Menu

Premium

Ester

INLEIDING

I. Het historisch karakter

a. In de moderne bijbelwetenschap worden vaak bezwaren ingebracht tegen het historisch karakter van dit bijbelboek. Veelal ziet men daarin meer een novelle dan een geschiedverhaal. De voornaamste punten van kritiek zijn:

-de lange duur van het koninkrijksfeest, 1:4,

-de griekse schrijver Herodotus kent alleen de naam Amestris als vrouw van Xerxes,

-het doden van 75.000 burgers met goedkeuring van de koning, 9:16.

Daar zijn de volgende kanttekeningen bij te plaatsen:

-het O.T. kent feestperioden die een heel jaar omvatten, Lev. 25:10 en Jes. 61,

-Herodotus noemt in zijn boek VII, 114 en IX, 108v Amestris als vrouw van Xerxes, niet als koningin,

-de vervanging van Haman door Mordekai brengt een omwenteling van machtsposities, waarbij dikwijls duizenden doden vallen. Uit opgravingen blijkt dat onder koning Artaxerxes (464-424 v. Chr.) verscheidene Joden belangrijke functies hebben bekleed in het bestuursapparaat. Nehemia is dan schenker van de koning, Neh. 1:11. Onder Darius I (522-486 v. Chr.) is dat nog niet het geval. Het ligt dan voor de hand te veronderstellen dat deze verandering zich onder Xerxes I (485-465 v. Chr.) heeft voltrokken.

b. De volgende gegevens zijn hieraan nog toe te voegen:

-een kleitablet uit het begin van de regering van Xerxes I noemt Marduka als een autoriteit van enige betekenis in het gewest ‘Boven-de-Rivier’; zou hiermee de Mor-dekat van het boek Ester bedoeld kunnen zijn?

-de ligging van het vrouwenhuis, 2:3, 11, komt overeen met wat bij de opgravingen van de burcht Susan is blootgelegd.

c. Israels feesten zijn gebaseerd op heilsfeiten. Vieren is gedenken en geloven, dezelfde daden van God verwachten en verheerlijken. Zou het Purimfeest daarop een uitzondering vormen?

II. Tijd en plaats van ontstaan

Het bijbelboek in zijn huidige vorm is ontstaan na de dood van zowel Xerxes als Mordekai, 10:1-3, dus na 465 v. Chr. Nog exacter: na de totstandkoming van de desbetreffende aflevering van Het boek van de kronieken der koningen van Medië en Perzië, 10:2. Uit 10:1-3 is ook af te leiden dat de wereldhegemonie nog steeds in handen van de Perzen is. De datum van ontstaan ligt dus vóór 333 v. Chr., de komst van Alexander de Grote. Blijkens 9:26 wordt het Purimfeest inmiddels door de Joden gevierd, maar vereist de naam een toelichting. Dat kan wijzen op een nieuwe traditie. Er is niet alleen perspectief voor de Joden die zijn teruggekeerd naar Juda, maar ook voor de ballingen die (moeten) blijven. De oorsprong van het boek Ester is wellicht te zoeken in kringen van hogere joodse bestuursambtenaren, die sinds de ‘coup’ van Mordekai, zie par. Ia, steeds meer invloed hebben gekregen in het regeringsapparaat van het perzische wereldrijk. Als plaats van ontstaan zou men kunnen denken aan Susan. Dat was het regeringscentrum. Daar bestond nog onder de Parthen een belangrijke joodse gemeenschap.

Het boek Ester zou niet in de Septuaginta, de griekse vertaling van het O.T. zijn opgenomen, als het niet geaccepteerd was door de leidinggevende priesters van de tempel te Jeruzalem. Deze griekse vertaling bevat een aantal toevoegingen die niet in de hebreeuwse Bijbel voorkomen. Ze worden gerekend tot de apokriefen evenals de toevoegingen op het boek Daniël en het Gebed van Manasse. Ze bevatten onder meer de droom van Mordekai, zijn gebed en het gebed van Ester.

III. De prediking van het boek ester

a. In het algemeen is voor sommigen van het boek Ester niet veel meer bekend dan de vaak geciteerde tekst: kom ik om, dan kom ik om, 4:16. Zo kan inderdaad het geloof worden omschreven: alle schepen achter je verbranden om alleen nog op God te vertrouwen. Een tweede kenmerk is van negatieve aard: de naam van God wordt niet genoemd. Er wordt slechts naar Hem verwézen. Mordekai zegt in een persoonlijke boodschap aan Ester: Als gij in deze tijd blijft zwijgen, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen, 4:14.

b. Het boek roept vele vragen op. Groot is het verschil tussen Ester en Daniël. Daniël en zijn vrienden respecteren aan het hof van Nebukadnessar de mozaïsche spijswetten. Ze weten wat het is om in de wereld te zijn en toch niet van de wereld. Ester past zich in alles aan bij haar heidense omgeving, ook wat de maaltijden betreft, 2:9. Hoe komt zij ertoe deel te nemen aan een soort schoonheidswedstrijd?! Ze doet toch maar haar best, opgenomen te worden in de harem van Ahasveros! Al weigert Mordekai te knielen voor Haman, hij verbiedt zijn pleegdochter haar afkomst bekend te maken, 2:20. En wat te zeggen van de wraak van de Joden op hun vijanden? Zij doodden onder hun haters vijfenzeventigduizend, 9.16,…

Wat is in dit alles boodschap van God? De kerkvaders zijn aan dit bijbelboek voorbijgegaan. Luther en Calvijn hebben er nooit een commentaar op geschreven. De apo-kriefe toevoegingen spreken nog over God, maar het boek zelf niet…

Toch is Ester niet dat wereldlijk geschrift waarvoor het vaak wordt gehouden, maar vertoont het duidelijk een kanoniek karakter. Het behoort in de hebreeuwse Bijbel tot de Vijf Rollen. In de synagoge wordt het Hooglied voorgelezen met Pasen, Ruth met Pinksteren, de Prediker met Loofhutten, de Klaagliederen herinneren aan de verwoesting van Jeruzalem en Ester hoort bij het Purimfeest. Het heil van God mag worden gevierd. Heilsfeiten worden feesten. Wat mag op het Purimfeest worden gevierd? Het geloof in God overwint de angst voor het noodlot. Het is geen leven tussen hoop en vrees. Geen onzekerheid. Niet het werpen van de Purim beslist. Hier ligt de actualiteit van het boek Ester. Het is een protest tegen het doemdenken. Veel meer nog een medicijn. De consequentie van het evangélie! Men zie verder Rom. 8: 38v; 1 Kor. 15:24 en Kol. 2:15.

c. Is het zo verwonderlijk dat in dit bijbelboek de naam van God niet wordt genoemd? Gods naam is God zélf, zijn tegenwoordigheid-in-eigen-persoon. Waar is God in het verhaal van Wasti of in de manier waarop Ester haar intree doet aan het hof van Ahasveros? Is God herkenbaar in de nieuwsberichten of in de gebeurtenissen om ons heen? Er zijn zoveel raadsels in ons leven en daarin komt dit bijbelboek ons zeer nabij. We herkennen onszelf. Maar bovenal: God wordt herkenbaar. Hij is er tóch. Dat wordt niet met zoveel woorden gezegd maar wel voortdurend geduid. Het taalgebruik van dit bijbelboek is juist niet wereldlijk, maar herinnert keer op keer aan de verhalen van Jozef en de Uittocht. Die associaties zijn opzettelijk. Het is één van de resultaten van het moderne bijbelonderzoek waarvoor we wèl dankbaar kunnen zijn.

Twee motieven spelen in het boek Ester een rol en worden nauw met elkaar verbonden: Gods voorzienig bestel en het thema van de Exodus. Zie Gen. 50:20.

Deze geschiedenis heeft iets van een gelijkenis. En bij een gelijkenis (Hebr.: masjaat) gaat het altijd om de pointe. In de gelijkenis van de verloren zoon, Luc. 15:11-32, doet de vader niet de minste moeite om zijn jongste kind thuis te houden. Maar handelt God zó? Mogen wij zo doen met onze kinderen? In een andere gelijkenis wordt God vergeleken met een onrechtvaardige rechter, Luc. 18:1-8. Maar God is toch niet onrechtvaardig?! Evenmin accepteert Jezus de onrechtvaardigheid van aardse rechters, Joh. 18:23. Het gaat in genoemde gelijkenissen om de pointe: Gods genade, resp. Gods trouw. Mi. geldt dat ook voor de vragen die het boek Ester oproept. Ze zijn in zekere zin niet aan de orde. Ze leiden onze aandacht af van het centrale thema: Het geloof in God bevrijdt ons van de angst voor het noodlot.

d. Op het eerste gezicht schijnt alles in deze wereld te draaien om eer en macht. Het zijn ook trefwoorden in dit bijbelboek. We komen ze al tegen aan het begin, op het koninkrijksfeest van Ahasveros. Hij spreidt de rijkdom van zijn koninklijke heerlijkheid en de kostbaarheid van de luister zijner grootheid gedurende vele dagen ten toon, 1:4. Wasti minacht de koning en komt ten val. Al de vrouwen in het rijk moeten haar mannen eer geven, 1:20. Mordekai weigert te knielen en zich ter aarde te werpen voor Haman, hst. 3. Ahasveros vraagt aan Haman: Wat zal men de man doen wie de koning eer wil bewijzen, 6:6? Deze woorden worden herhaald in vs 7, 9 (2x) en 11. Ze staan dus duidelijk centraal. Toch krijgt aan het slot van dit boek Gód de eer: het Purimfeest. We kunnen doorgaan met het zingen van de Psalmen van Gods Koningschap.

e. Dikwijls is er sprake van een feestmaal, ter gelegenheid van het koninkrijksfeest, 1:3, 9, de verheffing van Ester tot koningin, 2:18; 3:15 memoreert het drinkgelag van de koning en Haman, Ester richt een feestmaal aan voor de koning en Haman, 5:5, 7, 12, 14; 6:14; 7:1; ook het Purimfeest is een feest vol dagen van feestmaal en vreugde, 8:17; 9:18;19, 22. Het ene feestmaal of het andere maakt wel verschil. Men vergelijke het Purimfeest met het Pascha: God geeft rust van de vijanden rondom, 9:16, 22; Deut. 5:14. Ook het feest van Góds Koninkrijk wordt gevierd met een maaltijd, Ps. 23:5; 36:9; 65:5; Jes. 25:6.

f. In Ester wordt opvallend vaak geschreven. Een koninklijk besluit kan (in)geschreven worden in de wetten van Perzië en Medië, zodat het niet herroepen kan worden, 1:19. Er worden brieven verzonden naar alle gewesten des konings, 1:22. Er gaat een bevelschrift uit om alle Joden uit te roeien, 3:9, 12, 13, 14; 4:8. Ester vraagt Ahasveros om een schrijven waarin het plan van Haman wordt herroepen, 8:5, 8, 9, 10, 13; 9:25. De Purimvoor-schriften die Ester opstelt, worden in een boek geschreven, 9:32. Alleen deze zijn van kracht gebleven. Ze vinden hun vervulling en voleinding in Christus. Van het Woord van God zal geen tittel of jota ter aarde vallen, Mat. 5:18. Aan de rand van de hebreeuwse canon staan we in het grensgebied van het Koninkrijk van God. En Hij die op de troon gezeten is, zeide: Zie, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig, Op. 21:5.

Geef dan eeuwig eer

onze God en Heer.

IV. Inhoud van het boek

Het koninkrijksfeest en de verstoting van koningin Wasti 1:1-22.

Ester tot koningin verheven 2:1-18.

Mordekai ontdekt een samenzwering tegen de koning 2:19-23.

Haman wil alle Joden verdelgen 3:1-15.

Esters opdracht om de Joden te redden 4:1-17.

Ester de gouden scepter toegereikt 5:1-8.

Voor Mordekai een hoge paal opgericht 5:9-14.

Wat zal men de man doen, wie de koning eer wil bewijzen? 6:1-14.

Haman ontmaskerd en gestraft 7:1-10.

Het oordeel over al de vijanden 8:1-17.

De voltrekking van het oordeel 9:1-19.

De instelling van het Purimfeest 9:20-32.

De betekenis van Mordekai voor de Joden 10:1-3.

VERKLARING

Het koninkrijksfeest en de verstoting van koningin Wasti 1:1-22

Ahasvaros (1): Perzisch: Ksjajarsja, in het Grieks weergegeven met Xerxes (485-465 v. Chr.), koning van Perzië, zoon van Darius I Hystaspis (522-486 v. Chr.). Na de ondergang van het babylonische wereldrijk (539) berust nu de hegemonie bij de Perzen: Ksjajarsja betekent ‘grote heerser’. Met de honderd zevenentwintig gewesten zijn districten bedoeld en geen satrapieën, waarvan er 20 tot maximaal 34 zijn geweest. Van Indië (= het land van de Indus, een rivier in het tegenwoordige India) tot Ethiopië: zo spreekt Xerxes I ook over zichzelf in een te Persepolis gevonden inscriptie. De koning had zijn gezag over Egypte, dat vlak voor de dood van zijn vader in opstand was gekomen vanwege de steeds hoger opgevoerde belastingdruk, weer hersteld. Op zijn koninklijke troon zetelde (2): het ceremonieel dat de uitoefening van de koninklijke macht omgeeft, mede daardoor ontzag inboezemt en gehoorzaamheid afdwingt, zie ook vs 4; Deut. 17:18; 2 Kron. 23:20. Susan: ligt aan Ulai, Dan. 8:2, ten Noorden van de Perzische Golf, in de iraanse provincie Chu-sistan. Een feestmaal (3): zie inl. par. Ille. Honderd tachtig dagen (4) is voor mensen uit honderd zevenentwintig districten maar weinig; daarom misschien een extra feest van zeven dagen voor het volk in de burcht Susan (5). Zij hadden al die tijd onder grote druk geleefd, maar nu worden de bloemetjes buiten gezet. Wasti weigerde (12): de heren voelen zich geblameerd; dat werkt ontnuchterend. Het worde geschreven (19): zie inl. par. Ulf.Dan zullen de vrouwen aan haar mannen eer geven (20): zie inl. par. Hid; in het N.T. staat het precies andersom, 1 Petr. 3:7. brieven (22): zie inl. par. Ulf. naar elk gewest in zijn eigen schrift…: ‘t Lijkt haast een tegenhanger van het nieuwtestamentisch Pinksterfeest, Hand. 2:8-12. Wie kan zich onttrekken aan de greep van dit koninkrijk, gebaseerd op macht en willekeur? Het hele leven wordt erdoor aangetast. De verstoting van Wasti heeft een minachten van alle vrouwen tot gevolg. Want spreken naar de taal van zijn volk betekent zoveel als: iedere man heeft in zijn huis het laatste woord. Het kwaad is een repeterende breuk. Niet te stuiten en niet aan te ontkomen – althans naar het schijnt. Want de ban van het kwaad wórdt doorbroken. Het koninkrijksfeest van Ahasveros dient als achtergrond van het Purimfeest, zie inl. par. IHb, e en f.

Ester tot koningin verheven 2:1-18

Vrouwenhuis (3): zie inl. par. Ib. IsMordekai (5) dezelfde persoon als de Marduka (zie inl. par. Ib) van een opgegraven kleitablet? In dat geval zou hij promotie hebben gemaakt en als ambtenaar zijn overgeplaatst naar de residentie. Hoe dan ook, hij bevindt zich in de burcht Susan en bezet een niet onbelangrijke, 2:21v, maar weinig in het oog lopende, 6:3, plaats in het regeringsapparaat. Wat dit laatste betreft, anders zou de opdracht van 2:20 praktisch onuitvoerbaar zijn geweest. Zijn grootvader Kis (ook de vader van Saul droeg deze naam; is overigens niet dezelfde persoon), een Benjaminiet, was weggevoerd in ballingschap (6) onder koning Jechonja in 597 v. Chr. Hij was de pleegvader van Hadassa (7), Hebr.: mirt. Ze wordt in het verhaal echter meteen voorgesteld als Ester, Perzisch: ster. Ze valt ook direct op. Een onzichtbare hand schuift haar naar voren. De pure willekeur van hst. 1 is geen gesloten circuit. Het zal tot een doorbraak komen. Maar hoe? Dat blijft vooreerst nog verborgen. Het blijft vääk verborgen. Schoonheidsmiddelen (9): in de dunne maatschappelijke bovenlaag van de oud-oosterse maatschappij wisten de vrouwen zich goed te verzorgen. In Hoogl. 1:5 geeft het gebruik van make-up het onderscheid aan tussen een meisje van het platteland en een prinses. Om er goed verzorgd uit te zien moet men ook goed eten, zie verder inl. par. IHb. Haar dienaressen: hoort bij de entourage van een prinses en onderstreept haar schoonheid, Ps. 45:15. Mordekai verbiedt Ester haar afkomst bekend te maken en zij is hem daarin gehoorzaam (10). Handelwijze van neef en nicht zijn voor ons geen voorbeeld, nog minder een eventueel excuus. Overigens komt hier althans van uitstel geen afstel. Voor ons blijft onder alle omstandigheden Mar. 8: 38 van kracht. Mordekai laat Ester niet los (11). Dat is wèl een voorbeeld, de dochter van Abichaïl, de oom van Mordekai… (15): op dit kritisch moment, nu Ester tot Ahasveros gaat, wordt haar verzwegen afkomst nadrukkelijk vastgelegd. Ze blijft een kind van het verbond, onder Gods heerschappij, in zijn hand. De maand Tebet (16) is inmiddels een permanente herinnering geworden aan de belegering van Jeruzalem door Nebukadnessar, 2 Kon. 25:1; Zach. 8:19. Esters lot is te vergelijken met dat van Sion. De geschiedenis herhaalt zich op het persoonlijk vlak. In het zevende jaar van zijn regering: 480v. Chr., tijdens de voor Perzië slecht verlopende oorlog tegen Griekenland: nederlagen bij Salamis (480) en Pla-taeae (479). Anders dan Darius I was Xerxes I niet geïnteresseerd in het militair bedrijf. Het griekse drama speelt zich ver af van zijn bed. feestmaal (18): zie inl. par. Ille. Het geven van geschenken hoort bij een koninklijk feest, 9:19, 22.

Mordekai ontdekt een samenzwering tegen de koning 2:19-23

Toen nu voorde tweede maal(19): moeilijk te verklaren; voorgestelde oplossingen: a) een tweede aanvoer van haremvrouwen – maar Ester is inmiddels verheven tot koningin; b) de hebr. tekst is verminkt overgeleverd en we moeten hem restaureren of schrappen – de weg van de minste weerstand; c) een tweede opmerking in verband met Esters komst aan het hof: ook Mordekai heeft daar zijn plaats, zoals toen zij bij hem opgevoed werd (20): zij bewaart de band met Mordekai en zo met het geloof van Israel. Vs 20 is de keerzijde van vs 15. Wat objectief op haar van toepassing is, wordt subjectief door haar aanvaard, dorpelwachters (21): veiligheidsagenten, gespietst (23) nl. op een houten paal, 7:10. opgeschreven; zie inl. par. Ulf. Veel in het optreden van Mordekai herinnert aan het apostolisch vermaan: eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer, 1 Petr. 2:17.

Haman wil alle Joden verdeigen 3:1-15

Plotseling duiktHaman (1) in de geschiedenis op, even onverwacht als Amalek in Rafidim, Ex. 17:8-16. Knielen en zich ter aarde werpen (2) zijn hier de woorden die steeds worden herhaald, vss 2 en 5, en waar dus alles om draait. Mordekai weigert. Hij is een Jood (4) en aanbidt alleen God. Zijn joods geloof verbood hem overigens niet zich voor Haman ter aarde te werpen. Wacht hem hetzelfde lot als Wasti? Als het aan Haman ligt, nog erger. Hij wil alle Joden verdelgen (6): het lot dat Gods vijanden treft, wil Haman Gods volk doen ondergaan, zie o.a. Deut. 2:12, 21-23; 9:3, 31:3v; Joz. 9:24; 11:14, 20; 23:15; 24:8; Arnos 2:9; Zach. 12:9. Daarom is Haman een prototype van de antichrist. Dat geeft het antisemitisme een satanisch karakter. Het valt onder het oordeel van Ex. 17:16. Nisan (7) is de maand van de uittocht. Daarin wordt ook het Pascha gevierd, Ex. 12:1. Loopt Israels bevrijding uit op zijn verdelging? Zie verder de samenvatting van Dan. 10:1-11:1 en bij 12:8-13. Door het werpen van het Pur (een Perzisch woord), vgl. 9:24 -dat is het lot – wordt de verdelging van het volk van God religieus geladen. Tegenover Ahasveros rechtvaardigt Haman zijn antisemitisme echter op sociologisch-psy-chologische gronden: een volk dat zich isoleert, er eigen wetten op nahoudt en (dus!) de wetten van de koning niet gehoorzaamt, vormt een bedreiging voor een multinationale samenleving (8). Tienduizend talenten (9): het bezit van terdoodveroordeelden vervalt aan de staat. De Agagiet (dat Haman een afstammeling van Agag, 1 Sam. 15, zou zijn, is zeer onzeker). Haman (10): de herhaling van vs 2 nu voor het eerst aangevuld met de jodenhater, 9:24, onderstreept de ernst van de situatie. Dit is niet een op zichzelf staand incident maar een nieuwe uitbarsting van een niet ophoudende strijd, Ex. 17:16. verdelgen (13): nu aangevuld met doden en uitroeien. Zo luidt het officiële decreet, 7:4. De aanvulling betekent ook hier weer een climax. In opschudding (15): de burgers worden tegen elkaar opgezet; er wonen in Susan heel wat Joden. Nu geen feestmaal maar een drinkgelag, zie inl. par. Ille.

Esters opdracht om de Joden te redden 4:1-17

Na 3:2 verricht Mordekai opnieuw een demonstratieve handeling: hij loopt door het centrum van de stad als bij een begrafenis. Hij ziet het al vóór zich: het volk in ballingschap wordt als een dode uitgedragen… (1). Ook moest hij haar opdragen (8): Ester die in alles gehoorzaam was aan haar neef, zie bij 2:15 en 2:20, raakte in tweestrijd. De opdracht die ze nu ontvangt, vraagt van haar zelfverloochening en overgave aan God. De gouden scepter toereikt (11): dan wordt men gesteld onder het persoonlijk gezag en dus ook onder de persoonlijke bescherming van de koning, verg. Ps. 125:3. Faalt Ester, dan zal er voor de Joden wel van andere zijde redding en uitkomst opdagen (14): hier wordt op God geduid als de God van de uittocht, zie inl. par. IIIc. Wie weet of gij niet juist met het oog op deze tijd…: hier wordt ook geduid op Gods voorzienig bestel, zoals wij dat kennen uit het verhaal van Jozef, zie inl. par. IIIc. Vergader… (16): vgl. Hand. 12:5. Vast: over bidden wordt niet gesproken; zoals op God slechts wordt geduid, zo ook op het geloof in God. Dat moet ons tot voorzichtigheid manen. Er zijn dimensies in het leven van anderen, die wij licht over het hoofd zien, Mat. 7:1-5. Om mijnentwil: verg. Ef. 6:19. Eet noch drinkt: anders wordt in deze dagen het pascha gegeten; voor een vergelijkbare situatie zie Dan. 10:2-4. Kom ik om, dan kom ik om: geen fatalistische houding als in Gen. 43:14. Voordat Ester naar Ahasveros zal gaan, is zij tot God gegaan, al had zij de wet tegen, Rom. 3:9-31; Gal. 3:1-14; Kol. 2:14. Hij heeft haar zijn gouden scepter toegereikt. Daarom staat ze nu onder zijn persoonlijke bescherming.

Ester de gouden scepter toegereikt 5:1-8

Op de derde dag nu (1): legt verband met het voorafgaande. Deze drie dagen en nachten hebben geen afbreuk gedaan aan haar schoonheid. Ze hult zich in een koninklijk gewaad en is gracieuser dan ooit. Raakte de spits van de scepter aan (2): teken van dankbaarheid, liefdevolle overgave, ook van gehoorzaamheid, het feestmaal (4): zie inl. par. Ille. Haalt terstond Haman (5): Haman handelt snel, maar wordt nu – zouden wij zeggen – rechts door Ester ingehaald. De vertragende en versnellende elementen in dit verhaal verhogen de spanning. Esters verzoek bevat slechts de invitatie voor een tweede diner.

Voor Mordekai een hoge paal opgericht 5:9-14

Zie inl. par. Hid.Die dag (9): legt weer verband met het voorafgaande, zie ook bij vs 1. Ester wint Ahasveros’ genegenheid en wordt de gouden scepter toegereikt. Haman ontsteekt in hevige woede tegen Mordekai en laat een enorm hoge paal voor hem oprichten. Zo spitsen de tegenstellingen zich toe. Vgl. ook vs 9 met 3:2 over Mordekai’s houding en vs 11 met 3:1 over Hamans glorie. De spanning stijgt. Toch blijft de ontknoping nog uit.

Dat Haman de Jood Mordekai ziet zitten in de poort des konings (13), is een angel in zijn ziel. Hij voelt zich in de greep naar de macht betrapt, beknöt. Israel is tot op vandaag een teken van Gods heerschappij over deze wereld. Vijftig el (14): 20 ä. paal en feestmaal noemt Zeres in een adem, niet vermoedend dat de omgekeerde volgorde van deze twee de weg aangeeft van haar man.

Wat zal men de man doen, wie de koning eer wil bewijzen? 6:1-14

Zie inl. par. Hid. In diezelfde nacht (1): koppelt het gebeuren van deze pericoop aan het voorafgaande, zie bij 5:1 en 5:9. Het is de week van het Pascha, zie bij 8:1. Voor Mordekai geen paal maar een triomftocht en Haman loopt als een knecht ernaast. Hoe kan dit zo gebeuren? Dit is de hand van God. Vgl. Ps. 30:12. Even treedt aan de oppervlakte hoe het toegaat in zijn Koninkrijk, Luc. 1:51 v. Dit thema keert steeds terug in de Psalmen en Spreuken, maar heeft toch zijn oorsprong in de proclamatie van Gods koningschap, 1 Sam. 2:1-10. Keerde Mordekai terug (12): de roem is hem niet naar het hoofd gestegen; na afloop van de plechtigheid is hij weer gewoon aan het werk gegaan. Indien Mordekai… uit hetzaad der Joden is (13): Hamans vrienden en vrouw trekken hun handen van hem af. Zijn kracht is gebroken. Zie Ps. 92:10. Die morgen was hij er al vroeg bij. Nu zou hij bijna nog te laat komen op het feestmaal van Ester.

Haman ontmaskerd en gestraft 7:1-10

Nu volgt de ontknoping. Het gebeurt toch nog weer eerder dan men zou verwachten. De vraag van de koning: Wat is uw verzoek, o koningin Ester? (2) wordt – vergeleken met 5:6 – naar voren gehaald en staat nu aan het begin van deze perikoop. Cruciale vragen worden aan het einde van een feestmaal gesteld, bij het drinken van de wijn, Gen. 27:25. In feite is dat ook hier het geval (7), maar niet in het verhaal. Wij zijn verkocht (4): 3:9. Ik en mijn volk: Ester is solidair met haar volk. Verdelgen, doden en uitroeien: ze kent de stukken en citeert het officiële decreet, 3:13 en 4:8. (De verliezen des konings: een zinspeling op de nederlagen uit de oorlog tegen de Grieken, zie bij 2:16). Een verdrukker… (6): dit is de demonische vijand ten voeten uit! De hier gebezigde woorden worden in het O.T., met name in de Psalmen, gebruikt voor de tegenstanders van God en zijn volk, bv. Ps. 5:5; 92:10; 118:5. Men omwond het gelaat (9): inleiding van de doodstraf. Haman wordt gespietst op de paal, die hij voor Mordekai had opgericht (vs 10).

Het oordeel over al de vijanden 8:1-17

Op diezelfde dag (1): legt weer verband met het voorafgaande, zie ook bij 5:1, 5:9 en 6:1. De uittocht wordt opnieuw werkelijkheid. Zoals eens de eerstgeborenen in Egypte werden gedood, treft nu al de vijanden van de Joden in Perzië dit oordeel. Haman wilde de bezittingen van de Joden in beslag nemen (en daarvan tienduizend talenten afdragen aan de koning), nu geeft de koning het huis van Haman aan Ester. Haman had besloten Mordekai te doden, nu wordt Mordekai zijn opvolger aan het hof. Hij geeft hem zijn zegelring (2). De boze Haman, 7: 6, had een boos plan beraamd (3): de cursief gedrukte woorden zijn van dezelfde stam. Het is precies zoals het spreekwoord der ouden zegt: van goddelozen komt goddeloosheid, 1 Sam. 24:14. De Joden krijgen toestemming zich te organiseren in militaire afdelingen (11). Als zij worden aangevallen, mogen zij hun tegenstanders met vrouwen en kinderen, verdelgen, doden en uitroeien en hun bezittingen buit maken; de officiële terminologie van een decreet, 3:13 en 7:4. Aan de opbouw van het vernietigingsapparaat was al twee maanden gewerkt (9). Zoveel opschudding het plan van Haman in Susan had veroorzaakt, 3:15, nu is de stemming omgeslagen (15). Aan de Joden was licht en vreugde, blijdschap en eer ten deel gevallen (16): van wie anders dan van God? Gods verborgenheid gaat niet in mindering op zijn tegenwoordigheid, trouw of almacht. Velen uit de volken des lands (17) sluiten zich bij de Joden aan. Nu is hun veiligheid gegarandeerd; zie ook Zach. 8:23. De schrik der Joden was op hen gevallen, 9:2, 3; bedoeld zal zijn de schrik voor de Gód der Joden, resp. de Gód van Mordekai, zie 1 Kron. 14:17. Eens bracht de bevrijding uit Egypte ontzetting en schrik over de volken rondom, Ex. 15:14-16. Reeds in Gen. 31:42, 53 wordt God genoemd de pachad vanIsaäk. Hij beschermt Isaäk zó dat Hij allen die het leven van de aartsvader bedreigen, van schrik doet terugdeinzen, Gen. 26:10, 26-30. Daarop wijst Jakob zijn oom in de precaire situatie van Gen. 31. Zie verder 1 Sam. 11:7; Jes. 2:10, 19, 21; 2 Kron. 14:13; 17:10; 19:7. God heeft niet alleen Ester maar al de Joden de gouden scepter toegereikt. Ze staan onder zijn bescherming.

De voltrekking van het oordeel 9:1-19

Zie inl. par. IHb. Op de dertiende dag der twaalfde maand (1): dit is de dag van het integendeel, SV: ‘zo is het omgekeerd’. Niet de vijanden overweldigen de Joden, maar de Joden hun haters. Dat zijn de partijgangers van Haman, de jodenhater bij uitstek, schrik (2): vs 3; zie bij 8:17. een slachting (5): de uitdrukkingen in dit vs herinneren aan de oorlogen des HEREN uit Israels verleden. Daarom steken zij hun handen ook niet uit naar de buit (10), zie ook vs 15. Nu krijgen de Joden rust van hun vijanden (16): weer een bekend motief uit de oorlogen des HEREN van vroeger, Num. 10:35v; Deut. 3:20; 12: 9v; 25:19 (Amalek moet worden uitgeroeid); Joz. 1:13, 15; 21:44; 22:4; 23:1; 1 Kron. 22:9, 18; 23:25; 28:2; 2 Kron. 6:41; 14:5v; 15:15; 20:30. In heel Perzië doden de Joden onder hun haters vijfenzeventig duizend. Verdeeld over 127 gewesten zijn dat gemiddeld 590 handlangers van Haman per gewest. In Susan zelf ligt dat aantal aanzienlijk hoger: 800 personen, vss 12 en 15. Dat is te begrijpen, omdat daar de invloed van Haman het sterkst was. De Joden in het land rusten op de veertiende adar en maken die tot een dag van feestmaal en rust (17): zie inl. par. Ille. Voor de Joden in Susan wordt dat een dag later omdat daar de vijandschap het felst was en de strijd twee dagen vergde (18). Vandaar het gebruik om het Purimfeest in de stad een dag later te vieren (19). Het geven van geschenken past bij een koninklijk feest, zie bij 2:18.

De instelling van het Purimfeest 9:20-32

Zie inl. par. Ic, IHb, e,f.Mordekai maakt de viering van het Purimfeest tot een blijvende instelling (21). Veranderde (22): is van dezelfde woordstam als het ‘integendeel’ in vs 1. Zie Ps. 30:12 en Jes. 61:3. De tekst is een uitbreiding van wat reeds gezegd is in vss 17 en 19 en leidt daarmee het verhaal naar een hoogtepunt. Dit nu is het heil. Ook de armen zullen erin delen. Op dit hoogtepunt keert het hele verhaal weer terug. Zo was het. En zo zal het altijd wéér gebeuren. Niet de Purim beslissen. Wie dan wél? God! Ook nu wordt dat niet met zoveel woorden gezegd maar overduidelijk gesuggereerd (23-28). Mordekai legt dit alles neer in een brief (20). Een tweede brief volgt, nu van de hand van Ester en Mordekai samen (29). De inhoud is een herhaling en uitbreiding, beoogt versterking en verdieping. Nu worden bepalingen vastgesteld aangaande de vastentijden en het weegeroep (31). Zij gaan aan het feestmaal vooraf, 4:16. Deze voorschriften worden vastgelegd in een boek (32): om keer op keer gehoord en gehoorzaamd te worden. Het koninkrijksfeest van Ahasveros had slechts éénmaal plaats, de viering van het heil des HEREN gaat door in elk geslacht voor heel het volk in ballingschap (28), vgl. 1 Kor. 11:26.

De betekenis van Mordekai voor de Joden 10:1-3

De regering van Ahasveros wordt positief beoordeeld (2). Veel koningen uit Juda en Israel hebben het er heel wat slechter afgebracht. Een belangrijke factor is de plaats die Mordekai in het rijk krijgt toegewezen: hij is de eerste na koning Ahasveros (3). Op zijn beurt zoekt hij het goede voor zijn volk en komt hij op voor het heil van al zijn volksgenoten. Ook dit slot is weer een hoogtepunt: geen mens in nood wordt overgelaten aan zijn lot.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken