Een minicursus ‘hermeneutiek van het bijbellezen’
Marcus 6:30-9:50
Marcus 6:30-9:50 staat van eind juli tot eind september 2012 op het oecumenisch leesrooster. Wanneer bijbelteksten binnen een liturgische context worden gelezen, komen vanzelf twee kenmerken van de bijbelse taal bovendrijven. Het eerste is de pragmatische dimensie. Bijbelse verhalen zijn meer dan louter beschrijvingen van gebeurtenissen uit het verleden. Ze doen ook iets met de actuele lezers of toehoorders (ik gebruik bewust beide termen door elkaar). Het tweede is dat in de liturgie het gemeenschapskarakter van de taal wordt benadrukt.
Al te vaak zijn we zeer individualistisch bezig met het zoeken naar betekenis. In de context van een viering worden we als gemeenschap aangesproken. In wat volgt wil ik een oriëntatie geven met het oog op het verstaan van de teksten, zodat ze geen dode letter blijven, maar levend worden en tot leven wekken. Helaas moet dit alles veel te kort, terwijl het aanvoelt alsof er over dit onderwerp een boek geschreven zou moeten worden. Ik begin met een beetje theorie en ga vervolgens dieper in op de kracht van de tekst en op de competenties van de lezers.
Een beetje theorie
In deze bijdrage wil ik enkele leestips aanreiken om de tekst ten volle te laten spreken. De betekenis van de tekst ontstaat door ontmoeting van twee bewegingen. Enerzijds wordt van de lezer gevraagd om zich van enige competentie te voorzien, wanneer de lectuur begint. Anderzijds moet de lezer zich ook als het ware ‘laten doen’ door de tekst. Het is uit die permanente wisselwerking dat de dynamiek van de betekenisgeving ontstaat. Deze ‘heen-en-weer’-beweging is nodig om twee valkuilen te vermijden die bij het lezen van teksten wel eens over het hoofd worden gezien. De eerste bestaat dat de lezer zelf alle betekenis in de tekst legt. De tweede bestaat erin dat men denkt dat de tekst een bepaalde inhoud heeft die als een losstaand pakket onveranderd van generatie op generatie worden doorgegeven. De werkelijkheid ligt ergens tussenin: het is in het samenspel tussen de betekenis in de tekst en de zingeving door de lezer dat er een ‘betekenis-voor-mij’ ontstaat.
Van tekst naar lezer: de kracht van de tekst
Laten we het eerst over de kracht van de tekst hebben, waarbij de lezer zich laat door de tekst. Ik wijs op drie dimensies in de tekst die de lezer sturen in zijn lezing.
Ten eerste is er het standpunt van de verteller. Wanneer men het evangelie van Marcus leest, dan is men als lezer spontaan gedreven om bepaalde visies aan te nemen en andere te verwerpen. Dat komt doordat de verteller als het ware onderhuids in de tekst op een autoritaire manier zijn standpunt laat doorschemeren. En dat perspectief is er een waarin de protagonist Jezus als norm wordt voorgehouden van waaruit alles en iedereen wordt geëvalueerd. Dat verklaart de spontane leeservaring waarbij de lezers het voor Jezus zullen opnemen. In de sectie 6:30-9:50 komen we herhaaldelijk deze ‘onhoorbare stem van de verteller’ tegen. Zo begrijpen de lezers bijvoorbeeld niet hoe het mogelijk is dat de leerlingen Jezus niet herkennen, wanneer hij over het meer gaat (6:49). De leerlingen hadden toch reeds ervaren dat Jezus bij machte is de storm te stillen (4:35-41)? Dit negatieve oordeel wordt bevestigd door de opmerking van de verteller dat hun hart versteend was: ‘Ze waren niet tot inzicht gekomen door wat er met de broden was gebeurd, omdat ze hardleers waren’(6:51b-52). Dit vers levert ons overigens nog andere interessante informatie op. Blijkbaar hebben de leerlingen ook het wonder van de broden nog niet begrepen! Bij het lezen van 6:34-44 (het eerste broodwonder) kun je als lezer nog twijfelen of de houding van de leerlingen positief of negatief is. Hun vraag ‘Moeten we dan voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om hun te eten te geven?’ als reactie op Jezus’ bevel dat ze zelf eten zouden geven aan de van vijfduizend mensen, is enigszins te begrijpen. Hoe zouden de leerlingen immers kunnen beantwoorden aan deze onmogelijke vraag? Maar aan de andere kant: er is misschien wel enige vorm van ironie in Jezus’ bevel te lezen. Het was misschien zijn bedoeling dat de leerlingen hun vertrouwen in hem zouden uitdrukken. Maar door het bevel letterlijk te interpreteren geven ze blijk helemaal geen vertrouwen te hebben. Ook hier lijkt de verteller de lezer te prikkelen om zich te distantiëren van de leerlingen. Hij kiest voor Jezus. Het motief van de broden vormt bovendien een rode draad tot en met Marcus 8:21. Het is Marcus niet zozeer te doen om het miraculeuze hocuspocuseffect met een paar broden, maar om de typering van de leerlingen. Immers, bij het tweede broodwonder (8:1-9) blijkt uitdrukkelijk dat de leerlingen niet begrijpen wie Jezus is. Hun vraag ‘Maar hoe zou iemand hen hier, in deze verlatenheid, van genoeg brood kunnen voorzien?’ (8:4) maakt hen ronduit bespottelijk. Ze hebben een probleem met hun korte geheugen, want korte tijd voordien heeft Jezus een nog grotere menigte meer dan voldoende brood en vis gegeven. Niet verwonderlijk dan dat Jezus hun een flinke veeg uit de pan geeft. Hij herhaalt: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’ (8:17, 21). Een eerste opdracht bij het lezen of horen van deze sectie zou er dus in kunnen bestaan op te sporen waar de verteller (soms fluisterend) zijn stem laat horen in de tekst, waardoor de lezer een positieve houding ten aanzien van Jezus aanneemt. Enkele voorbeelden. Aan welke kant staat de verteller als je hoort hoe Jezus Petrus vermaant (8:33) of als je verneemt dat de leerlingen onder elkaar twisten over wie de belangrijkste was (9:34)? En is zijn standpunt niet pro Jezus wanneer hij een harde analyse maakt van het gedrag van de schriftgeleerden uit Jeruzalem (7:1-15)? Jezus’ wijsheid is superieur: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht’ (7:15).
Een tweede aspect van de kracht van de tekst gaat nog iets verder. De lezers worden zelf aangesproken door de tekst. Hun denken wordt gestimuleerd om een eigen positie in te nemen. Marcus wil dat de toehoorder voortdurend de reflex heeft: hé, die tekst gaat over mij. Ook dit gebeurt op een fijne, indirecte manier. In het laatste voorbeeld hoorden we het al: ‘Luister allemaal…’ Er zijn nog dergelijke verzen: ‘Want ieder die zijn leven wil behouden, zal het verliezen…’ (8:35). Het is alsof Jezus uit het verhaal stapt en zich niet alleen tot de gesprekspartners in het verhaal richt, maar rechtstreeks tot de toehoorder. Indien het een film zou zijn, dan keek hij op dat moment recht in de camera: ‘Blijf kalm. Ik ben het. Wees niet bang’ (6:50); ‘En wie ben ik volgens jullie?’ (8:29); ‘Ik verzeker jullie, sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt’ (9:1).
Er is nog een derde element dat bijdraagt tot de kracht van de tekst. In tegenstelling tot de eerste twee elementen die formeel zijn, heeft het derde alles te maken met de inhoud van de tekst. Stel dat de toehoorder het perspectief van de verteller deelt (het eerste aspect) en stel dat hij dan ook nog aanvoelt dat de tekst niet over anderen gaat maar over zichzelf (het tweede aspect), zal hij dan ook nog de stap zetten om te handelen zoals van hem gevraagd wordt? Wie de tekst van Marcus leest of hoort, staat onophoudelijk onder de kritische stem van de ‘Jezuaanse leefwijze’ die hem wordt voorgehouden. Hier komt de kracht van de tekst tot volle wasdom: zullen we als toehoorders ons laten transformeren door het verhaal? Zal de hoofdpersoon Jezus met zijn boodschap ook vrucht dragen in het leven? De sectie 6:30-9:50 leent zich uitstekend om ook gevoelig te worden voor de consequentie van een mogelijke ‘vertaling’ van Jezus’ voorbeeld in het doen en laten van elke dag. Er is in deze sectie immers duidelijk een tweedeling aanwezig. Het eerste deel focust op de wonderen van Jezus en zijn autoritaire persoonlijke standpunten (6:30-8:29). Het tweede deel laat ons kennismaken met een onverwachte, maar wel te vrezen wending in het leven van Jezus: het perspectief op zijn veroordeling, lijden en dood (8:30-9:50 en verder). Het scharnier tussen deze twee delen is de zogenaamde Petrusbelijdenis, waarna Jezus voor de eerste keer zijn lijden aankondigt (8:27-33). Vanaf dat moment wordt dat onverdraaglijke en onaanvaardbare lijdensperspectief een heersend motief in het verhaal. We verlaten dan de sfeer van de overtochten per boot op het meer, de wonderen met brood en andere wonderen, de discussies over de wet en de profeten en we duiken een andere wereld in. De wereld van het lijden (8:31; 9:12; 9:31) en de gave van zichzelf: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar’ (9:35). Ook hier geldt: het komt er niet alleen op aan te doorgronden wat dit mysterie voor Jezus’ leven betekend heeft, maar ook op welke manier dit mysterie in het leven van de toehoorder levend wordt. Wanneer dit gebeurt, wordt de ‘mensentekst’ die het Marcusevangelie is, daadwerkelijk ook Woord van God.
Meteen komen we op een kantelmoment van deze bijdrage. Nu we gezien hebben waartoe de tekst ons als toehoorders wil aanzetten, moeten we merkwaardig genoeg vaststellen dat de diepste betekenis van de tekst slechts aan het licht komt als die ook in daden wordt omgezet door de lezer. De effectieve kracht van de tekst is afhankelijk van de incarnatie ervan in het leven van de toehoorder. We kunnen dit niet anders dan in een paradox verwoorden: of de kracht van de tekst werkzaam is, hangt ook af van de keuzes die de lezer zal maken.
Het verlangen naar de tekst: de competenties van de toehoorder
We hebben gezien hoe er van de tekst zelf een kracht uitgaat. Maar om betekenis te creëren is ook de omgekeerde beweging nodig: de lezer moet de tekst ook beluisteren vanuit een bepaald verlangen. Dit verlangen kun je uitdrukken in noodzakelijke competenties. Het is niet erg als iemand niet voor honderd procent over deze competenties beschikt. Je kunt ze ook aanscherpen door de lectuur van het evangelie zelf. In verband met die vaardigheden wil ik eveneens drie elementen aanstippen. De eerste vaardigheid die van de lezer gevraagd wordt, is dat hij afstand neemt van de tekst. Het klinkt misschien verrassend, maar om de kracht van de tekst te laten inwerken wordt van de lezer gevraagd dat hij zich terdege bewust is dat het milieu waarin de tekst ontstaan is, totaal verschillend is van onze eigen leefwereld. Ook het taalgebruik is anders. De lezer zal dus moeten aanvaarden dat Jezus’ woorden niet letterlijk over te zetten zijn naar vandaag. Hij zal enerzijds moeten onderzoeken wat ze betekenden in de eerste eeuw en anderzijds moeten kijken hoe de wereld van vandaag in elkaar steekt. Een evenwicht tussen beide analyses is noodzakelijk. Ik zou hier het oude bekende woord willen laten meespelen dat de geest van de tekst belangrijker is dan de letter. Dat is zeker het geval bij het verstaan van passages met een eschatologische context. Bij het horen van Marcus 9:42-50 (met een molensteen om de nek in zee worden geworpen, enzovoort) is het vooral van belang te wijzen op de dringendheid en de ernst van een levenswijze volgens Jezus. Maar ook bij meer bekende woorden als ‘koninkrijk van God’ (9:1, 47), vrede (9:50), geloof (9:24) moet men zich afvragen wat het betekent. De eerste competentie van de lezer zal er bijgevolg in bestaan dat hij zich afvraagt wat zijn persoonlijke hermeneutische inventaris is: hoe kijk ik tegen een bijbeltekst aan? Wat en wie beïnvloeden mij bij het lezen en interpreteren van een tekst? Hoe sta ik tegenover de problemen in de maatschappij waarin ik leef? Het is hier dat ik zou pleiten om deze vragen in groepsverband te bespreken. Wellicht is er dan iemand die het Grieks machtig is, een ander die beter de tekenen van onze tijd verstaat en een derde die gevoelig is voor het verhalend karakter van de tekst. Het is door deze onderlinge dialoog dat betekenis zal ontstaan.
Het tweede element is dat de lezer de grondtoon, de basso continuo van het verhaal probeert te ontdekken. Meer dan de andere evangeliën is Marcus’ verhaal opgebouwd uit korte perikopen die ogenschijnlijk los aan elkaar hangen. Het komt er echter op aan om de onderliggende toon te zoeken. Zoals bij het orgelspel speelt elk van de korte perikopen een melodie tegen de achtergrond van die toon. Bij Marcus wordt die toon precies in de sectie 6:30-9:50 voor het eerst duidelijk hoorbaar: ‘Jezus sprak in alle openheid’ over het lijden van de Mensenzoon (8:32). Het is inderdaad tegen het licht van deze harde realiteit dat het evangelie, het goede nieuws wordt gebracht. Als lezer mag men niet te veel struikelen over details en komma’s in de tekst als men daardoor het hoofdthema uit het oog zou verliezen. De vaardigheid die hier gevraagd wordt, is heel delicaat. Wie het Marcusevangelie leest, loopt op een smal koord, waarin het lijden ernstig wordt genomen én waarin de hoop op de overwinning op dat lijden voorzichtig uitgedrukt wordt. Marcus zelf loopt ook op dit koord. Elke lijdenvoorzegging bevat ook een belofte van de opstanding (lees 8:31; 9:31; 10:32-34). Maar tezelfdertijd participeert elke actuele lezer ook in het tastend zoeken van de leerlingen: ‘Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan. Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood’ (9:9-10). Daarom is een derde competentie onontbeerlijk en dat is het oprechte besef dat we de diepste diepte van de tekst nooit echt zullen begrijpen. Wanneer de tekst beluisterd wordt, zullen we zien dat er meer interpretaties mogelijk zijn en dat we zelf allemaal ook onder het woord van Jezus staan: ‘Begrijpen jullie het dan nog niet?’ Het is eigen aan het Marcusevangelie dat het een lezer construeert die in de war raakt door het verhaal over Jezus. Een lezer die niet het laatste afsluitende woord zeggen over de betekenis van de tekst en over het mysterie van het leven. Een realistische lezer die de gebrokenheid van het bestaan aanvaardt en hoopt op een God die redt: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp’ (9:24). Dat is het erkennen van onze plek als lezer: wij zijn een van velen die in de geschiedenis of ergens op deze wereld proberen te lezen en te leven van het woord. Dat houdt tevens het verlangen naar de tekst in ons wakker. Zo worden wij met vuur gezouten en proberen we onder elkaar de vrede te bewaren (9:49-50). Wanneer we in gemeenschap de woorden uit Marcus 6:30-9:50 aanhoren, mogen twee gedachten niet ontbreken: de kracht van de tekst is afhankelijk van de instemming van de lezer; de kracht van de lezer is afhankelijk van zijn onderdanigheid aan de tekst.