Menu

Premium

Exemplarisch: Berkhof

Velen uit meer dan vier eeuwen Leidse systematische theologie zijn geworden tot gedachten, vaag. Dat geldt niet voor het spectaculaire begin met Arminius en Gomarus die binnen afzienbare tijd alweer een eeuwfeest tegemoet kunnen zien. Er waren grote figuren als Coccejus en Amesius. En naarmate ze moderner worden komen ze helderder voor ogen te staan, zoals Scholten.

In 1889 verschijnt Gunning, ‘als enige orthodoxe in een geheel moderne faculteit en tegen de wens van de faculteit in’, schrijft de Leidse theologie-historicus Rasker.[1] Over Gunning deed Den Dulk nog een merkwaardige ontdekking. Het kerkelijk examenboek dat bedoeld is om namen en resultaten van studenten in te vermelden, opent met een aantekening uit 1878 dat de Leidse kerkelijke hoogleraren Gunning van harte aanbevelen voor een benoeming in Utrecht nadat Gunning een eerdere benoeming had afgewezen omdat hij blijkbaar zichzelve niet was. De zwervende Gunning, die leed aan een gevoel van wetenschappelijk tekort, belandt dus uiteindelijk in waar zijn komst als bedreiging van het wetenschappelijk peil beleefd werd.[2]

Na hem trekken remonstranten als Roessingh en Heering vooral de aandacht. Wat de hervormden betreft is er eigenlijk altijd strijd tussen wetenschap en dogmatiek, zodat Gunning als een spirituele achtergrond gelden van naoorlogse theologen als Miskotte, Verdonk, Ter Schegget, Van de Beek.

Berkhof hoort in deze rij niet thuis. Hij bouwde bruggen tussen wetenschap en dogmatiek. Over hem gaat het in dit artikel. Niet om te paaien, noch om nostalgisch terug te blikken. Ik zou ook graag tekenen hoe die anderen tegen de stroom inzwommen en hoe hen met de wrijving inspireerde. Daarmee zou ik eren als cultuurdrager, als forum dat ter verantwoording roept. Maar in dit artikel gaat het vooral over de vraag: wat gaat er mee? Hoe het eigene van de Leidse traditie voor de opleiding van de kerk in nieuwe contexten van betekenis blijven? En dan moet het ongetwijfeld over de uitgesproken Leidse Berkhof gaan.

Berkhof was decennialang gezichtsbepalend voor de Leidse theologiebeoefening. In een beschrijving van de lotgevallen van de Leidse faculteit tussen 1975 en 2000 schrijft H.J. de Jonge, die een scherp oog voor de scheiding van kerk en staat heeft, dat Berkhofs Christelijk geloof in die kwart eeuw ongetwijfeld het meest gelezen en geciteerde werk van enige Leidse theoloog was. En om dat te onderstrepen drukt hij ook alleen van Berkhof een foto bij dat artikel af.[3]

Uitgesproken Leids was Berkhof door zijn theologie steeds te ontwikkelen in gesprek met andere wetenschappelijke disciplines: historisch-literair in nauw contact met M. de Jonge en ook natuurwetenschappelijk, bijvoorbeeld in zijn verwerking van de evolutieleer. Meijering laat dat in zijn biografie goed tot uitdrukking komen.[4] Berkhof zocht de universitas. Een mooi voorbeeld daarvan vormt ook zijn bijdrage bij het afscheid van de filosoof Beerling, waarin hij hun contact als een wandeling beschrijft die uitloopt op de volgende discussie:

Maar dan lijkt de weg ineens dood te lopen. ‘Hier moeten we terug,’ constateert Beerling. Maar ik wil hem niet geloven. Ik zie nog duidelijk een stukje betreden pad recht voor mij uit. Maar Beerling waarschuwt mij: ‘Vlak daarachter is een sloot; daar kun je niet verder.’ Ik: ‘Waarom is er dan een paadje heen?’ Beerling: ‘Omdat mensen altijd verder willen dan ze kunnen.’ … Ik stap naar de sloot – volgens Beerling een enorme sprong – en loop tussen het struikgewas aan de overkant verder. Beerling waarschuwt me nog één keer: ‘Zie je dan niet, dat je in dat dialectisch struikgewas geen weg kunt vinden?!’ En ik antwoord nog één keer: ‘Wel waar, hier is een weg, wel wat smaller en slingerend, maar ik zie hem duidelijk!’ Beerling oogt mij nog even hoofdschuddend na. ‘Niet te geloven!’ mompelt hij. Dan keert hij terug naar het landschap dat we zojuist samen doorwandeld hebben.[5]

Berkhof genoot van de wetenschappelijke ambiance. Naar zijn idee de christelijke geloofsleer zichzelf moeilijk anders verstaan dan als wetenschap, omdat ze zich immers op de werkelijkheid, de hoogste werkelijkheid richt. Ze levert daarmee ‘een bijdrage tegen de empiristische verenging van het wetenschapsbegrip’. Tegelijk relativeert Berkhof de eis van wetenschappelijkheid op een manier die bij Gunnings spiritualiteit past. Of de christelijke geloofsleer met deze aanspraak op wetenschappelijkheid ‘erkenning vindt in de haar omringende cultuur, moet ze eenvoudig afwachten. Of zij nu wel of niet erkend wordt zal geen invloed hebben op de wijze waarop ze zichzelf verstaat en haar arbeid opvat.’[6][7]

Berkhof was ook sterk oecumenisch gericht. Gedurende heel zijn loopbaan participeerde hij in het theologisch werk van de Wereldraad van Kerken en behoorde hij tot haar belangrijkste inspiratoren. Ook dat paste goed in het Leidse klimaat waar de remonstrantse kernwaarde van de verdraagzaamheid de toon aangeeft, het klimaat ook waarin de huidige remonstrantse hoogleraar Van Leeuwen mede leiding geeft aan de Nederlandse Raad van Kerken.

Volgens zijn opvolger Van de Beek paste Berkhof misschien wel te goed in . Van de Beek schetst hem als een Antiocheens theoloog, terwijl hij zelf een Alexandrijn wil zijn. De Antiochenen zijn humanistisch, bezig met wereldverbetering, terwijl het om redding uit de verlorenheid moet gaan. Die karakterisering als Antiocheens is wel herkenbaar. Alles bij Berkhof begint beneden en landt beneden, beneden moet het gebeuren, beneden moet het beter worden. En de taal van de geloofsleer moet daarmee in overeenstemming zijn: ze moet een open boek zijn, begrijpelijk, geen geheimtaal, iedereen moet het kunnen volgen.

In de loop van de jaren ben ik de transparantie van zijn betoogtrant meer gaan waarderen. Vroeger zag ik zijn helderheid wel voor oppervlakkigheid aan. Later begon ik mij af te vragen of de onbegrijpelijkheid van God ook noodzakelijkerwijs tot cryptische theologie moet . Misschien is het juist de taak van de theologie om bevattelijk over het geheimenis van God te spreken in plaats van het geheimenis na te bootsen. Men hoeft daarvoor trouwens geen Antiocheen te zijn, want Van Ruler heeft diezelfde trant van taal. Het wordt tijd om de lijst van de zogenaamde grote drie – Noordmans, Miskotte, Van Ruler – met Berkhof aan te vullen, zoals ook de transparant schrijvende Haasse in de literaire short list hoort. Het aardige is ook nog dat die zogenaamde oppervlakkige taal het langer houdt dan de cryptische. Wordt het voor ons al moeilijker om toegang te krijgen tot Gunning, Noordmans en Miskotte, Berkhof is nog geheel bij de tijd. Zelf was hij zich trouwens sterk van datering bewust, zoals de opneming van het gedicht van Alfed Tennyson op de eerste bladzij van zijn Christelijk geloof laat zien:

Our little systems have their day
They have their day and cease to be
They are but broken lights of Thee
And thou o Lord art more than they.

Theologiehistorisch gezien men Berkhofs ontwerp (samen met dat van Pannenberg) karakteriseren als de invoering van de categorie der geschiedenis in de Woord-theologie. Verbreding van Barth streefde hij na. Hij wilde laten zien hoe God betrokken is op heel de door ons ervaren werkelijkheid. Van dat verlangen is zijn boek Christus de zin der geschiedenis de belangrijkste getuige.

Geschiedenis is, evenals het in haar vervatte begrip tijd, een buitengewoon moeilijk theologoumenon. De moderne discussie draait om de vraag of het lineaire geschiedenisbegrip dat in de westerse cultuur gangbaar is en onze alledaagse werkelijkheid bepaalt, zoals het bijhouden van een agenda gemakkelijk uitwijst, ook theologisch toelaatbaar is. Theologen in de school van Barth neigen tot afwijzing, zoals Nico Bakker aantoont in zijn verhandeling Geschiedenis in opspraak.[8] Volgens hen is er niet sowieso een menselijke geschiedenis waarbij het vervolgens de vraag is of God zich daarin manifesteert, maar is het omgekeerd: er is een richtingloos gebeuren dat doorkliefd wordt door het incident van het Woord Gods dat geschiedt. Alleen door die micro-historie kunnen wij volgens hen van geschiedenis spreken. Ik kan de discussie over dit punt hier niet aangaan, maar wil wel constateren dat de positie die men ten aanzien van dit punt inneemt voor de theoloog evidentie heeft: hij of zij kan het zich niet anders voorstellen. Zo ontdekte ik dat ik altijd bezig was om Barths openbaringstheologie te verstaan binnen een lineair geschiedenisbegrip. Het gaat ergens heen! Er komt een dag dat alles anders wordt. Toen Tom Naastepad mij vertelde dat ‘Eens als de bazuinen klinken’ begrepen moest worden als ‘Heden, zo gij zijn stem hoort’, viel ik in een verbazing waaruit ik nooit ben opgestaan. Welnu, zo is het ook met Berkhof gesteld. Hij niet anders dan lineair denken, zoals het westen dat van Augustinus geleerd heeft.

In de eschatologie komt de spanning die het lineaire geschiedenisbegrip aanbrengt het sterkst tot uitdrukking. Als het in de eschatologie niet alleen om eeuwigheid hier en nu gaat, zoals bij Bultmann,[9] maar ook om de verlossing van de geschiedenis, dan verhevigt dat de aanvechting rond de theodicee en de vraag naar de betekenis van het menselijk handelen. Gaat het werkelijk ergens heen? In de tweede Petrusbrief komt die dubbele spanning heel pregnant ter sprake. Eerst wordt de vraag verwoord in 2 Petrus 3:4: ‘Waar blijft de Heer nu? Hij had toch beloofd te komen? De generatie voor ons is al gestorven, maar alles is nog steeds zoals het sinds het begin van de schepping geweest is.’ Even later gaat het over de verwachting van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont, en ook over het oordeel en de aanmoediging die daarbij hoort om goed te leven, en dan zegt de apostel: ‘u die uitziet naar de dag van God en het aanbreken daarvan bespoedigt (2 Petrus 3:12).

Berkhof was met dit soort teksten nauwgezet bezig in zijn verhandeling Gegronde verwachting (1967). Berkhof is trouwens de neiging tot biblicisme in de eschatologie niet vreemd, maar hij komt nooit in een scenario-denken terecht. Zijn methode noemt hij extrapolatie: vanuit wat ons over Christus verkondigd wordt, kunnen we ons béelden vormen van het éeuwige leven.[10]

Op dit punt is hij scherp bekritiseerd door Moltmann. Evenals Berkhof wil Moltmann de individuele en existentiële eschatologie integreren in de verwachting van de verlossing van de historie. Moltmann denkt echter niet lineair, maar wat hij noemt ‘ad-ventisch’. Niet: met ons gaat het ergens heen, maar: God komt op ons toe. Daarom vindt hij extrapoleren misplaatst en bepleit hij in plaats daarvan anticiperen. Hij voert de discussie hierover met Berkhof niet ergens in een voetnoot van zijn eigen werk, maar in een bijdrage aan de bundel Weerwoord met reacties op Berkhofs Christelijk geloof aangeboden bij zijn zestigste verjaardag. Moltmann stelt dat extrapolatie helemaal geen toekomstkennis schenken, omdat het ‘verder schrijven’ (Fortschreibung) een vastzetting vanuit het heden naar de toekomst is; extrapolatie vat toekomst op als verlengd heden en doodt daarmee het toekomstkarakter van de toekomst (203). In plaats daarvan beveelt hij dus de anticipatie aan, dat wil zeggen de gespannen verwachting van, en het historisch vooruitgrijpen op (Vorwegnahme)de vervulling van Gods belofte (206).

Voor deze gelegenheid ben ik nog eens nagegaan of Berkhof iets heeft gedaan met de kritiek van Moltmann. Het is immers ook uitgesproken Leids om je door zinnige kritiek tot correctie te laten brengen en Moltmann schaart zich helemaal als een vriend aan zijn zijde: hij bedoelt hetzelfde als Berkhof, gebruikt alleen een naar zijn idee geschiktere term. Berkhof heeft echter onbekommerd aan zijn ‘extrapolatie’ vastgehouden. In de eerste druk van Christelijk geloof schrijft hij: ‘Eschatologie alleen bestaan als extrapolatie van ervaringen die we in onze eigen wereld en geschiedenis met God opdoen’ (544). Bij denkers als Moltmann, stelt hij, ‘gaat de methodische beweging niet vanuit het midden (Christus) naar de toekomst, maar omgekeerd: extrapolatie slaat om in utopie’ (546). Berkhof vindt wel dat op die manier meer recht gedaan wordt aan het sprongkarakter dat hij zelf ook mee bedenkt, maar de prijs die Moltmann betaalt is die van leegte: de toekomst wordt een formeel principe.

In de laatste herziening van Christelijk geloof zegt Berkhof het nog net even anders: ‘Eschatologie wordt speculatie of fantasie als ze niet (‘extrapolerend’) uitgaat van ervaringen die we in onze eigen wereld en geschiedenis met God opdoen’ (510). Het stukje over Moltmann is gelijk gebleven, dus hij heeft er alleen nog een schepje bovenop gedaan met ‘fantasie’.

Dit is opmerkelijk. Het is blijkbaar ook heel Leids om je eindje vast te houden. Ik zie de volgende redenen daarvoor.

In de eerste plaats heeft het te maken met de evidentie waarop ik eerder wees: Berkhof niet anders dan vooruit denken. In de tweede plaats is er sprake van een categorieverschil tussen de begrippen extrapolatie en anticipatie. Berkhof probeert talig in beelden te brengen welke verwachtingen God wekt blijkens zijn verbondshandelen, terwijl Moltmann gericht is op het handelend subject, dat op het ‘nieuwe’ vooruit moet grijpen. Men zou kunnen zeggen, dat extrapolatie een dogmatisch begrip is, en anticipatie een ethisch begrip. Dat is natuurlijk geen tegenstelling, dogmatiek en ethiek zijn elkaars keerzijde, maar ze vormen ook weer niet elkaars verdubbeling. Overigens zie ik ook wel, dat Moltmann ook over Gods anticipaties spreekt (Weerwoord 206), maar daardoor komt God dan samen met de mens te staan tegenover een op hen toekomende toekomst – wat mij een angstwekkend beeld lijkt.

In de derde plaats begrijp ik toch niet goed wat er tegen de extrapolatie is. Als we het begrip invullen, zullen we toch zoiets moeten zeggen als: als er lammen gaan lopen en blinden gaan zien, als melaatsen in de kring worden getrokken, vrouwen mogen meedoen, als de sabbat in ere hersteld wordt door iets goeds te doen al gaat het tegen de regel in, dan wekt dat toch de verwachting dat het eeuwige leven van dat soort dingen vol is? En als Jezus het voeden van hongerigen in verband brengt met eeuwig wel en wee, dan mogen we toch verwachten dat ons handelen in het gericht komt? Daarmee schrijft men de toekomst niet vast maar geeft men richting aan het leven. Dat Berkhof geprobeerd heeft de dingen die Jezus vernieuwend deed te herkennen in de geschiedenis, bij voorbeeld de Europese, was een waagstuk en misschien een mislukt experiment, maar het brengt tot uitdrukking dat hij werkelijk God en mens samen ziet optrekken in het concrete leven – niet alleen het ethisch subject van Moltmann, maar ook God zelf.

Kortom: ik goed begrijpen waarom Berkhof voet bij stuk hield. Maar ook van Berkhofs kant bezien is er natuurlijk nauwe verwantschap. Hij en Moltmann hebben bijvoorbeeld allebei de individuele eschatologie, die decennialang onder theologen impopulair was, voluit in hun denken betrokken, zij het Moltmann later dan Berkhof. Van Berkhof is het mooie synodale geschrift Leven en sterven met verwachting. Moltmann heeft een plus dat Berkhof ook zeker zou beamen. Hij zei dat na het tijdperk van de liefde (Middeleeuwen, zo die bestaan) en na het tijdperk van het geloof (de Reformatie), nu het tijdperk van de hoop is aangebroken.[11] Daarmee verwijst Moltmann niet zozeer naar zijn eigen theologie alswel naar de brede erkenning van een verbinding tussen eschatologie en de historie. Heel lang vormde die verbinding toch slechts een achtergrond voor individuele verwachting, en voor zover dat niet zo beleefd werd, werd ze als apocalyptische ketterij gemarginaliseerd.

Zelf zou ik zo ver willen gaan als te zeggen: geloof IS hoop. Niet alleen de eschatologische maar alle dimensies van het christelijk geloof hebben toch al of niet als gevolg dat er moed gevat wordt voor de volgende stap, de volgende dag, die toch ook altijd lineair op de vorige volgt.

Wat nemen wij mee naar en ? Berkhof! Van Groningen weet ik het niet zeker, van Amsterdam wel omdat ik zie dat daar de neuzen van onze dogmatici Muis en Benjamins dezelfde kant op staan. Bovendien wordt de PThU daar opgewacht door Van den Brink en Van der Kooi, die ook Berkhof doceren. Ook weten wij dat zij met iets nieuws gaan komen. Daarvoor staan wij in goed vertrouwen open, maar zelf ga ik in hun op ons toekomende dogmatiek wel eerst naar het checkpoint eschatologie!

Dat deed ik trouwens ook toen ik in kwam en meteen in een discussie belandde met H.J. de Jonge over een onwetenschappelijk naschrift van hem over de wederkomst van Jezus Christus. Onder de titel ‘Die dag zal zeker komen’ probeerde ik hem ervan te overtuigen, dat een goed gesprek over eschatologie binnen de theologische wetenschap gevoerd mag worden.[12] Van meerdere goede gesprekken met de collega’s kwam het zeker, maar helaas hebben we de duplex ordo niet zodanig weten op te heffen dat we in hogere ordening verenigd werden – ook dat is uitgesproken Leids.

Aan het einde gekomen van deze persoonlijke Leidse jaren zij het mij vergund over ‘die dag’ u nog een woord van Augustinus te citeren, dat ik zelf als motto koos in een bundel motto’s van Leidse hoogleraren. De korte versie luidt: het einde zal geen avond zijn (finis non erit vespera). De langere versie luidt: ‘Dat zevende tijdperk echter zal onze sabbat zijn; en het einde daarvan zal geen avond zijn, maar de dag des Heren, om zo te zeggen een eeuwigdurende achtste dag, geheiligd door de verrijzenis van Christus, die de voorafbeelding is (praefigurans!) van de eeuwige rust, niet alleen van de geest, maar ook van het lichaam. Daar zullen wij rusten en zien, zullen wij zien en liefhebben, zullen wij liefhebben en lofprijzen. Dat is wat er op het einde zonder einde zal zijn. Want welk ander einde is er voor ons dan het bereiken van dat koninkrijk, dat nooit een einde vindt?’[13]

Wellicht ook interessant

Twee koningen
Twee koningen
Basis

De dominee of de therapeut?

In de serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. In haar vorige artikel liet ze zien dat therapie een autoriteit is geworden op het gebied van levensvragen. In dit tweede artikel onderzoekt ze de concurrerende relatie tussen therapie en religie. Wie kan het beste hulp bieden bij menselijk lijden: de dominee of de therapeut?

None

Preview: De reis naar minder ik

Tim Thijs Ketting gaf zijn leven een 4,5, terwijl het op papier een 9 was. Gezondheid, liefde, werk – alle hoekstenen stonden als een huis. Maar hij was ongelukkig en belandde bij een therapeut. ‘Het handelsmerk van de westerse millennial’, zoals hij zelf schrijft in zijn boek De reis naar minder ik. Alles hebben, en toch vastlopen. Hoe komt dat toch? Tim Thijs startte zijn eigen zoektocht naar zingeving en stuitte op: de ander en de wereld. Lees hieronder de proloog uit zijn boek De reis naar minder ik.

Persoon die in gesprek is met een psycholoog
Persoon die in gesprek is met een psycholoog
None

Een therapeutische staatsreligie?

In de nieuwe serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. Op eerste oogopslag lijken geloof en therapie twee verschillende invloedsferen te zijn. Maar Katie laat zien dat ze veel meer met elkaar gemeen hebben dan we wellicht denken en dat het van groot belang is om de overeenkomsten en verschillen scherp te krijgen. In dit eerste artikel onderzoekt ze de gevolgen van de verandering van therapie in een potentiële staatsreligie, en daarmee in een autoriteit op het gebied van levensvragen. 

Nieuwe boeken