Menu

Premium

Een verrassende date met Abigaïl

Bijbellezen is een vreemde wereld binnenstappen. Het maakt nieuwsgierig, want wat is er te vinden? En vooral: wat van waarde diep je op, en wat kun je daarmee?

Neem het verhaal over David en Abigaïl in 1 Samuël 25. Er zijn in dat hoofdstuk door de lezer drie hoofdrollen te verdelen, die van David, Nabal en Abigaïl. In dit artikel bekijk ik het verhaal vanuit de positie van Abigaïl. Ze is slim en mooi. Ze spreekt me aan, die vrouw.

Je zult toch met Nabal getrouwd zijn. Of met een Nabal. De naam betekent ‘dwaas’ en dat is hij. Hij is rijk, maar de rijkdom heeft hem geen omgangsvormen gebracht. Hij is grof in de mond en meer dan dat. Een groot contrast met zijn vrouw, van wie meteen gezegd wordt dat ze tovat sèchel wiefat to’ar is: ‘goed van verstand en mooi van uiterlijk’ (vs. 3). De stam SChL, waar het woord sèchel bij hoort, betekent ‘inzicht hebben’ en vanwege je inzicht ook ‘succes hebben’. Vertalers moeten dus kiezen wat in hun tekst het beste past. Intelligent en knap… dat is een begerenswaardige combinatie. Maar de intelligentie van Abigaïl loopt stuk op de botte hersens van Nabal. Hij zal een goede partij zijn geweest bij hun gearrangeerde huwelijk. Maar ze zit wel levenslang aan deze bullebak van een schapenboer vast.

Het verhaal speelt rond Maon, in Karmel. Om vergissingen voor te zijn: Karmel is weliswaar de gangbare naam voor het grote vruchtbare bergmassief aan de westkant van Israël, maar het is ook, zoals hier, een plaatsnaam in het zuiden van Juda, bij . Van Nabal wordt gezegd dat hij een Kalebiet is, een afstammeling van Kaleb dus. Maar de Hebreeuwse medeklinkers laten ook een andere vertaling toe, waarvan je het resultaat in de Septuagint vindt: kunikos, ‘honds’. ‘Kaleb’ betekent ‘hond’, vandaar. Het is geen populaire naam geworden in Israël.

Twee hoofdstukken eerder, in 1 Samuël 23:24, lezen we dat David met zijn mannen in de woestijn van Maon bivakkeert, op de vlucht voor Saul. Saul kent als landbouwer de woestijn niet of nauwelijks, David als native boy aan de rand van de woestijn en als schaapherder des te beter. In de onherbergzame regio is het voor herders onveilig en de grote schapenboeren verzekeren zich daarom van beveiliging door bewapende bendes die daar forse bedragen voor rekenen. De richter Jefta is er een mooi voorbeeld van. David is in de woestijn van Maon zo’n lokale war lord, die op deze manier met zijn manschappen in het levensonderhoud voorziet. Dat zoiets maffia-achtige toestanden met zich mee brengen, laat zich raden. An offer he can’t refuse is niet iets van de Godfather alleen. David komt zijn jaarloon halen en daar gaat het bij de domme en hondse Nabal mis. Zijn verstandige vrouw, die het korte lontje van de bendeleiders kent, voorkomt een vergeldingsactie en redt de boerderij. Zo zou een historicus naar het verhaal kunnen kijken. Maar heb je er zo veel aan beleefd?

Mag het ook ietsje meer zijn?

Het verhaal dient natuurlijk niet om het wel en wee in de sociale verhoudingen zo’n duizend jaar voor onze jaartelling te beschrijven. Wat vooral opvalt in onze perikoop, is het optreden van Abigaïl. Niet alleen Nabal en Abigaïl staan tegenover elkaar, ook David en Abigaïl worden in eerste aanleg als contrastfiguren getekend.

David meldt zich via boodschappers om zijn jaarlijkse vergoeding op te halen (vs. 6): ‘Voor jou vrede, voor je huis vrede, voor al wie bij je hoort vrede.’ Sjalom, sjalom, sjalom. Driewerf vrede. Daarna wordt het resultaat van Davids inzet vermeld, met als conclusie dat er helemaal niets is vermist. Waar het uiteindelijk allemaal om gaat, is (vs. 8): ‘Geef toch wat je hand vindt…’ Het wordt oosters beleefd aangekaart. Nabal gaat er niet al te verstandig mee om en roept (vs.10): ‘Wie is die David, wie is die zoon van Isaï… Zou ik nemen van mijn brood, mijn water, mijn slacht…’ David reageert zoals te verwachten valt van een bendeleider (vs. 13):

David zei: ‘… Te zwaard…
Ze gordden hun zwaard aan
Iedereen gordde zijn zwaard aan.

Het driewerf sjalom is in oorlogsstemming gekeerd. Het moet bijna in een inferno eindigen.

Nu komt Abigaïl het toneel op. Ze is wat in Genesis 2 van een vrouw gezegd wordt: ‘een hulp tegenover haar man’. Geen hulp in de huishouding, maar de reddende engel. Waar Nabal geen hersens heeft en als een bullebak optreedt, gebruikt zij haar verstand en neemt de omgangsregels in acht. Ze rijdt David tegemoet. De lezer ziet ze op elkaar af komen. Het is een klassiek literair model dat de spanning opbouwt. Van deze ontmoeting hangt alles af. Zal ze de dreiging kunnen afweren van haar huis?

Abigaïl kwijt zich met verve van haar taak. Ze is niet alleen ‘een hulp tegenover’

haar man Nabal, ze is dat ook tegenover David! Fijntjes herinnert ze de bendeleider eraan dat JHWH David er tot nu toe voor bewaard heeft bloedschuld op zich te laden en het recht in eigen hand te nemen (vs. 26). Dat David zonder al te veel kleerscheuren door zijn ‘woestijnperiode’ heen is gekomen, heeft hij aan JHWH te danken, meldt ze. Ze loopt op de geschiedenis vooruit (vs. 30-31, NBV):

‘Wanneer de HEER al zijn goede beloften aan u inlost en u aanstelt tot van Israël, zult u niet gehinderd worden doordat u uw geweten hebt belast door het recht in eigen hand te nemen en onschuldig bloed te vergieten. Wanneer het eenmaal zover is, mijn heer, vergeet uw dienares dan niet.’

Ze spreidt alvast het bed: ‘Als jij, David, in je koninkrijk komt, denk dan ook aan mij…’ Het is trouwens van belang dat hier niet het (belaste) woord koning, mèlech, valt. We lezen nagied, ‘aanvoeder’, ‘chef’. Het woord ‘aanstellen’ zou wel wat pregnanter vertaald mogen worden. Er staat ‘geboden’, ‘bevolen’. Abigaïl biedt David weinig ontsnappingsmogelijkheden: ‘Het is een mitswa, een gebod, dat je aanvoerder wordt.’ Maar ze zegt impliciet meer: de toekomstige koning is niet een aanvoerder die met een dolle kop op vergelding en eerwraak uit is, maar hij houdt zijn hart en handen zuiver. En gebruikt zijn verstand.

Als een blad aan een boom

Na Abigaïl is David aan zet. Na eerdere drievoudige loftuitingen en bedreigingen slaat David om als een blad aan een boom. Nu klinkt (vs. 33):

baroech, baroech, beroecha…
Gezegend, gezegend, gezegend…
Gezegend JHWH, gezegend je verstand, gezegend jijzelf…

Voor ‘verstand’ staat niet het woord dat we in de inleiding vinden, sèchel, maar ta‘am. Die stam duidt allereerst op ‘proeven’. David prijst de intelligentie van Abigaïl niet, maar haar onderscheidingsvermogen. Ze proeft, ze voelt de dingen haarscherp aan.

Het gebeuren gaat allemaal buiten Nabal om. Hij is doende met zijn schapenscheerdersfeest en heeft genoeg aan zichzelf en aan de drank. Hij heeft er geen idee van dat een ramp van zijn huis is afgewend. Als het hem later, als hij nuchter is, verteld wordt, krijgt hij een hartinfarct en hij sterft tien dagen later. Die mededeling is noodzakelijk voor het vervolg. Want nu is Abigaïl ‘vrij’ en David springt meteen in het ontstane gat. Een koning wordt gekenmerkt door het gemak waarmee hij vrouwen, ook die van anderen, aan zijn harem toevoegt. Dat gemak zal David later fataal worden. Maar hier wordt hij nog geschilderd als de man die naar de hand van een vrouw dingt. ‘David stuurde een gezantschap en sprak met Abigaïl met de bedoeling haar te trouwen’ lezen we in vs. 39. Abigaïl is niet een bijvrouw die een haremplek opvult en als sierhoen dient. David straks op haar inzicht gaan koersen.

De rol van vrouwen

In 1 Samuel 25 gaat het erom hoe ‘Vrouwe wijsheid’ David op het rechte pad houdt. De toekomstige koning van Israel geeft het goede voorbeeld en luistert naar de raad van wat Spreuken 31:10 een ’eesjet chàjil noemt, ‘een pittige vrouw’. Meteen daarna komt Ruth in de Hebreeuwse Bijbel aan bod, die ruimschoots aan dat beeld voldoet. En het slot van ons hoofdstuk vermeldt Achinoam uit Jizreel (niet de bekende Jizreel-vlakte, maar een dorp in Juda, dicht bij Maon, Joz. 15:56) als vrouw van David. De mededeling dat Saul intussen Davids vrouw Mikal aan ene Palti heeft ‘doorgegeven’, sluit het verhaal contrastrijk af. Dat huwelijk met Mikal is een doodlopende weg, al zal David haar nog wel terugeisen (2 Sam. 3:13-16). Maar dat is vooral een politieke zet.

Achinoam en Abigaïl trekken zusterlijk samen op. Uit 1 Samuel 25 krijg je de indruk dat Abigaïl Davids eerste vrouw is, maar in het vervolg wordt ze steeds als tweede genoemd, na Achinoam. Ze blijft met haar geschiedenis verbonden en heet ‘… de vrouw van Nabal, de Karmelitische’ (1 Sam. 27:3). Als de Amalekieten een aanval plegen op Ziklag en vrouwen en kinderen meeroven, worden Achinoam en Abigaïl weer samen genoemd. Abigaïl opnieuw met de vermelding dat ze de vrouw van de Karmeliet Nabal was. Ze zijn er ook gezamenlijk bij als David naar trekt om koning te worden (2 Sam. 2:3). En ze zorgen voor de bouw van het Huis van David. In 2 Samuel 3 worden zes vrouwen van David genoemd, van wie Achinoam en Abigaïl de lijst aanvoeren, met hun zonen Amnon, de eerstgeborene van David en Achinoam, en Kileab, de zoon van Abigaïl (2 Sam. 3:3), die nu voor het laatst met Nabal verbonden blijft. Kileab blijft een duistere figuur. In de Septuaginta heet hij Dalouia. In de parallelle tekst van 2 Samuel Kronieken (1 Kron. 3:1) heet hij Daniel. Maar noch als Daniel, noch als Kileab zal hij later een rol spelen. De zoon van Achinoam, Amnon, daarentegen is volop aanwezig. Hij is een blokkade bij de troonopvolging van David. Amnon verkracht zijn zuster Tamar (2 Sam. 13) – ook een politieke daad, waarmee hij zijn aanspraken op de troon duidelijk maakt – en wordt door Absalom, de zoon van Davids derde vrouw, Maäka, vermoord. Absalom zelf pleegt een coup. Waar blijft de zoon van Abigaïl bij al dat wapengekletter? Nergens. Die zal het verstand van zijn moeder geerfd hebben.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken