Ezra en Nehemia
INLEIDING
I. Oorspronkelijke eenheid
In synagoge en oude kerk vormden Ezra en Nehemia samen één boek, Ezra genaamd. Origenes (185-254) is de eerste die van twee afzonderlijke boeken spreekt. In de Vulgata heten deze twee boeken 1 en 2 Ezra. In art. 4 NGB is nog van ‘het eerste van Ezra’ sprake.
II. De auteur
De babylonische talmoed – en de oudchristelijke traditie is van dezelfde opvatting – noemt als auteurs Ezra, die ‘zijn eigen boek (nl. Ezra) en de geslachtslijsten van Kronieken tot op zijn eigen tijd’ geschreven zou hebben en ‘Nehemia die het boek voortzette.’ Vanwege de in Ezra 7:28b-9:15 en Neh. 1:1-7:72; 12:31-43; 13:4-31 voorkomende ‘ik-stijl’ duidt men de betreffende passages wel aan als ‘Het geschrift van Ezra’ en ‘De memoires van Nehemia’. Deze auteur gebruikte o.a. een geschrift van Ezra en memoires van Nehemia. De hand van een latere bewerker laat zich gemakkelijk herkennen bv. in de genealogie van de hogepriesters (Neh. 12:10, 11), die minstens tot in het begin van de vierde eeuw afdaalt, alsook in een formule als ‘in de dagen van Nehemia’ (Neh. 12: 47).
Veelal noemt men deze K. (Kronist) en houdt hem voor de auteur van één groot Kronistisch Geschiedwerk, dat 1 en 2 Kron. + Ezra + Neh. omvatte. Argumenten: a) Het slot van 2 Kron. 36 is gelijkluidend aan Ezra 1 :l-3a. b) Overeenstemming van taal, stijl en gedachtenwereld (bv. voorkeur voor tabellen en liturgische aangelegenheden) tussen Kron. enerzijds en Ezra-Neh. anderzijds. Intussen is geenszins bewezen dat Kron. en Ezra-Neh. oorspronkelijk één werk hebben gevormd.
Er zijn nl. eveneens in het oog lopende verschillen, a) Tegenover de grote rol die Davids huis in Kron. speelt staat het feit dat van Zerubbabel in Ezra niet eens wordt meegedeeld dat hij uit Davids huis stamt, b) In Kron. leeft de verwachting van de komst van het Koninkrijk als vervulling van de belofte, terwijl in Ezra-Neh. de wetsgetrouwe gemeente als gerealiseerd ideaal getekend wordt. Ik houd het op een ons onbekende bewerker, die Ezra-Neh. samenstelde.
III. Ontstaanstijd
Tot een zeer late datering (sommigen ca 160 v. Chr.) is men gekomen door het vooroordeel dat de schrijver van Ezra-Neh. hier en daar chronologisch in de war moet zijn geweest. Uit Ezra 4:23, 24 zou bv. blijken dat de schrijver niet meer op de hoogte was van de volgorde van de koningen. Indien men onbevooroordeeld leest zullen alle chronologische problemen zich op de meest ongedwongen wijze laten oplossen. De opvatting dat Ezra-Neh. in zijn huidige vorm van ca 400 v. Chr. dateert is mi. dan ook nimmer serieus aan het wankelen gebracht.
IV. Historische achtergrond
Ezra-Neh. tekent ons de geschiedenis van het joodse volk in de periode na de ballingschap. Het perzische rijk, dat zich uitstrekte van de Indus tot Syene (het huidige Assoean in Egypte), vormt de historische kon tekst van het herstel van Juda als een zelfstandige provincie, die deel uitmaakte van ‘Over de Rivier’ (= over de Eufraat), een van de twintig perzische satrapieën. Ezra 2:1, verklaring.
De boeken Ezra-Neh. beschrijven gebeurtenissen uit de jaren 538-536, 520-515, 485, 458, 450, 445-433 en nog enige jaren daarna.
V. Chronologie
Allereerst een lijst van perzische koningen:
Cyrus of Kores II, de Grote (± 560-530 v. Chr.).
Cambyses (530-522 v. Chr.).
Darius I (522-486 v. Chr.).
Xerxes of Ahasveros (485-465 v. Chr.).
Artaxerxes /.Longimanus (465-424 v. Chr.) (Arthachsasta’).
Darius II (423-404 v. Chr.).
Artaxerxes II Mnemon (404-359 v. Chr.).
Artaxerxes III Ochus (359-338 v. Chr.).
Darius III Codomannus (336-330 v. Chr.).
De laatste werd verslagen door Alexander de Grote in
333 en 331 v. Chr.’Zo kwam er een einde aan het eersteperzische rijk.
Enkele jaartallen:
538 Verlof van Cyrus en terugkeer van de eerste karavaan (Ezra 1-2).
537 Herbouw van het altaar te Jeruzalem (3:1).
536 Aanvang tempelbouw (3:8).
520 Hervatting tempelbouw (4:24).
515 Bouw van de tempel gereed (6:15).
ca. 485 Aanklacht tegen de Joden bij Ahasveros (4:6).
458 Aankomst van Ezra (7:7).
ca. 450 Tweede aanklacht tegen de Joden bij Arthachsas-ta, als gevolg waarvan de herbouw van de muur wordt stilgelegd (4:7).
445 Komst van Nehemia en voltooiing van de muren (Neh. 2:1; 6:15).
433 Einde van Nehemia’s eerste ambtsperiode (5:14; 13:6) .
ca. 430 of iets later. Tweede optreden van Nehemia (13:7) .
VI. Hoofdpersonen
Het levenswerk van Ezra, priester-schriftgeleerde, was de wet des Heren tot richtsnoer te maken voor de gemeente van teruggekeerde ballingen (Ezra 7:10). Vooral zijn maatregelen tegen de gemengde huwelijken worden uitvoerig beschreven (Ezra 9-10). Voor een deel valt zijn optreden gelijktijdig met Nehemia (Neh. 8:9; 12:36). Nehemia, schenker aan het perzische hof, verkrijgt de aanstelling tot landvoogd van Juda. In die functie wordt door hem de herbouw van Jeruzalems muren, ondanks tegenstand van de zijde van de Samaritanen, krachtig ter hand genomen. Ook is hij Ezra tot steun in zijn ijveren tegen misbruiken (Neh. 13).
VII. Theologie
A. Wereldpolitieke gebeurtenissen worden geleid door Israels God..De groten der aarde zijn Zijn werktuigen. Ezra 1:1; 6:22; 7:6, 27; Neh. 1:11; 2:8. Opvallend is de plaats van God en van de koning in Ezra 6:14.
B. Bij de teruggekeerden leeft de overtuiging de wettige voortzetting te zijn van het volk van vóór de ballingschap. Vgl. het twaalftal leiders (Ezra 2:2; Neh. 7:7). Ezra 6:16, 17 verklaring.
C. Israel wordt van een vólk (een nationale eenheid) tot een ‘gemeente’ (een geestelijke eenheid), waar priesters de leiding hebben, Ezra 2:64; 10:12, 14; Neh. 13:1. Het zijn Levieten die de stadspoorten bewaken, Neh. 7:1; 13: 22.
D. Het zuiver houden van Israels geestelijk erfgoed vormt het motief van het particularisme, de afzondering van de gemeente. Sterk treedt het besef een afgezonderd volk te zijn naar voren in uitdrukkingen als ‘het heilige zaad’ (Ezra 9:2), ‘heilige plaats’ (Ezra 9:8), ‘uw heilige sabbat’ (Neh. 9:14) en ‘de heilige stad’ (Neh. 11:1, 18). In dit licht is ook de strijd tegen de gemengde huwelijken te zien, alsook de afwijzing van de Samaritanen.
VIII. Inhoud
TERUGKEER UIT DE BALLINGSCHAP EN HERBOUW VAN DE TEMPEL Ezra 1:1-6:22.
Cyrus’ verlof tot terugkeer en tot tempelbouw 1:1-11.
Lijst van teruggekeerden 2:1-70.
Herbouw van het altaar en begin tempelbouw 3:1-13.
De tempelbouw gestaakt 4:1-5.
Onophoudelijke tegenstand 4:6-23.
Aansporing tot hervatting van de tempelbouw 4:24-5:2.
Het onderzoek van Thathnai 5:3-17.
Hernieuwing bouwvergunning door Darius 6:1-12.
Inwijding van de tempel 6:13-18.
Eerste Paasfeest in de nieuwe tempel 6:19-22.
DE GESCHIEDENIS VAN EZRA Ezra 7:1-10:44.
Ezra krijgt grote bevoegdheden 7:1-28.
Ezra’s reis en reisgenoten 8:1-36.
Ezra’s strijd tegen de gemengde huwelijken 9:1-10:44.
WERKZAAMHEDEN VAN NEHEMIA Neh. 1:1-7:72.
Nehemia krijgt verlof om naar Jeruzalem te gaan 1:1-2: 10.
Onderzoek naar de staat van de muren 2:11-20.
Herbouw van muren en poorten van Jeruzalem 3:1-32.
Voortzetting van het werk ondanks tegenstand 4:1-23.
Sociale maatregelen tegen verarming 5:1-19.
Voltooiing van de muren 6:1-19.
Bewaking van de stad en lijst van teruggekeerden 7:1-72.
VERNIEUWING VAN HET VERBOND Neh. 8:1-10:39.
Voorlezing uit de wet 8:1-13.
Viering van het Loofhuttenfeest 8:14-19.
Dag van boete en smeekgebed 9:1-37.
Bekrachtiging van het verbond 9:38-10:39.
VERDERE ACTIVITEITEN VAN NEHEMIA Neh.11:1-13:3.
Uitbreiding van de bevolking van Jeruzalem 11:1-36.
Lijsten van priesters en Levieten 12:1-26.
Inwijding van de stadsmuur 12:27-47.
Uitsluiting van de vreemden 13:1-3.
HERVORMINGEN IN NEHEMIA’S TWEEDEAMBTSTERMIJN Neh. 13:4-31.
Verwijdering van Tobia 13:4-9.
Herstelling van de positie der Levieten 13:10-14.
Handhaving van de sabbatsrust 13:15-22.
Nieuwe maatregelen tegen vreemde vrouwen 13:23-31.
VERKLARING
EZRA
Terugkeer en herbouw van de tempel 1:1-6:22
Cyrus’ verlof tot terugkeer en tot tempelbouw 1:1- het eerste jaar van Kores (1). Bedoeld wordt het eerste jaar van zijn wereldheerschappij, tevens het eerste jaar van zijn heerschappij over de Joden, 538 v. Chr. Cyrus II (elamitische naam, Hebr. Kores) wordt reeds 559 vermeld als koning van Ansjan (noord-Mesopotamië), ten O. van Babyion. Koning van Meden en Perzen sedert 553. Met de verovering van Babel (539) was het perzische wereldrijk gevestigd. Wekte de HERE de geest van Kores (1). 1 Kron. 5:26; 2 Kron. 21:16; Jer. 51:11; Hag. 1: 14. Het is de HERE, Die de wereldpolitiek beheerst. De machtige Kores is slechts instrument om Zijn raad uit te voeren. Jes. 44:28 noemt Kores ‘Mijn herder’; Jes. 45:1 heet hij ‘Zijn gezalfde’. Vgl. Jes. 41:25; 43:14; 45:1-5, 13. Volgens Flavius Josephus heeft Kores deze profetieën gelezen en raakte hij er zo van onder de indruk dat hij dadelijk het bekende edict ten gunste van de Joden uitvaardigde. Het woord des HEREN, door Jeremia verkondigd (1). Jer. 25:11, 12; 29:10. Sommigen passen de ‘zeventig jaren’ op de periode van de verwoesting van detempel: 586, tot de inwijding van de nieuwe tempel: 516 (Ezra 6:15). De ‘zeventig jaren’ van Jer. 29:10 hebben evenwel betrekking op de tijdsduur van Babels oppermacht: tussen de val van Nineve in 612 en de val van Ba-bel in 539 liggen 73 jaren. Hierbij is te bedenken dat de eerste wegvoering plaats vond in 606, het derde jaar van Jojakim (Dan. 1:1). Zo zegt Kores (2). In de verzen 2-4 volgt de proclamatie van Cyrus. In het algemeen was de behandeling van de overwonnen volken door de perzische koningen een heel andere dan men gewoon was van de Assyriers en Babyloniërs. Kenmerkend voor de perzische heersers was niet de toepassing van massale deportaties, maar een streven de overwonnen volken in hun nationaal-religieuze gevoelens te ontzien. Ongetwijfeld kwam dit de rust in het grote rijk ten goede. Heeft de HERE mij gegeven (2). In de spijkerschriftcylinder welke zijn daden verheerlijkt, verklaart Cyrus tegenover de Babyloniërs, dat Mardoek, de god van Babel, hem riep tot de heerschappij over de hele wereld. Geheel in dezelfde geest wordt hier aan het adres van de Joden zijn koningschap aan de HERE toegeschreven. Los van Cyrus’ persoonlijke geloofsovertuiging sprak deze heiden hier toch de volle waarheid. De God des hemels (2). 5:11, 12; 6:9,10; 7:12,21, 23; Neh. 1:4, 5; 2:4,20. Deze naam was in gebruik voor diverse hoge semitische goden, bv. Baäl en Mardoek. Een geschikte naam voor het diplomatieke verkeer, daar niemand zich eraan behoefde te stoten. Heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen (2). Van Cyrus is bekend dat hij verscheidene maatregelen heeft genomen tot het herstel van oude tempels, bv. in Assur en Susa. Hierbij zal een religieus motief: zich verzekeren van de gunst der goden, verbonden zijn geweest aan een politiek motief: van de volken loyale onderdanen te maken. Een betrouwbaar steunpunt in Jeruzalem kwam Cyrus beter van pas met het oog op zijn verstrekkende plannen tav. Egypte. Tot enig deel van Zijn volk (3). Het verlof tot de terugkeer is niet beperkt tot de mensen van het voormalige tweestammenrijk, maar omvat ook die van het tienstammenrijk. Een ieder die overgebleven is (4). De ‘ontkomenen’ of het ‘overblijfsel’ is reeds vóór de ballingschap aanduiding van dat gedeelte van het volk Israel dat gelouterd door het oordeel erfgenaam is van het beloofde heil. Jes. 10:20-22; 11:11, 16; 28:5; Jer. 31:7. Men zie ook Rom. 9:27-29. Deze uitdrukking in het decreet van Cyrus laat vermoeden dat joodse functionarissen hebben geassisteerd bij de vervaardiging ervan. Dien moeten zijn plaatsgenoten ondersteunen. (4). Gedacht zal zijn aan niet-joodse plaatsgenoten, met name Babyloniërs, daar zulk een bevel gericht aan medebroeders overbodig lijkt. Verrassend is de parallel met Ex. 3:22; 12:35. De familiehoofden (5). De voornaamsten van elk geslacht. Zij waren invloedrijk, 10:16; Neh. 8:14. Naast dezen dikwijls de ‘oversten’, de ‘leiders’, de ‘oudsten’, de ‘rechters’ en de ‘edelen’. De gezagsverhoudingen zijn niet meer precies af te grenzen. Vertegenwoordigers van geslachten en steden zullen wellicht een raad hebben gevormd, die als bestuurscollege voorloper kan worden geacht van het latere Sanhedrin. Van Juda en Benjamin (5). 4:1. Duidelijk de kern van het nieuwe volksgeheel; leden van andere stammen, wellicht ook kleiner in aantal onder de teruggekeerden, zijn niet meer wezenlijk voor de nieuwe structuur van het volk. Wier geest God had opgewekt (5). We moeten bedenken: a) Velen waren geboren en opgegroeid in Babel, b) Velen hadden bezittingen in Babel, c) De voetreis was vermoeiend. Goddelijke opwekking was nodig om te gaan. Het gerei van het huis des HEREN (7). Deze teruggave is door Jeremia voorzegd, Jer. 27:19-22: 28:6. Mithredath (8) (= ‘Gewijd aan Mithra’, een perzische godheid). Later, als het christendom zich verbreidt in het romeinse rijk, zal de Mithra-verering nog een belangrijke ‘rivaal’ blijken. Mithredath moet voor de goede aflevering van de voorwerpen zorg dragen.
Sesbazzar (8). 1:11; 5:14, 16. Over zijn relatie tot Zerub-babel bij 2:2. Mogelijk is hij dezelfde als de 1 Kron. 3:18 genoemde Senassar, zoon van koning Jojachin. 3 Ezra, een der apocriefen, noemt hem Senabassar. De Perzische vorsten waren gewoon aan inheemse prinsen het bestuur over onderworpen volken te geven. Vorst (8). Hebr. nasi. Ex. 35:27; Num. 2:3; 1 Kron. 2:10, 5:6. Vertegenwoordiger v.e. stam; stamhoofd. In 5:14 wordt hij stadhoudergeheten; vgl. 2:63.
Lijst van teruggekeerden 2:1-70
Na een inleiding (I) is de indeling van de lijst als volgt: burgers (II), priesters (III), Levieten (IV), zangers (V), poortwachters (VI), tempelhorigen (VII), slaven van Salomo (VIII), dubieuze gevallen (IX) en het totaal (X). Op de eigenlijke lijst volgen nog twee aanhangsels betreffende schenkingen voor de tempel en inbezitname der woonplaatsen (XI).
Het gewest (1). Het perzische rijk was ingedeeld in 20 grote provincies, satrapieën genoemd. Het gewest Juda, waarover Sesbazzar (bij 1:8) tot stadhouder was aangesteld, maakte deel uit van de satrapie Abar-Nahara (lett. ‘Over de Rivier’): het gebied ten w. van de Eufraat, dat ook Cyprus omvatte. Naar zijn stad (1). Waar de familie vóór de ballingschap was gevestigd geweest. Met Zerub-babel(2). 1 Kron. 3:19; Ezra2:2; 3:2, 8; 4:2, 3; 5:2; Neh. 7:7; 12:1, 47; Hag. 1:1, 12, 14; 2:3, 5, 24; Zach. 4:6, 7, 9, 10; Mat. 1:12. Bet. ‘Zaad van Babel’. Uit het koninklijk geslacht van David, 1 Kron. 3:19. Men heeft hem wel vereenzelvigd met Sesbazzar (1:8), wiens naam in dit vers ontbreekt. Ten onrechte. In het apocriefe 3 Ezra worden beiden afzonderlijk genoemd en dus duidelijk van elkaar onderscheiden. In Hag. 1:1 ‘de landvoogd van Juda’. Dan is hij Sesbazzar klaarblijkelijk opgevolgd (die in 5: dezelfde functie wordt vermeld, daar vertaald door ‘stadhouder’). Elf aanvoerders worden genoemd. Neh. 7, dat dezelfde lijst biedt als Ezra 2, telt er in vs 7 twaalf. Denkbaar is dat de naam Nahamani is uitgevallen. Over het twaalftal zie Inleiding VlIIb. Jesua (2). Ook Jozua genoemd (Hag. 1:1, 12; 2:1; Zach. 3). Kleinzoon van de hogepriester Seraja, die op bevel van Nebukadnezar te Ribla was gedood (2 Kon. 25:18-21). Nehemia (2). Een ander dan de grote reformator. Meer voorkomende naam, Neh. 3:16.
II. Opmerkelijk is dat de lijst van burgers (vs 2b-35) persoonsnamen en plaatsnamen door elkaar noemt. Familieverbanden worden in het algemeen (maar niet consequent: vss 24-26, 33) aangeduid met: ‘de zonen van’, plaatsverbanden met: ‘de mannen van’. De vroegere grondbezitters en invloedrijke burgers zullen in geslachten zijn georganiseerd (vss 3-20, 29-32, 35). Vele vandeze geslachten vinden we in latere lijsten (bv. Ezra 8 en 10) terug. Uit de genoemde plaatsnamen (vss 21-28, 34) kan men zich een idee vormen van de omvang van de provincie Juda: geen enkele hier vermelde plaats ligt meer dan van Jeruzalem verwijderd. Het aantal teruggekeerden is per geslacht heel verschillend: Tegenover Paros (3) met 2172 staatGibbar (20) met 95. De andere Elam (31). 2:7. Opvallend is het precies overeenkomende aantal: 1254. Senaö (35). Neh. 3:3; 7:38. Volgens sommigen aanduiding van het proletariaat van Jeruzalem. Van deze groep een zeer groot aantal: 3630 (Neh. 7: 38 zelfs 3930).
III. Volgens 1 Kron. 24 verdeelde Davidde priesters (36) in 24 afdelingen. Ezra 10:18-22 dezelfde 4 klassen. Tot hetzelfde geslacht als Jedaja (36) behoorde ook Jesua, de hogepriesterlijke familie (bij Ezra 2:2). In Neh. 11:11 heet deze familie weer naar Seraja, de grootvader van Jesua. Het aantal teruggekeerde priesters is bijzonder groot: 4289, di. 1/10 van het in vs 64 genoemde totaal!
IV. Het aantal Levieten (40) is uitzonderlijk klein: 3 families met 74 personen. Ezra (8:15-18) vindt er straks met moeite 38. Lokte Juda’s toekomst deze lagere tempeldienaren niet aan?
V. De zangers (41). De organisatie van de tempelzang wordt aan David toegeschreven, 1 Kron. 6:31-47; 25:1-7. Van de drie families Asaf, Heman en Ethan (= Jedu-thun) komt hier alleen Asaf voor. Later (Neh. 11:17) is ook Jeduthun vertegenwoordigd.
VI. De poortwachters (42). Een soort tempelpolitie, belast met het bewaken, openen en sluiten van de tempelpoorten. Hielden ook toezicht op de schat- en voorraadkamers van het huis Gods, Neh. 12:25. Als voortzetting van het oude ambt van dorpelwachter bij de tent in de woestijn wordt dit ambt 1 Kron. 9:19 tot op Pinehas, Aärons kleinzoon, teruggevoerd. Zangers en poortwachters zijn te beschouwen als gespecialiseerde Levieten, 1 Kron. 15:16-24; 26:1-19. Soms worden ze bij de Levieten geteld, Neh. 12:24, 25; soms ook apart vermeld, 2:41, 42; 7:7.
VII. De tempelhorigen (43). Hebr. netinim, lett. ‘gegeve-nen’. Volgens 8:20 schonk (hebr. natan) David enige krijgsgevangenen voor de dienst van de Levieten. Zij verrichten het nederige werk in de tempel.
VIII. Salomo’s knechten (55). Zij zijn nakomelingen van de door Salomo te werk gestelde Kanaänieten, 2 Kron. 8: 7, 8. Nauw verbonden met de tempelhorigen.
IX. Het register (62). Blijkens 1 Kron. 5:17 en Neh. 7:5 bestond de gewoonte genealogieën bij te houden. Men bezat hierin waarborg dat men werkelijk tot het priesterlijk geslacht behoorde. Een aantal geslachten dat pretendeert priesterrechten te hebben kan echter geen bewijsstukken overleggen. Zijn sommige papieren in de ballingschap zoekgeraakt? Barzillaï (61) 2 Sam. 17:27; 19: 31; 1 Kon. 2:7. De stadhouder (63). Perzisch: tirsjata, waarschijnlijk een titel. Sesbazzar, 1:8. Ook Nehemia wordt met deze titel vermeld, Neh. 8:9; 10:1. Urim en Tummim (63). Voorwerpen (men denkt aan twee steentjes) die zich in het borstschild van de hogepriester bevonden, Ex. 28:30. Ze dienden om de wil van de Here in speciale gevallen te leren kennen, Num. 27:21; 1 Sam. 28:6. Een priester moest met de U. en T. uitmaken of deze geslachten inderdaad rechten hadden. Volgens de joodse traditie zijn U. en T. na de ballingschap niet meer in het bezit geweest van de hogepriester.
X. Zowel Ezra 2:64 als Neh. 7:66 hebben als totaalcijfer 42360. Als som van de afzonderlijke getallen komt Ezra evenwel niet hoger dan 29818 en Neh. tot 31089. Het apocriefe 3 Ezra voegt aan het totaalcijfer toe: ‘behalve de jongens en de meisjes’. Dit wijst erop dat de vrouwen in het totaalcijfer wél meegeteld zijn. In dat geval was het aantal vrouwen beduidend lager dan het aantal mannen. Mede een aanleiding tot het verschijnsel van de gemengde huwelijken (Ezra 9 en 10)? Zangers en zangeressen (65). Natuurlijk niet de tempelzangers (vs 41), maar beroepszangers die bij feesten of begrafenissen optraden (2 Sam. 19:35; 2 Kron. 35:25; Pr. 2:8). De gouden drachme (69) is oude griekse munt. Samen met de 5000 zilveren minen ong. 1,3 miljoen gulden. Vergelijking met Neh. 7:69-71 laat nogal wat verschillen zien. Ezra geeft afgeronde getallen.
Herbouw van het altaar en begin tempelbouw 3:1-13
Vlak na de terugkeer werd een altaar opgericht, vss 1-6 (a) en de eerste steen van een nieuwe tempel gelegd, vss 7-13(b).
a. De zevende maand (1). 537 v. Chr. Deze maand was aangewezen voor het herstel van de offerdienst: 1/7 Nieuwjaarsdag, 10/7 Grote Verzoendag en 15-23/7 Loofhuttenfeest. Vgl. Neh. 8:1. Jesua (2). 2:2. Zerubba-bel (2). 2:2. Op zijn fundamenten (3). Eig. ‘op z’n oude plaats’. (2:68). Hier was de dorsvloer van Arauna waar David het eerste altaar had opgericht (1 Kron. 21:18) en waar later de tempel verrezen was. De volken der landen (3). Een zeer gemengde bevolking. Naar het noorden waren als gevolg van de assyrische deportatiepolitiek allerlei vreemde stammen overgebracht, 4:9, 10; 2 Kon. 17: 24. Het Loofhuttenfeest (4). Ex. 23:16; 34:22; Lev. 23: 33-43; Num. 29:12-38; Deut. 16:13-15. Gewoonlijk in Israel ‘het feest’ genoemd, 1 Kon. 8:2; 2 Kron. 5:3; 7:8; Ez. 45:25. Uitbundige blijdschap is kenmerkend voor dit feest.
b. Cederhout van de Libanon (7). Opmerkelijk zijn de overeenkomsten met de tempelbouw in Salomo’s dagen. Ook hier hulp van de Feniciërs, vgl. 1 Kon. 5. De tweede maand (8). April-mei 536 v. Chr.Van twintig jaar (8). 1 Kron. 23:27. Niet steeds gelijk: Num. 8:24 vijfentwintig jaar. Num. 4:3, 23, 30 dertig jaar. In ambtsgewaad (10). Het priesterlijk feestgewaad was een lange witte linnen rok, 2 Kron. 5:12; 20:21. Asaf (10). 2:41. Trompetten (10). Num. 10:8. Cymbalen (10). Twee metalen bekkens, die tegen elkaar werden geslagen. Beurtzangen (11). Te denken is aan wisselzang tussen geestelijken en het volk. Deze zang herinnert aan Ps. 136.
De tempelbouw gestaakt 4:1-5
Hier wordt beschreven waarom de tempelbouw kwam stil te liggen. Pas 15 jaar later (bij 4:24) wordt het werk hervat en de tempel voltooid.
De tegenstanders (1). 3:3. Juda en Benjamin (1). 1:5. Wij zoeken uw God (2). 6:21. Dat deze omwonenden de HERE vereerden en Hem offers brachten, leert 2 Kon. 17:27, 28. Esarhaddon (2). Koning van Assyrië 681-668 v. Chr. Zie 2 Kon. 17:24. Overigens vond er niet alleen onder Esarhaddon een deportatie plaats, ook na 722 v.Chr. vonden deportaties naar Israel plaats, vgl. ook vs 10. Van deze dagen dateert de tegenstelling tussen Joden en Samaritanen, vgl. Joh. 4:9. De gemengde bevolking in het noorden bleef naast de HERE nl. ook de afgoden dienen (2 Kon. 17:32). Tegen deze achtergrond is de reactie van Zerubbabel verklaarbaar: Het gaat niet aan, enz. (3). Aan de afgodendienst was Juda eertijds ten onder gegaan! Raadslieden (5). Lagere perzische ambtenaren. Kores (5). 1:1. Darius (5) = Darius I de Grote, koning van Perzië 522-486 v. Chr. Organisator van het perzische rijk. Een van de allergrootste heersers uit de Oudheid.
Hier breekt de schrijver de draad van zijn geschiedverhaal even af (om die in vs 24 weer op te nemen) teneinde te laten zien met welk een reeks van tegenmaatregelen de Judeeërs van de zijde van de landsbevolking (met de Samaritanen als woordvoerders) geplaagd werden.
Onophoudelijke tegenstand 4:6-23
Ahasveros (6). Koning van Perzië 485-465 v. Chr. Zoon en opvolger van Darius I. Zijn moeder was Atossa, de dochter van Kores. Ester 1:1. Aankocht (6). Hebr.: Sit-na. Vgl. ‘satan’ (aanklager). De inhoud van deze aanklacht blijft onvermeld. Een ander schrijven richtten de tegenstanders aan Arthachsasta (7) (= Artaxerxes I). 7: 1; Neh. 2:1. Reg. 465-424. Zoon en opvolger van Ahasveros of Xerxes. In zijn 7e regeringsjaar kwam Ezra naar Jeruzalem, 7:7. In zijn 20e regeringsjaar ontvangt Nehemia verlof om de muren van de stad te herstellen, Neh. 2:1. Enkele jaren daarvoor was op zijn bevel de herbouw van Jeruzalem stilgelegd, 4:21, naar aanleiding van de in 4:8-16 vermelde brief. De vs 7 bedoelde brief is geschreven door Bislam, Mithredath (naamgenoot van de in 1:8 genoemde) en Tabeël (= ‘God is goed’). Aramees (7). De officiële taal in het rijk. Behalve de vs 7 bedoelde brief is ook het volgende gedeelte 4:8-6:18 in het Aramees gesteld.
Van een poging om het opbouwwerk van de joodse gemeenschap te hinderen maken vss 8-16 melding. De landvoogd (8). Nl. van Samaria, vs 17. Afarsa (9). Ten Z. van het Urmiameer. Erech (9):in Gen. 10:10 genoemde baby-Ionische stad. Susan (9). Hoofdstad van het oude Elam. Neh. 1:1; Ester 1:2; Dan. 8:2. Elamieten (10). Bewoners van het hoogland ten N.O. van Babylonië. Gen. 10:22. Asnappar (10). De assyrische koning Assurbanipal (668625 v. Chr.), opvolger van Esarhaddon, vs 2. Over de Ri-vier(9). 2:1. De muren (12). Bij vss 21, 24. Aan het paleis verbonden (14). Lett, ‘zout van het paleis eten’, di. in dienst van de koning staan (vgl. salaris, van sal (= zout)). Machtige koningen (20). Bv. David en Salomo. Waren ook de koninklijke archieven van Juda door Nebukadnezar naar Babel gebracht? Aleer door mij bevel wordt gegeven (21). Daar de mededeling van Neh. 1:3 op recente gebeurtenissen betrekking moet hebben, moeten wij ons de situatie als volgt indenken. Ca. 450 begon een groep Judeeërs, wellicht olv. Hanani, broer van Nehemia (Neh. 1:3), de muren van Jeruzalem te herstellen. Hiervoor is ons geen verlof van de koning bekend. Vandaar dat de inlichtingen van Rehum c.s. de achterdocht van Arthachsasta wekken, met het resultaat dat hier weergegeven wordt. Enkele jaren later (445) wordt Nehemia door dezelfde koning heengezonden met verlof om het herstel van de muren op zich te nemen, Neh. 2:6.
Aansporing tot hervatting van de tempelbouw 4:24-5:2
Het huis Gods (24). In dit vs keert de schrijver weer terug tot zijn geschiedverhaal dat hij in vs 5 had afgebroken. Darius (24). Vs 5. Na de eerste steenlegging van de nieuwe tempel kwam het werk al spoedig stil te liggen (536 v. Chr.), 4:4, het tweede jaar van Darius, 520 v. Chr., komt daarin verandering. Haggaï (1). Betekenis ‘op de feestdag geboren’. Hij bestraft de Judeeërs dat zij in mooie huizen wonen en het huis des HEREN woest laten liggen, Hag. 1:4-11. Zacharia (1). Betekenis ‘De HERE heeft gedacht’. Heet hier en in 6:4 zoon van Iddo, in Zach. 1:1,7 kleinzoon van Iddo. ‘Zoon’ betekent op diverse plaatsen kleinzoon, dan wel nakomeling (vgl. Gen. 29:5 met Gen. 24:24, 29).
Het onderzoek van Thathnai 5:3-17
Over de Rivier (3). Bij 2:1. Komt zijn titel (pècha, ook voor lagere ambtenaren) hier overeen met die van satraap? Stellig zeer hoge beambte. Sthar-Boznai (3). Zijn secretaris. Deze muur (3). Niet de stadsmuur (4:12); lett. bet. ‘houtwerk’, ‘bouwmateriaal’. Wie heeft u bevel gegeven (3). Blijkbaar was Thathnai niet op de hoogte van het edict van Cyrus, 16 jaar eerder uitgevaardigd. Het oog van hun God (5). De tolerante houding van Thathnai die geen maatregelen neemt, vóórdat in het koninklijke archief de stukken zijn nagezien, is te danken aan de HERE. Deut. ll:12;2Kron. 16:9; Ps. 11:4; 33:18; 34: 16; Spr. 15:3. Steenblokken (8). Hebr.: galal (= rollen). Grote stenen die men op rollen verplaatste. Het gebouw, kon de indruk van een vesting maken, vgl. 6:4. De God des hemels (12). 1:2. Verwoest (12). 586 v. Chr. 2 Kon. 25:9;2Kron. 36:19. Kores (13). 1:1. Voorwerpen (14). 1: 7, 8. Sesbazzar (14). 1:8. Over hem wordt kennelijk als over een persoon uit het verleden (een zekeren) gesproken. Waarschijnlijk is hij kort na 536 gestorven. Als zijn opvolger moet Zerubbabel (vgl. bij 2:2) worden beschouwd. Stadhouder (14). Deze titel (Hebr.: pècha; ander grondwoord dan Ezra 2:63, zie daar) is gedragen door Sesbazzar (hst. 1), Thathnai (vs 3), Zerubbabel (Hag. 1:1) en Nehemia (Neh. 5:14). De rang of waardigheid die met dit woord wordt aangeduid is niet steeds dezelfde.
Hernieuwing bouwvergunning door Darius 6:1-12
Achmetha (2). Gr. Ecbatana. Oude hoofdstad van de Meden. Zomerverblijf van Kores. Hier zal in de zomer van 538 het bekende decreet (1:2-4) zijn uitgevaardigd. Rol (2). Naast kleitafeltjes werden rollen van perkament of leer gebruikt. 60 el (3). Vgl. de afmetingen van de tempel van Salomo, 1 Kon. 6:2. De nieuwe tempel moest dus 2 x zo hoog () en 3 x zo breed () worden! Het is bekend dat de Perzen zich tot in details bemoeiden met de religieuze aangelegenheden van onderworpen volken. Drie lagen steenblokken (4). Muren van drie stenen dik. 5:8. Eén laag hout (4). Van binnen met houten balken bekleed. 1 Kon. 6:36; 7:12. De kosten (4). Cambyses had iets dergelijks bepaald ten behoeve van een egyptische tempel te Saïs. De belastingopbrengst van de provincie ‘Over de Rivier’ (vs 8: vgl. bij 2.T) zal deze koninklijke welwillendheid wel mogelijk hebben gemaakt. De stadhouder der Judeeërs (7). Zerubbabel, bij 2:2.Den God des hemels (9). 1:2. Bidden (10). Ofschoon Darius een vereerder was van de perzische god Ahura-Mazda of Or-muzd (= heer der wijsheid) betekende dit geen ontkenning van het bestaan van veel andere goden. Het zich verzekeren van de gunst van vele goden diende voornamelijk een politiek doel. Overigens was het bidden voor hun heidense overheden reeds door Jeremia aan Israel voorgeschreven, Jer. 29:7. Vgl. Rom. 13:1-7; 1 Petr. 2: 13-17. Een paal uit zijn huis (11). De paalstraf: ter hoogte van de maagstreek werd de veroordeelde op een puntige paal gespietst. Steniging was bij de Joden de gebruikelijke doodstraf, terwijl ook wel het hangen van een reeds ter dood gebrachte veroordeelde aan een paal werd toegepast. Num. 25:4; Deut. 21:22; Joz. 8:29; 10:26; 2 Sam. 21:6, 9, 13.
Inwijding van de tempel 6:13-18
Na de bekrachtiging van Cyrus’ bouwvergunning door Darius wordt de tempelbouw met spoed voltooid. Opmerkelijk is de nevenschikking het gebod van God (14) -Het is Gód op de eerste plaats Die bóven de historie staat en tegelijk historie bepaalt – en volgens het bevel van Kores: De groten der aarde zijn als werktuigen in de hand van de God van Israel, om Zijn raad te volvoeren. Inleiding Villa. Arthahsasta (14). 4:7. Hoewel deze koning eerst een halve eeuw na de voltooiing van de tempel aan het bewind kwam wil de schrijver ook de naam van déze koning hier met ere vermelden, uit dankbaarheid voor het goede dat hij later voor de tempel gedaan heeft, 7:1224. 3 Adar (15). 12 maart 515 v. Chr. Na de eerste steenlegging in 536 (3:8) duurde het dus 21 jaar voordat de tempel voltooid was. De Israëlieten (16). Ipv. Judeeërs (5:5; 6:14). De herstelde natie weet zich de voortzetting van het volk van de twaalf stammen. Hierop wijzen ook de twaalf geltebokken (17); vgl. Num. 7:87, alsmede de uitdrukking geheel Israel (17). Inleiding Vllb. Het zondoffer (17), dikwijls verbonden met het inwijdingsritueel, tekent de overgang van het profane of onreine naar het heilige. Hun afdelingen (18). Voor de indeling van het levitische personeel zie 1 Kron. 23-26.
Eerste Paasfeest in de nieuwe tempel 6:19-22
De veertiende van de eerste maand (19). 14 Nisan, naar Ex. 12:6. Een verschil met Ex. 12, waar het familiehoofd aangewezen was om het pascha te slachten, is de omstandigheid dat volgens vs 20 de Levieten dit thans doen. Afgescheiden (21). Zowel uit de heidenen als uit die volksgenoten die niet in ballingschap waren geweest, om zich te voegen bij de gemeente der teruggekeerden, immers de kern van het ‘nieuwe Israel’! Vgl. bij 1:5. Ongezuurde broden (22). Dit feest werd 7 dagen lang gevierd, ingaande de dag na het eten van het pascha (Ex. 12:15). Assur (22). De perzische koningen waren de opvolgers en de erfgenamen van de oude Assyriers.Tot hen gewend (22). Bij vs 14. Spr. 21:1. Zo sluit de gewijde schrijver dit eerste hoofddeel af op dezelfde toonhoogte als hij begon in 1:1.
De geschiedenis van Ezra Ezra 7:1-10:44
Ezra krijgt grote bevoegdheden 7:1-28
Hierna (1). Na 57 jaar, het jaar 458 v. Chr.Arthachsasta (1). 4:7. Ezra (1). Bet. ‘hulp’, afk. van Ezraja: ‘de HERE is hulp’. Zoon van Seraja (1). Hogepriester ten tijde van Nebukadnezar, vgl. bij 2:2. Hier dus weer een voorbeeld van ‘zoon’ in de betekenis van ‘nakomeling’. Vgl. bij 5:1. Minstens vier generaties (± 130 jaar) zijn weggelaten. Voor zijn afstamming, zie ook 1 Kron. 6:415. Doel is Ezra’s hogepriesterlijke afstamming aan te wijzen. Schriftgeleerde (6). In de ballingschap vormden zich kringen die zich toelegden op de studie van de wet. De aldus gevormde ‘deskundigen in de wet’ kregen de naam ‘soferiem’. De latere Schriftgeleerdheid sprak over Ezra de schriftgeleerde. De hand van de HERE (6). De zegenende hand van de HERE is oorzaak van zijn voorspoed. Vs9 (de goede hand); 8:18, 22, 31; Neh. 2:8,18; 2 Kron. 30:12. Poortwachters (7). 2:42. Tempelhorigen (7). 2:43. Het zevende jaar (7). 458 v. Chr. Besluit tot vertrek 1 Nisan (= maart/april) 458. Vertrek van de Ahava 12 Nisan 458, 8:31. Aankomst 1 Ab(= juli/augustus) 458, vs 9. Afstand plm. . Onderzoeken (10). Hebr.: darasj. Betekent ook: verklaren. Hiervan: midrasj, verklaring van een bijbelgedeelte. Bv. de Mi-drasj van Iddo (2 Kron. 13:22) en de Midrasj van het Boek der Koningen (2 Kron. 24:27). Afschrift (11). Nl. van de officiële koninklijke machtiging. De inhoud daarvan, vss 12-26, is in het Rijksaramees gesteld, vgl. bij 4:7. Onderzoek (14). Of de godsdienstige wetten in Juda worden nageleefd. Onderdeel van de perzische politiek, bij 1:2. Het zilver (15). Opnieuw steun uit de staatskas. 6:4. De voorwerpen (19). Niet nader aangeduide wijgeschenken, vgl. 8:25. Over de Rivier (21). Naam van de provincie. Bij 2:1. Honderd talenten zilver (22). Gewicht: . Om er offerdieren van te kunnen kopen. Honderd kor tarwe (22). De kor is maat voor meel, tarwe en gerst. 1 kor = 3601. Honderd bath wijn (22). Bath is maat voor vloeistoffen. 1 bath = 361. (1/10 deel van een kor). De genoemde geschenken als subsidie uit de schatkist hebben ten doel de tempeldienst te helpen onderhouden. De God des hemels (23). 1:2. Geen toorn (23). Met lokale godheden, zo meenden de Perzen, moest men maar terdege rekening houden. Num. 1:53; 18:5; Joz. 9: 20; 22:20; 2 Kon. 3:27; 1 Kron. 27:24; 2 Kron. 19:10. Vrijdom van belasting (24) voor tempelpersoneel niet ongewoon binnen het perzische rijk. In het hart gegeven (27). 1:1; 6:22. Inleiding Vila. Luisterrijk (27). Is hier voor Ezra vervulling van Jes. 60:7, waar hetzelfde woord in betrekking tot de tempel wordt gebruikt? Mij (29).Ezra. Tot 9:15 in de eerste pers. Inleiding II. De hand van de HERE (28). Bij vs 6.
Ezra’s reis en reisgenoten 8:1-36
Vss 1-14 vermelden wie meegingen (a), vss 15-30 gaan over de voorbereidingen tot de terugkeer (b) en vss 31-36 beschrijven terugkeer en aankomst te Jeruzalem (c).
a. Geslachtsregisters (1). 1 Kron. 9:1. Aant. bij 2:62. Pinehas en Ithamar (2). Voorop de priesters. Naar de twee zonen van Aäron, Eleazar en Ithamar, zijn alle priesters in twee hoofdlinies verdeeld, 1 Kron. 24:1-6.
| Geslacht van Aäron | |||
| Aäron | |||
| Nadab | Abihu | Eleazar | Ithamar |
| Pinehas | |||
| Eli | |||
| Zadok | |||
| Abjathar | |||
| Azarja | Achimelech | ||
| Jeremia | |||
Pinehas was de zoon van Eleazar. Twee met name genoemde familiegroepen, blijkens vs 24 toch wel uit meer dan 12 personen bestaande, trekken mee. Hattus (2). Het koninklijke geslacht nä de geestelijkheid! Hij is achterkleinzoon van Zerubbabel. 1 Kron. 3:22. Daarna (vss 3-14) een reeks van 12 geslachten, waarvan de meesten bekend zijn uit de lijst van 2:2b-35. De tateren (13). De laatsten van dit geslacht, die zich voegden bij de reeds teruggekeerde leden van dit geslacht. De som is 1496 mannen. Voeg hierbij het onbekende aantal priesters, alsmede 38 Levieten (vs 18) en 220 tempelknechten (vs 20) en we mogen de Ezra-karavaan schatten op een totaal van 6 ä 7000 deelnemers.
b. Ahava (15). De stad die naar de gelijknamige rivier (vs 21) genoemd is. Een van de vele kanalen die de vlakte van Babylonië bevloeiden. Nadere ligging onbekend. Levieten (15). Hen had Ezra nodig bv. voor de muziek en voor het onderricht (Neh. 8:8). Zie aantek. bij 2:40. Ka-sifja (17) heet een plaats (Hebr.: maqom), di. een heilig centrum; wellicht soort levietenopleiding. Tempelhorigen (17). 2:43. De goede hand (18). 7:6. Mahli (18). Volgens 1 Kron. 6:19 de zoon van Merari (19), de zoon van Levi, 1 Kron. 6:16. Serebja en Hasabja (18,19). Hier uitdrukkelijk Levieten, worden zij vs 24 onder de priesters (!) gerekend. Mogelijk zijn verschillende personen bedoeld. Ahava (21). Vs 15. Een vasten (21). 10:6; Ester 4: 3, 16. Ook in Neh. 1:4 heel duidelijk als ondersteuning van het gebed. Een leger en ruiters (22). Het jaar 458 was een woelig oorlogsjaar voor de Perzen. Er heerste een verwarde politieke situatie, mn. aan de grens met Egypte, dat met hulp van de Atheners een opstand tegen de Perzen tot het jaar 455 volhield. De wegen konden wel eens onveilig zijn! Het is niet vreemd dat Nehemia (anders dan Ezra) later wél (Neh. 2:9) met gewapend escorte reist, want Nehemia reist als rijksambtenaar; Ezra’s missie was niet van politieke, maar van religieuze aard, 7:14. De hand van onze God (22). 7:6. En Hij liet Zich door ons verbidden (23). Gelijk bleek uit de uitkomst. Gen. 25:21; 2 Sam. 21:14; 24:25; 1 Kron. 5:20; 2 Kron. 33:13. Heffing (25). In de betekenis van wijgeschenken, dwz. een geschenk voor de cultus, vgl. 7:15. 650 talenten zilver (26). Een talent is ± . En dan zonder gewapend geleide! Duizend darieken (27). Perzische munt. De oude drachme (2:69) werd door de dariek verdrongen. Deze nieuwe gouden munt was door Darius I circa 515 voor het eerst geslagen en naar hem genoemd. Geheiligd (28). De HERE en zijn dienst afgezonderd.
c. De twaalfde van de eerste maand (31). 12 Nisan. Reis-duur vier maanden. Verkl. bij 7:7. Bevelschriften (36). 7: 20-24. Over de Rivier (36). Bij 2:1.
Ezra’s strijd tegen de gemengde huwelijken 9:1-10:44
Eerst (9:1-15) horen we van de aanklacht tegen verzwagering met vreemde volken en van de schuldbelijdenis van Ezra daarover (a). Vervolgens (10:1-17) wordt beschreven hoe de vreemde vrouwen worden verstoten (b). Tenslotte (10:18-44) volgt een lijst van schuldigen (c). a. Toen dit gebeurd was (1). De nu volgende geschiedenis vindt plaats tussen 1/5/458 (7:9) en 20/9/458 (10:9), dus in hetzelfde jaar van de aankomst in Juda. Niet afgezonderd gehouden (1). Tegen Lev. 20:26. De wet verbood huwelijken met in Kanaän wonende volken, Ex. 34:16; Deut. 7:3. Op het gevaar van besmetting met vreemde godsdiensten als gevolg daarvan wordt gewezen in 1 Kon. 16:31 (Achab) en Neh. 13:26 (Salomo!).De Kanaänieten enz. (1). Ex. 3:8; 13:5; Deut. 7:1. De schrijver wist natuurlijk wel dat de helft van de genoemde volkeren in de 5e eeuw verdwenen was; zijn bedoeling is alleen om de oude wetsbepalingen weer te binnen te brengen. Vrouwen genomen voor zich (2). Hierbij dient bedacht: (1). De 538 teruggekeerde bevolking bestond voor het merendeel uit mannen (vgl. verkl. bij 2:64). Speelde een vrouwentekort hier ook een rol? (2). Door een huwelijk met een vreemde vrouw zagen de aanzienlijken kans hun economisch-maatschappelijke positie te versterken (vgl. Mal. 2:10-16). Scheurde ik (3). Bekende uiting van smart (Gen. 37:34; 2 Sam. 13:19), van ontzetting (Gen. 37:29; 44:13) ofwel van toorn (Mat. 26:65). De haren uit mijn hoofd (3). Jes. 50:6. Nehemia trekt bij änderen de haren uit, Neh. 13:25. Beefden voor de woorden (4). 10:3; Jes. 66:25. Tot het avondoffer (4).’De negende ure (3 uur nm.), de tijd van het gebed (Hand. 3:1). Op dat tijdstip komen heel wat mensen naar de tempel, waar zij Ezra’s verbijstering zien en zich om hem heen verzamelen. Breidde mijn handen uit (5). In geknielde houding met de handen naar omhoog. Ex. 9:29; 1 Kon. 8:22. Onze ongerechtigheden (6). De omschakeling naar het meervoud in dit vers is opmerkelijk: Ofschoon hij zelf geen deel had aan deze overtreding, maakt hij zich één met de schuldigen. Sedert kort (8). Het vrijheidsedict van Cyrus (1:1), nauwelijks 80 jaar geleden. Tentpin (8). Aan het nomadenleven ontleende beeldspraak. Ging de tentpin de grond in, dan betekende dit een rustperiode. Nu had de HERE evenzo aan de ‘zwervende’ ballingen een rustplaats bereid. Van de nieuwe ‘tentwoning’ is Jeruzalem, Zijn heilige plaats (8), het middelpunt. Neh. 11:1, 18. Omtuining (9). Een van losse stenen opgebouwd muurtje rondom een wijngaard of akker, Num. 22:24; Jes. 5:5; Ps. 80:13; Spr. 24:31. Vandaar ook: de door deze muur beschermde ruimte zélf, een veilige schuilplaats. Onaannemelijk is de opvatting dat hier gedoeld wordt op de stadsmuur rondom Jeruzalem. Want wat is een ‘muur in Juda’? De muur rondom Jeruzalem werd pas voltooid onder Nehemia (Neh. 6:15). Evenals ‘tentpin’ in vs 8 is ook ‘omtuining’ figuurlijk op te vatten.
Een bezoedeld land (11). Lev. 18:24-28. Overblijfsel (14). De ‘rest’: Zij die gespaard zijn gebleven. Stereotype uitdrukking, waarin niet slechts de werkelijkheid van het gericht doorklinkt. (Jes. 10:20-22; 11:11; Arnos 5:15), maar ook de blijvende verbondstrouw des HEREN voor Zijn volk gehoord wordt (1 Kon. 19:18; Rom. 11:5).
De vreemde vrouwen verstoten 10:1-17
Elam (2). 2:7, 31; 8:7. Onder de schuldigen eveneens genoemd, vs 26. Vreemde vrouwen (2). 9:2. Een verbond (3). Om plechtig, onder ede (vs 5), aan God te beloven, de gewraakte huwelijken te ontbinden. Van zulk ver-bondmaken, zie ook 2 Kron. 15:12; Neh. 10:29. Kinderen (3). Ook de kinderen uit zulke huwelijken worden, vanwege de invloed van hun moeders, als een gevaar beschouwd voor de zuivere bewaring en beleving van het geloof. Mijn heer (3). Ezra. Het gebod van onze God (3). Verkl. bij 9:1. Het vertrek (6). Bij Neh. 3:30. Johanan, de zoon van Eljasib (6). Niet verwarren met de hogepriester van die naam, Neh. 12:23. De ban (8). Oorspr. betekenis: totale vernietiging, Ex. 22:20; Joz. 2:10; 6:21; 1 Sam. 15:3. Op deze plaats houdt het in: Bezittingen vervallen aan de tempelschatkist en de schuldige wordt afgesneden van de gemeente (8). Het grondwoord (qa-hal) betekent oorspr. volksvergadering, later aanduiding van de religieuze gemeenschap. Voor deze ban zie ook Joh. 9:22; 12:42. Juda en Benjamin (9). Bij 1:5. De twintigste der negende maand (9). De maand Kisleu, ongeveer december, in het jaar 458. Verkl. bij 7:7; 9:1. Geeft nu eer aan de HERE (11). Voor deze formule, dikwijls in verband met de belijdenis van zonden, zie Joz. 7:19; 1 Sam. 6:5; Jer. 13:16; Joh. 9:24. Verzetten zich (15). Uit Neh. 6:17, 18; 13:23-28 blijkt dat Ezra’s maatregelen tegen de gemengde huwelijken ofwel niet algemeen geaccepteerd werden ofwel niet van langdurig resultaat waren. Mesullam (15). Is hij dezelfde als de Neh. 6:18 genoemde, dan weten wij het motief van zijn verzet.
Lijst van schuldigen 10:18-44
Deze lijst bevat de namen van 17 priesters, 6 Levieten, 1 zanger, 3 poortwachters en 82 leken. Samen 109 personen. Voor de priestergeslachten (vss 20-22) vgl. 2:36-39. De zangers, bij 2:41. De poortwachters, bij 2:42.
NEHEMIA
Werkzaamheden van Nehemia 1:1-7:72
Nehemia krijgt verlof om naar Jeruzalem te gaan 1:1-2:10
De geschiedenis (1). Lett. ‘Woorden’, van hebr. dabar, dat naast ‘woord’ ook ‘zaak’ (bv. Ezra 10:9) kan betekenen. Nehemia (1). Betekenis ‘De HERE heeft getroost’ (van Hebr.: nacham), vgl. Gen. 5:29. Buiten de naam van zijn vader, Hachalja (1), is ons omtrent zijn afstamming niets bekend. Voor de bewering dat hij een nazaat is geweest van het koningshuis van David, bieden 1:6 (mijn familie) en 2:3 (de graven mijner vaderen) onvoldoende grond. Kisleu (1). Ezra 10:9. In het twintigste jaar(), nl. van koning Arthachsasta I (2:1), 445 v. Chr. Daar Nisan (2:1) de eerste maand is en Kisleu de negende, is hier strikt genomen het negentiende jaar van deze koning bedoeld. Ik (1). Nehemia. In de 13 hoofdstukken (behalve 8-10) die dit boek telt, welgeteld 100 keer. Het geschrift draagt duidelijk het karakter van persoonlijke memoires. De burcht Susan (1). Stad in Elam, Dan. 8:2. De voornaamste winterresidentie van de perzische koningen (vgl. bij Ezra 6:2). Ester 1:1. Hanani (2) (‘genadig’). 7:2. Die uit de gevangenschap waren overgebleven (2).
Di. die uit de ballingschap waren teruggekeerd. Hij kan hierbij speciaal hebben gedacht aan de teruggekeerden met Ezra (Ezra 7). Het gewest (3). Ezra 2:1. De muur van Jeruzalem is afgebroken (3). Blijkens de reactie van Nehemia zullen we aan recente gebeurtenissen moeten denken. Het wegzenden van de vreemde vrouwen met name (Ezra 9-10) verhoogde natuurlijk de spanningen met de omwonende volken. In die omstandigheden is het aannemelijk dat men aan herbouw van de muren begon te denken. Door toedoen van Rehum en de zijnen (Ezra 4:8, 9) kwam het werk echter tot stilstand. Ezra 4:23 schijnt wel te passen op Neh. 1:3. Verklaring Ezra 4:21. Bedreef rouw (4). Evenals Ezra 9:3 in verband met schuldbelijdenis. Vastte (4). Evenals Ezra 8:23 in combinatie met gebed. Vgl. Ezra 10:6. De God des hemels (4). Oorspr. perzische term. Bij Ezra 1:2.
Kenmerkend voor het nu volgende gebed is de aan Deuteronomium herinnerende stijl. Grote en geduchte God
(5) . Deut. 7:21; 10:17; 28:58; vgl. Neh. 4:14; 9:32. Die het verbond en de goedertierenheid gestand doet (5). Deut. 7:9, 12. Die U liefhebben en Uw geboden onderhouden (5). Deut. 5:10; 7:9; 11:1, 13, 22; 19:9; 30:16. De liefde wordt concreet in de gehoorzaamheid en de gehoorzaamheid wortelt in de liefde, vgl. Joh. 14:15. De geboden, inzettingen en verordeningen (7). Deut. 6:1; 7: 11; 8:11; 11:1. Gedenk aan het Woord (8). Hoewel geen letterlijke, zijn vss 8, 9 wel een getrouwe weergave van hele stukken in Deut.; vgl. met name 30:1-5. Verlost (10). Hebr.:padah. Eig. ‘loskopen uit slavernij’, Ex. 21: 8. Vooral in Deut. in verband met Israels bevrijding uit Egypte. Deut. 7:8; 9:26; 13:5; 15:15; 21:8; 24:18. Vgl. 2 Sam. 7:23; Mi. 6:4. De bevrijding uit de ballingschap wordt door Nehemia ervaren als een nieuwe exodus. Deze man (11). Koning Arthachsasta I. Van diens ongunstige beschikking tav. Juda (Ezra 4:17-22) was Nehemia natuurlijk op de hoogte. Tegenover Israels God weet Nehemia deze machtige vorst een mens als alle andere, die ook naar de HERE moet luisteren. Schenker (11). Vorm van het Hebr.: sjaqah (= laten drinken). Zeer hoge positie aan het hof. Vgl. ‘de maarschalk’ (lett. rab-sjaqeh = opperschenker) in 2 Kon. 18:17; Jes. 36:2. Nisan (2:1). De eerste maand (± april-mei), dus vier maanden na 1:1, in hetzelfde twintigste jaar (1): vgl. de verklaring bij 1:1. Het is het jaar 445 v. Chr.Arthahsasta (1). Ezra 4:7. De geschiedenis van Nehemia vangt dus aan 13 jaar na de aankomst van Ezra, zie verklaring bij Ezra 7:7. Waarom staat uw aangezicht zo somber? (2). De mededelingen van Hananja (1:2) en de vier maanden van rouw, vasten en gebed hebben zijn gelaat en verschijning getekend. Bevreesd (2). Het karakter van deze koning stond bekend als grillig en onberekenbaar. Bovendien schijnt het een strafbaar feit te zijn geweest, wanneer perzische hovelingen in gedrukte stemming voor de koning verschenen. Door vuur verteerd (3). Bij 1:3. Toen bad ik (4). Zich namelijk bewust van dit mogelijk ge-schiedenisbepalende moment! Andere voorbeelden van zulk spontaan bidden zijn 4:4, 9; 5:19; 6:9,14; 13:14, 22, 29, 31. De God des hemels (4). 1:4. Indien het den koning goeddunkt (5). Had de koning hiertoe zélf niet de mogelijkheid opengelaten (Ezra 4:21)? Zijn gemalin(6) ;Men denkt wel aan de voornaamste vrouw uit zijn harem, vgl. Ps. 45:10; Dan. 5:2, 3, 23. Misschien Damaspia. Bekend is dat vrouwen een grote invloed op deze koning hadden. Een bepaalde tijd (6). Nehemia is 12 jaar landvoogd van Juda geweest, 5:14. Over de Rivier (7). Bij Ezra 2:1. De houtvester (8). Lett. ‘De bewaarder van het paradijs’. Hebr.: pórdes, van het perzische paridai-da. Dit woord is in Pred. 2:5 vertaald met ‘park’ en in Hoogl. 4:13 met ‘lusthof’. Over de ligging van deze koninklijke domeinen is niets met zekerheid te zeggen. In de tijd van Darius I werd hout voor de tempel betrokken uit de Libanon, Ezra 3:7. De burcht (8). 7:2. Het belangrijkste verdedigingspunt aan de vanouds meest kwetsbare noordzijde. Waarschijnlijk maakte de in 3:2 genoemde toren deel uit van deze tempelburcht. Hier bevond zich in de nieuwtestamentische tijd de door Herodes de Grote gebouwde burcht Antonia, de in Hand. 21:34 genoemde ‘kazerne’ (SV ‘legerplaats’). De goede hand van mijn God (8). Bij Ezra 7:6. Legeroversten en ruiters (9). Verklaring Ezra 8:22. DeHoroniet Sanballat (10). 4:1; 6: 14; 13:28. Babylonische naam: ‘Sin (de maangod) schenkt leven’. Hoge beambte in Samaria (vgl. 4:2), mogelijk de opvolger van Rehum (Ezra 4:8). Een dochter van deze aartsvijand van de Joden huwde met een kleinzoon van de hogepriester Eljasib, 13:28. Beth-Horon ligt ten N.W. van Jeruzalem. De ammonitische slaaf Tobia (10). Hebr. naam (vgl. Ezra 2:60), die ‘de HERE is goed’ betekent. Evenals Sanballat een bittere tegenstander. ‘Slaaf’ (Hebr.: ‘ebed) is aanduiding voor een hoge beambte (vgl. ons ‘minister’, dat letterlijk ‘dienaar’ betekent). Het gebied der Ammonieten lag oostelijk van Juda. Evenals Sanballat was ook hij verwant aan invloedrijke joodse families (6:18; 13:4). Voor de derde tegenstander, Gesem, 2:19; 6:1, 2, 6.
Onderzoek naar de staat van de muren 2:11-20
Wat mijn God mij in het hart gegeven had (12). 7:5. Nehemia weet dat hetgeen hij doet, roeping van de HERE is. Geen ander dier (12). Opdat geen achterdocht zou opkomen bij de vijandige elementen, zowel buiten als binnen de stad. Tegen de richting van de klok in inspecteert hij de muren. Eerst De Dalpoort (13). 3:13; 2 Kron. 26:9. Deze leidde nl. naar het zg. Stadsdal, dat de scheiding vormde tussen de beide heuvelruggen (de oostelijke en de westelijke) waarop Jeruzalem in bijbelse tijden was gebouwd. De Dalpoort lag op de w.helling van de o.heuvel. Van de Slangebron (13) is de ligging sterk omstreden. DeAspoort (13). 3:13, 14; 12:31. Deze bevond zich in het zuiden en leidde naar het Hinnomdal, waar het vuil (‘as’) werd gestort. Wellicht dezelfde als de Jer. 19:2 genoemde Schervenpoort. De Bronpoort (14). 3:15; 12: 37. Deze in het zuidoosten staande poort passeerde men op weg naar de Rogelbron (Joz. 18:16; 2 Sam. 17:17; 1 Kon. 1:9), die men doorgaans identificeert met de tegenwoordige Jobsbron, het punt waar Kidron- en Hinnomdal bijeenkomen. De Koningsvijver (14). Hierdoor wordt het waterreservoir binnen de stad bedoeld, dat het water van de Gihonbron opneemt via een tijdens koning Hizkia ca 700 v. Chr. gegraven tunnel (2 Kon. 20:20). Het is het latere ‘badwater Siloam’, Joh. 9:7, 11. Geen ruimte meer (14). Nl. vanwege het puin. Stelde een onderzoek in (15). Lett, ‘ik brak’, in de betekenis van ‘inspecteren’. De Joden (16). Mogelijk zijn hier bedoeld de familiehoofden. Ezra 1:5 verkl. De hand mijns Gods (18). Bij Ezra 7:6. De Arabier Gesem (19). 6:1, 2, 6. Hoofd van de Arabieren. Naast de vijanden in het noorden (Sanballat en de Samaritanen) en in het oosten (Tobia) nu ook deze boosdoener uit het in Zuid-Palestina gelegen gewest Arabië (vgl. 4:7). Weldra zal ook de vijand in het wésten opdagen, 4:7. Komt gij tegen de koning in opstand? (19). Zij wisten nl. nog niet dat de koning na het decreet van Ezra 4:17-22 nu onlangs ten gunste van de Joden besloten had (2:6). Gij echter hebt geen deel etc. (20). Ezra 4:3. In het isolement ligt onze kracht!
Herbouw van de muren en poorten van Jeruzalem 3:1-32
De hogepriester Eljasib (1) (= ‘God zal terugbrengen’). 3:20; 13:28. Volgens Neh. 12:10 de kleinzoon van Jesua (bij Ezra 2:2). Verzwagerd met de Horoniet Sanballat, 13:28. Veel vóórkomende naam: Ezra 10:6, 24, 27, 36; Neh. 13:4. Aan de bouw van de muur werd deelgenomen door depriesters (vss 1, 22, 28), de Levieten (vss 17, 18, 24), terwijl verder genoemd worden goudsmeden (vss 8, 31, 32), een zalfbereider (vs 8), dochters (vs 12) en de handelaars (vs 32). Zij herbouwden (1). Lett, ‘bouwden’: 7x in dit hoofdstuk, naast 34 x de formule herstellen. Op sommige plaatsen was nieuwbouw noodzakelijk, op andere kon met reparatie worden volstaan.
De nu volgende lijst biedt (tegen de richting van de klok in) een overzicht van ruim 40 secties en van hen die hier arbeidden.
De Schaapspoort (1). 3:32; 12:39; Joh. 5:2. Door deze poort in de noordelijke muur werden de offerdieren het tempelplein opgebracht. Vandaar de naam van deze poort. Zij heiligden haar (1). Een aparte wijding omdat dit gedeelte behoorde tot het tempelcomplex; de andere stukken werden later ingewijd, 12:27. Brachten de deuren aan (1). Deze mededeling moet proleptisch (di. een te vroeg plaatsen van een gebeurtenis) worden opgevat. In werkelijkheid vindt deze handeling plaats 7:1; vgl. 6:1. Verder naar het westen de Mea-toren (1). 12:39. Lett. ‘Honderdtoren’. Mogelijk waren hier honderd garnizoenssoldaten gelegerd. Vermoedelijk behoorden zowel deze als de Hananeëltoren (1), 12:39; Jer. 31:38; Zach. 14:10, tot de burcht, 2:8.Senaä (3). Bij Ezra 2:35. De Vispoort (3). 12:39; 2 Kron. 33:14; Sef. 1:10. Door deze noordwestelijk gelegen poort voerden de tyrische vishandelaars (vgl. 13:16) hun waren aan. Herstellingswerk (4). Bij de volgende gedeelten was de verwoesting blijkbaar minder volledig, zodat volstaan kon worden met herstelwerk. De Tekoïeten (5). Naar Tekoa, ten Z. van Jeruzalem. Geboortestad van Amos (Am. 1:1). Terwijl hun eenvoudigen vol ijver meededen (vgl. vs 27), waren hun aanzienlijken (5) weigerachtig. Dit vers is beroemd geworden door de aantekening in de Deux-Aes bijbel (plm 1570):
De armen moeten het cruyce drage
De rijcke en gheven niets
Deux aes en heeft niet
Six cincq en geeft niet
Quater dry die helpen vrij.
Aan het dobbelspel ontleend: deux-aes = twee en één: de armen; six-cincque = zes en vijf: de rijken; en quarter-dry = vier en drie: de middenstand.
Hun heer (5). Nehemia. De Oude Poort (6). 12:39. De LXX lijkt met de weergave Jesanapoort (naar Jesana, ten N. van Jeruzalem) het grondwoord dichter te benaderen. Volgens sommigen is de hier genoemde poort dezelfde als de in 2 Kon. 14:13; Jer. 31:38 vermelde Hoekpoort.Gibeon (7). ten N. van Jeruzalem. Onder de 536 v. Chr. teruggekeerden waren ook die van Gibeon (7:25). Mizpa (7). ten N. van Jeruzalem. Hier was Saul tot koning uitgeroepen, 1 Sam. 10:17-24. Jador(7) (Drukfout: Jadon). Onder het gezag (7). Anderen vertalen: ‘bij de zete?. Dit kan worden opgevat als: Zij arbeidden ter hoogte van de residentie van de landvoogd. Te denken is aan een gebouw in de noordelijke muur, waar de perzische satraap (of zijn ambtenaren namens hem) zitting hield, rechtsprak enz. Over de Rivier (7). Bij Ezra 2:1. De brede muur (8). Zeker gedeelte van de noordelijke muur; deze was blijkbaar intact. Het district (9). Er worden vijf districtshoofdsteden genoemd: Jeruzalem (vss 9, 12), Beth-Kerem (vs 14), Mizpa (vss 7, 15, 19), Beth-Zur(vs 6) en Kehila (vss 17, 18). Van sommigen die een tweede stuk (11) herstelden is ook het eerste stuk aangewezen: vgl. vs 4a en vs 21, vs 4b en vs 30b, vs 5 en vs 27, vs 13 en vs 30a, vs 18 (de LXX leest Binnui ipv. Bawai) en vs 24, van anderen merkwaardigerwijze niet: vss 11, 19, 20. De Bakoventoren (11). 12:38. In de westelijke stadsmuur. Zo genoemd naar het nabijgelegen bakkerskwartier? En zijn dochters (12). De enige plaats in Ezra-Neh. waar vrouwelijke medewerking wordt vermeld. De Dalpoort (13). 2:13. Duizend el (13). Ca 450 meter: een groot stuk! De Aspoort (13). 2:13. Via het zuidelijke gedeelte naar de oostmuur. Beth-Kerem (14). Jer. 6:1. Bet. ‘Huis van de wijngaard’. ten Z.W. van Jeruzalem. De Bronpoort (15). 2:14. De waterleidingvijver (15), de in 2:14 genoemde Koningsvijver. De stad Davids (15). De door David veroverde burcht Jebus (2 Sam. 5:6-8); het zuidelijke gedeelte van de oostelijke heuvel (vgl. 2:13 verklaring). Beth-Zur (16). Joz. 15:58. Bet. ‘Huis van de rots’, ten Z. van Jeruzalem. De graven van David (16). 2 Kron. 32:33; Hand. 2:29. Begraafplaats van de koninklijke familie; aan de O. zijde van de Stad Davids, ligging niet precies bekend. De aangelegde vijver (16). Een van de vele waterreservoirs. Het huis der helden (16). Kazerne, waar de voormalige lijfwacht van David huishield; 2 Sam. 16:6; 23:8. Kehila (17). 1 Sam. 23:1. ten Z.W. van Jeruzalem. Het tuighuis (19). Hier lag het wapenarsenaal opgeslagen. Ook wel genoemd ‘Huis ten Bos’ (lett. ‘Huis Libanon-woud’), 1 Kon. 7:2; 10:21; Jes. 22:8, omdat Salomo het van cederhout had laten bouwen. Eljasib (20). Bij vs 1. De Streek (22). Hebr.: hakkikkar, de omgeving van Jeruzalem. Vgl. 12:28 ‘hakkikkar rondom Jeruzalem’. Dus de priesters uit de omliggende dorpen. Het huis des konings (25). Het in 12:37 genoemde ‘paleis van David’.De gevangenhof (25). Jer. 3:1. Tempelhorigen (26). Bij Ezra 2:43. De Ofel (26). 11:21; 2 Kron. 27:3; 33:14; Jes. 32: 14. Het gedeelte van de oostelijke heuvel dat in het noorden grensde aan het tempelplateau en in het zuiden aan de Stad Davids. De Waterpoort (26). 8:2, 4, 17. Tussen het paleis (vs 25) en de Gihonbron (bij 2:14), waaraan hij z’n naam dankt. Weer noordelijker de Paardenpoort (28). 2Kon. 11:16; 2Kron. 23:15; Jer. 31:40. Deze vormde de toegang tot de koninklijke stallen, vandaar de naam. De Oostpoort (29). Oostelijke toegang tot het tempelplein. Volgens sommigen staat hier momenteel de zgn ‘Gouden Poort’. Zijn kamer (30). Een van de zijvertrekken van de tempel, bestemd voor het tempelperso-neel (vgl. Ezra 10:6; Neh. 12:44; 13:7). Der handelaren (31). Vgl. Mat. 21:12, waar zij eveneens bij de tempelgebouwen actief waren. De Wachtpoort (31). Wellicht de n.o.hoek van het tempelplein. De Schaapspoort (32). Terug bij het punt van uitgang, vgl. vs 1.
Voortzetting van het werk ondanks tegenstand 4:1-23
Sanballat (1). Bij 2:10. Die machteloze Joden (2). Lett, ‘kwijnende’, van het Hebr. amal = kwijnen: van planten, Jes. 16:8; van mensen, Jes. 19:8. Zullen zij offeren? (2). Nl. dankoffers, nadat zij het werk zullen hebben voltooid. Tobia (3). Bij 2:10. Een vos (3). Ez. 13:4. Bij de Joden verachtelijk dier. Bijtende spot dus. Hoor, onze God (4). Bij 2:4. Tegenover de spot het gebed! Op hun eigen hoofd (4). Ps. 79:12. Bede om vergelding vanwege smaad de HERE aangedaan. Bedek (5). In de betekenis van ‘vergeven’, Ps. 85:3. Laat hun zonde niét uitgewist worden (5). Gedacht is aan een boek of register, waarin de zonden zijn opgetekend, vgl. Ps. 109:14; Hand. 3:19. Asdodieten (7). De bewoners van de kuststreek in het westen; naar de destijds belangrijke Filistijnse stad Asdod, 1 Sam. 5:1. Volgens 13:23, 24 was een stuk verwereldlijking het gevolg van gemengde huwelijken met vrouwen van Asdod. Het in Hand. 8:40 genoemde Azote (SV). De opsomming van tegenstanders in vs 7 laat zien dat Juda aan alle zijden omsingeld is door een coalitie van vijanden (vgl. bij 2:19). Juda zeide (10). Bij de tegenstand van buitenaf voegt zich nu ook een vijand van binnenuit: moedeloosheid. Tien maal (12). Steeds opnieuw. Gen. 31:7, 41; Num. 14:22; Job 19:3.Achterde muur (13). Nl. van de stad uit gezien. Men ontruimt de muur om zich in te stellen op een geregelde slag. Denkt aan de grote en geduchte HERE (14). Verlaat u op Gods trouw en macht volkomen. Vgl. bij 1:5. Mijn knechten (16). 5: 10, 15; 13:19. Personeel van de stadhouder. Achter het gehele huis Juda (16). Om een oog op hen te houden en eventuele overlopers te ontmoedigen; ook om de verdediging te organiseren. De lastdragers (17). Die puin afvoeren of bouwmateriaal aandragen. De hoornblazer (18). Deze volgt Nehemia op de voet. Blaast hij, dan moet al het volk zich naar de bedreigde plaats spoeden. Overnachten (22). Binnen de stad moet er ook ‘s nachts een constante bezetting zijn om aan alle eventualiteiten het hoofd te kunnen bieden. Mijn broeders (23). 5:10, 14. Nehemia’s naaste verwanten. Ieder hield zijn werpspies in zijn rechterhand (23). Hebr. ‘leder had z’n wapen water’. Elke zinvolle vertaling vereist grondtekstwijziging. Luther: leder onthield zich van water om zich te wassen. Duidelijk is dat deze uitdrukking op een toestand van uiterste paraatheid wijst.
Sociale maatregelen tegen de verarming 5:1-19
Een groot geroep (1), (Hebr.: tsaüq). Ex. 12:30; 14:10. Een jammeren en een schreeuwen om hulp dat herinnert aan het onrecht hun vaders in Egypte aangedaan. Door de 52 dagen durende herbouw van de muur (6:15) kwam een deel van het volk in moeilijkheden. Vooral de akkerbouwers buiten de stad moesten wel gedupeerd worden door de in 4:22 genoemde maatregel. Wij willen koren hebben (2). De aanvoer van levensmiddelen naar de stadstagneerde. Prijsstijgingen zijn het gevolg van verminderde opbrengsten van de akker. Ónze broeders (5). Volksgenoten, zie vs 1, nl. de rijke Judeeërs. Tot slaven(5) . 2 Kon. 4:1. Volgens Lev. 25:39-41 moest de israelitische ‘slaaf’ als loonarbeider behandeld worden. Met de vrijlating in het zevende jaar (Ex. 21:2) werd niet zelden de hand gelicht (vgl. Jer. 34:8-11). Ook bij Maleachi (ca. 480 v. Chr.) lezen we van uitbuiting van dagloners en verarmden, Mal. 3:5. Tot slavinnen vernederd (5). Niet alleen tot slavendienst gebracht, maar ook tot bijwijf gedegradeerd (vgl. Ex. 21:7). Gij neemt woeker (7). In strijd met de wet: Ex. 22:25; Lev. 25:36. Losgekocht (8). Hebr.: qana = door koop verwerven. Bv. met betrekking tot slaven, Ex. 21:2; Pred. 2:7. Er zijn dus sommen gelds betaald om enigen uit de ballingschap vrij te krijgen. Ook ik (10). Nehemia, die zelf als geldschieter was opgetreden, gaat met het goede voorbeeld vóór. De rente (11). Het grondwoord betekent lett. ‘honderdste deel’. Toen liet ik hen zweren (12). Ezra 10:5. Bv. ‘Zo moge mij de HERE doen indien…’; vgl. 1 Sam. 20:13; 25:22. Ook schudde ik de boezem (13). De plooi van het gewaad, waarin de oosterling zijn geld bewaart. Op gelijke wijze zal God ieder die zijn eed breekt uitschudden (13), di. uitstoten uit Zijn liefde en bescherming, zodat hij uitgeschud en leeg (13), di. bezitloos zal zijn. Arthachsasta(14) . Ezra 4:7. Landvoogd (14). Voor de titel pècha zie bij Ezra 5:14. De NBG vertaalt afwisselend ‘landvoogd’ en ‘stadhouder’. Twaalf jaar (14). Tw. 445-433 v. Chr. Het brood van een landvoogd (14). Stadhouders hadden nl. het recht om belasting in natura ten bate van eigen huis te eisen. Mal. 1:8. Vroegere landvoogden (15). Wij kennen alleen Sesbazzar (Ezra 1:8; 5:14) en Zerubbabel (Hag. 1:1; verklaring Ezra 2:2) als zodanig. Veertig sikkels zilver (15). 1 sikkel = ± . Hun knechten(15) . In tegenstelling tot Nehemia’s personeel, dat de schouders zette onder het werk, 4:16; 5:16. Uit vrees voor God (15). Vgl. Spr. 14:31. Honderd vijftig man (17). Raad van voornaamsten, die de stadhouder ter zijde stond; soort voorloper van het latere Sanhedrin. De dienst (18). Bedoeld is de arbeid tot herstel van de muren.
Gedenk mij (19). 6:14; 13:14, 22, 29, 31. Het korte schietgebed, dat herhaaldelijk het verhaal van deze geschiedenis onderbreekt. Ik herinner aan wat over het karakter van dit boek werd opgemerkt bij 1:1. Vgl. ook Heb. 6:10.
Voltooiing van de muren 6:1-19
Sanballat etc. (1). 2:10, 19. De rest van onze vijanden (1). 4:7. Nog geen deuren (1). Bij 3:1. Ono (2). 1 Kron. 8: 12; Ezra 2:33; Neh. 7:37; 11:35. Op N.W. van Lyd-da, in de kustvlakte, drie dagreizen van Jeruzalem, op neutraal terrein (buiten het territorium van Juda). Met een open briefin zijn hand (5). On verzegeld, opdat ieder kennis kon nemen van de inhoud èn opdat het ieder zou toeschijnen alsof de schrijver volkomen te goeder trouw was. Door te gewagen van een gerucht (6) neemt de brief de misleidende gedaante aan van een poging om Nehemia te waarschuwen voor lasterpraat, die rondgaat. Gas-mu (6). Gesem, 2:19. Van plan zijt in opstand te komen(6) . Hetzelfde liedje dat in Ezra 4:12-16 en Neh. 2:19 gezongen werd. Hun koning (6). Op deze wijze tracht menNehemia bij de koning in discrediet te brengen. Verschillende voorbeelden zijn bekend van vertrouwelingen van de perzische koningen, die in opstand kwamen. Voor de mening dat Nehemia tot het huis van David zou behoren, zoals sommigen willen, geeft de tekst geen grond. Vgl. 1: 1 verklaring. Laten wijsamen beraadslagen (7). De geslepen Sanballat wendt aldus voor bezorgd te zijn voor Nehemia’s goede naam. Gij verzint ze zelf (8). Lett. ‘Gij fabriceert ze uit uw hart’. Zo wordt van de valse profeten gezegd dat zij ‘uit hun hart’ spreken, Jer. 23:16; Ez. 13: 2. Sterk mijn handen (9). Bij 2:4. Semaja (10) = ‘De HERE heeft gehoord’. Verder onbekende ‘profeet’. Verhinderd (10). Lett, ‘opgesloten’. Jer. 32:2; 33:1. Semaja had zich als een angstig vogeltje teruggetrokken (‘zich opgesloten’), om de indruk te wekken dat de vijanden het ook op hèm hadden gemunt, teneinde daardoor te gemakkelijker Nehemia’s vertrouwen te winnen. Binnen de tempel (10). Dit zou de stadhouder – een leek – zodanig in opspraak brengen dat zijn rol op eenmaal zou zijn uitgespeeld, daar het onbevoegden verboden was het tempelgebouw te betreden. Num. 18:7. Omgekocht (12). Ezra 4:5. Gedenk, mijn God (14). Bij 5:19. Noadja, een valse profetes (14). Andere vrouwelijke profetessen zijn Mirjam (Ex. 15:20),Debora (Ri. 4:4) enHulda (2 Kon. 22:14). De muur (15). Voor het begin van het herstelwerk zie verklaring bij Ezra 4:21 en Neh. 1:3. Neh. 3, 4 en 6 beschrijven de hervatting en de voltooiing van het werk. De inwijding van de muur, 12:27-43. Vijfentwintigste Elul (15). De 6e maand. Nog geen zes maanden zijn verstreken sedert het tijdstip waarop Nehemia verlof ontving om naar Juda te reizen (2:1). Het is het jaar 445 v. Chr.Werden al de volken rondom ons bevreesd’ (16). Wat zij Juda wilden aandoen (vss 9, 14, 19) overkwam hen dus zélf! Eedgenoten (18). Doelt waarschijnlijk op handelsbetrekkingen, waarvan genoemde familiebanden wellicht uitvloeisel waren. Mesullam (18). Bekend om zijn ijver bij het herstel der muren, 3:4, 30. Ezra’s maatregelen tegen de gemengde huwelijken waren blijkbaar niet van een blijvend resultaat, vgl. aant. bij Ezra 10:15.
Bewaking van de stad en lijst van teruggekeerden 7.1-72
De deuren (1). Bij 3:1. De poortwachters (1). Zij worden in 1 Kron. 9:17-29 genoemd als tempelbewakingsdienst; zie verklaring bij Ezra 2:42. Opmerkelijk dat met de bewaking van de stad – een civiele aangelegenheid! – tém-pelpersoneel belast wordt. Vgl. Inleiding VIIc Hanani (2). 1:2. Is de afkorting van (de eveneens genoemde)Hananja (2), welke naam betekent ‘De HERE is genadig geweest’. De burcht (2). Bij 2:8. Ruim (4). Namelijk van N. naar Z. en van O. naar W. Het inwonertal was gering (4). Van de ca 50000 teruggekeerden ( 538 v. Chr. met Zerubbabel, Ezra 2:64 + ca. 6 ä 458 v. Chr. met Ezra (verklaring Ezra 8:13)) was het merendeel in de omliggende dorpen gaan wonen (vgl. Ezra 2:70), waar de levensmogelijkheden groter zullen zijn geweest dan in een halfverwoeste stad. Met het oog op de weerbaarheid van de stad was een groter inwonertal wenselijk. Om zich in de registers te laten inschrijven (5). Op basis van een aan te leggen bevolkingslijst wil Nehemia de stadsbevolking aanvullen met een deel der plattelanders. De uitvoering hiervan wordt beschreven in hoofdstuk 11. Onderwijl wordt een reeds aanwezig register ontdekt, waarvan de inhoud (vss 6-72) in grote lijnen overeenkomt met de lijst van Ezra 2.
Vernieuwing van het verbond Neh. 8:1-10:39
Voorlezing uit de wet 8:1-13
De zevende maand (1) = Tisjri (sept./okt.). Van het 20e jaar van Arthachsasta (2:1), 445 v. Chr.De Waterpoort (2). Niet ver van de tempel, 3:26. De schriftgeleerde (2). Bij Ezra 7:6. Ezra (2). Hij reisde dertien jaar vóór Nehemia naar Juda, 458 v. Chr. In Ezra 7-10 is hij de hoofdpersoon, terwijl hij in Neh. 1-7 ongenoemd blijft. Ezra’s betekenis lag niet op staatkundig terrein, maar op dat der religie; daarom treedt zijn naam in hoofdstuk 8 weer op de voorgrond. Het boek der wet van Mozes (2). Bedoeld is hier het geheel van de vijf boeken van Mozes (de Pentateuch). Op de eersten dag (3). Nieuwjaarsdag, een dag van bazuingeklank en van een heilige samenkomst (Lev. 23:24; Num. 29:1). Van dat het licht werd etc. (4). Bij elkaar gedurende 6 uur (vgl. 9:3), onderbroken door de in vers 8 genoemde verklaringen. Opende (6). Di. ontrolde. Luc. 4:17. Stond het gehele volk op (6). Uit eerbied voor God, Die door Zijn Woord tot hen sprak, vgl. Ri. 3:20. Opmerkelijk zijn de liturgische bijzonderheden die in deze verzen worden aangetroffen. – De verhoogde plaats (vs 5) wijst op de centrale plaats van het Woord. De gemeente staat op bij opening van het Woord, vs 6. -Lofprijzing of doxologie, vs 7a (vgl. 9:6). – Antwoord van de gemeente in de vorm van een tweevoudig ‘amen’, vs 7b. – De handen worden biddend opgeheven (vs 7), vgl. Ezra 9:5; Ps. 28:2; 134:2; 143:6. – De gemeente knielt voor de HERE met het gelaat ter aarde (vs 7), vgl. Ps. 95:6. – Voorlezing en uitlegging van het Woord, vss 8, 9. En Nehemia (10). Uit dit vs en uit 12:26, 36 staat de gelijktijdigheid van Ezra en Nehemia vast, die door sommigen ten onrechte bestreden wordt. De stadhouder (10). Bij Ezra 2:63. Weent niet (10). Het is een jubeldag, Num. 29:1. Die is uw toevlucht (11). Lett. ‘Bolwerk’. Om nl. met uw zonden heen te vluchten, waartegen het bolwerk van Jeruzalems stenen muur, nu onlangs gereedgekomen, u niet beveiligen kan!
Viering van het Loofhuttenfeest 8:14-19
Op de tweede dag (14). 2/7, daags na de Nieuwjaarsdag (vs 3). Kwamen ...bijeen etc. (14). Bijbelstudiegroep ten huize van Ezra. Het feest (15). Het Loofhuttenfeest, dat gevierd werd van 15 Tisjri-22 Tisjri (sept./okt.). Zie bij Ezra 3:4. De olijfboom (16.). Iets andere opsomming dan in Lev. 23:40. Palmen (16). Vooral rond de palmstad Jericho, Deut. 34:3. De Waterpoort (17). 3:26; 8:2. De Efraimpoort (17). 12:39. Deze in de noordelijke muur gelegen poort gaf toegang tot de weg naar het N.W. gelegen Efraïm, Sinds de dagen van Jozua (18). Hier wordt gedoeld op de rituele nauwgezetheid; er is derhalve geen tegenspraak met Ezra 3:4. Op de achtste dag (19). 22 Tisjri is er, naar Lev. 23:36, een slotbijeenkomst.
Dag van boete en smeekgebed 9:1-37
Op de vierentwintigste dag (1). Twee dagen na het Loofhuttenfeest, dat 22 Tisjri werd afgesloten (8:14-19). Na feestgedruis een boetedag. De nakomelingen van Israel (2). In Ezra 9:2 ‘het heilige zaad’ genoemd. Scheiddenzich af (2). Het besef een afgezonderd volk te zijn was door Ezra’s optreden aanmerkelijk versterkt (Ezra 9:2; 10:11). Deden belijdenis etc. (2). Vss 16-29 vormende inhoud daarvan. Een vierde deel van de dag (3). Gedurende 3 uren luistert men naar passages uit het Boek en de volgende 3 uren besteedt men met bidden en zingen, zodat ook deze tweede volksvergadering een halve dag, di. 6 uur duurt; vgl. 8:4. Jesua etc. (4). Voor een deel dezelfde namen als 8:5, 8. De eerste acht aangewezen om het gebed te leiden, het tweede achttal om de zang te begeleiden. Ofschoon Ezra in dit hoofdstuk niet wordt genoemd, is toch aannemelijk dat het levietenkoor het volgende gebed (vss 6-37) onder zijn leiding uitsprak. De Griekse vertaling (LXX) laat aan dit gebed dan ook de woorden ‘En Ezra sprak’ voorafgaan.
In het volgende gebed zijn drie onderdelen aan te wijzen, a. Dankzegging aan de HERE, vss 6-15. b. Israels schuld, vss 16-31. c. Bede om ontferming, vss 32-37.
a. Dankzegging aan de HERE, vss 6-15. De hemel der hemelen (6). Di. de hoogste hemel. Bedoeld is de woonplaats van de HERE (Ps. 123:1). Vgl. ‘lied der liederen’ (het Hooglied) en ‘koning der koningen’ (de hoogste koning). Typisch hebr. zegswijze. En al zijn heir (6). Engelen en troongeesten. Gen. 32:3; 2 Kron. 18:18; Ps. 103: 21; 104:4; Heb. 12:22b. Het heir des hemels (6). Nu zijn de sterren bedoeld. Jes. 34:4; 40:26; 45:12. Buigt zich voor U neder (6). Di. moet uw oppermacht erkennen. Hoe dwaas is het dus zich voor dit heir neer te buigen (astrologie)! Jer. 8:2; 19:13. UitUr(l). Gen. 11:31; 15:7. Abram (7). ‘Verheven vader’. Abraham (7). ‘Vader van een menigte’. Gen. 17:5. Een verbond (8). Gen. 15:1821, waar ook dezelfde volken genoemd worden. Want Gij zijt rechtvaardig (8). God houdt Zich Zijnerzijds aan de vrijwillig aangegane verplichtingen of verbondsbelof-ten. De ellende...gezien (9). Ex. 3:7, 9. Hun geroep…gehoord (9). Ex. 14:10. Tekenen en wonderen (10). Ex. 7: 3. De zee gespleten (11). Ex. 14:21. Als een steen (11). Ex. 15:5. £en wolkkolom (12). Ex. 13:21,22. Zijt Gij nedergedaald (13). Ex. 19:18-20. Gesproken uit de hemel (13). Ex. 20:22. Uw heilige sabbat (14). Ex. 20:8-10; 23: 12; 31:13-17. Reeds vroeger bekend, nl. in de geschiedenis van het manna, Ex. 16:5, 22-30. Brood uit de hemel (15). Ex. 16:4. Uiteen rots(S). Ex. 17:6; Num. 20:8; 1 Kor. 10:4.
b. Israels schuld, vss 16-31. Handelden misdadig (16). Deden dus niet onder voor de Egyptenaren, vs 10! Een hoofd (17). Num. 14:4. Een gegoten kalf (18). Ex. 32. Uw goede Geest (10). 9:30; Ps. 143:10; Jes. 63:11. Door deze Geest werden Mozes en de zeventig oudsten bekwaamd om te onderrichten (20), di. om leiding te geven en om recht te spreken (Num. 11:17, 25-29). Anderen werden door Hem toegerust met gaven om de tabernakel te bouwen (Ex. 31:3). Niet versleten (21). Deut. 8:4; 29: 5. Sihon…Og (22). Voor de overwinning op deze beide koningen in het Oostjordaanland, Num. 21:21-35; Ps. 135:11. Als de sterren (23). Naast landbezit (vs 8) behoorde ook de talrijke nakomelingschap tot de inhoud van Gods verbond met Abraham, Gen. 15:5; 22:17. Versterkte steden (25). Deut. 3:5; Ri. 1:8-21. Huizen vol met allerlei goederen (25). Deut. 6:11. En werden verzadigd (25). Lett. ‘vet’. Evenals in Deut. 32:15 vormt dit woord de inleiding om de ondankbaarheid van Israel te tekenen.Doodden uw profeten (26). Ten tijde van Achab, 1 Kon. 18:4; Zacharia, 2 Kron. 24:20, 21; Mat. 23:35; Uria, Jer. 26:20-23. Verlossers (27). De richters, aan welk tijdperk de beschrijving van vss 27 , 28 duidelijk herinnert. Hun schouder (29). Beeld ontleend aan het onwillig lastdier, dat zich aan het juk onttrekken wil; Zach. 7:11. Niet voorgoed (31). Naar Zijn belofte Jer. 4: 27; 5:18; 30:11; 46:28.
c. Bede om ontferming, vss 32-37. Het verbond en de goedertierenheid (32). 1:5. Hierop pleit de bidder. Rom. 3:3. Koningen van Assur (32). Pul of Tiglath-Pileser III (745-727 v. Chr.), 2 Kon. 15:19; 1 Kron. 5:26. Salmanassar V (727-722 v. Chr.), die de laatste koning van Israel gevangen nam, 2 Kon. 17:3, 4. Sargon II (722-705 v. Chr.), Jes. 20:1, die in z’n eerste regeringsjaar Samaria innam, 2 Kon. 17:6, en daarmee aan het Tienstammen-rijk een einde maakte. Sanherib (705-681 v. Chr.), die Jeruzalem benauwde, maar niet innemen kon, 2 Kon. 18-19. Wij hebben goddeloos gehandeld (33). Deze bidder weet zich één in de schuld met het voorgeslacht dat Gods wet vergat. Slaven (36). Ezra 9:9. Zo vrij als de vaderen waren, zo gebonden zijn de teruggekeerden nl. door de bepalingen en de accijnzen van de perzische vorsten.
Bekrachtiging van het verbond 9:38-10:39
Een vast verbond(38). Hebr.: amana (vgl. ‘amen’): Tets dat vast en zeker is’. Met hun zegel (38) verplichtten de vooraanstaanden zich tot de naleving. Vss 1-29 geven de lijst van ondertekenaars (a) en in de vss 30-39 volgt de inhoud van enige bijzondere verplichtingen (b).
a. De oorkonde wordt bekrachtigd door:
A. De stadhouder (1) en diens secretaris, een verder onbekende Zidkia (1).
B. 21 priesters, vss 2-8. Blijkens 12:12-21 geen namen van personen, maar van bekende priesterafdelingen. Bij Ezra 2:36. Seraja (2). Het hogepriesterlijke geslacht, bij Ezra 7:1.
C. 17 Levieten, vss 9-13.
D. 44 familiehoofden, vss 14-27. Vergelijking met Ezra 2:3-35 leert dat we ook hier, als bij de priesters, geen persoonsnamen moeten lezen, maar namen van families.
E. Ook het overige volk etc. (28), wier hoofden het verbond hadden bezegeld, verplicht zich tot de onderhouding daarvan. De poortwachters (28). Ezra 2:42. Afgescheiden (28). Bij Ezra 6:21. Zelf vervloeking (29). Men roept aldus Gods wraak in over zichzelf bij schending van het verbond. Vgl. Deut. 29:12 (SV), waar ‘vloek’ en ‘verbond’ synoniemen zijn.
b. Enige bijzondere verplichtingen, vijf in getal, zijn:
A. Verbod van gemengde huwelijken, vs 30. Ezra 9-10; Neh. 13:23-28.
B. Heiliging van sabbat en van sabbatjaar, vs 31. Andere plaatsen tegen handel op sabbat: Jes. 58:13; Jer. 17:19; Arnos 8:5. Desondanks blijken nadere maatregelen noodzakelijk, 13:15-22. Het zevende jaar (31). Ex. 23: 10; Deut. 15:1-3.
C. Een vrijwillige, hoofdelijke, belasting van jaarlijks 1/ 3 sikkel voor de tempeldienst, vss 32, 33.
D. Regeling van de houtaanvoer door middel van het lot, vs 34. Veel hout was nodig om het altaar brandende te houden, Lev. 1:17; 6:12, 13. Vgl. Neh. 13:31.
E. In het onderhoud der tempeldienaren moest worden voorzien door de heffing van de eerstelingen (Num. 18: 13), de aanbieding van de eerstgeborenen (Num. 18:15) en door afdracht van de tienden (Num. 18:21-24), vss 3539. De Levieten, die de tienden heffen, moeten zelf ook weer een tiende van de tienden (38) afdragen ten behoeve van de priesters, vgl. Num. 18:25-32. De naleving hiervan liet al spoedig te wensen over, 13:10-14.
Verdere activiteiten van Nehemia 11:1-13:3
Uitbreiding van de bevolking van Jeruzalem 11:1-36 Dit hoofdstuk beschrijft de oplossing van het in 7:4 genoemde probleem, zie aant. bij 7:4. Het lot (1). Waarvan men de beslissing in Gods hand weet (Spr. 16:33). De heilige stad (1). Jes. 48:2; 52:1; Neh. 11:18; Dan. 9:24. Vgl. Ezra 9:8 ‘de heilige plaats’.
De vss 3-21 geven een lijst van familiehoofden (a), waarna in de vss 25-36 een lijst volgt van door Judeeërs bewoonde steden (b).
a-A. Hoofden van Juda en Benjamin, vss 4-9. Vgl. 1 Kron. 9:3-9. Die van Efraïm en Manasse (1 Kron. 9:3) worden niet afzonderlijk vermeld, vgl. bij Ezra 1:5. De drie geslachten van Juda: Perez (Gen. 38:29), Zerah (Gen. 38:30; Neh. 11:24) en Sela, hier geschreven ‘Siloni’ (vs 5; Gen. 38:5).
B. De priesters, vss 10-14. Vgl. 1 Kron. 9:10-13. Van de in Ezra 2:36-39; 10:18-22 genoemde vier priesterafdelingen (zie verklaring bij Ezra 2:36) hier alleen Jedaja (10), Pashur (12) en Immer (13). Verder worden genoemd de afdelingen Jojarib (11; lees als 1 Kron. 9:10, dus met weglating van ‘de zoon van’) en Jachin (11). Kennelijk zijn er niet meer dan 5 van de 24 afdelingen binnen Jeruzalem vertegenwoordigd. Het geslacht Seraja (11), behorend tot de afdeling Jedaja (bij Ezra 2:36), staat voor de hogepriesterlijke familie (‘overste van het huis Gods’, vs 11).
C. De Levieten, vss 15-18. Vgl. 1 Kron. 9:14-16. De dienst buiten het huis Gods (16). Innen van tienden (10: 38, 39), beheer van voorraden, de ‘buitendienst van beambten en rechters’ (1 Kron. 26:29).
D. De poortwachters, vs 19. Vgl. 1 Kron. 9:17-26a. Bij Ezra 2:42.
E. De tempelhorigen, vs 21. Bij Ezra 2:43. Ofel (21). Bij 3:26.
b. Door Judeeërs bewoonde steden, vss 25-36. Een omvangrijk gebied met joodse bewoning. Het betekent daarom nog niet dat elke genoemde plaats joods bezit zou zijn of tot het joodse territorium behoorde. Het is merkwaardig dat namen als Bethlehem, Tekoa en Kehila ontbreken.
Lijsten van priesters en Levieten 12:1-26
a. Priesters en Levieten in de tijd van Zerubbabel (537 v. Chr.), vss 1-9. Zerubbabel (1). Ezra 2:2. Jesua (1). Idem. Terwijl Ezra 2:36-39 voor diezelfde tijd niet meer dan 4 priestergroepen kent, volgen er hier 22. Dit is alleen te verklaren door aan te nemen dat er nog geen vaststaande organisatie van priesterafdelingen bestond. Ditzelfde geldt mbt. de 8 levietengeslachten, tegen Ezra 2:40.
b. Genealogie van hogepriesters vanaf Jesua, vss 10-11. Jesua (10). Hogepriester in de jaren 537-519: tijdgenootvan Zerubbabel. Ezra 2:2.Jojakim (10). 12:12, functie (indien geen namen zijn weggelaten) tussen ca. 500 en 450. Eljasib (10). Zijn pontificaat viel ca 445-na 430 (13:28). Tijdgenoot van Nehemia. Vgl. 3:1. Jojada (11). 12:22; 13:28. ± 420 v. Chr.Jonathan (11). Uit vs 22 kan worden afgeleid dat hij zeer kort of zelfs in het geheel niet het ambt heeft bekleed. Zijn broeder Johanan (vss 22, 23) was in 408 hogepriester blijkens papyri, gevonden te Elefantine, een joodse kolonie in Egypte. Jad-dua (11). Opvolger van zijn oom (vgl. vs 22) Johanan; ca. 400-380.
c. Hoofden van priesterfamilies ten tijde van Jojakim, vss 12-21. Jojakim (12). Vs 10. De volgende namen komen, soms met variante spelling, overeen met de vss 1-7 genoemde. De naam van het hoofd van Minjamin (17) is kennelijk weggevallen.
d. Familiehoofden van Levieten, vss 22-25. Registratie van de Levieten in de tijd van de hogepriester Eljasib (22) en zijn opvolgers, vgl. vss 10, 11; van de priesters tijdens koning Darius II Nothus (22), 423-404. Het boek der kronieken (23). Niet het gelijknamige bijbelboek, maar een stuk in het tempelarchief, waarin de genealogische lijsten werden bijgehouden; 1 Kron. 9:1. Johanan (23). Bij vs 11. Het gebod van David (24). 1 Kron. 16:4; 23:30;. 2 Kron. 8:14; 29:25. De man Gods (24). Vs 36. Vgl. Mozes, Ezra 3:2. De HERE gaf door hen Zijn wil te kennen; organen van Zijn openbaring. Poortwachters (25). Ezra 2:42. Dezelfde familiegroepen in 1 Kron. 9:17 (Mesullam heet daar Sallum) en Neh. 11:19.
Vs 26 sluit het gedeelte vss 12-25 af met tijdbepaling die de periode ca. 480-430 omvat. Van de hier genoemde personen waren Nehemia en Ezra zéker tijdgenoten (8: 10; 12:36), terwijl Jojakim (zie vs 10) bij de komst van Ezra in 458 wellicht nog hogepriester was.
Inwijding van de stadsmuur 12:27-47
Na de voltooiing (6:15) volgt de inwijding (27) van de muur. Het religieuze karakter daarvan blijkt uit het optreden van Levieten (vss 27-39) en uit de plechtigheid op het tempelplein (vss 40-43). De zangers (28). Ezra 2:41. De omstreken (28). Bij 3:22. Netofathieten (28), van de plaats Netofa (Ezra 2:22), nabij Bethlehem. 1 Kron. 2: 54. Beth-Hagilgal (29). Waarsch. Gilgal nabij Jericho. Gibea (29), ook: Gaba, Ezra 2:26 en Azmaveth (29). Ezra 2:24. Beide ten N. van Jeruzalem.
Vss 31-43 omgang over de muren, eindigend op het tempelplein. Ik (31). Nehemia, bij 1:1. In twee groepen wordt een omgang gehouden over de stadsmuur. Punt van uitgang vermoedelijk de Dalpoort (2:13). De eerste naar rechts (31), di. het zuiden; de tweede naar het noorden, zó dat beide groepen elkaar treffen op het tempelplein. Met elk van deze groepen gaat een zangkoor mee. Aan het hoofd van een groep Ezra (36), terwijl Nehemia (38) de andere groep gezelschap houdt.David (36). Bij vs 24. Het paleis van David (37). 3:25. Voor de poorten en torens, zie 2:13-15; 3:1- het huis Gods (40). Di. op het tempelplein. Hier voltrekken de priesters (41) de slotceremonie: talrijke dankoffers (43). Groot vreugdebetoon: vs 43 heeft 5 x het woord ‘vreugde’ en zijn afleidingen. Hiermee is Nehemia’s levenswerk bekroond!
Een goede regeling voorziet in het onderhoud van de tempelbeambten, vss 44-47, waardoor de aangegane verplichtingen van het verbond (10:35-39) naar behoren kunnen worden nagekomen. Voorraden (44). Koren, most, olie etc.; vgl. 10:37-39; 13:5. De nevenschikking David en Asaf (46) bewijst de toenemende betekenis van zang en muziek in de tempelliturgie. Ezra 2:41. Zerubbabel (47). Ezra 2:2. Poortwachters (47). Ezra 2:42.
Uitsluiting van de vreemden 13:1-3
Het boek van Mozes (1). Deut. 23:3-6. Zonderden…af(3) . Bedoeld is uitsluiting van deelname aan alles wat de dienst des HEREN betreft, dus niet verdrijving van het grondgebied. Van gemengde afkomst (3). Lett, ‘mengsel’. Nl. niet-Joden, vreemdelingen (Ex. 12:38), maar ook personen van gemengd bloed.
Hervormingen in Nehemia’s tweede ambtstermijn 13:4-31
Verwijdering van Tobia 13:4-9
Eljasib (4). Niet verwarren met de hogepriester van die naam (die vs 28 voorkomt). Aangesteld (4). 12:44. Tobia
(4) . Nehemia’s tegenstander, 2:10. Ook uit 6:17-19 waren vriendschappelijke betrekkingen tussen de voor-naamsten en Tobia gebleken. Heffing der priesters (5). Bij 10:38. Doch ik was etc. (6). Na twaalfjarige ambtstermijn (5:14), di. in 433 v. Chr. was Nehemia teruggekeerd naar het perzische hof. Arthachsasta (6). Bij Ezra 4:7. Van Babel (6). Voor ons gevoel zou ‘Perzië’ exacter zijn uitgedrukt; vgl. bij Ezra 6:22 voor hetzelfde verschijnsel. Na verloop van tijd (6). Erg vage aanduiding. Meestal dateert men Nehemia’s tweede termijn ca. 430 of later. Het kwaad (7). Nl. de ontwijding van de tempel, waarin geen leek, nog minder een Ammoniet (vgl. vs 1) een voet mocht zetten.
Herstelling van de positie der Levieten 13:10-14
De bijdragen (10). Tienden (Num. 18:21). De overeenkomst van 10:37 is niet nagekomen. Om in leven te blijven is een aantal tempeldienaren naar zijn eigen akker (10) teruggekeerd. Hierdoor was de eredienst in het gedrang geraakt. Nehemia grijpt in en stelt de Levieten weer op hun post. Gedenk mij (14). Bij 5:19. Wis niet uit (14). Er is nl. een gedenkboek voor Gods aangezicht, Jes. 65:6; Mal. 3:16.
Handhaving van de sabbatsrust 13:15-22
Het 10:31 bepaalde bleek niet voldoende. In strijd met het gebod vonden akkerbouw en verkoop van waren plaats, Jes. 58:13; Jer. 17:27; Ez. 20:12-16. De ezel van Ex. 20:17 rustte niet. De Tyriërs (16). Uit Tyrus, die rijke wereldstad; Ps. 45:13; 87:4; Ez. 26-28. Vis (16). Die waarsch. verhandeld werd bij de Vispoort (3:3). Op bevel van Nehemia worden de poortdeuren van vrijdagavond tot zaterdagavond gesloten gehouden. Buiten Jeruzalem (20). Opdat de mensen even buiten de stad nl. tóch nog zaken met hen zouden komen doen op de rustdag. De Levieten (22). Hun liturgische taak wordt uitgebreid met de bewaking van de stadspoorten op de sabbat; vgl. bij 7:1. Gedenk mij (23). Bij 5:19.
D. Nieuwe maatregelen tegen vreemde vrouwen 13:23-31
Ondanks de hervormingen van Ezra (Ezra 9-10) en instrijd met de verbondsvernieuwing (Neh. 10:30) treft Nehemia een groot aantal vreemde vrouwen aan. Asdoditi-sche (23). Bij 4:7. Hun kinderen etc. (24). De taal der on-besnedenen in de mond van joodse kinderen! Trok hun de haren uit (25). Vgl. Ezra 9:3. Bezwoer hen (25). Nam de eed af volgens Deut. 7:3. Salomo (26). 1 Kon. 11:1-8. Een beminde (26). Toespeling op zijn eigenlijke naam Je-didja (‘beminde des HEREN’), 2 Sam. 12:25. Jojada (28). 12:11, 22. Zelfs de hogepriesterlijke familie is niet onschuldig. Eljasib (28), Bij 3:1. Sanballat (28). Bij 2:10; aartsvijand der Joden. Het vreemde (30). Niet-joodse gebruiken, maar vnl. niet-joodse vrouwen (10:30; 13:2328). Het hout (31). Het in 10:34 bepaalde behoefde nog nadere regeling. De eerstelingen (31). Deze waren, volgens de overeenkomst van 10:35-37, bestemd voor het heiligdom. Gedenk mij (31). Bij 5:19. Het boek eindigt met een gebed. Zijn levenswerk was de zaak des HEREN te dienen.