Menu

Premium

Ezechiël

De drie delen van het boek Ezechiël

Ezechiël behoorde tot een groep ballingen die in 597 voor Christus werd weggevoerd naar . In het vijfde jaar van zijn ballingschap werd hij in geroepen tot profeet (1:13). Zijn optreden vond gedeeltelijk plaats vóór de verwoesting van Jeruzalem in 586 voor Christus en gedeeltelijk daarna.

Uit de structuur op de volgende pagina blijkt dat het boek Ezechiël bestaat uit drie delen. Het eerste deel (hoofdstuk 1-24) betreft Ezechiëls optreden vóór de val van Jeruzalem en bevat vooral beschrijvingen van de zonden van het volk Israël en aankondigingen van het naderende einde van Jeruzalem. Het derde deel (hoofdstuk 33-48) bevat profetieën uit de tijd nä de val van Jeruzalem, die bestaan uit woorden van troost en herstel. De profetieën uit de vroege periode van het optreden van de profeet en die uit de latere periode worden gescheiden door een aantal profetieën tegen vreemde volken (hoofdstuk 25-32). Een vergelijkbare driedeling komen we tegen in de boeken Jesaja en Jeremia.

Verbindingslijnen tussen de drie blokken

De drie blokken waaruit het boek Ezechiël is opgebouwd zijn structureel met elkaar verbonden door een aantal verbindingslijnen. Zo zijn er een aantal lijnen die blok I, over blok II heen, verbinden met blok III. Het einde van blok I bevat de aankondiging van de komst van een bode: ‘Te dien dage zal een vluchteling tot u komen om het u te boodschappen, op die dag zal uw mond weer geopend worden bij de komst van de vluchteling; dan zult gij spreken en niet meer stom zijn’ (24:26). In het begin van hoofdstuk 24 vinden we een datering van deze woorden: ‘Het woord des Heren kwam tot mij in het negende jaar, in de tiende maand, op de tiende der maand: Mensenkind, schrijf de datum op van deze dag, de dag van heden; heden heeft de koning van zich op Jeruzalem geworpen’ (24:1). Dit einde van blok I is duidelijk verbonden met het begin van blok III, waar we lezen dat een vluchteling Ezechiël de val van Jeruzalem komt berichten en de mond van Ezechiël weer geopend wordt: ‘In het twaalfde jaar onzer ballingschap, in de tiende maand, op de vijfde der maand, kwam een vluchteling uit Jeruzalem tot mij met de tijding: De stad is gevallen! De hand des Heren nu was op mij geweest op de avond voor de komst van de vluchteling; tegen de tijd dat deze des morgens tot mij kwam, opende Hij mijn mond. Toen was mijn mond geopend en was ik niet meer stom’ (33:21).

De structuur van het boek Ezechiel

1-24

Blok I: Aankondiging van het oordeel over Jeruzalem

1-3

Inleiding: roepingsvisioen van Ezechiël; Ezechiël als wachter aangesteld

4-5

Symbolische uitbeelding van de belegering en val van Jeruzalem

6-7

Aanklacht en oordeel; het einde nadert

8-11

Gods heerlijkheid verlaat de tempel

12

Symbolische uitbeelding van de ballingschap

13-14

Aanklacht tegen profeten en afgodendienaars; de vier straffen

15-17

Drie gelijkenissen: de nutteloze wijnstok, de ontrouwe echtgenote, de twee arenden en de wijnstok

18

Ieder mens persoonlijk verantwoordelijk

19

Klaaglied over Israëls vorsten

20

Terugblik op de ges chiedenis; een nieuwe uittocht

21-22

Symbolische beschrijvingen van Jeruzalems zonde en straf: het zwaard en de bloedstad

23

De twee hoeren

24

Andere symbolische beschrijvingen van Jeruzalems einde:

de roestige pot en de reactie van de profeet op de dood van zijn vrouw

25-32

Blok II: Profetieën over vreemde volken

25

, , , Filistea

26-28

Tyrus en Sidon

29-3 2

Zeven profetieën tegen Egypte

33-48

Blok III: Woorden van troost en herstel

33

Inleiding: Ezechiël als wachter aangesteld; de val van Jeruzalem

34

De herders van Israël en de Goede Herder

35

Profetie over

36

Troost voor de van Israël; samenvatting van Ezechiëls boodschap

37

Dorre doodsbeenderen komen weer tot leven; de hereniging van Juda en Israël

38-39

Gogs aanval en nederlaag

40-48

Visioenen van de nieuwe tempel en het opnieuw bewoonde land

Niet alleen het einde van blok I is verbonden met het begin van blok III, ook het begin van blok I heeft een parallel met het begin van blok III. Op beide plaatsen (namelijk in 3:1621 en in 33:1-9) wordt gesproken over de aanstelling van de profeet als wachter, die de taak heeft het volk te waarschuwen voor het naderende onheil. Doet hij dat, dan ligt de verantwoordelijkheid verder bij het volk; doet hij dat niet, dan is hij zelf verantwoordelijk voor de ondergang van het volk.

Ook de beschrijving van Gods heerlijkheid in het openingsvisioen van Ezechiël (hoofdstuk 1-3) komt op verschillende wijzen weer terug in blok III. In het begin van het boek ziet Ezechiël in een dal Gods heerlijkheid (3:22-23; vgl. 8:4), in een dal is het ook dat Ezechiël de dorre doodsbeenderen ziet, die weer tot leven komen (37:1-14; het dal in 37:1 vormt op zijn beurt weer een mooi contrast met de zeer hoge berg in 40:2). Het ‘geluid van een geweldig gedruis’ dat hij hoort in 3:12-13 komen we opnieuw tegen in 37:7 (de NBG-vertaling heeft voor hetzelfde Hebreeuwse woord in 3:12-13 ‘gedruis’ en in 37:7 ‘geruis’) en het ‘gebruis van vele wateren’ uit 1:24 keert terug in 43:2 (NBG: ‘gedruis’). Tot slot kunnen we nog noemen dat zowel de ‘troonwagen’ uit hoofdstuk 1 (zie hierover verder aan het einde van deze bijdrage) als de tempel in de laatste hoofdstukken van het boek duidelijk de grondstructuur van een vierkant hebben. (Ook op andere plaatsen komt het getal vier voor, bijvoorbeeld in ‘de vier gerichten’, zie hiervoor de paragraaf ‘Terugkerende uitdrukkingen en motieven’.)

Tussen de blokken I en III bevinden zich de profetieën tegen de vreemde volken (blok II). Het oordeel over de volken in blok II komt pas aan de orde als het in blok I beschreven oordeel over Gods eigen volk zich voltrokken heeft. Blok II is echter niet alleen een vervolg op blok I, maar ook een voorbereiding voor blok III. De verlossing van Israël, het hoofdthema van blok III, is de keerzijde van het oordeel over de andere volken, dat beschreven wordt in blok II. Het oordeel over de andere volken is de voorbereiding en de eerste stap van het herstel van Israël. Het wekt dan ook geen verbazing dat ook in blok II gesproken wordt over het heil voor Israël (28:25-26) en dat in blok III de belofte van herstel voor Israël gepaard gaat met de mededeling dat de God van dit volk zal afrekenen met vijandige volken zoals Edom (hoofdstuk 35; vergelijk 25:12-14). Beide blokken spreken over de vijandige houding van de omliggende volken. (Vergelijk het ‘Ha!’ roepen van de volken in blok II in 25:3 [Ammonieten] en 26:2 [Tyrus] en in Blok III in 36:2 [Edomieten].)

Contrasten tussen de drie blokken

De verbindingslijnen tussen de drie blokken waaruit het boek Ezechiël is opgebouwd bestaan niet alleen uit overeenkomsten, maar ook uit contrasten. Zo geeft blok III verschillende keren een omkering van wat in blok I beschreven wordt. Een eerste patroon dat we daarbij kunnen onderkennen is de verandering van de rampspoed die over het volk komt in blok I in heil voor het volk in blok III, en van de overtredingen van het volk in blok I naar een nieuw begin in blok III. Zo wordt in blok I gesproken over een verbond dat de Israëlieten verbroken hebben (16:8. 59), in blok III is sprake van een nieuw verbond, dat eeuwig zal (37:26). In blok I worden de misdaden van de leiders van het volk breed uitgemeten (hoofdstuk 22), in blok III kondigt God aan dat Hij de ‘herders’ die zijn volk naar de ondergang geleid hebben teniet zal doen en zelf zijn volk zal leiden (hoofdstuk 34). Debeloften voor de ‘ van Israël’ in blok III (36:1-15; vgl. 34:13) contrasteren scherp met de onheilsaankondiging gericht tot deze in blok I (6:1-7).

Een belangrijk contrast betreft de relatie tussen God en Jeruzalem. In blok I wordt beschreven dat de heerlijkheid van de God van Israël via de oostpoort wegtrekt uit de tempel en zich plaatst op de berg ten oosten van de stad (de Olijfberg) (8:1-11:25). In blok III keert Gods heerlijkheid via diezelfde oostpoort terug naar de tempel (43:2-5). Aan het einde van blok III komt de climax van het hele boek: het visioen van de stad met de twaalf poorten. Het bijbelboek waarin we Gods heerlijkheid uit Jeruzalem hebben zien wegtrekken en waarin we haar daarheen hebben zien terugkeren, eindigt met de woorden: ‘de naam der stad zal voortaan zijn: De HERE is aldaar’.

In een tweede patroon van contrasten wordt het onheil dat in blok I wordt toegezegd aan het volk Israël, in blok II en III aangekondigd aan de andere volken: In blok I vinden we dat God zijn ‘hand zal uitstrekken tegen’ Israël (6:14; 14:9; 16:27), in blok II en III vinden we dat Hij zijn ‘hand zal uitstrekken tegen’ de volken (25:7. 13. 16; 35:3). In blok I spreidt God zijn net uit over Zedekia, de koning van Juda (12:13; 17:20; vgl. 19:8), maar in blok II over Farao, de koning van Egypte (32:3).

Deze twee patronen van contrasten: de verandering van rampspoed (blok I) in heil (blok II en III), en de verandering van onheil voor Israël (blok I) in onheil voor de volken (blok II en III) worden soms gecombineerd. In blok I wordt het volk tot een voorwerp van smaad (bijvoorbeeld 22:4 ‘Ik zal u maken tot een voorwerp van smaad voor de volken en van spot voor alle landen’), in blok III wordt gezegd dat het volk niet langer smaad te verduren zal hebben (bijvoorbeeld 34:29 ‘zij zullen de smaad der volken niet langer te dragen hebben’), en dat in plaats daarvan de volken zelf tot voorwerp van smaad zullen worden (bijvoorbeeld 36:7 ‘de volken die rondom u wonen, zullen zelf hun smaad dragen’). In blok I stort God zijn woede uit over het volk Israël (5:13; 7:8; 14:19; 21:31; 22:22. 31), in blok III stort Hij niet zijn woede, maar zijn Geest uit over zijn volk (39:29), terwijl Hij in blok II zijn woede uitstort over de andere volken (30:15).

Terugkerende uitdrukkingen en motieven

De drie blokken waaruit het boek Ezechiël is opgebouwd worden niet alleen bij elkaar gehouden door de hierboven geschetste structurele verbindingslijnen, maar ook door een aantal terugkerende uitdrukkingen en motieven. Hiertoe behoren naast de reeds genoemde uitdrukkingen ‘de hand uitstrekken tegen’ en ‘woede uitstorten over’, het woord ‘mensenkind’, waarmee Ezechiël 93 keer wordt aangesproken, het refrein ‘en men zal weten dat Ik de HERE ben’, dat met kleine variaties 65 keer voorkomt, en uitdrukkingen als ‘de hand des HEREN was daar op hem/mij’ (1:3; 3:14. 22; 33:22; 37:1; 40:1; vgl. 8:1), ‘Ik ben tegen u’ (5:8; 26:3; 29:3; 38:3; NBG: ‘Zie, Ik zal u’), ‘bekeert u’ (14:6; 18:30; 33:11), het ‘bijeenbrengen van de verstrooiden’ (11:17; 20:34. 41; 28:25; 29:13; 34:13; 36:24; 37:21; 38:8; 39:27), ‘een nieuw hart’ en ‘een nieuwe geest’ (11:19; 18:31; 36:26), het ‘leven in veiligheid’ (28:26; 34:28; 38:8. 11. 14; 39:26), de vermelding van de wijze Daniël (14:14. 20; 28:3), de opmerking dat de Heer ‘zich heiligt’ in de geschiedenis (20:41; 28:22. 25; 38:16. 23), en de belofte ‘zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn’ (11:20; 14:11; 36:28; 37:27; vgl. 34:30). (In blok I vertoont met name het gedeelte 11:17-21 een aantal correspondenties met blok III. We vinden daar de terugkeer van de verstrooiden naar Israël, het verwijderen van de afgoden, de belofte van een nieuw hart en een nieuwe geest, en de formule ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn’; vgl. 34:13. 30; 36:26-28; 37:23.)In dit verband moet ook gewezen worden op de rol die het getal vier speelt in het boek Ezechiël. In het openingsvisioen wordt gesproken over vier levende wezens (1:5) met elk vier gezichten, vier vleugels en vier zijden (1:6. 8), en over vier raderen (1:15), die in vier richtingen kunnen bewegen (1:17). Evenals de ‘troonwagen’ in dit visioen, heeft ook de tempel aan het einde van het boek de grondstructuur van een vierkant. Verder vinden we regelmatig een opsomming bestaande uit vier delen, bijvoorbeeld ‘, heuvels, beekbeddingen en dalen’ (6:3; 36:4), ‘mijn vier gerichten: het zwaard, de honger, het wild gedierte en de pest’ (14:21) en ‘spieren, vlees, huid, geest’ (37:6).

Verbindingslijnen en structuren binnen de blokken

Zoals blijkt uit het overzicht van de structuur van het boek, zijn de drie blokken onderverdeeld in kleinere literaire eenheden. Deze eenheden staan niet los van elkaar maar zijn met elkaar verbonden door woorden, uitdrukkingen of motieven die functioneren als ‘haken’ tussen deze eenheden. Zo is in blok I de uitbeelding van de belegering en val van Jeruzalem (hoofdstuk 4-5) verbonden met de roeping van Ezechiël (hoofdstuk 1-3) door de herhaling van 3:25 ‘men zal touwen om u heen slaan’ in 4:8 ‘en zie, Ik zal touwen om u heen slaan’, terwijl aan het einde van dit gedeelte 5:17 ‘en het zwaard zal Ik over u brengen’ een verbinding maakt met 6:3 ‘zie Ik breng het zwaard over u’, het begin van de aankondiging van Jeruzalems einde (hoofdstuk 6-7). Aan het einde van deze sectie vinden we een vermelding van de ‘gruwelijke beelden’ en ‘afschuwelijkheden’ die in de tempel geplaatst zijn, en zegt God dat Hij vanwege deze afschuwelijke beelden zijn gezicht zal afwenden van het volk en dat men deze tempel zal ‘ontheiligen’ (7:20-21). De afgodendienst in het tempelcomplex en het vertrek van Gods heerlijkheid uit de tempel ten gevolge daarvan worden uitgebreid beschreven in de volgende sectie (hoofdstuk 8-11). En zoals Ezechiël in 8:8 een gat moet maken in een muur van het tempelcomplex, zo moet hij in hoofdstuk 12 een gat maken in de muur van zijn huis om het in ballingschap gaan uit te beelden (12:5). Op soortgelijke wijze zijn ook de andere eenheden in dit blok met elkaar verbonden. Verder valt op te merken dat de hoofdstukken 1-5 en 8-12 een zelfde patroon hebben, waarbij een visioen (hoofdstuk 1-3/ 8-11) wordt gevolgd door symbolische handelingen van de profeet (hoofdstuk 4-5/12).

Ook in blok II vinden we deze associatieve en thematische verbindingshaken tussen de verschillende eenheden. Daarnaast speelt een ander ordeningsprincipe een rol, namelijk dat de volken grotendeels gerangschikt zijn volgens hun geografische ligging. De volgorde waarin de volken het oordeel aangezegd wordt is: , , , Filistijnen, Tyrus, , Egypte. Ammon ligt ten oosten van Juda, Moab ligt ten zuiden van Ammon, en Edom ten zuiden van Moab. Van het zuidoosten wordt de lijn doorgetrokken naar het zuidwesten waar de Filistijnen leefden, en vandaar naar het noordwesten, waar we Tyrus en vinden. Alleen de zeven profetieën tegen Egypte in hoofdstuk 29-3 2 zijn apart genomen. De profetieën tegen Egypte, in omvang ongeveer gelijk met de profetieën tegen alle andere volken bij elkaar, zijn nog extra gemarkeerd door de zes dateringen die we bij deze profetieën tegenkomen (29:1. 17; 30:20; 31:1; 32:1. 17) en het zevenvoudig gebruik van de uitdrukking’het woord des HEREN kwam tot mij’ (in 30:1 en de zes reeds genoemde verzen).

In het midden van blok III wordt de aanval van de gigantische legers van Gog beschreven (hoofdstuk 38-39). Deze legers trekken op tegen ‘het land dat zich van de krijg hersteld heeft, een volk dat uit het gebied van vele volken bijeengebracht is op de Israëls die tot een blijvende wildernis waren geworden, maar het is uit de volken uitgeleid’ (38:8). Dit verwijst duidelijk terug naar het herstel van Israël in hoofdstuk 34-37. Nadat de ondergang van Gog uitvoerig is beschreven, komen de visioenen van de nieuwe tempel en het opnieuw bewoonde land, het glorieuze eindpunt van de visioenen van Ezechiël.

Binnen deze grote lijnen zijn ook in blok III de kleinere eenheden aan elkaar ‘gehaakt’ door terugkerende woorden en motieven. Zo is in hoofdstuk 34 ‘zij worden tot voedsel voor al het gedierte des velds’ (34:5) een herhaling van 33:27 ‘wie op het open veld zijn, zal Ik aan de dieren tot voedsel geven’. De bergen van Seïr (35:2) verbinden hoofdstuk 35 met het voorafgaande hoofdstuk, waar gesproken wordt over de schapen die zullen weiden op de ‘bergen van Israël’ (34:13). Nadat in hoofdstuk 35 is afgerekend met de van Seïr, volgen in hoofdstuk 36 troostvolle woorden voor de van Israël. De woorden ‘mijn Geest zal ik in uw binnenste geven’ (3 6:27) verbinden dit hoofdstuk op zijn beurt weer met het volgende hoofdstuk, waar God zegt ‘Ik zal mijn Geest in u geven’ (37:14). In 37:21 lezen we dat de Israëlieten van alle kanten bijeengebracht zullen worden, in 38:8 trekt het leger van Gog op tegen het volk dat van alle kanten bijeengebracht is. De massagraven van de legers van Gog in 39:11-16 staan bovendien in contrast met de tot leven gebrachte doodsbeenderen in 37:1-14.

Jeruzalem en babel

Alhoewel Ezechiël optrad in , handelen veel van zijn profetieën over het land van Juda en de stad Jeruzalem. In zijn visioenen wordt de afstand tussen en Jeruzalem soms op bovennatuurlijke wijze overbrugd. Zo heft de Geest Ezechiël in 8:3 op en brengt hem ‘in gezichten Gods’ naar Jeruzalem. Daar ziet hij hoe de heerlijkheid van God de tempel verlaat, waarna hij in 11:24 opnieuw door de Geest opgeheven wordt en weer teruggebracht wordt naar. Aan het einde van het boek brengt de hand van God hem opnieuw naar ‘een zeer hoge berg’ in Jeruzalem (40:2). Daar krijgt hij visioenen van een nieuwe tempel en ziet hij hoe Gods heerlijkheid daarnaar terugkeert. Hierna lezen we niet meer dat Ezechiël weer wordt teruggebracht naar. De uitgebreide beschrijving van de tempel wordt gevolgd door aanwijzingen voor de verdeling van het land en een beschrijving van de muur van de stad met haar poorten. Daarmee eindigt het boek Ezechiël.

Ezechiël zag in zijn visioen van de tempel te Jeruzalem dezelfde verschijning van Gods heerlijkheid die hij tevoren gezien had in zijn roepingsvisioen bij de rivier de Kebar in (8:4). Blijkbaar was Gods heerlijkheid niet gebonden aan de plaats van de tempel en kon zij ook meer dan duizend kilometer verderop aan een Joodse balling in verschijnen. Aangezien op vele plaatsen in het Oude Testament de heerlijkheid van God verbonden wordt met het land Israël, en vooral met Gods woonplaats, de tempel te Jeruzalem, zal deze gedachte van een niet aan plaats gebonden heerlijkheid van God, die zich zelfs op niet-Israëlitische bodem kan openbaren, verre van vanzelfsprekend geweest zijn voor Israëlieten uit de eerste helft van de zesde eeuw voor Christus.

In andere gevallen lijkt de afstand tussen en Juda eenvoudigweg niet te bestaan. In6:1-2 moet Ezechiël zich richten tot de bergen van Israël, in 13:2 moet hij profeteren tegen de profeten van Israël, en in 16:2-3 en 22:2-3 moet hij spreken tot Jeruzalem. In 20:46 moet hij zijn gezicht naar de Negev wenden, en in 21:2 weer naar Jeruzalem. Ook in de latere hoofdstukken moet hij profeteren tegen de leiders van Israël (34:2), zijn gelaat richten tot het gebergte Seïr ten zuidoosten van Juda (35:2), en de bergen van Israël toespreken (36:1).

De afstand tussen en Juda is het meest voelbaar bij de val van Jeruzalem. In 24:1-2 zegt God tegen Ezechiël dat op die dag de koning van Babel begonnen is met de belegering van Jeruzalem en in 24:26 kondigt God de komst van een vluchteling aan, die Ezechiël de val van Jeruzalem zal melden; in 33:21, drie jaar na deze aankondiging en vijf maanden na de val van Jeruzalem, komt er inderdaad een vluchteling bij Ezechiël met het bericht dat Jeruzalem gevallen is.

Priesterlijke tradities

Het boek Ezechiël is op allerlei manieren verbonden met andere boeken van het Oude Testament. Een aantal elementen uit het boek doen denken aan de priesterlijke tradities en regels die we aantreffen in de Pentateuch. De priester Ezechiël (1:3) werd op dertigjarige leeftijd geroepen tot profeet (1:1), de leeftijd waarop priesters volgens Numeri 4:3 hun ambt begonnen te vervullen. De zeven dagen dat Ezechiël verbijsterd bij de ballingen in Tel-Abib verbleef na zijn roepingsvisioen (3:15), doen denken aan de zeven dagen van de priesterwijding (Lev. 8:35).

De tempel speelt een belangrijke rol in Ezechiël. Aan de ene kant vinden we een beschrijving van de verontreiniging van de tempel in hoofdstuk 8, aan de andere kant vinden we in hoofdstuk 40-43 een zeer gedetailleerde beschrijving van een nieuwe tempel. Bij deze beschrijving vinden we ook uitgebreide richtlijnen voor de priesters (44) en regels voor de religieuze feesten (45:18-46:24). Evenals in I Kronieken 28:2 wordt de tempel in Ezechiël 43 7 de voetbank voor Gods voeten genoemd, en de beschrijving van de heerlijkheid van God die in 43:5 de tempel vervult, herinnert aan de inwijding van de tabernakel in Exodus 40 en van de tempel van Salomo in I Koningen 8, waarbij eveneens Gods heerlijkheid de tabernakel (Ex. 40:34), respectievelijk de tempel (I Kon. 8:10) vervult.

De priesterlijke achtergrond van Ezechiël blijkt ook uit de belangrijke rol die rituele reinheid speelt. Het was de taak van de priesters om tussen heilig en onheilig te onderscheiden en om het verschil tussen rein en onrein te onderwijzen, hetgeen zij echter nalieten (22:26). Ook de zonden van het volk die in Ezechiël genoemd worden, hebben vaak te maken met cultische voorschriften, zoals de verontreiniging van het heiligdom in 5:11. Cultische reinheid is verbonden met het land Israël: het brood dat de Israëlieten op vreemde bodem zullen eten is onrein (4:13). Echter, ook het land dat rein was en moest blijven is door de Israëlieten verontreinigd (36:17). De priesterlijke achtergrond van de profeet maakt de opdracht om onrein voedsel te eten (namelijk voedsel dat gebakken is op gedroogde menselijke uitwerpselen) in 4:12-15 des te schokkender.

Tot slot kunnen we nog melden dat de formules in 18:9 ‘zo iemand is rechtvaardig; hij zal voorzeker leven’ betreffende iemand die rechtvaardig handelt en Gods voorschriften in acht neemt, en 20:11 ‘mijn verordeningen … de mens die ze opvolgt zal daardoor leven’, doen denken aan Leviticus 18:5 ‘Ja, gij zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in achtnemen; de mens die ze doet, zal daardoor leven’. De opsomming van dingen die men moet doen en die men juist moet nalaten die aan 18:9 voorafgaat, heeft haar parallellen in de Pentateuch, bijvoorbeeld in Leviticus 19:11-18 en Deuteronomium 27:15-26.

Schepping en oergeschiedenis

Er lopen een aantal lijnen vanuit het boek Ezechiël naar de verhalen over de schepping en de oudste geschiedenis van de mensheid in Genesis 1-11. Allereerst zijn er een aantal verwijzingen naar het paradijs. In hoofdstuk 31 zijn de bomen in ‘, Gods (vgl. Gen. 2:8-9) — naast de ‘ceders van de Libanon’ — een beeld van grote macht en trots (31:8. 9. 16 en 18), en in 36:35 wordt de ‘ van ‘ genoemd om grote vruchtbaarheid uit te drukken. In de slothoofdstukken van Ezechiël vinden we de tempelbeek (47:1), die doet denken aan de rivier die ontspringt in (Gen. 2:10). En zoals de hof van Eden vol staat met allerlei geboomte met vruchten die er heerlijk uitzien (Gen. 2:9), staan ook aan weerszijden van de tempelbeek veel vruchtbomen (47:7. 12; vgl. ook 31:8).

Ook het klaaglied op de van Tyrus in Ezechiël 28 roept allerlei herinneringen op aan Genesis 2-3. Van deze wordt gezegd dat hij zich eens bevond in , Gods (28:13), maar dat hij daaruit verdreven werd toen er ‘onrecht in hem gevonden werd’ (28:15). De beschrijving in Ezechiël is echter gekleurd door een aantal beelden die we niet tegenkomen in de sobere beschrijving in Genesis. Zo wordt er niet alleen gesproken over ‘, Gods (28:13), maar ook over ‘de heilige berg der goden’ (28:14. 16) en wordt de een ‘beschuttende cherub’ genoemd (2:12; vgl. de cherubs in Gen. 3:24), die volmaakt van gestalte was (28:12), en die bekleed was met goud en allerlei edelgesteente (28:13).

Voorafgaande aan de beschrijving van de van in Genesis 2:8-14 lezen we in Genesis 2:7 hoe God de levensadem blaast in de mens, waardoor deze tot een levend wezen wordt. Deze beschrijving klinkt door in Ezechiël 37:9-10, waar Ezechiël moet profeteren tot de wind (andere vertalingen: adem, geest), zodat deze komt in de levenloze lichamen die hij in zijn visioen ziet, en deze tot leven brengt.

In veel scheppingsverhalen uit het oude Nabije Oosten komen we het motief tegen dat de heilige stad van een volk geldt als het middelpunt van de wereld, waaromheen de rest van de aarde geschapen is (waarbij de stad die deze eer waardig gekeurd wordt uiteraard steeds wisselt). Dit motief is afwezig in het scheppingsverhaal in Genesis maar we komen het wel tegen in Ezechiël, waar Jeruzalem de ‘navel der aarde’ (38:12) en ‘het middelpunt van de volken’ (5:5) wordt genoemd.

Een ander motief dat wijdverbreid was in het oude Nabije Oosten, is dat van de beschrijving van de schepping van de wereld als een strijd tegen chaosmachten. Dit motief komt ook voor in de Bijbel, met name in de boeken Job en Psalmen. We vinden namelijk een aantal passages waarin gesproken wordt over de strijd van de Heer tegen het oermonster Rahab of Leviathan en de grenzen die God stelde aan de wateren van de oervloed (Job 26:12; Ps. 74:14; 89:11; 104:26; Jes. 27:1; 51:9; vgl. de woorden ‘woest en ledig’ en ‘de vloed’ in Gen. 1:2). In het Oude Testament wordt dit motief toegepast op de schepping (zie bijvoorbeeld Ps. 89:9-13), maar ook op de uittocht uit Egypte (waarbij Egypte of Rahab het oermonster is; vgl. Jes. 30:7; 51:9) of op de doortocht door de Schelfzee (waarbij God ‘de zee gekliefd heeft’; Ps. 74:13; zie ook Jes. 51:10). In Ezechiël vinden we dit motief terug in 29:2-5 en 32:2-8, waarwordt beschreven hoe God zal afrekenen met Farao, het machtige monster dat in de Nijl ligt (29:3).

Sommige vermeldingen in Ezechiël herinneren aan de volkenlijst in Genesis 10. Zo komen we in het klaaglied over Tyrus in hoofdstuk 27 een groot aantal namen tegen van de in Genesis 10 genoemde nakomelingen van Japhet en Cham, zoals de Kittiërs van de kustlanden (27:6; Gen. 10:4; GNB: ‘de bewoners van Cyprus’), Egypte (27:7; Gen. 10:6; NBG in Gen. 10:6: ‘Mizraim’), Elisa (27:7; Gen. 10:4), Arwad (27:8; Gen. 10:18), Put (27:10; Gen. 10:6), Tarsis (27:12. 25; Gen. 10:4), Tubal en Mesek (27:13; Gen. 10:2), Togarma (27:14; Gen. 10:3), Dedan (27:15. 20; Gen. 10:7), Jawan (27:19; Gen. 10:2. 4), Oezal (27:19; Gen. 10:27) en Seba (27:22. 23; Gen. 10:7). Van de nakomelingen van Sem worden in Ezechiël 27 Aram (27:16; Gen. 10:22) en (27:23; Gen. 11:27) genoemd. Alhoewel deze verwijzingen uitstekend verklaard kunnen worden als literaire verwijzingen naar de volkenlijst uit Genesis 10 en niet hoeven terug te gaan op enige andere vorm van kennis over ‘de volkenwereld’, geeft het gebruik van deze namen (evenals bijvoorbeeld het noemen van de vele verschillende soorten koopwaar die verhandeld werden) een indruk van grote geleerdheid en encyclopedische kennis.

Een vergelijkbare opsomming van de volken komen we tegen bij de beschrijving van de legers van Gog in hoofdstuk dit hoofdstuk vinden we Magog (38:2; Gen. 10:2), Mesek en Tubal (38:2; Gen. 10:4), Gomer (38:6; Gen. 10:2), Togarma (38:6; Gen. 10:3), Tarsis (38:13; Gen. 10:2), Ethiopië (38:5; Gen. 10:6), Put (38:5; Gen. 10:6), Seba (38:13; Gen. 10:7) en Dedan (38:13; Gen. 10:7). Door de vermelding van deze ‘oervolken’ krijgt de strijd die in Ezechiël 38-39 tegen Jeruzalem gevoerd wordt een welhaast kosmische reikwijdte.

Tradities over de woestijnreis van het volk Israël, de Sinaï, Sion en David

In de boeken Exodus, Numeri en Deuteronomium vinden we verhalen over de tocht van Israël door de woestijn en het verbijf van het volk bij de berg Sinaï. Een groot deel van de terugblik op de geschiedenis in Ezechiël 20 handelt over deze periode. Enkele motieven en thema’s die in deze verhalen een belangrijke rol spelen komen we ook tegen bij Ezechiël, zoals de formule ‘zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn’ (11:20; 14:11; 36:28; 37:27; vgl. Ex. 6:6; Lev. 26:12) en ‘mijn woning (tent) zal bij hen zijn’ (37:27; vgl. Lev. 26:11-12). De in het voorafgaande besproken beschrijvingen van Gods heerlijkheid in het boek Ezechiël doen denken aan de verschijningen van deze heerlijkheid in de woestijn, bijvoorbeeld bij de inwijding van de tabernakel en de priesterwijding (vgl. Ex. 16:10; 40:34; Lev. 9:23; Num. 14:10; 16:19; 20:6). In Ezechiëls visioenen van Gods heerlijkheid komen ook de verschijnselen die vermeld worden bij de theofanieën (Godsverschijningen) in Exodus 19:16-20 en 24:15-17 terug.

De beschrijving van de aanval van Gog in hoofdstuk 38-39 en de visioenen van de nieuwe tempel in de daarop volgende hoofdstukken staan in een lange traditie die men wel aangeduid heeft als de ‘Sionstraditie’. Het gaat daarbij om beelden en thema’s betreffende Jeruzalem als de stad van God die we tegenkomen in bijvoorbeeld Psalm 46, 48, 76, Jesaja 2:1-5, Joël 3:14-21 en Zacharia 12:1-9, 14:8-21. Een aantal van de motieven die in deze passages naar voren komen vinden we ook in Ezechiël: Jerzualem wordt beschreven als de stad waar God woont (43:7; vgl. Ps. 46:6; 76:3; Joël 3:17. 21), die gelegen is op een zeer hoge berg(40:2; vgl. Ps. 48:2-3; Jes. 2:2), waar een rivier stroomt (47:1-12; vgl. Ps. 46:5; Zach. 14:8), en die te maken krijgt met de dreiging van vijandige volken, die gezamenlijk tegen de stad optrekken, maar door goddelijk ingrijpen het onderspit moeten delven (38-39; vgl. Ps. 46:7; 48:5-7; 76:4; Joël 3:14; Zach. 14:12-15). In Ezechiël wordt in de beschrijving van de aanval van de vijandige volken een link gelegd naar eerdere tradities hierover door de verwijzing naar oudere profetieën in 38:17: ‘Zo zegt de Here HERE, Zijt gij het, van wie Ik in vroegere dagen gesproken heb door de dienst van mijn knechten, de profeten van Israël, welke in die dagen jarenlang geprofeteerd hebben, dat Ik u tegen hen zou doen optrekken?’

Een andere traditielijn die in Ezechiël nadrukkelijk is vertegenwoordigd is de zogeheten ‘Davidstraditie’. Op veel plaatsen in het Oude Testament wordt gesproken over een door God als koning aangestelde nakomeling van David, die rechtvaardig zal optreden en onder wiens bestuur het volk rust zal hebben. Ezechiël gaat nog een stap verder door niet slechts te spreken over een afstammeling van David, maar over een nieuwe David, die zal heersen over het volk Israël en het als een herder zal (34:23; 37:24; vgl. Hos. 3:5; volgens sommige oudtestamentici wordt de ‘nieuwe David’ ook verondersteld in Jes. 9:6 en 11:1). In Ezechiël 34 vormt deze David een scherp contrast met de ‘herders’ die het volk verwaarloosd hebben en het naar de ondergang geleid hebben.

Andere profeten

Wanneer we Ezechiël vergelijken met andere profeten uit het Oude Testament, zien we een aantal overeenkomsten. Deze overeenkomsten betreffen de literaire vormen waarin Ezechiël zijn boodschap uitdrukt, zoals het genre van het klaaglied (Ez. 19; 27; 28:12-19; 32:2-15; vergelijk bijvoorbeeld Amos 5:2-3; Jes. 23) en de beelden en metaforen die hij gebruikt, zoals het beeld van het volk als de ontrouwe echtgenote van God (Ez. 16, 23; vergelijk Hos. 1 en 3).

Ezechiëls roepingsvisioen (hoofdstuk 1-3) doet denken aan de roeping van Jesaja (Jes. 6) en het visioen van de profeet Micha ben Jimla (I Kon. 22:19-22). Het beeld van de troon van God dat we in Jesaja 6 en I Koningen 22 aantreffen, wordt bij Ezechiël gecombineerd met het beeld van het afdalen van Gods heerlijkheid dat we vinden in bijvoorbeeld Exodus 40:34, en met schilderingen van een theofanie in bijvoorbeeld Exodus 24:15-17 en Psalm 97:1-6 (zie de vorige paragraaf). Evenals Jesaja en Micha, worden Ezechiël negatieve reacties in het vooruitzicht gesteld.

Er zijn een aantal overeenkomsten tussen het boek Ezechiël en het boek Jeremia. Jeremia, die gedeeltelijk eerder, gedeeltelijk in dezelfde tijd als Ezechiël optrad, was evenals Ezechiël van priesterlijke afkomst. De meest opvallende overeenkomsten vinden we in teksten over het nieuwe begin dat God met zijn volk zal maken. In Ezechiël wordt dit als volgt beschreven:

Ik zal u weghalen uit de volken en u bijeenvergaderen uit alle landen, en Ik zal u brengen naar uw eigen land; Ik zal rein water over u sprengen, en gij zult rein worden; van al uw onreinheden en van al uw afgoden zal ik u reinigen; een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven; mijn geest zal Ik in uw binnenste geven en maken, dat gij naar mijn inzettingen wandelt en naarstig mijn verordeningen onderhoudt. Gij zult wonen in het land dat Ik uw vaderen gegeven heb; gij zult Mij tot een volk zijn en Ik zal u tot een God zijn. (Ez. 36:24-28)

De passages in Jeremia luiden:

Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. (…) Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: de HERE, want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken. (Jer. 31:31-34)

Zie, Ik verzamel hen uit al de landen, waarheen Ik hen in mijn toorn en gramschap en grote verbolgenheid zal verdreven hebben, en Ik zal hen naar deze plaats terugbrengen en hen veilig doen wonen; zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn. (Jer. 32:37)

De overeenkomsten zijn zo groot dat Ezechiël de passages in Jeremia lijkt te veronderstellen, maar over de precieze relatie tussen de teksten in Jeremia en die in Ezechiël lopen de meningen uiteen. De formule ‘Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn’ die in alle drie de geciteerde passages voorkomt, herinnert aan teksten uit Exodus en Leviticus (zie boven).

Een andere opvallende overeenkomst tussen Jeremia en Ezechiël is het spreekwoord ‘de vaders hebben onrijpe druiven gegeten en de tanden der kinderen zijn slee geworden’, dat zowel in Ezechiël 18:2 als in Jeremia 31:29 geciteerd wordt (vgl. Klaagl. 5:7). Ook spreken zowel Jeremia als Ezechiël over profeten die het volk misleiden door ‘Vrede!’ te roepen, terwijl er geen vrede is (13:10; Jer. 6:14; 8:11).

Uitwerking van de traditiestof bij Ezechiël

We hebben in dit hoofdstuk veel elementen uit het boek Ezechiël gezien die we ook aantreffen in andere, veelal oudere bijbelboeken. Toch bestaat het boek niet uit een samenraapsel van oud-Israëlitische overleveringen. De genoemde literaire vormen, beelden en motieven hebben een plaats gekregen in het literaire kunstwerk van het boek Ezechiël. het beeld van een mozaïek te gebruiken: veel steentjes kennen we uit de traditie, maar de combinatie van de steentjes tot een mozaïek, samen met steentjes die we niet uit andere boeken kennen, is uniek.

Niet alleen het bij elkaar komen van de traditie-elementen in het boek Ezechiël is uniek, ook de inkleuring en verwerking van deze elementen is vaak zonder precedenten. Veel van de motieven en tradities die in Ezechiël een plaats gekregen hebben, zijn daar veel meer uitgebreid dan waar ook in het Oude Testament. De beschrijving van Gods heerlijkheid, die in het boek zo’n belangrijke plaats inneemt, is groter en gedetailleerder dan alle andere beschrijvingen van theofanieën of verschijningen van Gods heerlijkheid in de Bijbel; de allegorieën van de ontrouwe echtgenote zijn in Ezechiël veel uitgebreider dan in bijvoorbeeld Hosea; de beschrijving van de aanstormende volken die Sion willen vernietigen en de ondergang van deze volken wordt breed uitgemeten zoals we dat nergens anders in de Bijbel tegenkomen; en de strijd van de Heer tegen het zeemonster is gedetailleerder dan iedere andere verwijzing naar dit gevecht waar dan ook in de Bijbel (met uitzondering van de mogelijk indirekte verwijzing naar dit gevecht in de beschrijvingen van het nijlpaard en de krokodil in Job 40:10-41:25).

Nawerking van het boek Ezechiël

In het voorafgaande hebben we gezien hoe Ezechiël allerlei tradities heeft opgenomen en verwerkt in zijn boek. Op zijn beurt heeft het boek Ezechiël weer enorme invloed gehad op latere geschriften. Met name in apocalyptische en mystieke stromingen speelde het boek een belangrijke rol. De geleerde Ben Zion Wacholder meent zelfs vanaf Ezechiël tot de Dode-Zeerollen een doorlopende lijn te kunnen waarnemen van een op Ezechiël gebaseerde, ‘sectarische’ traditie, die overgeleverd werd in een tegen het priesterlijke establishment gekante oppositie-beweging, die hij ‘Ezechiëlianisme’ (Ezekielianism) noemt. Hij vestigt de aandacht op een aantal punten waarop Ezechiël afwijkt van andere boeken van de Bijbel, zoals zijn schema van 40 jaar ballingschap (4:6) in plaats van de bekende 70 jaar die we bij Jeremia aantreffen, de afwezigheid van het ‘deuteronomistische’ schema zonde—straf— inkeer—uitredding in Ezechiëls terugblik op de geschiedenis (hoofdstuk 20), en het gebruik van een aantal woorden en begrippen die we elders in de Bijbel niet of nauwelijks tegenkomen, maar die in de ‘sectarische’ literatuur, waaronder de Dode-Zeerollen, een belangrijke plaats innemen, zoals bijvoorbeeld de 390 dagen/jaren in Ezechiël 4:5 en in de regels 5-6 van de eerste kolom van het zogenoemde Damaskus Document. Zonder de theorie van Wacholder hier verder te bespreken, kunnen we opmerken dat het in ieder geval duidelijk is dat Ezechiël in de gemeenschap van Qumran, die zichzelf als de ware ‘zonen van Zadok’ (Ez. 40:46; 43:19; 44:15; 48:11) beschouwde, een belangrijke rol speelde.

Een andere lijn loopt van het openingsvisioen van Ezechiël naar esoterische speculaties over de ‘troonwagen’ (merkava; het beeld van een ‘wagen’ is gebaseerd op de vier wielen in Ez. 1:15-21, alhoewel hier het woord ‘wagen’ nog niet voorkomt; Jezus Sirach gebruikt het bij zijn zeer korte beschrijving van Ezechiël in Sir. 49:8). Deze speculaties vinden we bijvoorbeeld in de te Qumran en gevonden ‘Liederen voor het Sabbatsoffer’, ook wel ‘Hemelse Liturgie’ genoemd. Dit document bevat — naast beschrijvingen van de hemelse tempel, de engelen die als priester in deze tempel dienst doen, hun lofprijzingen en de offers die zij brengen—een beschrijving van de hemelse troonwagen, die duidelijk een uitwerking is van Ezechiëls openingsvisioen. Veel elementen uit dit visioen vinden we ook terug in I Henoch 14. Dit hoofdstuk is een onderdeel van het Boek van de Wachters in I Henoch 1-36. Het beschrijft Henochs tocht door de afzonderlijke vertrekken van de hemelse tempel tot voor de troon van God in het binnenste vertrek van de tempel, het Heilige der Heiligen.

De lijn van esoterische speculaties over de ‘troonwagen’ die gebaseerd zijn op het roepingsvisioen van Ezechiël, zet zich voort in de merkava-mystiek. Dit is een van de oudste vormen van Joodse mystiek, die gericht is op het doordringen door de hemelse paleizen tot de troon van God. De beschrijvingen van de reis door de paleizen van de zeven hemels en het naderen tot de troon van Gods majesteit vinden we met name in de Hechalot- of paleizen-literatuur.Ook op het vroege christendom heeft het boek Ezechiël zijn stempel gedrukt. We volstaan hier met het noemen van enkele elementen uit Ezechiël die hun weerslag hebben gevonden in het boek Openbaring: het visioen van de troon van God, met onder andere de vier levende wezens (Ez. 1; Openb. 4), de aan beide zijden beschreven boekrol (Ez. 2:9-10; Openb. 5:1), het opeten van de boekrol (Ez. 3:3; Openb. 10:10), het teken op de voorhoofden (Ez. 9:4; Openb. 7:3), de klaagzang over Tyrus (Ez. 26:15-18), respectievelijk Babylon (Openb. 18:9-19), de ‘opstanding’ (Ez. 37:1-14; Openb. 20:1-6; in Ezechiël is het herleven van de dorre doodsbeenderen een beeld van de herrijzenis van het volk, in Openbaring gaat het om ‘opstanding der doden’), de aanval van ‘Gog in het land van Magog’ (Ez. 38:2) dan wel ‘Gog en Magog’ (Openb. 20:7-10), de beschrijving van het op een hoge berg gelegen nieuwe Jeruzalem (Ez. 40:2; Openb. 21:10) en de rivier met levend water en het geboomte aan weerszijden van deze rivier (Ez. 47:1-12; Openb. 22:1-2). De opeenvolging van de laatstgenoemde vier elementen is in beide boeken hetzelfde, hetgeen doet vermoeden dat niet alleen het gebruik van deze motieven in Openbaring, maar ook de structuur waarin zij geplaatst zijn, gebaseerd is op Ezechiël.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken