Menu

None

Een waaier aan Joodse visies over leven hierna

Extra bij Deel 1, hoofdstuk 4, ‘Een waaier aan visies’.

Wat er na dit leven komt

In deze paragraaf volgt een erg uitgebreide bespreking van alle ons bekende visies omtrent het leven na de dood die onder Joden leefden. In het boek zelf wordt dit veel beknopter gedaan.

Inhoud

Een verblijf onder de sterren

Een verblijf op een paradijselijke aarde

Een onsterfelijke ziel

De pre-existentie van de ziel

In de Joodse literatuur van rond het begin van onze jaartelling zien we dat er in Israël nieuwe visies over het leven na de dood groeiden, over het lot der goddelozen, en over datgene waarop de rechtvaardigen na een moeizaam leven mochten hopen. We bekijken de beschikbare bronnen over die veranderende visies in het Jodendom. Om enige orde aan te brengen in de verwarrende hoeveelheid aan denkbeelden hierover die toen de ronde deden, maak ik een onderverdeling in drie groepen. Het is een wat artificiële onderverdeling ter gerief van de lezer, gelovigen destijds hielden er niet zo’n ordening op na, die moesten het allemaal maar zelf zien uit te zoeken. Een eerste groep geschriften situeerde het leven na de dood in de hemel, onder de sterren. Voor rechtvaardigen was dat, welteverstaan. Een tweede groep boeken legde uit dat de vromen na de dood hier op een paradijselijke aarde in een opstandingslichaam zouden rondwandelen, misschien niet voor eeuwig, maar toch wel heel lang. In een derde groep verzamel ik de geschriften die ingaan op de destijds nieuwe zicht op wat de mens was: een ziel in een lichaam. We zullen zien dat er met die ziel verschillende dingen konden gebeuren. Per groep geef ik de geschriften in chronologische volgorde. Het zijn alle samen best een aantal geschriften, ik ga telkens slechts kort in op de belangrijkste elementen.1

Een verblijf onder de sterren

Rechtvaardigen die na hun dood als sterren aan de hemel fonkelen, waar komt dit idee vandaan? Lang geleden werden de Kanaänitische goden soms als sterren gezien, evenals de rapiuma, de koninklijke helden die gestorven waren. Ook bij de Grieken werden grote helden tot hemelse constellaties, men denke aan Herakles, Perseus, Orion. We zagen al dat in het orphisme de ingewijden naar de sterren zouden opstijgen, of zelf een ster zouden worden. Ook op de gouden tabletten getuigden ingewijden dat zij kinderen van de sterrenhemel waren. Tevens groeide er in de Griekse wereld een tendens om overledenen in de hemel te situeren: onschuldige kinderen, maar ook soldaten gevallen in de strijd, werden sterren aan de hemel. Sterren waren zielen, legde Ploutarchos uit. Ook in sommige Joodse kringen geloofde man dat, zoals we zullen zien.

Die sterren, daar had de profeet Daniël het onder meer over. Het was deze profeet vergund wonderlijke dingen te schouwen in de hemelen. Al wordt de profeet van het boek dat zijn naam draagt gesitueerd in het Babylonië van de 6e eeuw v. Chr., in werkelijkheid werd het boek op schrift gesteld in de 2e eeuw v.Chr. Daarbij zal men gebruik gemaakt hebben van oudere verhalen. De 2e eeuw v.Chr. was een tijd waarin vrome Joden vervolgd werden door de vorst Antiochos IV Epiphanes. Deze Antiochos was koning van de Seleuciden, afstammelingen van Seleukos, een van de opvolgers van Alexander de Grote. Het boek is op schrift gesteld in chassidische kringen: vrome Joden die de Thora in het hart droegen. Juist dit soort gelovigen, die hun leven wilden inrichten naar de voorschriften van de Thora, werden bruut vermoord. Dat was een verontrustende zaak. Had God niet zijn zegen beloofd voor wie zijn Thora volgden? Liet God onrecht maar begaan? Nee, troostte Daniël, Gods gerechtigheid zou zich uitstrekken tot de omgekomen vrome Joden – en tot hun vervolgers! De Joodse martelaren zouden opstaan uit de dood om eeuwig te leven. Maar Joodse afvalligen en heidense vervolgers zouden door diezelfde gerechtigheid eeuwig gestraft worden. “Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.” Opmerkelijk is dat er alleen wordt gesproken over de martelaren en hun kwelduivels, het gaat hier niet, zoals in het ‘Boek der Wachters,’ (dat we nog zullen bespreken) over een algehele opstanding van de mensheid. De rechtvaardigen of martelaren zullen dus opstaan uit het stof om eeuwig te leven: “De verlichten zullen stralen als het fonkelende hemelgewelf, en degenen die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altijd.” Dat lijkt te wijzen op een voortbestaan in de hemel, te midden van de engelen, of als engelen, gezien Daniël elders de sterren met engelen associeert. De vervolgers echter zullen “voor eeuwig veracht en verafschuwd” worden.2

Een ander bekend figuur uit de bijbel is de patriarch Henoch. “Henoch leefde in nauwe verbondenheid met God; aan zijn leven kwam een einde doordat God hem wegnam.” Deze korte mededeling in de Bijbel maakte Henoch tot de ideale figuur om allerlei visioenen en openbaringen aan toe te schrijven; dat konden esoterische openbaringen zijn over het wezen van het universum, maar ook apocalyptische visioenen over de eindtijd. De verhalen en openbaringen van Henoch werden opgetekend in verschillende geschriften uit de drie eeuwen v.Chr., en die werden later gebundeld in wat we 1 Henoch noemen (of de ‘Ethiopische Apocalyps van Henoch’). Dit boek is oorspronkelijk in het Aramees geschreven maar is via het Grieks in het Ethiopisch tot ons gekomen. Men heeft ook Aramese gedeelten ervan aangetroffen onder de Dode Zeerollen. Voor ons onderwerp zijn drie geschriften die in 1 Henoch werden opgenomen interessant. Een eerste is het ‘Boek van de Wachters’ (1 Henoch 1-36) uit de 3e – 2e eeuw v.Chr. Dit boek wordt besproken in de paragraaf ‘Een verblijf op een paradijselijke aarde’. Twee andere werken uit 1 Henoch worden hier besproken: De ‘Brief van Henoch’ en het ‘Boek der gelijkenissen’.3

In de ‘Brief van Henoch’ (1 Henoch 91-107 – 142-63 v.Chr.) lezen we dat de rechtvaardigen in eerste instantie net zoals de onrechtvaardigen naar het dodenrijk zullen gaan:

Wees niet bedroefd dat jullie zielen in droefheid in Sje’ol zijn afgedaald. […] Maar wanneer jullie sterven, zeggen de zondaars over jullie: ‘Zoals wij sterven zijn ook de rechtvaardigen gestorven, en wat hebben hun [goede] daden hen dus geholpen? Kijk maar, ze zijn net als wij in droefheid en in duisternis gestorven, dus wat voor voordeel hebben ze vergeleken met ons? Van nu af aan zijn we gelijk.4

Hier wordt de oude vertrouwde visie op het dodenrijk verwoord. Maar volgens de ‘Brief van Henoch’ lijden in dit dodenrijk de bozen toch al onder een voorlopig oordeel, terwijl de zielen van de rechtvaardigen zullen leven. De zielen van zondaars blijven in de Sjeol (dodenrijk), en die krijgt kenmerken van de Gehinnom, de hel, en dit tot aan het grote eindoordeel.4

Weet dat hun zielen in de diepten van Sje’ol zullen moeten afdalen en [dat] ze diep ongelukkig zullen zijn, en dat hun benauwdheid groot (zal zijn); en in duisternis en in ketenen en in brandende vlammen zullen jullie geesten op het grote oordeel komen, en het grote oordeel zal tot aan het einde der geslachten, tot in eeuwigheid duren. Wee jullie, want jullie zult geen vrede hebben.5

Waarschijnlijk worden de zondaars bij dat ‘grote eeuwige oordeel’ vernietigd: “Wee jullie die je buurlieden kwaad doet, want jullie zult in Sje’ol gedood worden.”6 Maar wat de rechtvaardigen betreft: voor hen is alle goedheid, vreugde en heerlijkheid bereid, in overeenstemming met hun goede werken. De rechtvaardigen zullen zich verheugen en leven. En ook:

En de geesten van jullie die in rechtvaardigheid zijn gestorven zullen leven, en hun geesten zullen vrolijk zijn en zich verheugen, en de Verhevene (zal) zich hun tot aan het einde der geslachten herinneren. Weest dus niet bang voor hun beledigingen. […]

Geeft de hoop niet op! Want eerst werden jullie door boosheid en bezoekingen beschaamd, maar nu zullen jullie schijnen als de hemelse lichten en [jullie] zullen worden gezien, en de hemelpoort zal voor jullie geopend worden.7

Anders dan in het oudere ‘Boek der Wachters’, dat straks aan bod komt, zullen de rechtvaardigen niet op aarde rondwandelen, maar zullen ze naar de hemel gaan, waar ze lijken op engelen (de ‘hemelse lichten’), zoals in Daniël. Voor een opgestaan lichaam heeft men hier geen belangstelling. Dat is ook zo in het boek ‘Jubileeën’ (2e eeuw v.Chr.). Van de rechtvaardigen wordt daar gezegd: “Hun beenderen zullen rusten in de aarde en hun geesten zullen zich zeer verheugen.”8 Zo zien wij in de henochidische gemeenschap een evolutie van opstanding der doden op aarde naar een eeuwig verblijf van de ziel in de hemel.

Een ander onderdeel van 1 Henoch is het ‘Boek der gelijkenissen’ (1 Henoch 37-71 – 40 v.Chr. – 70 n.Chr.). Het wordt gedateerd tussen 40 v.Chr. en 70 n.Chr. Na een korte inleiding volgen drie gelijkenissen. Die handelen vooral over het komende oordeel: het lot van de zondaren en dat van de uitverkorenen. Het boek wordt afgesloten met de hemelvaart van Henoch. In dit boek wordt de lezer gewaarschuwd voor een tijd van lijden voor de rechtvaardigen. Gelukkig zal die beëindigd worden door de Rechtvaardige die de onderdrukkers zal richten. Tevens wordt de lezer een blik gegund in hoe de kosmos functioneert.

Om met dat laatste te beginnen, Henoch hoorde over de geheimen van de hemel en zag de geheimen van de bliksem en de donder, hoe de winden verspreid werden over de aarde, de plaats vanwaar hagel en wind komen, maar ook hoe de zon en de maan hun loop aan de hemel volgen. Nog schitterender waren de sterren aan de hemel, die vereenzelvigd worden met de heiligen. Dat lezen we in de eerste gelijkenis.9

De tweede gelijkenis vertelt wat zondaars en rechtvaardigen kunnen verwachten. Over zondaars staat er: “Zij zullen niet naar de hemel opgaan, noch zullen ze op aarde komen: dit zal het lot zijn van de zondaars die de naam van de Heer der geesten loochenen, en zo zullen ze [in afwachting] gehouden worden tot aan de dag van kwelling en nood.”10 Zij worden dus ‘ergens’ bewaard, waarschijnlijk in Sjeool. Henoch ziet ook de Mensenzoon, die beschreven wordt zoals in het boek Daniël; die zal de mensheid oordelen. Daartoe zal iedereen uit de dood opstaan:

In die dagen zal de aarde teruggeven wat haar toevertrouwd is, en She’ol zal teruggeven wat haar is toevertrouwd, dat wat ze heeft ontvangen, en vernietiging zal teruggeven wat ze verschuldigd is. En hij zal de rechtvaardigen en heiligen onder hen kiezen, want de dag is daar dat ze gered moeten worden.11

De heiligen worden dus apart gezet van de zondaren. Die laatsten “zullen van het aardbodem verbannen worden, onophoudelijk, voor eeuwig en altijd.” Dat is dus geen straf maar algehele vernietiging. De gevallen engelen uit de begintijd zullen gestraft worden, zware ijzeren werktuigen worden voor hen toebereid. Zij zullen in de “oven van het brandende vuur” geworpen worden als vergelding voor hun misdaden.12

De derde gelijkenis vangt aan met het lot van de heiligen: “En de rechtvaardigen zullen in het licht van de zon zijn, en de uitverkorenen in het licht van het eeuwige leven; en hun levensdagen zullen geen einde nemen, en de dagen van de heiligen zullen zonder tal zijn.” Eeuwig leven wordt hun toebedeeld, dat zij zo te zien zullen doorbrengen in de hemel: “En hierna zal de heiligen worden toegezegd dat zij de geheimen van rechtvaardigheid, het loon voor trouw, in de hemel moeten zoeken.” Dan volgen nog enkele andere uitweidingen, zoals over de elementen van de kosmos, en wordt de lezer verzekerd dat de boze engelen zullen worden opgesloten in een gloeiend hete afgrond. “En terwijl dit alles plaatsvond steeg uit dat vurige gesmolten metaal en de beroering die (de wateren) op die plaats in beroering bracht een reuk van zwavel op, en deze hield verband met die wateren. En dat dal van de engelen die (de mens) op dwaalwegen leidden brandt onder de grond.”13 Aldus zal gerechtigheid geschieden.

Nog een werk uit de 1e eeuw n.Chr. is 2 Henoch of de ‘Slavische apocalyps van Henoch’. Het is een nogal apart boek te zijn. Onderzoekers komen niet tot een consensus uit welke religieuze kring het afkomstig is, behalve dan dat het een Joods boek is. Beschreven wordt hoe Henoch een reis doorheen de zeven hemelen maakt, waarbij vooral kosmologische en eschatologische informatie wordt verstrekt. Ons interesseert nu de derde hemel, waar Henoch het paradijs ziet:  

En die plaats zag er zo aangenaam uit als nog nooit eerder is gezien. Elke boom stond in volle bloei, alle fruit was rijp, al het voedsel was overvloedig; elke geur was aangenaam. En de vier rivieren stroomden zacht voorbij, met in elke soort tuin allerlei heerlijk voedsel. En de boom des levens staat op die plaats, waaronder de Heer rust als hij wandelt in het paradijs. Die boom is onbeschrijfelijk vanwege de aangename geur.14

Er wordt Henoch verteld dat dit paradijs bestemd is voor de rechtvaardigen, voor zij die geleden hebben onder de verdrukkingen in dit leven, die geen ongerechtigheid begingen maar de hongerigen brood gaven, de naakten kleedden, de gevallenen oprichtten, de verwonden hielpen. In diezelfde hemel is echter nog een andere plek, meer naar het noorden gelegen. Het is een vreeswekkende plaats:

Elke vorm van marteling en kwelling is op die plaats, en duisternis en somberheid. Daar is geen licht, maar een zwart vuur laait voortdurend op, en een rivier van vuur stroomt over de hele plaats, met koud ijs; en plaatsen van gevangenschap en wrede engelen en dragers van martelwerktuigen, die zonder medelijden kwellen.15

Hier komen dus de goddelozen terecht, dat zijn zij die pochen over hun daden, die heimelijk zielen stelen, zichzelf verrijken door bedrog, die hongerigen laten verhongeren, de schamele kleding van naakten wegnemen, die buigen voor afgoden en beelden die door mensenhanden vervaardigd zijn. We zien hier dus verschillende categorieën van zondaars. Deze derde hemel komt dus overeen met nieuwe visies op het dodenrijk waarbij de goeden van de slechten gescheiden werden. Zoals in de latere Griekse voorstellingen worden beide plaatsen in de hemelen gesitueerd. Echter, in 2 Henoch vallen de zeven hemelen niet samen met de Griekse kosmos, wat al blijkt uit de beschrijving van de vierde hemel, waar de banen van de zon en van de maan doorheen lopen.16

Men neemt aan dat de ‘Apocalyps van Abraham’ (of: ‘Openbaring van Abraham’) ontstaan is in Palestina in de 1e of 2e eeuw n.Chr. Het is waarschijnlijk oorspronkelijk in het Hebreeuws geschreven maar is via een Oud Slavische vertaling tot ons gekomen. Er zijn heel wat latere christelijke interpolaties in te vinden. Het boek bestaat uit twee delen. De eerste acht hoofdstukken vertellen hoe Abraham ontdekt dat godenbeelden geen echte goden zijn, waarop hij de ware God zoekt die zich dan ook aan hem openbaart. De volgende hoofdstukken vertellen hoe Abraham door de engel Jahoel naar de hemel geleid wordt, waar hij zeven visioenen ziet. Abraham krijgt ook te horen hoe het met het oordeel staat. Uiteraard is het allemaal heel indrukwekkend, dat hoort zo in een apocalyps. Een enkel gedeelte over wat Abraham gezien heeft.

En de engel nam mij met zijn rechterhand en zette mij op de rechtervleugel van de duif en hijzelf zat op de linkervleugel van de tortelduif, die beide waren alsof ze niet geslacht of verdeeld waren. En hij droeg mij omhoog naar de rand van de vurige vlammen. En wij stegen op alsof wij door vele winden werden gedragen naar de hemel die op de firmamenten is gevestigd. En ik zag in de lucht waarheen wij waren opgestegen een sterk licht dat niet beschreven kan worden. En zie, in dit licht werd een vurig Gehenna ontstoken, en een grote menigte in de gelijkenis van mensen. Zij allen veranderden van gedaante en vorm, renden en veranderden van gedaante en bogen zich neer en riepen luidkeels woorden die ik niet kende.17

Ook hier wordt de Gehenna in de hemelen gesitueerd.

Een volgend werk is het ‘Testament van Abraham’. Samen met het ‘Testament van Isaak’ en het ‘Testament van Jakob’ vormt het de ‘Testamenten van de drie patriarchen’. Onderzoekers zijn het er niet over eens of het werk oorspronkelijk in het Grieks of Hebreeuws werd geschreven. Zeker is dat het een Joods werk is, al werd het later door christenen bewerkt. Waarschijnlijk stamt het uit de 1e – 2e eeuw n.Chr.

Het ‘Testament van Abraham’ vertelt hoe God de engel Michaël tot Abraham zendt om hem mee te delen dat hij zal sterven. Abraham vindt dat hij daar nog helemaal niet aan toe is, hij wil eerst nog een reis maken, hij wil de bewoonde wereld zien. God geeft toe en Michaël neemt Abraham in een hemelse strijdwagen mee op een reis, zwevend over de aarde. Abraham merkt allerlei onrecht op, en heeft daar een doeltreffende oplossing voor: sommigen worden op Abrahams woord door wilde beesten verorberd, anderen worden verzwolgen door de aarde die openscheurt, en op weer andere zondaars laat Abraham vuur uit de hemel neerkomen om hen te vernietigen. Wilde dieren, opengescheurde aarde, vuur uit de hemel, dat waren immers de middelen die God in de Bijbel aanwendde om weerspannige lieden te straffen.18 Maar nu zegt God tegen Michaël dat ze de reis moeten stopzetten, want hij is barmhartig en wil de dood van zondaars uitstellen zodat ze tot inkeer kunnen komen. Dat moet Abraham leren, en dus zegt God tot Michaël: “Breng Abraham omhoog naar de eerste poort van de hemel zodat hij daar de oordelen en de vergeldingen kan zien en spijt krijgt over de vernietiging van de zielen van de zondaars.”19 Aldus geschiedt; Abraham wordt geleid naar de hemelse regionen, waar hij een brede en smalle weg ziet en een brede en smalle poort. Door de smalle poort gaan maar weinigen naar binnen, in tegenstelling tot de brede poort: de verhouding is één op zevenduizend. Zij die door de brede poort gaan worden begeleid door twee engelen, “vurig van uiterlijk, meedogenloos van hart en grimmig van blik, en ze dreven talloze zielen voort terwijl ze hen genadeloos sloegen met vurige zwepen.”20

Ze worden geleid voor een rechter, “gelijkend op een zoon van God,” die een dik boek voor zich heeft liggen; daarin staan alle daden van de mensen genoteerd. Hij wordt geflankeerd door twee engelen: de linkse noteert de zonden, de rechter noteert de rechtvaardige daden. Ook is er een engel die een weegschaal vasthoudt en de zielen weegt; een motief dat ontleend lijkt aan het Egyptische Dodenboek. Dan is er nog (enigszins overbodig) een vurige engel die vuur bij zich heeft en de zielen der mensen test. Abraham vraagt wat hij eigenlijk allemaal ziet: “’Wat is dat wat we hier zien?’ En de legerleider antwoordde: ‘Dat wat je ziet, vrome Abraham, dat zijn oorddeel en vergelding.’”21 Abraham ontwaart ook iemand wiens zonden en rechtvaardige daden elkaar in balans houden, hij blijft staan in het midden. Alleen door voorbede kan hij in het paradijs komen, dus Abraham bidt voor hem en de man wordt naar het paradijs verplaatst. Abraham heeft nu wel begrepen dat hij veel te voortvarend zondaars heeft gestraft. Vol ijver en onder veel tranen smeekt hij God hem te vergeven, wat die ook doet. Een stem uit de hemel klinkt: “Abraham, Abraham, de Heer heeft jouw gebed verhoord en jou je zonde vergeven; en degenen waarvan je denkt dat je die in het verderf hebt gestort, die heb ik teruggeroepen en naar het eeuwige leven geleid in mijn uiterste goedheid.”22

Een wijze les werd geleerd, maar ondertussen is het nog steeds de bedoeling dat Abraham afscheid neemt van het leven. Echter, nog steeds weigert Abraham zijn ziel over te geven in de dood; er volgt een heel palaver van liefst zes hoofdstukken, voordat de Dood (als macht) erin slaagt Abraham mee te krijgen. Abraham wordt dan door engelen naar de hemel gebracht. God spreekt: “Neem dan mijn vriend Abraham mee naar het Paradijs, waar de tenten van mijn rechtvaardigen zijn en waar de woningen van mijn heiligen, Isaak en Jakob, zijn, waar geen gezwoeg, geen verdriet, geen gekerm is, maar vrede en opgetogenheid en een eindeloos leven.”23

Opmerkelijk is dat in dit geschrift eigenlijk kritiek wordt geuit op het oudtestamentische beeld van God die al te ijverig zondaars strafte. Verder zijn de ideeën over het oordeel eenvoudig: als niet berouwde zonden talrijker zijn dan de goede daden, zal de ziel gestraft worden (wat voor de meeste mensen geldt), wie meer goede daden deed dan slechte (een enkeling dus) zal leven, bij wie de goede daden even talrijk zijn als de slechte, kan voorbede iemand in de hemel brengen.

In de volgende twee boeken, ‘4 Ezra’ en ‘2 Baruch’, treffen we een dubbele visie aan: de overledene wordt in de hemel gesitueerd, maar toch ook op aarde.

Het boek ‘4 Ezra’ werd op schrift gesteld door een tijdgenoot van Johannes die ons het boek Openbaring gaf. Deze ‘Ezra’ was een onbekende Jood die zich voordeed als Ezra uit de Bijbel.24 Hij vertelt hoe hij 30 jaar na de val van Jeruzalem (zogenaamd in 557 v.Chr., door Babylonië) zeven visioenen kreeg. De eerste drie daarvan zijn eerder dialogen met God of diens engel. Maar eigenlijk hebben die dialogen en visioenen betrekking op de eigen tijd van de werkelijke auteur: de verwoesting van de tempel in 70 n.Chr. door de Romeinen. Het boek werd eind 1e eeuw op schrift gesteld.25 Zoals Johannes was ook deze ‘Ezra’ een apocalypticus die in de hemel en in de toekomst schouwde. In zijn boek, dat in Latijnse handschriften ‘4 Ezra’ wordt genoemd, wordt het oordeel gekoppeld aan hoe alle mensen (of: de volken) op deze aarde geleefd hebben, of zij rechtvaardig leefden of onrechtvaardig. De apocalypticus Ezra vertelt over de komst van de Messias, over het wereldeinde, maar ook over wat na de dood gebeurt. Eens zal er een oordeel komen, weet Ezra, maar wat gebeurt er met de overledenen in de tussentijd? Op die vraag krijgt Ezra een antwoord:

Over de dood echter heb Ik u dit te zeggen: als de beslissende uitspraak van de Allerhoogste uitgaat dat de mens moet sterven,
als de geest zich van het lichaam scheidt
en terugkeert tot Hem, die hem heeft gegeven,
zal hij eerst voor de heerlijkheid van de Allerhoogste aanbidden;
heeft hij nu tot de verachters behoord,
die de wegen des Allerhoogsten niet bewaard,
die zijn wet versmaad
en de godvrezenden gehaat hebben,
dan geldt voor hen dat zulke zielen niet in de rustkamers binnengaan, maar meteen in smart moeten ronddolen onder voortdurend zuchten en treuren, in zevenvoudige pijn.26

In afwachting van het oordeel zal de mens daar toch al iets van proeven in de dood. Het oordeel is rechtvaardig en vindt plaats op basis van de daden van de mensen: hebben ze de geboden van God gehoorzaamd of niet? Zowel rechtvaardigen als goddelozen volgen meteen na hun dood een zevenvoudig pad waarin zij Gods gerechtigheid aan hen ervaren, ten goede of ten kwade. Een van die zevenvoudige pijnen van de goddelozen is “dat zij zien hoe engelen de woningen van de andere zielen in diepe vrede bewaken,” vrede die zij zelf ontberen.27 De vromen echter wacht een zevenvoudige beloning. Een daarvan is trouwens “dat zij de kronkelwegen zien waarop de zielen der goddelozen moeten ronddolen en de straf die hen wacht.” De zesde is “dat hun getoond wordt hoe hun aangezicht eens zal stralen als de zon en hoe zij op het licht der sterren zullen gelijken, van nu aan niet meer vergankelijk.” Dat lijkt dus op een geestelijk voortbestaan bij God in de hemel.

Toch lezen we elders in ‘4 Ezra’ over de hoop op een toekomstige opstanding. De Messias zal Israël verlossen van vijanden en zich met het volk verheugen, tot aan de oordeelsdag. Dit messiaanse rijk is echter tijdelijk, het duurt 400 jaar (geen 1000 zoals in Openbaring), en lijkt slechts een stadium te zijn op de weg naar het eindoordeel. De Messias sterft, samen met alle mensen, maar zijn dood heeft geen verzoenende betekenis zoals in het Nieuwe Testament. De wereld zal stil worden, als in het begin van de schepping. Dan zullen de doden opstaan en volgt het laatste oordeel.

Want mijn Zoon, de Messias, zal zich openbaren met allen die bij hem zijn en Hij zal de overgeblevenen vreugde geven, 400 jaar lang. Na deze jaren zal mijn Zoon, de Messias, sterven en allen in wie mensenadem is. Dan zal de wereld veranderen tot het zwijgen van de oertijd, zeven dagen lang, zoals in het allereerste begin, zodat niemand overblijft. Maar na zeven dagen zal de eeuw die nu slaapt ontwaken en de vergankelijkheid zelf vergaan.

De aarde zal teruggeven die er in rusten,
het stof laat los die er in slapen,
de kamers geven de zielen terug die hun zijn toevertrouwd. […]
Dan verschijnt de put van de pijn
en daartegenover de plaats van verkwikking;
de oven der hel wordt openbaar
en daartegenover het paradijs der zaligheid.
Dan zal de Allerhoogste spreken tot de volken die opgewekt zijn:
Ziet nu en erkent Hem die gij geloochend hebt,
die gij niet gediend, wiens geboden gij veracht hebt!
Ziet nu hierheen en daarheen:
hier zaligheid en verkwikking,
daar vuur en pijn!28

Wie rusten in de aarde zullen opstaan, de kamers geven de zielen terug die hun zijn toevertrouwd. Lichaam en ziel zullen dus weer leven. Dit oordeel is onherroepelijk. Ezra vraagt God of er op de dag van het gericht nog kan gebeden worden voor de goddelozen. Dat is niet het geval: “zo zal ook dan geenszins iemand vragen voor wie dan ook, noch iemand mogen aanklagen; dan draagt iedereen geheel alleen zijn ongerechtigheid of gerechtigheid.”29

Ongeveer in dezelfde tijd, of iets later, dan ‘4 Ezra’ schreef een andere vrome Jood zijn eigen apocalyps. Zijn werk heeft nogal wat gemeen met ‘4 Ezra’ en waarschijnlijk hebben ze een gemeenschappelijke bron. Deze ‘Apocalyps van Baruch’ of ‘2 Baruch’ werd op schrift gesteld in het Hebreeuws, in Palestina. De auteur doet zich voor als Baruch, de zoon van Neria, die in het Bijbelboek Jeremia genoemd wordt als degene die de woorden van de profeet opschrijft.30 Zoals in ‘4 Ezra’ is de aanleiding voor het schrijven zogezegd de verwoesting van de tempel in 587 v.Chr. – in werkelijkheid gaat het om die van 70 n.Chr. Het boek bevat klaagliederen, gebeden, allerlei vragen en antwoorden, en natuurlijk ook openbaringen aangaande het einde.31

Nadat deze Baruch een visioen geschouwd heeft over de rampen die het einde der tijden zullen inleiden, legt hij uit dat alle mensen geoordeeld zullen worden naar hun werken.32 Baruch stelt de Almachtige vragen daarover en hij krijgt antwoorden. Zoals over wat er met de doden zal gebeuren. Als de Messias op aarde is gekomen en tijd nadert waarop hij in heerlijkheid naar de hemel zal terugkeren, dan zullen er wondere dingen plaatsvinden. De doden, die zo te zien bewaard werden in ‘voorraadkamers’, waarschijnlijk doelend op het dodenrijk, zullen opstaan:

Dan zullen allen die in de hoop op hem zijn ontslapen opstaan. En op die tijd zal het gebeuren dat de voorraadkamers waarin het getal van de zielen der rechtvaardigen is bewaard geopend zullen worden; en zij zullen naar buiten komen en de vele zielen zullen allen plotseling als één schare en één van zin tevoorschijn komen. En de eersten zullen zich verheugen en de laatsten zullen niet bedroefd zijn. […] Maar de zielen van de goddelozen zullen, als zij dit alles zien, volkomen wegkwijnen, want zij weten dat hun pijniging voor de deur staat en hun ondergang is gekomen.33

Op het dodenrijk lijkt ook gealludeerd te worden in volgend vers: “En het stof zal geroepen worden en er zal tegen gezegd worden: ‘Geef terug wat u niet toebehoort en breng tevoorschijn wat gij voor zijn tijd bewaard hebt.’”34 Er is ook iets aan de hand met het uiterlijk van de opgestanen. Aan de ene kant zullen zij herkend kunnen worden:

Want zeker zal de aarde dan de doden teruggeven die zij nu ontvangt om hen te bewaren, en zal zij niets aan hun uiterlijk veranderen, maar zoals zij hen ontvangen heeft, zo zal zij hen ook weer doen opstaan.35

Toch gebeurt er in de opstanding iets opmerkelijks met het uiterlijk van de mens:

En wanneer de vastgestelde dag voorbijgegaan is, dan pas zal het uiterlijk van hen die veroordeeld zijn veranderen en ook de heerlijkheid van hen die gerechtvaardigd zijn. Het uiterlijk van hen die nu goddeloos handelen zal lelijker worden dan het nu is, omdat zij pijn moeten lijden. Zo ook de heerlijkheid van hen die nu rechtvaardig handelen volgens mijn wet, die tijdens hun leven inzicht hadden en de wortel van de wijsheid in hun hart hadden geplant; hun glans zal dan op heerlijke wijze veranderd worden; het uiterlijk van hun gezichten zal in lichtende schoonheid veranderen, opdat zij de wereld die niet sterft, en die hun dan beloofd is, kunnen verwerven en ontvangen.36

Baruch gaat nog even door over het schrikwekkende uiterlijk van de zondaars, hij spreekt van “vreselijke verschijningen en spookachtige gestalten”, zij zijn bestemd voor de ‘pijn’. De rechtvaardigen echter zullen op engelen lijken en als de sterren zijn. Zij beërven het paradijs: “want in de hoogten van die wereld zullen zij wonen, zij zullen op de engelen lijken en als de sterren zijn.” Dat lijkt weer te duiden op een verblijf in de hemel, maar er komt ook een Messiaans rijk. De Messias zal de wereld namelijk veranderen, het wordt een wereld zonder ziekte, zorgen, droefheid, zuchten. Niemand sterft nog voor zijn tijd (maar leeft dus niet eeuwig), niemand wordt door een plotselinge ramp getroffen. Er zal geen ruzie of wraak meer zijn, gevaarlijke dieren worden tam en spelen met kinderen, vrouwen bevallen zonder pijn te lijden, mannen zullen zich bij het werken niet meer afbeulen. Het is met andere woorden de paradijselijke toestand van voor de zondeval die terugkeert. Die heilstijd is alleen weggelegd voor Gods beschermelingen.37

Het komt er volgens Baruch wel op aan om tijdens het leven de goede weg te bewandelen en zich nu te bekeren van onrecht, straks is het te laat. Er is Baruch veel aan gelegen hierover geen misverstanden te laten bestaan:

Want zie, als de Allerhoogste deze dingen zal doen geschieden, dan zal er geen gelegenheid tot boete meer zijn, geen wisseling van tijden, geen duur voor de perioden, geen mogelijkheid tot bekering, geen gelegenheid tot gebed, geen opzenden van smekingen, geen verwerven van inzicht, geen ontvangst van liefde, geen gelegenheid tot berouw van de ziel, geen voorspraak voor zonden, geen smekingen van de vaderen, geen gebeden van de profeten, geen hulp van de rechtvaardigen. Maar daar is het oordeel ten verderve, de weg naar het vuur en het pad dat naar de oven leidt. […] Dan zal Hij het leven geven aan hen die Hij kan vergeven en tegelijkertijd zal Hij hen vernietigen die door zonden verontreinigd zijn.38

Zo te zien zorgen het vuur en het pad dat naar de oven leidt voor een algehele vernietiging van de zondaar.

In het boek Daniël waren het alleen nog de Joodse martelaren die de hemel beërfden. Zij zouden worden opgewekt om te stralen als de sterren, voor eeuwig en altijd. Maar in andere boeken wordt deze belofte uitgebreid tot alle rechtvaardigen: de Brief van Henoch, Jubileeën, het Boek der Gelijkenissen, alle spreken zij op een of andere manier van gelovigen als ‘hemellichten’, wat betekent dat zij na hun sterven in de hemel zullen verblijven. Soms, zoals in 2 Henoch, vertoont die hemel ook ‘aardse’ trekken, er is dan daarboven een paradijselijke tuin die men eerder op aarde zou verwachten. Ook in ‘4 Ezra’ en ‘2 Baruch’ wordt de rechtvaardigen beloofd dat zij zullen stralen als de sterren, wat op een hemelse toekomst wijst, maar daarnaast spreken beide boeken ook over een messiaans rijk op aarde. Dan wordt de wereld een paradijs.

Een verblijf op een paradijselijke aarde

Niet in alle werken werden de rechtvaardigen na hun dood in de hemel gesitueerd. Volgens verscheidene andere boeken zouden zij verblijven op aarde, een vernieuwde, paradijselijke aarde. Daartoe werd de mens lichamelijk opgewekt uit de dood.

In het ‘Boek van de Wachters’ (1 Henoch 1-36 – 3e – 2e eeuw v.Chr.) vertelt Henoch over hoe de reuzen van weleer – voortgekomen uit de zondige gemeenschap van gevallen engelen met vrouwen (Genesis 6) – tegen elkaar streden, hoe zij de aarde en de mensheid verwoestten. Door de zondvloed oordeelde God de verdorven aarde en haar bewoners, om met een schone lei te beginnen. Maar hij vertelt ook wat hij zoal had geschouwd in de hemelen. Hij zag waar het licht en donderslagen vandaan kwamen, waar de winter zijn oorsprong had en waarheen het zeewater wegvloeide. Hij zag de hoeksteen van de aarde en de vier winden die de aarde dragen. Ook aanschouwde hij de zeven sterren waar vuur doorheen liep. Daar bevond zich de gevangenis voor de verdorven engelen die gemeenschap hadden met vrouwen. De auteur beweert: “Een aanschouwing van de heilige en de hemel is door mij aanschouwd, en uit de woorden van de wachters en heiligen heb ikzelf alles gehoord.” Dat moet zijn werk het nodige gezag verlenen. Maar wat hij ook allemaal in de geest geschouwd heeft, sommige dingen lijken toch ontleend te zijn aan andere bronnen. Zo zegt Henoch: “En ik kwam aan een rivier van vuur waarin vuur als water stroomt en uitvloeit in de grote zee die in het westen (ligt).”39 Dat doet denken aan de Pyriflegethon, de vuurrivier die we bij Plato en Vergilius tegenkwamen. En de onderverdeling van de plaats waar de doden wachten – daar komen we straks op – werd mogelijk geïnspireerd door Plato’s Mythe van Er. Ook daar had de onderwereld verschillende plaatsen voor rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Henoch zag nog veel meer in de hemel, maar hier beperken we ons tot één wonderlijke hemelreis, waarin Henoch ontdekte hoe het met de doden staat. Toen Henoch door aartsengelen werd meegenomen op een tocht door de wereld, kwam hij bij een grote berg met vier uitsparingen. De engel Rafaël legde uit dat daarin de doden wachtten op het eindoordeel. Voor het eerst wordt hier in het Jodendom een interim-status van mensen beschreven: waar verblijven de mensen tussen dood en de opstanding?

Opstanding? Inderdaad vernemen we hier dat de doden – of toch de rechtvaardigen onder hen – zullen opstaan. Ook het zoroastrisme kende dit concept van een interim-status als oplossing voor een tegenstelling: de individuele zielen werden bij de dood geoordeeld bij de Chinvatbrug, maar latere bronnen gewagen van een algemeen eindoordeel voor de hele mensheid. Het compromis tussen die twee uiteenlopende concepten zorgde voor de leer van de ‘tussentijd’, of interim-status. Dit idee werd door sommige Joodse kringen overgenomen, in het Henoch-judaïsme, en ook in het mandeïsme.

Henoch vroeg uitleg en de engel gaf die.

En hij antwoordde me en zei tegen mij: ‘Deze drie (plaatsen) werden gemaakt om de geesten van de overledenen te kunnen scheiden. En zo zijn de zielen van de rechtvaardigen afgezonderd; dit is de waterbron (en) daarop (is) het licht. En op dezelfde wijze is er (een plaats) geschapen voor de zondaars wanneer ze sterven en in de aarde worden begraven en ze tijdens hun leven nog niet geoordeeld werden. […] En zo is er (een plaats) afgezonderd voor de zielen van hen die klagen en aangifte hebben gedaan van (hun) vernietiging toen ze gedood werden inde dagen van de zondaars.40

Men zou wel wensen dat de engel die Henoch wegwijs maakt wat duidelijker was geweest, want zijn uitleg is verwarrend en moderne onderzoekers hebben zich het hoofd gebroken over hoe het dan precies zit met die drie of ook de vier uitsparingen die genoemd worden. Wie van puzzelen houdt kan daarover elders lezen.41 Ik bied een eenvoudige uitleg. Twee plaatsen zijn voor zondaren: voor hen die tijdens hun leven nog niet veroordeeld werden, en voor hen die wel al geoordeeld waren. Twee zijn voor de rechtvaardigen: zij die op een natuurlijke wijze overleden zijn en zij die vanwege hun geloof gedood werden, de martelaren. De rechtvaardigen waren dus gescheiden van de onrechtvaardigen. De goddelozen wachten wel op het oordeel, zij proeven toch al de nare smaak ervan. Belangrijk is dat we hier een nieuwe mensvisie in het jodendom ontdekken: de mens bestaat uit een lichaam en een ziel, waarbij de ziel na de dood onafhankelijk van het lichaam blijft bestaan. Die ziel heeft nog steeds kenmerken die eigenlijk bij het lichaam horen: zij kan zien, heeft lichamelijke noden (dorst), en kan pijn voelen – of blijdschap voor de rechtvaardigen. De vier uitsparingen doen denken aan de vier bestemmingen die de doden bij Plato krijgen. Daar worden de doden verdeeld in: de zeer godvruchtigen, de zeer verdorvenen, de verdorvenen die nog gereinigd kunnen worden en degenen die niet-goed-en-niet-slecht geleefd hebben.42

Daarna mag Henoch een blik werpen op de uiteindelijke plaatsen van beloning en straf: het hemelse Jeruzalem en de Gehenna. Het hemelse Jeruzalem ziet er natuurlijk prachtig uit. De rechtvaardigen zullen er eten van de boom des levens – de boom uit het paradijs – die dan in Jeruzalem zal staan. Zij zullen lichamelijk verrijzen en “Dan zullen ze zich in vreugde verblijden, en zich verheugen in de heilige (plaats); ieder van hen zal haar geur in zijn gebeente inademen, en zij zullen een lang leven leiden op aarde, zoals jouw vaderen leefden, en in hun dagen zullen zorgen en pijn en zware arbeid en straf hen niet deren.”43 Zij zullen dus hoge leeftijden bereiken, zoals de mensen die voor de zondvloed leefden, maar zo te zien toch geen eeuwig leven.

Vreemd is dan dat de onrechtvaardigen wel voor eeuwig zullen gestraft worden. Henoch wordt gevoerd naar een plaats die ‘gezegend’ heet, maar donker en verlaten is: de ‘vurige afgrond’: het is de Gehenna. De engel Rafaël legt uit: “Dit vloekwaardige dal is voor hen die eeuwig verdoemd zijn.”44 Welke straffen de zondaars te wachten staat wordt niet verteld, wel wordt gezegd dat zij zullen erkennen dat Gods oordeel rechtvaardig is.

Het ‘Boek der Wachters’ biedt, zoals gezegd, het vroegste getuigenis van Joodse geloof in een interim-status: een plaats waar de doden wachten op het oordeel. Voor het eerst wordt een duidelijke onderverdeling aangebracht in het dodenrijk. Dat oordeel is rechtvaardig en wordt toebedeeld naar het leven dat de doden geleefd hebben. Waar komt dit idee vandaan? Sommige onderzoekers vermoeden Perzische, zoroastrische invloeden. Daar is immers ook sprake van twee oorden, de ene voor de goeden, de andere voor goddelozen. Maar anderen wijzen erop dat Palestina in de 3e eeuw v.Chr. – waarin het boek ontstaan is – cultureel sterk beïnvloed was door het hellenisme, zowel door Griekstalige immigranten die nieuwe Griekse steden stichtten in het land, als door contacten met de Griekstalige Joden in Alexandrië. De Joodse wijsheidsliteratuur uit die tijd, bijvoorbeeld het boek Prediker, vertoont invloeden van de Griekse dichters Theognis (6e eeuw v.Chr.) en Hesiodos. Sommige onderzoekers wijzen voor het ‘Boek der Wachters’ op Grieks-Orphische invloeden en de eschatologische mythen van Plato.

Om de mogelijke invloed van Plato op het ‘Boek der Wachters’ te illustreren, noem ik enkele frappante overeenkomsten van dit boek met Plato’s ‘Faidon’, waarop Francis Glasson heeft gewezen.45 Zo bijvoorbeeld in de beschrijving van bergen die boven de lucht uitrijzen. Ik laat hieronder Plato telkens volgen door het ‘Boek der Wachters’:

Ook de bergen en de gesteenten zijn er in dezelfde mate gladder, transparanter en kleurrijker. De bij ons zo geliefde stenen als kornalijn, jaspis, smaragd enzovoorts zijn er maar brokjes van. Dáár zijn ze allemaal zo, of nog mooier.

En ik ging er heen en zag zeven schitterende bergen, alle verschillend van elkaar, en kostbare en prachtige [edel]stenen, en alle waren schoon om te zien en prachtig van vorm.46

Een andere overeenkomst:

Het klimaat is daar zo gematigd dat de mensen geen last hebben van ziektes en aanzienlijk langer leven dan wij hier. […] Bovendien hebben zij heilige wouden en tempels voor de goden, die ook daadwerkelijk door de goden worden bewoond.

En eronder was een boom zoals ik nog nooit geroken had, […] hij ruikt geuriger dan enige geur, en zijn bladeren en zijn bloemen en zijn stam verdorren nooit. […] Dan zullen ze zich in vreugde verblijden, en zich verheugen in de heilige (plaats); ieder van hen zal haar geur in zijn gebeente inademen, en zij zullen een lang leven leiden op aarde, zoals jouw vaderen leefden, en in hun dagen zullen zorgen en pijn en zware arbeid en straf hen niet deren.”47

Dit is een beschrijving van het Elysion of de Eilanden der Gelukzaligen. Zo worden in beide werken ook allerlei prachtige bomen genoemd en is er sprake van velerlei soorten dieren. Nogmaals Plato en het ‘Boek der Wachters’:

Er zijn ook enorm grote, altijd stromende ondergrondse rivieren met warm en koud water. Veel vuur is er, grote rivieren met vuur en met water vol slib dan nu eens helderder dan weer troebeler is […].

En zij voerden mij naar wat het water des levens wordt genoemd, en naar het vuur in het westen dat iedere zonsondergang ontvangt. En ik kwam aan een rivier van vuur waarin vuur als weter stroomt en uitvloeit in de grote zee die in het westen (ligt).48

Dat doet dan weer denken aan Vergilius’ Aeneas (1e eeuw v.Chr.) waar de zielen gereinigd worden door wind, water en ook vuur. (In de zoroastrische Avesta is vuur heilig, niet geschikt voor de hel, die dus koud is). In het orphisme kende men ook beschrijvingen van een gebied, brandend met uitbundig vuur, een meer kokend met water en modder, en de rivier Pyriflegethon die brandt met vurige stromen.49 Zo zien wij dat het Joodse ‘Boek der Wachters’ in ieder geval elementen over een leven na de dood lijkt ontleend te hebben aan de Grieks-Romeinse literatuur.

Een ander joods literair genre is dat van de ‘testamenten’. De Bijbel vertelt dat toen de tijd aanbrak dat Jakob tot zijn voorgeslacht zou vergaderd worden, hij zijn twaalf zonen bij zich riep: “Kom allemaal hier, dan zal ik jullie vertellen hoe het je in de toekomst zal vergaan.”50 Voor een enkeling was dat een bemoedigend woord, voor anderen was het haast een vervloeking. In de eeuwen voor en na Christus werd dit afscheid van de aartsvader een model voor nieuwe boeken, waarin de – zogenaamd – laatste woorden van andere patriarchen op schrift werden gesteld. Een van die boeken is het ‘Testament van de twaalf patriarchen’ uit de 2e eeuw v.Chr., met enkele latere christelijke interpolaties.51 In deze twaalf testamenten (naar de twaalf zonen van Jakob) treffen we een eschatologische verwachting aan. Men verwacht een Messias, een strijd tussen kosmische machten wordt voorzegd, en in het wordt in een droom ook een hemelreis ondernomen.

Opmerkelijk is dat van de patriarchen gezegd wordt dat zij zullen verrijzen, samen met alle andere mensen: “Dan zullen ook wij opgewekt worden, elk van ons over onze stam, en wij zullen ons vernederen voor de hemelse koning. Dan zullen allen opstaan sommigen tot glorie, anderen tot oneer,” zegt Benjamin. De patriarch Simeon profeteert zijn eigen opstanding: “Dan zal ik opstaan in vreugde en zal ik de Allerhoogste zegenen voor zijn wonderen.” Zebulon troost zijn kinderen: “En nu, mijn kinderen, rouw niet omdat ik sterf, wees niet verslagen omdat ik jullie verlaat. Ik zal weer opstaan in jullie midden als een leider onder uw zonen. […] Maar de Heer zal vuur doen neerdalen op de ongerechten en zal hen vernietigen in al hun generaties.” In het Testament van Juda lezen we: “En daarna zullen Abraham, Isaak en Jakob opgewekt worden ten leven en ik en mijn broeders zullen leiders zijn en onze scepter strekken in Israël.” En nog:

En jullie zullen één volk zijn van de Heer, met één taal.
Er zal geen Beliar zijn of een geest van dwaling, want hij zal gegooid worden in eeuwig vuur.
En zij die stierven in pijn zullen opgewekt worden in vreugde;
en zij die stierven in armoede omwille van de Heer zullen rijk gemaakt worden;
en zij die stierven voor de Heer zullen opgewekt worden ten leven.52

Hier worden de rechtvaardigen niet opgenomen als sterren in de hemel, zoals in Daniël, zij zullen opstaan om op aarde weer te functioneren, zo zullen zij “leiders zijn in Israël”. Toch treffen wij ook de gedachte aan dat de ziel zal blijven voortbestaan, zonder dat de opstanding genoemd wordt. We zien dan een combinatie van Griekse en Joodse opvattingen. In het ‘Testament van Aser’ lezen we:

Want het einde van de mens openbaart zijn gerechtigheid, aangezien zij bekend gemaakt worden aan de engelen van de Heer en van Beliar. Want wanneer de boze ziel heengaat, wordt zij lastiggevallen door de boze geest die zij diende door haar verlangens en boze werken. Maar als iemand vredig is met vreugde, leert hij de engel van de vrede kennen en gaat hij het eeuwige leven binnen.53

 Ook volgens nog andere Joodse boeken zouden de rechtvaardigen gewoon opstaan om hier op deze aarde te vertoeven, terwijl het lot van de vervolgers niet steeds duidelijk omschreven wordt. Het boek 2 Makkabeeën is in Alexandrië of Antiochië ontstaan (2e eeuw v.Chr.) en is een in het Grieks geschreven samenvatting van een verloren gegaan historisch werk van een zekere Jason van Cyrene. Het handelt over de Joodse opstandeling Judas de Makkabeeër en zijn broers. Een verhaal handelt over zeven broers en hun moeder die gearresteerd werden “en op bevel van de koning met gesels en riemen gemarteld om hen te dwingen verboden varkensvlees te eten.” Zulk een zonde wilden deze vromen niet op zich laden, zij weigerden, en werden daarom gefolterd. Eén van de zeven broers beet zijn folteraar toe: “Ellendeling! U beneemt ons nu wel het tegenwoordige leven, maar de koning van de wereld zal ons na onze dood tot een nieuw, eeuwig leven opwekken, omdat we omwille van zijn voorschriften gestorven zijn.” Dat nieuwe leven blijkt een herschepping te zijn van het verloren gegane lichaam. Immers, een van de broers zegt tot zijn vervolgers over zijn tong en handen die hij aanbiedt om te worden afgerukt: “Uit de hemel heb ik ze gekregen, omwille van Gods voorschriften doe ik er afstand van, en van hem hoop ik ze weer terug te krijgen.” Het lichaam van de martelaar zal verrijzen. Een andere broer zegt de tiran aan: “Voor u echter zal er geen opstanding tot nieuw leven zijn.”54 Wat er dan wel zal gebeuren met de vervolger, is niet geheel duidelijk, maar aan Gods straf zou hij niet ontkomen: “denk maar niet dat u aan de greep van God zult ontkomen, […] u zult voor uw hoogmoed door God worden veroordeeld tot een rechtvaardige straf.”55

Verontrustend was volgens een bericht in 2 Makkabeeën wel dat de omgebrachte Joodse strijders in het bezit bleken te zijn van amuletten, verboden door de Joodse wet: “Bij ieder van de gesneuvelden vonden ze onder zijn kleren afgodsbeeldjes uit Jamnia. Omdat het bezit daarvan voor Joden bij de wet verboden is, begreep iedereen dat dit er de oorzaak van was dat ze waren gevallen.” God had op deze wijze hun zonde aan het licht gebracht. Opmerkelijk is de reactie van de andere Joden: zij “hieven een smeekgebed aan waarin ze vroegen of deze zonde volledig mocht worden uitgewist.” Judas, de leider van de Joodse strijders, hield vervolgens een inzameling om daarmee in Jeruzalem een reinigingsoffer te laten brengen. Dat deed hij vanuit de overtuiging dat er nog hoop was voor de gesneuvelden: “Deze goede en nobele daad verrichtte hij met het oog op de opstanding; als hij niet verwacht had dat de gesneuvelden uit de dood zouden opstaan, zou het immers zinloos en dwaas zijn geweest om voor hen te bidden.” Hij bracht dit offer voor de doden, “opdat ze van hun zonde zouden worden vrijgesproken.”56 Voorbede of offers, gebracht door de levenden voor de doden, hadden dus resultaat, zo geloofde men.

Een ander, weinig bekend boekje, of eigenlijk een kleine verzameling gedeelten van wat een ooit omvangrijker werk was, is de ‘Apocalyps van Sefanja’ (of ‘Hemelreis van Sefanja’) uit 100 v.Chr. – 70 n.Chr. De profeet Sefanja is bekend uit Tenach, hij is een van de twaalf kleine profeten, maar hier gaat het om een ons onbekende Joodse apocalypticus die op naam van Sefanja een reeks visioenen op schrift heeft gesteld. Dat moet gebeurd zijn rond het begin van onze jaartelling, in het Grieks. Deze ‘pseudo-Sefanja’ wordt door een engel meegenomen op een hemelreis, alwaar hij wonderlijke dingen schouwt. Dat lijkt tenminste het geval te zijn volgens een passage die Clemens van Alexandrië aanhaalt: “En een geest nam mij en bracht mij in de vijfde hemel. En ik zag engelen die ‘heren’ genoemd worden, en een diadeem werd op hen gezet in de Heilige Geest, en hun tronen waren elk zevenvoudig meer schitterend dat het licht van de opgaande zon.”57 Ik selecteer uit de verschillende visioenen een van de hemel en een van Hades.

Maar ik ging met de engel van de Heer, en ik keek voor mij uit en zag poorten. Toen ik ze naderde ontdekte ik dat het bronzen poorten waren. De engel raakte ze aan en zij werden geopend voor hem. Ik ging binnen met hem en zag een heel vierkant als een prachtige stad, en ik wandelde in het midden ervan.58

Die stad moet wel het hemelse Jeruzalem zijn waarover ook Johannes in zijn Openbaring spreekt.59 De beschrijving van de hemel is sober en had wel wat uitbundiger gekund. Maar dat wordt goedgemaakt door de beschrijving van de strafplaats voor zondaren.

Toen wandelde ik met de engel van de Heer. Ik keek voor mij en zag een plaats: duizenden van duizenden en myriaden van myriaden engelen kwamen daar binnen. Hun aangezicht was als een luipaard, hun slagtanden staken uit hun mond als bij wilde zwijnen. Hun ogen waren vermengd met bloed. Hun haar was los als het haar van vrouwen, en vurige gesels waren in hun handen. Toen ik hen zag was ik bang. Ik zei tot de engel die met mij ging, ‘Van welke soort zijn dezen?’ Hij zei tot mij, ‘Dezen zijn die dienaren van de hele schepping die komen tot de zielen van de goddelozen en hen in deze plaats brengen en laten. Zij verblijven drie dagen met hen in de lucht voordat zij hen binden en neerwerpen in hun eeuwige straf.60

Er waren nog wel meer griezelige dingen en afschuwelijke strafengelen te zien. Deze vreselijke plaats wordt Hades genoemd. Dat is de onderwereld, maar die is niet langer een neutrale plaats zoals de Sjeol in het oude Israël. Zij die in Hades terechtkomen, dat is zo te zien meteen na hun dood, zijn degenen die het tijdens hun leven niet goed gedaan hebben. Hun zonden worden ook genoemd en de straf die zij uitboeten heeft te maken met die zonden, al is het verband niet altijd duidelijk. Er waren er wier handen gebonden werden aan hun hals, met handen en voeten geketend. Dat zijn zij die zich hadden zich laten omkopen met goud en zilver. Anderen waren bedekt met matten van vuur; zij hadden geld uitgeleend tegen hoge interesten. Blinden schreeuwden het uit, zij hadden als catechumeen Gods woord gehoord maar daar niet naar gehandeld. De daden der mensen worden trouwens zorgvuldig bijgehouden in boeken. Ook die van Sefanja zelf, die naast zijn goede daden toch ook gezondigd heeft: hij liet na een zieke, een wees en een weduwe te bezoeken, heeft nagelaten te bidden of te vasten, hij heeft zich niet gewend tot de zonen van Israël om die bij te staan. Omdat hij blijkbaar ook goede daden gesteld heeft, staat Sefanja’s naam toch opgetekend in het Boek des Levens.61 De straffen die de verstokte zondaars ondergaan zijn voorlopig, in afwachting van het oordeel: “Tot de dag waarop de Heer zal oordelen.”62 Maar over dat oordeel vernemen we verder niets. Opmerkelijk is dat voor deze zondaars nog gebeden kan worden door de rechtvaardigen die in de hemel vertoeven. Als Sefanja vraagt of de zondaars berouw kennen is het antwoord ‘ja’.

En ik zag nog andere menigten. […] Toen dezen keken naar al die folteringen riepen zij uit, biddend voor de Heer Almachtig, zeggende: ‘Wij bidden u voor dezen die in al die folteringen zijn, zodat gij genade zult hebben met al dezen.’ Toen ik hen zag zei ik tot de engel die met me sprak, ‘Wie zijn dezen?’ Hij zei: ‘Dezen die de Heer smeken zijn Abraham en Isaak en Jakob. Op een vastgesteld uur op de dag komen zij tevoorschijn met de grote engel. […] Zij komen en bidden elke dag tot de Heer Almachtig voor dezen die gefolterd worden.63

We mogen aannemen dat de gebeden van de rechtvaardigen niet vruchteloos zijn, al wordt daar verder niets over gezegd. Het idee van bidden voor de doden zal door de vroege kerk worden overgenomen. Elders wordt toch gewag gemaakt van een ‘eeuwige straf’ (voor niet te redden zondaars?) De bewaard gebleven manuscripten breken af na de volgende weinig bemoedigende voorzegging over het lot van hemel en aarde:

[…] tot de Heer Almachtige oprijst in zijn toorn en de aarde en de hemelen vernietigt. Zij zullen zien en ontzet zijn en zij zullen allen uitroepen, zeggende: ‘Alle vlees [mensen] dat aan u wordt toegeschreven, zullen wij u geven op de Dag van de Heer’. Wie zal staan in zijn tegenwoordigheid als hij oprijst in zijn toorn om de aarde en de hemelen te vernietigen? Elke boom die groeit op de aarde zal uitgerukt worden met de wortels en neervallen. En elke hoge toren en de vogels die vliegen zullen vallen …

In de ons overgeleverde tekst vernemen wij behalve over dit eindoordeel over hemel en aarde dus enkel iets over de gepaste straf of beloning voor mensen. “Nu dan, mijn zonen, dit is het oordeel omdat het nodig is dat het goede en het kwade gewogen worden in een weegschaal.” De mens beërft de hemel of Hades. Ook lijkt er een opstanding te zijn. Nadat de Dag des Heren genoemd wordt, waarop het oordeel zal geveld worden, ziet Sefanja anderen met haar op hen. “Ik zei: ‘Is er dan haar en lichaam in deze plaats?’ Hij zei, ‘ja, de Heer geeft lichaam en haar aan hen zoals hij wil.”64 De fragmenten die bewaard bleven geven ons jammer genoeg een weinig consistent beeld van hemel, aarde, of opstanding.

In de 1e eeuw n.Chr. stelde een ons onbekende Jood die men Pseudo-Philo noemt (men meende vroeger dat Philo van Alexandrië de auteur was) zijn ‘Oude Bijbelse geschiedenis’ (Liber Antiquitatum Biblicarum). Daarin herschreef hij de Bijbelse geschiedenis van Adam tot en met de dood van koning Saul. Vaak wordt aangenomen dat het werk is ontstaan in Palestina. Het werd namelijk in het Hebreeuws geschreven en er zijn literaire parallellen met Palestijnse boeken.

In het 3e hoofdstuk staat een voor ons onderwerp belangrijk gedeelte dat hier volgt in de vertaling door classicus en judaïst Van der Horst. God is aan het woord. De zondvloed is net achter de rug en God belooft dat hij de aarde niet nog eens zal vervloeken. Niet dat er geen straffen meer zullen zijn, maar een vloed komt er niet meer, “totdat de tijden vervuld zijn.”

Wanneer echter de jaren van de wereld voltooid zijn, dan zal het licht ophouden en de duisternis verdwijnen, en ik zal de doden doen herleven en ik zal de slapenden doen opstaan uit de aarde. En de onderwereld zal teruggeven wat zij schuldig is en de plaats van verderf zal zijn deposito [of slapenden] hergeven, zodat ik eenieder kan vergelden naar zijn werken en naar de vruchten van zijn bedenksels, totdat ik richt tussen ziel en vlees. En de wereld zal ophouden te bestaan en de dood zal verdwijnen en de onderwereld zal zijn mond sluiten. En de aarde zal niet zonder nageslacht of onvruchtbaar zijn voor degenen die op haar wonen. En niemand die door mij gerechtvaardigd is zal bezoedeld worden. En er zal een andere aarde en een andere hemel zijn, een eeuwige woonplaats.65

Na het sterven verblijven de doden als slapenden in de onderwereld, die ook ‘plaats van verderf’ wordt genoemd. Maar er komt een tijd dat de doden door God zullen worden opgewekt. Tot Mozes zegt God dat hij hem zal wegnemen en hem met zijn voorvaderen zal verheerlijken; hij zal hem rust geven in zijn slaap en hem in vrede begraven. Niemand zal zijn graf kennen, tot de dag waarop God de wereld zal bezoeken. “En ik zal jou en je vaderen opwekken vanuit het land Egypte waarin jullie slapen. En jullie zullen samenkomen en de onsterfelijke woning bewonen die niet aan tijd gebonden is.”66

Daarna volgt een oordeel, de mens wordt vergolden naar zijn werken en zijn denken. Dat ook het ‘denken’ wordt geoordeeld herinnert aan het zoroastrisme, waar de mens wordt geoordeeld naar zijn denken, woorden en daden. En reeds de profeet Jesaja uit de 6e eeuw v.Chr. had gezegd: “Laat de goddeloze zijn weg verlaten, de man van ongerechtigheid zijn gedachten.”67 Verder lezen we dat God zal richten tussen ziel en vlees. Van der Horst vraagt zich af of hiermee misschien gedoeld wordt op een scheiding tussen lichaam en ziel na het eindgericht. In ieder geval veranderen er drie dingen als “de jaren van de wereld voltooid zijn”: de wereld bestaat niet langer, de dood en de onderwereld verdwijnen eveneens, er zal niet alleen een nieuwe aarde zijn maar ook een nieuwe hemel. Dat was ook rond het begin van onze jaartelling in het Jodendom een bekende gedachte, getuige wat Johannes daarover schreef in Openbaring: “Ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij.” Het was natuurlijk een belofte die lang geleden de profeet Jesaja al verwoord had en waar ook in de 2e Petrusbrief naar verwezen wordt.68

Tenslotte, het bericht over het einde is kort bij Pseudo-Philo. Wij weten niet wat het lot is van de zondaars. Hun boze werken zullen vergolden worden, maar hoe dat gebeurt weten wij niet. We weten evenmin of zij eeuwig zullen gestraft worden. De goeden zullen ook beloond worden, wat betekent dat zij op aarde zullen leven, nageslacht zullen krijgen en niet bezoedeld zullen worden – door zonde? Omdat er sprake is van een eeuwige woonplaats, mogen we veronderstellen dat de opgestane rechtvaardigen er eeuwig zullen wonen.

‘Psalmen van Salomo’ is een verzameling van 18 liederen uit de 1e eeuw n.Chr., vermoedelijk uit chassidische kringen. Ze werden overgeleverd door de vroege christelijk kerk in het Syrisch en het Grieks, maar de Griekse tekst is de oudste, en die is een vertaling uit het Hebreeuws dat verloren ging. Een belangrijk thema in deze liederen is Gods tuchtiging van de vromen, die onderscheiden wordt van de ongelukken die de goddelozen treffen en als straf van God geduid worden.

Volgens ‘Psalmen van Salomo’ bestaat de straf voor de goddelozen in eeuwige vergetelheid, de rechtvaardigen zullen eeuwig leven bij God.

Eeuwig is het verderf van de zondaar, en aan hem wordt niet meer gedacht als Hij de vromen gedenkt. Dat is het deel van de zondaars in eeuwigheid; maar wie de Heer vrezen zullen opstaan tot het eeuwig leven, en hun leven is in het licht en zal nooit ophouden. […]

Want het leven der rechtvaardigen blijft eeuwig, maar de goddelozen worden in het verderf gestort en hun gedachtenis is niet meer te vinden. […]

En de zondaars gaan op de dag van het gericht van de heer voor eeuwig te gronde, als God de aarde bezoekt met zijn gericht.69

Zo te zien zal het eeuwig leven van de vromen zich afspelen op aarde, in het paradijs: “De vromen des Heren zullen daardoor eeuwig leven hebben; het paradijs van de Heer, de bomen des levens zijn zijn vromen, zij staan vastgeworteld in eeuwigheid, zij zullen niet uitgeroeid worden zolang de hemel bestaat.”70

De ‘Sibillijnse orakels’ zijn een Joods-hellenistisch werk uit de 1e eeuw n.Chr. Daarin treffen we passages aan over het einde van de wereld en het oordeel dat de mensheid wacht. Nu bestonden er al vroeger – heidense – orakelboeken die men ‘Sibillijnse boeken’ noemt: een verzameling oude profetische teksten, in Griekse hexameters opgesteld. De legende verhaalt dat deze boeken door de Sibille van Cumae – een profetes die zich door Apollo liet inspireren – voor veel geld verkocht waren aan de Romeinse koning Tarquinius. De boeken werden geraadpleegd door de senaat in tijden van onrust.71 Die Romeinse boeken zijn bijna allemaal verloren gegaan, er resten slechts enkele aanhalingen bij Ploutarchos. Vreemd genoeg hadden hellenistische Joden hun eigen versie van ‘Sibillijnse orakels’ opgesteld, al vanaf de 3e eeuw v.Chr. Later voegden christenen daar nog hun eigen orakelboeken aan toe, zodat we een geheel krijgen van joods-christelijke ‘Sibillijnse orakels’. De apocalyptische gedeelten zijn echter Joods. Laatantieke christelijke schrijvers zoals Lactantius zouden daarin heel wat profetieën over Christus herkennen.72 In deze boeken las men ook voorzeggingen over het einde van de wereld. God zou oordelen, zondaren zouden het vuur beërven, maar rechtvaardigen zouden op aarde vertoeven, genietend van Gods genade.

Want het hele mensenras is traag van geloof. Maar als het oordeel van de wereld en van de stervelingen al gekomen is, dat God zelf zal voltrekken, goddelozen en vromen tegelijk oordelend, dan zal hij ook de goddelozen in de duisternis in vuur laten neerdalen, en dan zullen ze beseffen welke goddeloosheid ze hebben begaan. Maar de vromen zullen op de vruchtbare grond blijven, en God zal hun geest, leven en gunst schenken.73

Er wordt ook preciezer uitgelegd hoe God een en ander zal organiseren:

Maar als alles teruggekeerd is tot stof en as, en God het onnoemelijk vuur dat hij ontstak doet rusten, zal God zelf de beenderen en as van mensen weer samenvoegen, hij zal de stervelingen weer doen opstaan, zoals zij voorheen waren. Dan komt het oordeel dat God zelf zal voorzitten, om de wereld weer te oordelen. Zovelen gezondigd hebben in goddeloosheid, zullen overdekt worden door een hoop aarde – donkere Tartarus, en de Stygische uitsparingen van de Gehenna. Maar zovelen rechtvaardigen zullen weer leven op aarde als God hen geest en leven en gunst geeft.74

Tartarus (dodenrijk) en Gehenna (hel) vloeien hier in elkaar over. De Styx (vandaar: Stygische) is in de Griekse mythologie een rivier in de onderwereld. Daar zullen de zondaars verblijven. De rechtvaardigen echter zullen lichamelijk opstaan en op aarde vertoeven. In de boeken 1 en 2 van de ‘Sibillijnse Orakels’ treffen we enkele huiveringwekkende beelden van de hel aan. Het apocalyptisch gedeelte begint met een oordeelsaanzegging over de wereld:

Dán zal een grote rivier van laaiend vuur uit de hemel stromen en elke plaats verslinden, – het land, de grote oceaan, de glanzende zee, meren, rivieren met hun bronnen, de onvermurwbare onderwereld en het hemelgewelf.75

Een oordeel volgt en daartoe zullen de doden opstaan. Die opstanding doet denken aan Ezechiëls visioen van de dorre doodsbeenderen die met vlees bekleed worden en weer geest krijgen. In dat visioen voelde Ezechiël hoe hij door Gods hand gegrepen werd en meegevoerd werd naar een dal vol uitgedroogde beenderen. God vroeg aan Ezechiël of deze beenderen weer tot leven konden komen, waarop Ezechiël het juiste antwoord gaf: “Heer, mijn God, dat weet U alleen.” Daarop gaf God de profeet de opdracht over de beenderen te profeteren: “Dorre beenderen, luister naar de woorden van de HEER! Dit zegt God, de HEER: Beenderen, Ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Dan zullen jullie beseffen dat Ik de HEER ben.” Profetische woorden waren machtswoorden, zij bewerkten waartoe zij werden uitgesproken. Van zodra Ezechiël begon te profeteren hoorde hij het geruis van botten die zich aaneenvoegden. Hij zag hoe pezen zich aanhechten, hoe vlees groeide, hoe huid eroverheen trok en hoe ze met adem werden gevuld. “Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.”76 In de Sibillijnse Orakels wordt uitgelegd:

Dán zal de hemeling aan de nachtelingen zielen,
geestesadem en zangstem geven, gewrichtsbeenderen
voor allerlei gewrichten, vlees her en der, alle
pezen, aderen, vel, daaroverheen opperhuid en vroegere haren.
Heerlijk samengevoegde en door geestesadem
bewogen lichamen van aardlingen zullen op
één dag opstaan, […]77

Dan worden de goddelozen en vromen geoordeeld. Beide groepen zullen door een “brandende rivier en de onuitblusbare vlam” gaan. De rechtvaardigen zullen daaruit gered worden maar de zondaars zullen “vernietigd worden voor alle eeuwen, zo velen als voorheen het kwaad bewerkten,” waarna een opsomming volgt van al hun kwade daden.78 Met die vernietiging loopt het nog niet zo’n vaart; er komen eerst helse straffen en één daarvan is dat ze de dood waar ze zo naar verlangen niet zullen vinden – dus toch eeuwige verdoemenis? De goddelozen zullen gebracht worden …

dicht bij de pilaar, waaromheen een onsterfelijke, vurige rivier in een cirkel stroomt. Al dezen zullen de engelen van de onsterfelijke, eeuwige God van bovenaf vreselijk straffen met vlammende zwepen, nadat ze hen hebben vastgebonden met vurige kettingen en onbreekbare banden. Dan zullen ze, in het holst van de nacht, tussen vele verschrikkelijke helse beesten in Gehenna geworpen worden, waar een onmetelijke duisternis heerst. Maar als [de engelen] vele straffen hebben opgelegd aan allen wiens hart slecht was, zal daarna een vurig wiel vanuit de grote rivier hen overal hard verdrukken, omdat ze zich inlieten met kwade daden. Nu hier, dan daar, zullen ze klaaglijk jammeren, vaders en kleine kinderen, moeders en huilende kinderen aan de borst. Ze zullen niet genoeg tranen hebben, noch zal hun stem worden gehoord terwijl ze hier en daar klaaglijk jammeren, maar in nood zullen ze langdurig schreeuwen in de donkere, vochtige Tartarus. Op onheilige plaatsen zullen ze drievoudig boeten voor elke kwade daad ze hebben begaan, brandend in veel vuur. Ze zullen allen tandenknarsen, wegkwijnen van dorst en woedend geweld. Ze zullen de dood fair noemen, en de dood zal hen ontwijken. De dood of de nacht zullen hen geen rust geven.79

Men zou van minder radeloos worden. We treffen hier het vuur van de Gehenna, met duisternis, zwepen en kettingen zoals in Aenea’s Tartarus, een vurig rad dat verplettert. Aandacht wordt ook gegeven aan het gemoed van de veroordeelden: zij huilen maar hebben niet genoeg tranen, kinderen zijn even radeloos als de ouders, niemand hoort hun gejammer, hun geschreeuw in deze klamme Tartarus. Tandengeknars, dorst en geweld doen hen verlangen naar de rust van de dood. Maar die wordt hun niet gegund. In Boek 1 van de ‘Sibillijnse Orakels’ wordt de Gehenna een plaats genoemd met “vreselijk razend en onvergankelijk vuur.”80 De vromen ondertussen gaat het goed.

Maar wat de anderen betreft, zovelen zich bekommerden om rechtvaardigheid en nobele daden, en vroomheid en meest rechtvaardige gedachten, engelen zullen hen door de brandende rivier helpen en hen tot het licht en tot het leven brengen, zorgeloos. Daarin is het onsterfelijke pad van de grote God en drie bronnen van wijn, honing en melk. De aarde zal gelijkelijk aan iedereen toebehoren, onverdeeld door muren of hekken. Zij zal dan spontaan overvloedig vruchten geven. Het leven zal gemeenschappelijk zijn en rijkdom zal niet verdeeld zijn.81

Vervolgens wordt een maatschappij getekend waarin iedereen gelijk is. Er zal geen handel meer gedreven worden, geen huwelijken worden nog gesloten. In de natuur zullen geen seizoen meer zijn, geen dag en nacht, het zal één lange dag zijn. Opmerkelijk tenslotte is dat als de vromen bidden voor zij die in de hel lijden, God die zal redden van “het razende vuur en het onsterfelijk geknars.” (Ook in de ‘Hemelreis van Sefanja’ konden vromen bidden voor zondaren en ze uit het uur redden.) God zal die dan plaatsen bij zijn volk om daar eeuwig te leven met de onsterfelijken “in de Elyseese velden waar hij de lange golven heeft van het diepe eeuwigdurende Acherusiaanse meer.”82 De Elyseese velden kennen we van Homeros; in het Acherusiaanse meer mondde de rivier Acheron uit, die verbonden was met het dodenrijk. Volgens Plato werden de zondaren die berouw hadden in die rivier gereinigd.83

Uit het ‘Boek van de Wachters’ leren we dat de doden wachten op een eindoordeel. Tot die tijd verblijven ze in een plaats waar zij toch al een voorsmaakje krijgen van wat hen bij het oordeel te wachten staat. De rechtvaardigen zullen leven in het paradijs op aarde, niet eeuwig, maar wel erg lang. Ook in andere boeken, zoals het ‘Testament van de twaalf patriarchen’ en ‘2 Makkabeeën’ zullen mensen opgewekt worden uit de dood, waarna een oordeel volgt. Deze opgewekten zullen dan, als zij rechtvaardig geleefd hebben, op aarde verblijven. In de ‘Oude Bijbelse geschiedenis’ is sprake van een nieuwe aarde en een nieuwe hemel. We hebben hier te maken met een reeks boeken waarin de rechtvaardige niet naar de hemel gaat om daar onder de sterren te vertoeven, maar op een vernieuwde aarde zal rondwandelen.

Een onsterfelijke ziel 

“Totdat ik richt tussen ziel en vlees,” had God gezegd in Pseudo-Philo’s ‘Bijbelse geschiedenis’. Hoe zat het eigenlijk met de verhouding ziel en lichaam in het Jodendom? In deze paragraaf zullen we nagaan wat hellenistisch georiënteerde Joden daarover vertelden.

De Hebreeuwse Bijbel kent geen onsterfelijke of ‘eeuwige ziel’. In onderscheid van ‘vlees’ (basar), dat bij de dood tot stof wordt, kent het Hebreeuws wel ‘levenskracht’ (nèfèsj). Die ‘levenskracht’ wordt niet altijd netjes onderscheiden van ‘adem’ (roeach), die bij de dood teruggaat naar God. Maar de Septuaginta vertaalde het Hebreeuwse nèfèsj,‘levenskracht’ met het Griekse psuchè, ‘ziel’  – wat wij ook ‘psyche’ noemen, en met dit woord kwam ook de Griekse invulling ervan mee: de ziel werd gezien als iets eeuwigs. Die had tijdelijk intrek genomen in het lichaam, en zou dat weer verlaten bij de dood. Dat betekende dat het met de mens niet definitief afgelopen was met de dood; het lot der mensheid was niet langer als schim rond te dwalen in het dodenrijk. De persoon was niet meer gebonden aan het lichaam, hij had als ziel een zelfstandig bestaan. Dat hebben we ook kunnen vaststellen in de pseudepigrafische literatuur die we in de vorige paragraaf de revue lieten passeren. Vaak wachtte de ziel, zonder lichaam, op een of andere plaats het oordeel Gods af, tot het weer zou verenigd worden met een opstandingslichaam, of zou opstijgen naar de hemel om er onder de sterren haar plaats in te nemen, de sterren waren andere opgevaren zielen.

De auteur van 4 Makkabeeën was een gehelleniseerde Jood uit de diaspora voor wie het Griekse ideaal van de deugd bereikt werd door trouw te betonen aan de Thora. Zijn boek werd ergens rond het begin van onze jaartelling op schrift gesteld, mogelijk in het Syrische Antiochië.84 De auteur huldigt de stoïcijnse opvatting dat wijsheid bestaat uit kennis van de menselijke en de goddelijke dingen, maar hij blijft typisch Joods in zijn overtuiging dat wijsheid onderricht is in de Thora. Aan de Griekse filosofie heeft onze auteur de onsterfelijkheid van de ziel ontleend. Hij geeft eerst een filosofische uiteenzetting over de macht van de rede, die hij vervolgens gaat illustreren door een aantal sprekende getuigenissen. Het beste bewijs dat de rede passies beheerst, is het getuigenis van Eleazar en de zeven broers met hun moeder, die lijden en de dood ondergingen, en die we kennen uit 2 Makkabeeën – het boek waardoor de auteur zich ook liet inspireren. Aan de Griekse filosofie heeft hij de onsterfelijkheid van de ziel ontleend, en opmerkelijk is dat hij passages uit 2 Makkabeeën die getuigen van een opstanding van de doden weglaat.85 Zelf zegt hij over de dag waarop de broers gemarteld werden:

Op die dag was deugd de scheidsrechter, en de proef waaraan zij onderworpen werden was de test van volharding. De prijs voor de overwinning was onvergankelijkheid in langdurig leven. […]

Maar de zonen van Abraham, samen met hun moeder, die de prijs van de overwinnaar behaalden, zijn samen vergaderd in het koor van hun vaders, zij ontvingen de pure en onsterfelijke zielen van God, aan wie de glorie voor eeuw en eeuwig is, Amen.86

De zielen van de martelaren zullen onsterfelijk zijn en meteen na de dood bij God vertoeven. De onsterfelijkheid is echter, anders dan de Griekse filosofen meenden, geen eigenschap van de ziel, zij is een nieuwe kwaliteit die de martelaren verkrijgen, zoals de hierboven gecursiveerde woorden duidelijk maken. Zoals de patriarchen ontvangende martelaren een onsterfelijke ziel.: “[…] gelovend dat zij voor God niet sterven, zoals onze patriarchen Abraham, Isaak en Jakob niet stierven, maar leven voor God.”87

Hoe staat het met de onsterfelijke ziel van de mens? Philo van Alexandrië (1e eeuw n.Chr.), eveneens een gehelleniseerde Jood, legt het uit:

Daarna zegt Mozes: ‘God formeerde de mens, klei van de aarde nemend en blies in zijn gelaat levensadem in.’ Hierdoor maakt hij zeer duidelijk dat er een zeer groot verschil is tussen de nu geformeerde mens en de mens die eerder naar het beeld van God geschapen was. De geformeerde mens is zintuiglijk waarneembaar, heeft reeds eigenschappen, is samengesteld uit lichaam en ziel, is man of vrouw en van nature sterfelijk. De mens, geschapen naar Gods beeld, is een idee, een soort, of een zegel, intelligibel, onlichamelijk, mannelijk noch vrouwelijk, van nature onsterfelijk.88

Philo maakt onderscheid tussen de mens die geschapen is naar Gods beeld en de mens die geformeerd is, die geboetseerd is uit de aarde. Hij doet dat op basis van de twee scheppingsverhalen, Genesis 1: “God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem,” en Genesis 2: “Toen maakte de HEER God de mens. Hij vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus.”89 De eerste is intelligibel, is het archetypische idee (Plato) dat eeuwig en van nature onsterfelijk is. De tweede is de zichtbare en tastbare mens, die is sterfelijk. De sterfelijke mens bestaat weer uit lichaam en ziel. Die ziel is wat God in het geboetseerde lichaam heeft ingeblazen van zijn goddelijke geest.

Hierom kun je terecht zeggen dat de mens op de grens staat tussen de sterfelijke en de onsterfelijke natuur, omdat hij, voor zover nodig, deel heeft aan beide naturen, en tegelijk sterfelijk en onsterfelijk is, sterfelijk wat betreft zijn lichaam, onsterfelijk wat betreft zijn geest.90

De mens heeft dus een sterfelijk lichaam en een onsterfelijke geest. Philo noemt het lichaam zelfs een gevangenis en zegt dat “de ziel begraven is in het lichaam als in een graf.” Dit lichamelijke en geestelijke noemt Philo ook de sooma en de nous, lichaam en geest of intellect. En het tweede moet over het de passies van het lichaam heersen. Die nous, het intellect, is pre-existent, zij is afkomstig uit de lucht. De lucht (aer) is vol onlichamelijke zielen: “maar eerder, zoals een dichtbevolkte stad, is zij vol van onvergankelijke en onsterfelijke burgers, zielen die in aantal gelijk zijn aan de sterren.” En dan vervolgt Philo: “Van deze zielen dalen sommigen op aarde neer om in sterfelijke lichamen te worden opgenomen, namelijk die zielen die het meest met de aarde verbonden zijn en die van het lichaam houden.” De nous is ook het deel van de mens dat naar het goddelijke reikt. In Philo’s woorden: “Vervolgens stijgt het gevleugeld op en aanschouwt de lucht en zijn verschijnselen. Het stijgt nog hoger op naar de ether en de omwentelingen van de hemel. Het beweegt mee met de reidansen van de planeten en de vaste sterren volgens de volmaakte wetten van de muziek.” Daar mag het dan de archetypische ideeën aanschouwen, op weg naar de grote koning zelf, God. Vanzelf gaat dat niet, want het lichaam verstoort de voortgang van de ziel in de opgang naar het hogere, het lichaam is wat dat betreft een last; seksualiteit alleen al leidt enorm af van het beoogde doel, en maakt ongelukkig. Philo meent dat  Adam en Eva in het paradijs  verlangen naar gemeenschap hadden. Hij schrijft: “Dit verlangen bracht ook lichamelijk genot voort, dat het begin is van onrechtmatige en onwettige handelingen. Hierom moesten zij het onsterfelijke en gelukkige leven omruilen voor een sterfelijk en ongelukkig leven.”91

Het lijkt allemaal erg op Plato. Nu zegt Philo enerzijds dat de ziel onsterfelijk is, onsterfelijkheid is dus een eigenschap van de ziel. Maar anderzijds ontvangt de ziel haar onsterfelijkheid toch door het gehoorzamen van Gods geboden. Die geboden vallen voor Philo samen met wat je de ware filosofie zou kunnen noemen. “Zo ontstond de filosofie, waardoor de mens onsterfelijk wordt, hoewel hij sterfelijk is.” Plato had gezegd dat de ware filosoof leefde alsof hij al gestorven was. Hoe soberder iemand leefde, hoe beter, hoe beschouwender iemand was, hoe gunstiger incarnatie.92 Philo zegt iets gelijkaardigs:

De zielen van degenen die zichzelf hebben toegewijd aan ware filosofie … studeren om te sterven aan het leven in het lichaam, zodat een hoger bestaan, onsterfelijk en onlichamelijk, in de aanwezigheid van Hem die zelf onsterfelijk en ongeschapen is, hun deel zal zijn.93

Onsterfelijkheid, of het behoud daarvan, hangt volgens Philo af van het vasthouden aan de geboden. De ziel die door het houden van de geboden de deugd nastreeft, die de passies van het lichaam overwint, die wordt door God beloond met onsterfelijkheid. Philo allegoriseert het paradijs: “Met ‘de boom van het leven’ duidt hij [Mozes] de grootste deugd aan, eerbied voor God, waardoor de ziel onsterfelijk wordt.”94 De ziel die de deugd niet bereikt zal sterven. De goddelozen worden gewoonweg vernietigd, Philo kent geen eeuwige straf.95 Dat is toch anders dan Plato, bij wie een zondig leven leidt tot reiniging van de ziel in Hades, gevolgd door een reïncarnatie om het voortaan beter te doen. Volgens Philo zou het lichaam niet verrijzen. Wat zou daar ook het nut van zijn? Het was een vat vol passies dat elk rechtgeaard mens liever kwijt dan rijk was.

Pseudo-Phocylides legde ook een en ander uit over wat er na de dood gebeurde. De eigenlijke Phocylides was een Grieks dichter uit de 6e eeuw v.Chr., afkomstig uit Milete. Hij was vermaard om zijn wijze uitspraken over het dagelijks leven. Rond het begin van onze jaartelling heeft een hellenistisch georiënteerde Jood zich voorgedaan als deze Phocylides. Hij imiteerde kundig de Griekse stijl en taal van de oude meester, maar verraadde zijn Joods-zijn door zijn kennis van de Septuaginta en het duidelijk Joods karakter van wat hij schreef. Hij getuigde over de dood:

De onderwereld is ons gemeenschappelijk eeuwig huis en vaderland,
Een plaats aan allen gemeen, armen en koningen.
Wij mensen leven geen lange tijd, maar slechts een moment.
Maar de ziel is onsterfelijk en leeft voor altijd onvergankelijk.96

Die ziel lijkt in de onderwereld te verblijven, en lijkt de schim van weleer te hebben vervangen. Maar ook met een onsterfelijke ziel bleef het lichaam voor Pseudo-Phocylides belangrijk.

Laat de onbegraven doden hun deel van de aarde ontvangen.
Open het graf van overledenen niet en laat wat niet gezien mag worden niet zien aan de zon en wek geen goddelijke toorn op.
Het is niet goed het menselijk organisme te ontleden,
want we hopen dat de resten der overledenen spoedig uit de aarde aan het licht zullen komen.
En daarna worden zij goden. Want de zielen blijven onbeschadigd in de doden.
Want de geest is Gods lening aan stervelingen, en Zijn beeld.
Want we hebben een lichaam uit aarde en wanneer we hierna weer worden ontbonden tot aarde, zijn we slechts stof; maar de lucht ontvangt onze geest weer. […]97

Nadat Pseudo-Phocylides gewezen heeft op het belang van een degelijke begrafenis, waarschuwt hij ervoor het lijk weer op te graven voor anatomische studie. Voor zover bekend vond in de oudheid alleen in Alexandrië anatomische studie plaats met gebruik van dissectie. Echter, volgens Joden moest dat lichaam ooit weer verrijzen, en dan behoorde het volledig te zijn: “We hopen dat de resten der overledenen spoedig uit de aarde aan het licht zullen komen”, belijdt de auteur. Vervolgens zegt hij over de opgestanen: “En daarna worden zij goden.” Dat lijkt voor een Jood iets vreemds om te zeggen. Misschien zelfs voor heidenen, die wel vergoddelijking van speciale mannen of vrouwen kenden, maar daarom nog niet van iedereen. Toch haalt ook Jezus een psalm aan “Staat er in uw wet niet geschreven: ‘Ik heb gezegd: U bent goden’?”98

In Tenach lezen we over Jahwe als de ‘God der goden’. Met die ‘goden’ kan gedoeld worden op rechters, van wie God verwacht dat ze namens hem eerlijk recht zullen spreken, hetgeen niet altijd het geval was. “God staat op in de hemelse raad, Hij spreekt recht in de kring van de goden: ‘Hoe lang nog oordeelt u onrechtvaardig en kiest u partij voor wie kwaad doen?” Maar ook Mozes kan als ‘god’ voor de farao geplaatst worden omdat hij diens woorden spreekt: “Maar de HEER zei: ‘Ik zal ervoor zorgen dat jij als een god voor de farao staat.”99 Joden konden de term ‘goden’ dus gebruiken voor mensen, zonder dat die daarmee concurrenten werden voor de ene God. Zo beweert Pseudo-Phocylides dat mensen na de opstanding ‘goden’ worden. Daarnaast heeft hij het tegelijk ook over de onsterfelijkheid van de ziel. “Want de zielen blijven onbeschadigd in de doden. Want de geest is Gods lening aan stervelingen, en Zijn beeld.” Dat de mens zijn geest van God te leen heeft gekregen, is een hellenistisch-Joodse gedachte. In ‘Wijsheid van Salomo’ lezen we: “[…] en dat doet een man die zelf onlangs uit aarde is gevormd en die weldra terugkeert tot datgene waaruit hij genomen is, wanneer de ziel die hij te leen heeft gekregen van hem wordt teruggevorderd.” En in een gelijkenis van Jezus heet het: “Maar God zei tegen hem: ‘Dwaas, nog deze nacht zal je leven [ziel, psuchè] van je worden teruggevorderd. Voor wie zijn dan de schatten die je hebt opgeslagen?’”100 Onze auteur vervolgt: “Want we hebben een lichaam uit aarde en wanneer we hierna weer worden ontbonden tot aarde, zijn we slechts stof; maar de lucht ontvangt onze geest weer.” Elders zegt Pseudo-Phocylides nog: “Maar de ziel is onsterfelijk en leeft voor altijd onvergankelijk.”101

Opstanding uit de dood en onsterfelijkheid van de ziel, onze auteur laat die twee gedachten staan zonder ze te harmoniseren. De doden vertoeven in het dodenrijk, en elders verblijven ze ‘in de lucht’. Verschillende visies op leven na de dood worden hier dus door elkaar gebruikt. Misschien duidt dit op ondoordacht gebruik van verschillende bronnen. Wel is het zo dat het dodenrijk, Hades, in de hellenistische tijd soms verplaatst werd naar ‘de lucht’. Volgens sommige heidenen verhuisden de zielen, nadat ze van hun lichamen gescheiden waren, naar hemelse regionen: de slechten naar de lagere regionen daarvan, de goeden naar de hogere. Duidelijk is dat Pseudo-Phocylides ons geen logisch doordacht systeem van leven na de dood biedt.

Joden zagen onsterfelijkheid als een beloning die God gaf aan wie rechtvaardig had geleefd, en niet als een inherent kenmerk van de ziel. Dit zien we bijvoorbeeld in het boek ‘Wijsheid van Salomo.’ Dit boek werd in het Grieks geschreven door een gehelleniseerde Jood in Alexandrië uit de 1e eeuw n.Chr. die zich voordeed als koning Salomo van weleer, vermaard om zijn wijsheid. Bepaald opmerkelijk voor een Jood heeft hij het over de pre-existentie van de ziel, die dan lijkt neer te dalen in het lichaam: “Ik was een mooi kind en had een goede ziel ontvangen, of liever, omdat ik goed was kreeg ik een rein lichaam.” Toch kan dat lichaam voor velen ook een last zijn: “Ons vergankelijke lichaam drukt zwaar op de ziel, de aardse tent is een last voor de geest die rijk aan gedachten is.” De ziel lijkt ook onsterfelijk te zijn: “God heeft de mens immers geschapen voor de eeuwigheid, als afspiegeling van Zijn eigen wezen.” Zoals God eeuwig is, zo ook de mens. Toch hangt het behoud van onsterfelijkheid af van het leiden van een rechtvaardig leven. Onsterfelijkheid is een loon. “Maar de rechtschapenen zullen leven tot in eeuwigheid; de Heer zorgt voor hun loon, de Allerhoogste waakt over hun lot.” Deze ‘Salomo’ legt uit dat God de mens aanvankelijk wel onvergankelijk had geschapen, maar dat de boze de dood in de wereld bracht. Maar toch, wie rechtvaardig leeft, wie met andere woorden ‘wijsheid aandoet’, zal eeuwig leven: “Toen ik dit alles had overdacht en tot de slotsom was gekomen dat verwantschap met de wijsheid tot onsterfelijkheid voert […].” Onsterfelijkheid is ook een beloning voor het standhouden onder onrecht, beschimping en marteling, die de vromen door zondaren werd aangedaan: “Ook al ziet iedereen hun lot als een straf, zij koesterden de hoop op onsterfelijkheid. En na een korte tijd van lijden is hun onmetelijk geluk ten deel gevallen, want God heeft hen op de proef gesteld en hen waardig gekeurd om bij Hem te zijn.”102

Sefer Hechalot (‘Boek van de hemelse paleizen’) of ‘3 Henoch’ is een mystiek werk. Het wordt toegeschreven aan Rabbi Isjmaël (2e eeuw n.Chr.), maar is in werkelijkheid een pseudepigraaf uit In uit de 4e tot 6e eeuw. We bekijken hier enkel wat gezegd wordt over de toestand van de sterveling na de dood. Van der Horst onderscheidt in ‘3 Henoch’ vier delen: Jisjmaëls reis door de zeven hemelpaleizen (hoofdstukken 1-3), Henochs verhoging en intronisatie – hij wordt dan de engel Metatron (4-20), een beschrijving van de hemelse hiërarchie (21-58) en een behandeling van kosmologische en eschatologische geheimenissen (59-80). Dit laatste onderdeel zal ons hier bezighouden.

Metatron, de tot hoogste engel getransformeerde Henoch, wil Jisjmaël iets tonen, en wel de letters waarmee de hemel en aarde geschapen werden. Dit zijn de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet waarmee God alles tot aanzijn had geroepen. Dus neem Metatron Jisjmaël bij zijn hand, zet hem op zijn vleugels en toont hem alle wondere dingen van de kosmos: waar de wateren opgehangen zijn, hagelstenen, bliksems, donderslagen, vuur, sneeuw en nog meer wonderlijke zaken. Dan wil Metatron nog iets anders tonen:

Rabbi Jisjmaël zei: ‘Metatron zei tot mij: “Kom en ik zal je tonen de zielen van de rechtvaardigen die al geschapen en weer teruggekeerd zijn, en de zielen van de rechtvaardigen die nog niet geschapen zijn.”103

Metatron leidt Jisjmaël naar de plaats in het bovenaardse waar de zielen verblijven. Sommige zielen zijn al teruggekeerd na een leven op aarde te hebben doorgebracht, andere zielen zijn nog niet geschapen – maar kunnen een beetje vreemd toch al getoond worden. In ieder geval zijn de zielen pre-existent. Zij hebben een bestaan, los van het lichaam. Metatron verwijst naar een tekst uit Jesaja. Daar staat, volgens Sefer Hechalot: “Want de geest zal zich voor mijn aangezicht bekleden en de zielen heb ik gemaakt.” Dit vers wordt als volgt uitgelegd. De ‘geest’ slaat op de zielen die “geschapen zijn in de voorraadkamer van rechtvaardige schepsels en weer teruggekeerd zijn voor het aangezicht van de Heilige, geprezen zij Hij.” Een voorraadkamer van zielen is een notie die we ook aantreffen in rabbijnse literatuur. De ‘zielen’ slaat “op de zielen van de rechtvaardigen die nog niet geschapen zijn in die voorraadkamer.”104 Er wordt Jisjmaël nog meer getoond.

Rabbi Jisjmaël zei: ‘Metatron zei tot mij: “Kom en ik zal je tonen waar de zielen van de slechte mensen staan en waar de zielen van de doorsnee mensen staan, waarheen de zielen van de doorsnee mensen afdalen en waarheen de zielen van de slechte mensen afdalen.105

Tot nog toe had Metatron het alleen over rechtvaardigen gehad, nu komen ook de anderen aan bod. Over de ronduit slechte mensen zegt hij: “De zielen van de slechte mensen dalen af naar de Sje’ol begeleid door twee engelen des verderfs, en wel Za’afiël en Samkiël.” De naam Za’afel is afgeleid van za’af (toorn), Samkiël komt van semek (steun). De twee engelen zijn elk voor een andere groep verantwoordelijk. Ik noem eerst de taak van Za’afiël:

Za’afiël is aangesteld over de zielen van de slechte mensen, om die van voor het aangezicht van de Heilige, geprezen zij Hij, van het gericht van de Sjechina, omlaag te leiden naar de Sje’ol om ze daar te straffen met het vuur van Gehinnom, met stokken van gloeiende kolen.”106

Vooreerst valt op dat de Sjeol, het dodenrijk uit het Oude Testament, hier staat voor de Gehenna, de hel: de plaats waar de bozen met vuur gestraft worden. Slechte mensen komen dus in de hel, en de doorsnee mensen?

Samkiël is aangesteld over de zielen van de doorsnee mensen, om die te ondersteunen en te reinigen van zonde door de grote barmhartigheid van de Alomtegenwoordige.”107

Zij die niet geheel rechtvaardig zijn maar ook niet geheel onrechtvaardig, de meeste mensen dus, dienen te worden gereinigd van hun zonden, zij worden op die manier ondersteund, dank zij de grote goedgunstigheid van God. De reiniging gebeurt door vuur, lezen we nog:

Ik zag dat hun gezichten er uitzagen als mensengezichten maar hun lichamen als adelaars. Bovendien hadden de zielen van de doorsnee mensen een groenachtig uiterlijk vanwege hun daden, want er kleefde een smet aan hen totdat ze met vuur gereinigd werden van hun ongerechtigheid. En het uiterlijk van de zielen der slechte mensen lijkt op de bodem van een pot vanwege de veelheid van hun slechte daden.”108

De bodem van de kookpot is zwart, niet gereinigd. Dan komt het moment dat Metatron Jisjmaël uitnodigt: “Neem de boeken en lees hun slechte daden voor.” Dat lijken de slechte daden te zijn van de werkelijk verdorvenen. Isjmaël doet dat. “Er bevonden zich 36 zonden waarop de straf van uitroeiing staat en waaraan elk van deze boosdoeners zich schuldig had gemaakt, elke letter van de Torah hadden zij overtreden, zoals er gezegd is: ‘En heel Israël overtrad uw Torah.” De 36 overtredingen waarvan hier gewag wordt gemaakt, worden opgesomd in het Misjnatraktaat Keritot. Genoemd worden allerlei seksuele zonden (incest, bestialiteit, homoseksualiteit), blasfemie, overtredingen van geboden omtrent de sabbat, spijswetten, enz.109

In wat Van der Horst aanduidt als het derde deel van het boek met de beschrijving van de hemelse hiërarchie (hoofdstukken 21-58), lezen we meer over het oordeel dat geveld wordt over mensen. De engel Metatron had aan Rabbi Jisjmaël gewezen op een engelenvorst die boven de serafim stond, Dadweriël JHWH heette hij. Wij weten niet wat die naam moet betekenen. Maar hij heeft te maken met het oordeel, hij zorgt voor de boeken: 

Hij is aangesteld over de archieven met boeken. Hij haalt de boekenkist met de kroniek tevoorschijn en brengt die voor het aangezicht van de Heilige, geprezen zij Hij. Hij verbreekt de zegels van de kist, opent die, neemt de boeken eruit, en stelt die ter hand aan de Heilige, geprezen zij Hij. De Heilige, geprezen zij Hij, neemt hen aan uit zijn hand en legt hen voor de schrijvers neer om hen te laten voorlezen in het grote gerechtshof dat in de hoge hemel Aravot is, in tegenwoordigheid van de hemelse hofhouding.110

Er zal dus recht gesproken worden. En inderdaad: “Elke dag dat de Heilige, geprezen zij Hij, op zijn rechterstoel zetelt en de hele wereld richt, met de boeken der levenden en de boeken der doden geopend voor zich, staan alle hemelingen voor hem met schrik, vrees, angst en beven.” Op basis van een tekst uit Daniël: “naar het besluit van de wachters is het oordeel en naar de uitspraak der heiligen het bevel,” wordt geconcludeerd dat deze wachters en heiligen de oordelen vellen, zij staan voor God als officieren voor de rechter. Sommigen dalen af uit de hemel om op aarde het vonnis uit te voeren. Op de vraag waarom deze hemelingen wachters en heiligen heten, is het antwoord: “Wachters omdat ze op de derde dag van het oordeel lichaam en ziel heiligen met vurige zweepslagen, zoals gezegd is: ‘hij doet ons herleven na twee dagen, op de derde dag richt hij ons op zodat wij leven voor zijn aangezicht.’” Met deze aanhaling uit Hosea wordt hier gedoeld op de reinigende bestraffing van de mens, meteen na zijn dood, zodat hij op de derde dag rein voor Gods rechterstoel kan verschijnen.111 Daarna legt Metatron nog iets uit aan Rabbi Jisjmaël:

Rabbi Jisjmaël zei: ‘De engel Metatron, de Vorst van het Aangezicht, zei tot mij: “Zodra de Heilige, geprezen zij Hij, op zijn rechterstoel gaat zitten, staat gerechtigheid aan zijn rechterkant en genade aan zijn linkerkant en waarheid staat recht tegenover hem. Wanneer een slecht mens voor zijn aangezicht treedt om geoordeeld te worden, komt iets als een staf uit de glans der genade tevoorschijn en stelt zich tegenover hem op. Terstond valt die mens op zijn aangezicht en alle engelen der vernietiging vrezen en beven voor hem, zoals gezegd is: ‘Zijn troon is op genade gegrondvest en hij zetelt erop in waarheid.’”112

Hoe verhoudt zich genade tegenover rechtvaardigheid? Dat wordt hier uitgelegd aan de hand van een slecht mens die na zijn dood geoordeeld moet worden. Op een of andere manier komt een gepersonifieerde ‘genade’ tevoorschijn. Die biedt haar bescherming aan aan de mens zodat die niet meteen wordt overgeleverd aan de engelen die de straffen voltrekken.113

De pre-existentie van de ziel

Bij de bespreking van de boeken ‘Wijsheid van Salomo’ en ‘Sefer Hechalot’, en bij Philo, kwamen we het geloof in de pre-existentie van de ziel tegen. Er zijn meer getuigen. In 2 Henoch lezen we: “Alle zielen zijn klaargemaakt voor de eeuwigheid, vóór de grondlegging van de wereld.” De ‘Apokalyps van Baruch’ vertelt dat toen Adam gezondigd had, “toen werd het grote aantal van hen die geboren zouden worden geteld.” Josephus vertelt over de essenen: “Bij hen leeft de overtuiging dat de zielen, die uit de fijnste lucht komen, als het ware gevangen raken in de kerkers van de lichamen, waar zij door een natuurlijk betovering zijn heengelokt.” Als zij dan eenmaal bevrijd zijn uit die gevangenis verheffen ze zich vreugdevol in de lucht, “alsof ze van een lange slavernij zijn bevrijd.”114

Ook volgens Philo kwamen zielen uit de ‘lucht’. Hij legt uit dat, zoals de aarde en de zee vol leven is, dat ook het geval is met de lucht (aer). Daar bevinden zich de “onvergankelijke en onsterfelijke burgers, zielen die in getal gelijk zijn aan de sterren.” Sommige van die zielen, zij die het dichtst bij de aarde zijn, dalen daar ook naar af. Het zijn zij die het lichaam liefhebben. Anderen bewegen zich in hogere luchtlagen. Maar ook onder hen zijn er die ”beïnvloed worden door een verlangen naar sterfelijkheid leven,” en zich daarnaar richten. Anderen echter veroordelen lichamelijkheid als een grote dwaasheid, zijn noemen het een gevangenis en een graf. “Daarvan wegvliegend als van een graf, verheffen zij zich zwevend op lichte vleugels naar de aether, en wijden hun hele leven aan sublieme speculatie.” De aether (ether) is hoger gelegen dan de aer (lucht). Dan zijn er nog anderen, de meest pure wezens, die hoegenaamd niets met de aarde te maken willen hebben. Filosofen noemen ze demonen, maar Philo weet dat het engelen zijn. Al wordt niet helemaal duidelijk wat we moeten verstaan onder al die verschillende soorten wezens of zielen, duidelijk is wel dat er een aantal zijn die zich erg aangetrokken voelen door het aardse bestaan en intrekken in een lichaam. Het zijn pre-existente zielen.115

Wellicht kunnen we de verschillende soorten zielen van Philo vergelijken met wat we reeds in ‘Wijsheid van Salomo’ lazen: “Ik was een mooi kind en had een goede ziel ontvangen, of liever, omdat ik goed was kreeg ik een rein lichaam.” Dit lijkt erop te wijzen dat er pre-existente zielen zijn van verschillende spirituele kwaliteit, en dat in Salomons geval het een nobele ziel was die een rein lichaam binnentrok. Het kon blijkbaar ook anders. Dit doet natuurlijk denken aan wat Plato schrijft in zijn ‘De Staat’. Daar worden vóór de zielen modellen op de grond gelegd, mogelijkheden om in te reïncarneren: “Ze boden heel veel mogelijkheden: er waren allerlei dierenlevens en natuurlijk ook allerlei mensenlevens.” Men kon kiezen uit dictators, armoedzaaiers, beroemde mannen, vrouwen, gewone lieden. Anders dan in Wijsheid van Salomo zegt Plato: “Een bepaalde houding van de ziel was er nooit bij, want onvermijdelijk krijgt de ziel die voor een ander leven kiest een ander karakter.” Salomo getuigt echter dat hij goed was (zijn ziel) en daarom een rein lichaam kreeg; hier is geen sprake van een ‘val’ van de ziel in materie. Plato zelf had het enerzijds over een ‘val’ van de zielen in de lichamen, anderzijds sprak hij van een ‘noodzaak’ omdat het universum alle soorten wezens nodig had, wilde het perfect zijn.116 Al heeft ‘Wijsheid’ het dan over de pre-existentie van de ziel, er is geen spoor te bekennen van de platonische metempsychosis, het reïncarneren van de ziel in verschillende wezens: dieren, vrouwen, mannen of filosofen, al naargelang de vorderingen die de ziel in duizenden jaren had bereikt.

*

We hebben al deze Joodse religieuze boeken die wat te melden hebben over hoe het leven na de dood er zal uitzien in drie categorieën ondergebracht, telkens in chronologische volgorde. De conclusie is dat er niet echt een duidelijk lijn of evolutie in ideeën valt waar te nemen. Veel boeken beloven dat we lichamelijk zullen opstaan om op aarde rond te wandelen in een paradijselijke omgeving. Enkele boeken verzekeren ons dat we naar de hemel zullen gaan. Maar dat is geen latere ontwikkeling; al in de 2e eeuw v.Chr. komen we deze gedachte tegen in Daniël. Zondaars worden naar de Gehenna gestuurd of naar het dodenrijk dat aspecten van de hel krijgt. Daar zullen ze ofwel voor eeuwig hun straf ondergaan of soms ook vernietigd worden. Volgens sommige boeken is voorbede voor deze zondaars na hun dood nog altijd mogelijk, terwijl andere werken dat ten stelligste ontkennen. Doch ook hier is geen evolutie van het een naar het ander traceerbaar. Sommige auteurs zien een onsterfelijke ziel als een beloning voor diegene die trouw de geboden van de Thora heeft nageleefd, anderen menen dat de ziel onsterfelijk werd geschapen, maar die eigenschap kan kwijtraken door in zonde te leven. Nog anderen menen dat de pre-existente ziel bij de dood zal afdalen in de hel of zal opstijgen naar de hemel. Verschillende visies komen naast elkaar voor doorheen de eerste eeuwen voor en na Christus.

Daniël De Waele

Daniël De Waele was docent Protestantse Godsdienst en docent Nieuwe Testament aan het Hoger Instituut voor Protestantse Godsdienstwetenschappen (HIPGO) te Brussel. Hij publiceerde meerdere boeken met een cultuurhistorische insteek waarin hij zijn brede kennis over religiegeschiedenis deelt. Zijn nieuwste boek Wat er na dit leven komt gaat over het hiernamaals door de eeuwen heen. Op danieldewaele.com schrijft hij regelmatig blogs.


  1. De meeste van deze boeken worden uitgebreider behandeld in: D. De Waele, Vergeten rijkdom: Joodse wereldliteratuur uit de klassieke oudheid, Utrecht 2022, 193-257. ↩︎
  2. ‘Voor eeuwig veracht en verafschuwd’: Dan. 12:2. ‘veracht en verafschuwd: Dan. 12:3. C.D. Elledge, Resurrection of the Dead in Early Judaism: 200 BCE-CE 200, Oxford 2017, 22. ↩︎
  3. ‘Apocalyptische visioenen over de eindtijd’: J.M.B. Gutierrez, The Judaisms of Jesus’ Followers: An Introduction to Early Christianity in its Jewish Context, Grand Prairie 2018, 49-52. Meer over 1 Henoch in De Waele, Vergeten rijkdom, 39-42. ↩︎
  4. Gehinnom, p. 202. ↩︎
  5. 1 Hen. 103:7-8. Vert. Knibb. ↩︎
  6. 1 Hen. 99:11. Vert. Knibb. ↩︎
  7. 1 Hen. 103:4 en 1 Hen. 104:2-3. Vert. Knibb. ↩︎
  8. Jub. 23:31. Vertaald uit het Engels. O.S. Wintermude, ‘Jubilees’, in: J.H. Charlesworth (ed.), The Old Testamant Pseudepigrapha Vol.2, New York London 1985, 35-142. ↩︎
  9. 1 Hen. 41-43. Vert. Knibb. ↩︎
  10. 1 Hen. 45:2. Vert. Knibb. ↩︎
  11. 1 Hen. 51:1-2. Vert. Knibb. ↩︎
  12. ‘Verbannen voor eeuwig en altijd’: 1 Hen. 53:2. Vert. Knibb. ‘Als vergelding voor hun misdaden’: 1 Hen. 54:6. ↩︎
  13. ‘Heiligen zonder tal’: 1 Hen. 58:3. ‘In hemel moeten zoeken’: 1 Hen. 58:5. Brandt onder de grond’: 1 Hen.67:6. Vert. Knibb. ↩︎
  14. 2 Hen. 8:2-3. Vertaald uit het Engels: F.I. Andersen, ‘2 Enoch’, in: J.H. Charlesworth (ed.), The Old Testament Pseudepigrapha Vol.1., New York London 1983, 91-221. ↩︎
  15. 2 Hen. 10:2-3. Vert. Andersen. ↩︎
  16. 2 Hen. J.11. ↩︎
  17. Apoc. Abr.15:2-7. Vertaling uit het Engels: R. Rubinkiewicz, ‘Apocalypse of Abraham’, in: J.H. Charlesworth (ed.), The Old Testament Pseudepigrapha Vol. 1, New York London 1983, 681-705. ↩︎
  18. Lev.26:22 en Ez.15:7; Num.16:30-33; 2 Kon.1:9-15. D. De Waele, Godenschemering: De geschiedenis van ons geloof in God, Utrecht 2023, 107. ↩︎
  19. T. Abr. A.10:15. Vert. P.W. van der Horst, Bronnen voor de studie van de wereld van het vroege christendom: Deel: Joodse Bronnen, Kampen 1997, 184-190. ↩︎
  20. T. Abr. A.12:1. Vert. van der Horst. ↩︎
  21. T. Abr. A.12:15. Vert. van der Horst. ↩︎
  22. T. Abr. A.14:14. Vert. van der Horst. ↩︎
  23. T. Abr. A.20:14. ↩︎
  24. Zie De Waele, Vergeten rijkdom, 242-244. ↩︎
  25. 4 Ezra 8:21 ↩︎
  26. 4 Ezra 7:78-80. Vert. M. de Goeij, De pseudepigrafen: Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja, Kampen, 63. ↩︎
  27. 4 Ezra 7:85. Vert. de Goeij, De pseudepigrafen: Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja, 63. ↩︎
  28. 4 Ezra, 7:28-32, 36-38. ↩︎
  29. 4 Ezra 7:105. Vert. de Goeij, De pseudepigrafen: Psalmen van Salomo, IV Ezra, Martyrium van Jesaja, 65. ↩︎
  30. Jer.36:4, 2 Baruch 1:1. ↩︎
  31. A.F.J. Klijn, ‘2 (Syriac Apocalypse of) Baruch’, in: J.H. Charlesworth (ed.), The Old Testament Pseudepigrapha: Volume 1 Apocalyptic Literature & Testaments, New York London 1983, 615-652. ↩︎
  32. Rampen: 2 Bar. 48:25-39; 70. ↩︎
  33. 2 Bar. 30:1-5. Vert. M. de Goeij, De Pseudepigrafen: Jozef en Aseneth, Apokalyps van Baruch, Kampen 1981. ↩︎
  34. 2 Bar. 42:8. Vert. de Goeij, De Pseudepigrafen: Jozef en Aseneth, Apokalyps van Baruch. ↩︎
  35. 2 Bar. 50:2. Vert. de Goeij, De Pseudepigrafen: Jozef en Aseneth, Apokalyps van Baruch. Ook: 30:1-4. ↩︎
  36. 2 Bar. 51:1-3. Vert. de Goeij, De Pseudepigrafen: Jozef en Aseneth, Apokalyps van Baruch. ↩︎
  37. ‘Paulus: wanneer de doden opstaan’: 1 Kor.15:41-42. ‘Als de sterren zijn’: 2 Bar. 51:5-11, i.h.b. 10. ‘Gods beschermelingen’: 2 Bar. 72-75. ↩︎
  38. 2 Bar. 85:12-15. Vert. de Goeij, De Pseudepigrafen: Jozef en Aseneth, Apokalyps van Baruch. ↩︎
  39. ‘Gemeenschap met vrouwen’: 1 Hen. 17-19. ‘Heb ikzelf alles gehoord’: 1 Hen. 1:2. ‘Grote zee in het westen’: 1 Hen. 17:5. Vert. vanaf hoofdstuk 15: H.G. Nijk, Het boek Henoch, Deventer 1983. ↩︎
  40. 1 Hen. 22:9-10, 12. Vert. Knibb. ↩︎
  41. B.D. Ehrman, Journeys to Heaven and Hell: Tours of the Afterlife in the Early Christian Tradition, New Haven London 2022, 57-59. ↩︎
  42. Plato, Phd. 113-114. ↩︎
  43. 1 Hen. 25:6. Ik cursiveer. Vert. Knibb. P. Sacchi, The History of the Second Temple Period, London New York 2004, 179. ↩︎
  44. 1 Hen. 27:2. Vert. Knibb. ↩︎
  45. T.F. Glasson, Greek Influence in Jewish Eschatology: With Special Reference to the Apocalypses and Pseudepigraphs, London 1961, 20. ↩︎
  46. Plato, Phd. 110 DE. H. Warren, M. Molegraaf, Plato: Faidon, Amsterdam 1995 en 1 Hen. 24:2. Vert. Knibb. ↩︎
  47. Plato, Phd.  111 B. Warren Molegraaf, Plato: Faidon.1 en Hen. 24:4, 25:6. Vert. Knibb. ↩︎
  48. Plato, Phd. 111 D. Warren Molegraaf, Plato: Faidon en 1 Hen. 17:4-5. ↩︎
  49. Glasson, Greek Influence in Jewish Eschatology, 24. ↩︎
  50. Gen. 49:1. ↩︎
  51. De Waele, Vergeten rijkdom, 230-231. ↩︎
  52. Achtereenvolgens: T. Benj. 10:8, T. Sim. 6:7, T. Zeb. 10:1-3, T. Juda 25:1, 3-4. Vert. H.C. Kee, ‘Testaments of the Twelve Patriarchs,’ in: J.H. Charlesworth (ed.), The Old Testament Pseudepigrapha Vol.1, New York London 1983, 775-828. ↩︎
  53. T. As. 6:4-6. Vert. Kee, ‘Testaments of the Twelve Patriarchs.’ ↩︎
  54. 2 Makk.7:1, 9, 11, 14. ↩︎
  55. 2 Makk.7:31, 36. ↩︎
  56. ‘Dat ze waren gevallen’: 2 Makk.12:40. ‘Volledig mocht worden uitgewist’: 2 Makk.12:42. ‘Van zonde vrijgesproken’: 2 Makk.12:43-45. ↩︎
  57. Apocalyps van Sefanja, A. Tekst in: O.S. Wintermute, ‘Apocalyps of Zephaniah’, in: J.H. Charlesworth (ed.), The Old Testament Pseudepigrapha: Volume 1 Apocalyptic Literature & Testaments, New York London 1983, 497-516. Clemens van Alexandrië, Strom. 5:11:77. ↩︎
  58. Apoc. Sef. 5:1-4. Vert. Wintermute, ‘Apocalyps of Zephaniah’. ↩︎
  59. Openb.21:2. ↩︎
  60. Apoc. Sef. 4:1-7. Vert. Wintermute, ‘Apocalyps of Zephaniah’. ↩︎
  61. Apoc. Sef. 7:3-10; 10:4-10. Vert. Wintermute, ‘Apocalyps of Zephaniah’. ‘Boek des Levens’: 9:3. ↩︎
  62. Apoc. Sef. 10:12. Vert. Wintermute, ‘Apocalyps of Zephaniah’. ↩︎
  63. Apoc. Sef. 11:1-6. Vert. Wintermute, ‘Apocalyps of Zephaniah’. ↩︎
  64. ‘Gewogen worden in een weegschaal’: Apoc. Sef. 8:5. ‘De Heer geeft lichaam en haar’: Apoc. Sef. 10:13-14. Vert. Wintermute, ‘Apocalyps of Zephaniah’. ↩︎
  65. Pseudo-Philo, LAB 3:10. Vert. P.W. van der Horst, De Bijbelse geschiedenis van Pseudo-Philo: Een joodse hervertelling van de Bijbel uit de eerste eeuw van onze jaartelling, Kampen 1990. ↩︎
  66. Pseudo-Philo, LAB 19:12. Vert. van der Horst. Zie ook 25:7. ↩︎
  67. Jes.55:7 HSV. Ik cursiveer. ↩︎
  68. Openb.21:1. Jes. 65:17; 66:22. 2 Petr.3:13. ↩︎
  69. ↩︎
  70. Ps. Sal. 14:3-4. Vert. de Goeij. ↩︎
  71. ↩︎
  72. H.W. Parke, Sibyls and Sibylline Prophecy in Classical Antiquity, London 1988. ↩︎
  73. Sib. Or. 4:40-46.  Vertaald uit het Engels: J.J. Collins, ‘Sibylline Oracles,’ in: J.H. Charlesworth (ed.), The Old Testament Pseudepigrapha Vol.1, New York London 1983, 317-472. ↩︎
  74. Sib. Or. 4:180-190. Andere telling: 231-241. Vert. Collins, ‘Sibylline Oracles’. ↩︎
  75. Sib. Or. 2:196-200. Vert. P. Oussoren, R. Dekker, Gooische Bijbel, Vught 2017, 325-326. ↩︎
  76. Ez.37:1-14. ↩︎
  77. Sib. Or. 2:222-228. Vert. P. Oussoren, R. Dekker, Gooische Bijbel, Vught 2017, 326. ↩︎
  78. Sib. Or. 2:252-255. Vert. Collins, ‘Sibylline Oracles’. ↩︎
  79. Sib. Or. 2:284-308. Vert. Collins, ‘Sibylline Oracles’. ↩︎
  80. Sib. Or. 1:100. Vert. Collins, ‘Sibylline Oracles’. ↩︎
  81. Sib. Or. 2:313-321. Vert. Collins, ‘Sibylline Oracles’. ↩︎
  82. Sib. Or. 2:335-339. Vert. Collins, ‘Sibylline Oracles’. ↩︎
  83. Plato, Phd. 112e-113c, p. 29. K.B. Copeland, ‘Sinners and Post-Mortem ‘Baptism’ in the Acherusian Lake’, in: J.N. Bremmer, I. Czachesz, The Apocalypse of Peter, Leuven 2003, 91-107. ↩︎
  84. De Waele, Vergeten rijkdom, 228-229. ↩︎
  85. 2 Makk.7:9, 11, 14. ↩︎
  86. 4 Makk.17:11-12; 18:23. Ik cursiveer. Vertaald uit het Engels: H. Anderson, ‘4 Maccabees’, in: J.H. Charlesworth, The Old Testament Pseudepigrapha Vol.2, New York London 1985, 531-564. ↩︎
  87. 4 Makk. 7:19. Vert. : H. Anderson, ‘4 Maccabees’ ↩︎
  88. Philo, Opif. 134. Vert. A-K. Geljon, Philo van Alexandrië: De schepping van de wereld, Eindhoven 2020, 104. Intelligibel is wat slechts denkbaar is, wat buiten de wereld der zinnelijk waarneembare verschijnselen staat. De Waele, Vergeten rijkdom, 311-317. ↩︎
  89. Gen.1:27 en Gen.2:7. ↩︎
  90. Philo, Opif. 134. Vert. A-K. Geljon, 105. ↩︎
  91. ‘Sterfelijk lichaam en een onsterfelijke geest’: J. Dillon, The Middle Platonists 80 B.C. to 220 C.E., London 1996, 176-178. ‘Die van het lichaam houden’: Philo, Somn. I, 137-138. ‘Op weg naar de grote koning zelf, God’: Philo, Opif. 69. Vert. A-K. Geljon, Philo: De schepping, 79. ‘Een sterfelijk en ongelukkig leven’: Philo, Opif. 152. Vert. A-K. Geljon, 112. Ook: Philo, Det. 99. ↩︎
  92. ‘Hoewel hij sterfelijk is’: Philo, Opif. 77. Vert. A-K. Geljon, 82. ‘Hoe gunstiger incarnatie’: Hoofdstuk 2, p. 25. ↩︎
  93. Philo, Gig. 14. Vertaald uit het Engels: C.D. Yonge, The Works of Philo, Massachusetts 1993, 152. ↩︎
  94. Philo, Opif. 154. Vert. A-K. Geljon, 113. ↩︎
  95. ‘Ziel zonder deugd’: Philo, Leg. 1:89. Gevangenis en graf:Migr. 9, Spec. 4:188. Elledge, Resurrection of the Dead in Early Judaism, 113-115. ↩︎
  96. Ps. Phoc. 99-108, 112-115. P.W. van der Horst, ’Spreuken van Pseudo-Phocylides: Vertaald, ingeleid en toegelicht’, in: P.W. van der Horst, T. Baarda (eds.), De Pseudepigrafen 3, Kampen 1982, 11-41, Zie hierover ook De Waele, Vergeten rijkdom, 215-218. ↩︎
  97. Ps. Phoc. 99-108. Vert. van der Horst. ↩︎
  98. Joh. 10:34. Ps.82:6. ↩︎
  99. ‘God der goden’: Ps.50:1. ‘God in hemelse raad’: Ps.81:1. Mozes: Ex.7:1. ↩︎
  100. Wijsh. 15:8, Luc. 12:20, in: Van der Horst, ‘De spreuken van Pseudo-Phocylides’, 35. ↩︎
  101. Ps. Phoc. 115. ↩︎
  102. ‘Kreeg ik een rein lichaam’: Wijsh. 8:19-20. ‘Geest die rijk aan gedachten’: Wijsh. 9:15. ‘Wijsheid tot onsterfelijkheid voert’: Wijsh. 2:23, 8:17, 5:15. ‘Waardig gekeurd om bij Hem te zijn’: Wijsh. 3:4-5. De Waele, Vergeten rijkdom, 172-174. ↩︎
  103. 3 Hen. 61. P.W. van der Horst, Het boek der hemelse paleizen (3 Henoch): Een joods mystiek geschrift uit de late oudheid, Utrecht 1999. ↩︎
  104. Van der Horst, Het boek der hemelse paleizen, 89. ↩︎
  105. 3 Hen. 62. ↩︎
  106. 3 Hen. 62. ↩︎
  107. 3 Hen. 62.  ↩︎
  108. 3 Hen. 62. Van der Horst, Het boek der hemelse paleizen. ↩︎
  109. 3 Hen. 63. m Ker. 1:1. Alle Israëlieten overtraden de Thora: Dan.9:11. 3 Hen. 62. Van der Horst, Het boek der hemelse paleizen, 91. ↩︎
  110. 3 Hen. 43. Van der Horst, Het boek der hemelse paleizen, 75-76. ↩︎
  111. 3 Hen. 45. Aanhalingen uit Dan.4:17 (zoals in HSV) en Hos.6:2. Van der Horst, Het boek der hemelse paleizen, 77-78. ↩︎
  112. 3 Hen. 38. Verwijzing naar Jes.16:5. ↩︎
  113. Aldus van der Horst, Horst, Het boek der hemelse paleizen, 79. ↩︎
  114. ‘Pre-existentie van de ziel’ Wijsh. 8:19-20. 3 Hen. 61. P. 216-217. Philo, Somn. I, 137-138. P.213. ‘Vóór de grondlegging van de wereld’: 2 Hen. 23:5. ‘Aantal van hen die geboren geteld’: 2 Bar. 23:4. Vert. de Goeij. ‘Van een lange slavernij bevrijd’: Josephus, BJ. 2:154-155. Vert. F.J.A.M. Meijer en M.A. Wes, Flavius Josephus: De Joodse Oorlog & Uit mijn leven, Baarn 1992. ↩︎
  115. Philo, Somn. 1:137-141. ↩︎
  116. ‘Kreeg ik een rein lichaam’: Wijsh. 8:19-20. ‘Het kon blijkbaar ook anders’: D. Winston, The Wisdom of Solomon, New York 1979, 26. ‘Als ze een andere levenskeuze doet’: Plato, Resp., 618A B. Vert. H. Warren & M. Molegraaf, Plato: Het bestel, Amsterdam 2000. ‘Wilde het perfect zijn’: Plato, Phaedrus tegenover Timaeus 41 BC. ↩︎

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken