). Wat wilde hij nog meer weten? Die vraag hoort niet meer bij onze lezing (3,1-6). Ik zou minstens tot 3,14 doorlezen, want het gaat erom dat die twee ‘namen’, ‘de God van je vader, de God van Abraham (etc.)’ en de naam ‘Ik ben’, alles met elkaar te maken hebben. Het ‘nieuwe’ eigene, maar nog vreemde onbekende dat we horen in wat we de Godsnaam (tetragrammaton) noemen, heeft een directe verbintenis met het oude, het bekende dat we horen, namelijk dat Hij de God is van Abraham, Isaak en Jakob. Mozes staat in een traditie die toekomst heeft, want deze God verbindt zich met verleden en toekomst. Dat zal Mozes zijn volk duidelijk moeten maken: een volk dat zijn verleden niet meer kent, heeft geen toekomst.
Leren zien
Nog een ding: Mozes’ nieuwsgierigheid wordt als het ware door God aangewakkerd, door zijn onverterend vuur, het eeuwige licht. En dan volgt het spel van het ‘zien’. De engel des Heren liet zich zien, Mozes zag, zie: de braamstruik! Mozes wil naderbij komen om dit grote schijnsel te bezien. ‘Toen de HEER zag, dat hij het ging bezien (…)’ (3,4). ‘En de HEER sprak: Ik heb terdege gezien de ellende van mijn volk’ (3,7). Wie het nou nóg niet ziet… De brandend vurige visie van deze God roept Mozes tot een bevrijdend bestaan voor de Israëlieten. Mozes leert kijken met Gods ogen.
Ten slotte: vergeet de vader van Mozes niet. Geen naam heeft hij: ‘Een man uit het huis van Levi’ (2,1). Maar de God van de drie aartsvaders begint zich eerst bekend te maken als: ‘Ik ben de God van uw vader’ (3,6). De overlevering ligt dichterbij dan we denken.
Waarom is deze nacht anders?
Opvallend is de keuze om de Johanneslezing te laten doorlopen tot en met 3,16. Vanouds, in het Luthers eenjarig lectionarium, stopt hij na 3,15. Wie wil doorlezen, doe dat dan tot en met 3,21. Zoals Mozes door het vuur, zo wordt Nikodemus, in de nacht, door het licht aangetrokken. Het blijft vreemd voor een leraar in Israël – Nikodemus bekleedde een aanzienlijke positie – om in het geheim, in het donker, zijn vraag voor te leggen. Of had hij een vertrouwensband met Jezus en nam hij een beschut stil moment om Hem persoonlijk te ontmoeten? Het ‘Wij weten’ (3,2) spreekt dat tegen; hij kwam wel degelijk, maar niet openlijk, namens anderen. Hoffelijkheid is hem niet vreemd, hij toont respect voor deze ‘meester’. Hij weet tegenover wie hij zit, en hoopt met een bevredigend antwoord thuis te kunnen komen, zodat hij zijn partijgenoten kan overtuigen van de oprechte kwaliteit van deze Jezus van Nazaret. Ook Jezus toont respect. Hier zijn twee leraren aan het woord.
De tekst volgend, horen we dat het Pascha nabij was (2,13). Het is de Paasnacht waarin Nikodemus het Lam van God (1,29.36) ontmoet. Na de doop van Jezus, met water, na de bruiloftswijn (Kana) is het Pasen, de nacht van de doortocht naar een nieuw leven. Dan waait de Geest, van boven, over de wateren, over dorre doodsbeenderen, dan is er sprake van een nieuwe schepping, van opstanding en wedergeboorte. Hoe kan het anders?