Menu

Premium

Galaten

INLEIDING

De uitdrukking ‘met de meeste hoogachting’ brengen wij spontaan in verband met een brief, en meer bepaald met de afsluiting ervan. Ook in de Oudheid werd een brief opgesteld volgens conventies. De studie van deze brieven leert dat conventionele uitdrukkingen in clusters voorkomen aan het begin van de brief, op het einde ervan en daar waar de gedachtegang een belangrijke wending neemt. In de brief aan de Galaten vinden we zulke clusters aan het begin en op het einde (1:1-13 en 6:11-18) en verder ook nog in 311- 4:11-20 en in 4:31-5:12. Het opsporen van brieftaal levert dus een eerste indicatie van de opbouw van de tekst.

Deze brief is geen private brief. Hij is gericht tot de gemeenten van Galatië (1:2) en werd in hun vergaderingen voorgelezen. Dit publieke karakter heeft de brief gemeen met een redevoering. En ook de doelstelling heeft hij gemeen met een redevoering: Paulus beoogt met het laten voorlezen van zijn brief hetzelfde als wat een redenaar beoogt wanneer deze het woord neemt, namelijk zijn publiek winnen voor zijn zaak. Veel van wat de apostel schrijft, beantwoordt aan de richtlijnen die worden gegeven in handboeken over klassieke redekunst. Maar in zijn totaliteit is deze brief toch niet te herleiden tot een van de modelstructuren die daar worden geboden en verschilt hij in opbouw ook van alle bekende redevoeringen uit de Oudheid.

de retoriek van de brief aan de Galaten te verstaan is het nodig eerst de twee voornaamste strategieën die Paulus aanwendt kort toe te lichten: de strategie van het distantiëren en die van het associëren. De eerste strategie wil het publiek losmaken van een persoon of groep en van de waardenhiërarchie die deze persoon of groep aanhangt; de tweede wil het publiek binden aan een persoon of groep en hun waardensysteem. De eerste strategie bereikt haar doel wanneer het publiek de gewraakte personen en waarden afstoot; de tweede bereikt haar verste punt wanneer het publiek zich identificeert met een persoon of groep en de waarden waar ze voor staan. Beide strategieën werken complementair.

Dat Paulus vooral naar deze strategieën grijpt, zal niet verwonderen wanneer men de situatie voor ogen houdt die hem heeft gedreven tot het schrijven van zijn brief: de jonge kerken in Galatië zijn, na door Paulus gekerstend te zijn (4:13), in verwarring gebracht door lieden die beweren dat besnijdenis en Thora-observantie het entreeticket zijn van het christendom (1:6-7). Ter discussie staat dus de christelijke identiteit.

Opbouw van de brief aan de Galaten

1:1-5

Briefadres

1:6-9

Kwestie en standpunt

1:10-2:21

Verhalend deel: Paulus, Godsgezant en voorbeeld

1:10-12

Thema: Godsgezant en geen mensenvleier

1:13-24

Eerste tafereel: geroepen door God

2:1-10

Tweede tafereel: trouw aan zijn zending leidt tot gemeenschap

2:11-21

Derde tafereel: trouw aan zijn zending leidt tot conflict

3:1-4:11

Argumenterend deel: Gods heilshistorisch plan

3:1-5

Inleiding: beroep op de geest-ervaring

3:6-14

Eerste historische ronde: thema ‘belofte’

3:15-29

Tweede historische ronde: thema ‘één’

4:1-7

Derde historische ronde: thema ‘vrijheid’

4:8-11

Besluit: Thora-observantie voor christenen uit de heidenen is regressie

4:12-5:12

Sommerend deel: Paulus volgen en de opruiers verbannen

4:12-20

Pathetische vordering

4:21-5:1

Schriftuurlijke vordering

5:2-6

Autoritatieve vordering

5:7-12

Recapitulatie

5:13-6:10

Aansporend deel: onderlinge relaties

5:13-15

Kwestie en standpunt

5:16-17

Wandelen in de geest

5:18-6:6

Handelen in de geest

6:7-10

Het eschatologisch oordeel

6:11-18

Slot: recapitulatie en voorwaardelijke zegen

De strategie van Paulus bestaat erin radicaal een wig te drijven tussen het evangelie dat hij verkondigt en datgene wat die anderen aan de Galaten hebben verkondigd en waaraan hij de benaming ‘evangelie’ ontzegt. Hij plaatst beide overtuigingssystemen tegenover elkaar door aan elk van hen antithetische kwalificaties toe te kennen: het evangelie van Paulus staat voor goddelijk handelen, bevrijding en eschatologische tijd – kortom, positieve kwalificaties; de boodschap van de anderen staat voor menselijk streven, slavernij en terugkeer naar het verleden – met andere woorden, negatieve kwalificaties. Deze tegenstellingen worden in telkens andere synoniemen en omschrijvingen weer opgenomen en vormen draden die door de hele brief heen lopen. Van deze tegenstellingen wordt de antithese vrijheid – slavernij het sterkst ontwikkeld. Door middel van deze radicaal antithetische kwalificaties omschrijft Paulus de status van het christen zijn en dwingt hij de Galaten tot een keuze.

Structuur

Paulus begint zijn brief met een briefadres (1:1-5) dat onmiddellijk wordt gevolgd door een duidelijke stellingname (1:6-9). Vervolgens identificeert hij zichzelf met het evangelie en maakt onderwijl aan zijn geadresseerden duidelijk dat zij in veilige handen zijn wanneer zij hun status verbinden met die van de apostel (1:10-2:21). Daarna ontkracht hij de exclu-siviteitsaanspraken van zijn Joods-christelijke tegenstanders door aan te tonen dat de belofte van universele zegen die God aan Abraham heeft gedaan, nu vervuld is in Christus (3:1-4:11). Vervolgens vordert hij de Galaten om trouw te blijven aan zijn evangelie en om degenen die het non-evangelie verkondigen uit te bannen (4:12-5:12). Tot slot roept hij hen op tot een kerkelijk leven in liefde en geest (5:13-6:10). Elk van deze onderdelen heeft een eigen toon, respectievelijk verhalend, argumenterend, vorderend en aansporend. Met een korte recapitulatie en zegenwens (6:11-18) eindigt de brief.

Briefadres (1:1-5)

De brief begint met de conventionele elementen van een briefadres: de vermelding van de afzender, de vermelding van de geadresseerden en een heilsgroet. Reeds in dit adres, en dus nog voor hij zegt welke kwestie hij in zijn brief aan de orde stelt, zet Paulus een strategie op om het pleit te winnen. Hij definieert zich als gezant (‘apostel’), niet van mensen of zoals dat onder mensen gebeurt, maar van Jezus Christus en van God, die Jezus uit de dood heeft opgewekt en daarmee heeft bevestigd dat Jezus zijn Zoon is. Paulus geeft hier vanaf de eerste zin aan dat er slechts twee posities bestaan: de positie van God en de louter menselijke. Impliciet is dit een uitnodiging om de zijde te kiezen van het goddelijke en zich af te houden van degenen die louter menselijke dingen voorstaan.

Kwestie en standpunt (1:6-9)

Na het adres volgt abrupt de sterk geladen uitroep ‘ik sta versteld!’ Paulus geeft hier niet enkel lucht aan zijn ontgoocheling. Hij beoogt tevens een schok bij zijn lezers: zij zullen versteld staan van deze uithaal van Paulus. Nadien zegt hij waarover hij versteld staat: dat zij zo vlug op het punt staan te deserteren. Paulus ervaart deze situatie als alarmerend. Zij is de motor van zijn schrijven. Met zijn brief wil hij niets minder dan deze situatie keren. De desertie is een afvallen van degene die hen heeft geroepen. Paulus expliciteert niet wie het is die hen heeft geroepen – is het God of is het Paulus zelf? Precies daardoor versterkt hij wat hij reeds in het briefadres heeft gesteld en wat autoriteit zal geven aan heel zijn betoog: hij en God staan op dezelfde lijn. Meteen neemt hij ook elke onduidelijkheid weg: er is maar één boodschap (‘evangelie’), en dat is de boodschap die door Paulus, Gods gezant, is verkondigd. De crisis is niet te wijten aan een niet correcte overlevering van die boodschap door Paulus, maar aan het gekuip van malafide individuen. Dit is zijn kijk op de situatie en van hieruit zal hij zijn argumentatie opbouwen.

Paulus spreekt in 1:7 over ‘lieden die u verontrusten en het evangelie van Christus willen verdraaien’. Zij worden verder in de brief omschreven als ‘iemand die u een ander evangelie verkondigt’ (1:9), ‘degene die u in verwarring brengt’ (5:10), ‘die opruiers’ (5:12), ‘de lieden die zo graag in menselijk opzicht een goed figuur willen slaan’ (6:12) en ‘die besnedenen’ (6:13). Nergens in zijn brief spreekt hij deze ‘lieden’ rechtstreeks toe en nergens noemt hij hen bij naam. Door hen anoniem te houden spreekt Paulus zijn grondig misprijzen voor hen uit; hij verwaardigt zich zelfs niet hen aan te spreken. Door hen te negeren en enkel met de Galaten in communicatie te treden, bewerkt hij een distantiëring tussen de Galaten en deze ‘lieden’ en voltrekt hij reeds de excommunicatie die hij zelf uitspreekt (1:8-9) en die – naar hij hoopt – ook de Galaten zullen uitspreken (zie 4:30 in verbinding met 5:10). De kampen zijn meteen in stelling gebracht: aan deze zijde staan God en Paulus, aan gene zijde de opruiers met hun menselijk en heimelijk streven. Het is nu aan de Galaten om zich te voegen bij deze of gene zijde.

Verhalend deel (1:10-2:21)

Eerst maakt Paulus duidelijk waar hij voor staat (1:10-2:21). De periode dat hij mensen naar de mond praatte, is voorbij (de precieze vertaling van het einde van v. 10 luidt: ‘als ik ook nu nog zou trachten mensen te behagen, dan zou ik geen dienaar van Christus zijn’). Zijn vroegere leven als Joods ijveraar kwalificeert hij als een poging om mensen te behagen. Impliciet kwalificeert hij ook het ijveren van de opruiers in Galatië als het behagen van mensen. Paulus is nu de slaaf van Christus (1:10). Door zichzelf zo te benoemen, plaatst hij zich in de lijn van de grote Godsmannen die zich ‘slaaf van de HEER’ wisten: Mozes, Jozua, Jesaja en Jeremia. Ook in 1:11-12 stelt hij uitdrukkelijk dat hij de woordvoerder van God en Christus is. En in 1:15 verwoordt hij zijn roeping met de woorden die Jesaja en Jeremia gebruiken om hun roeping te beschrijven: God heeft hem apart genomen toen hij nog in de moederschoot verbleef en heeft hem geroepen. In drie taferelen zal Paulus nu aantonen dat hij onmiddellijk op deze roeping is ingegaan en dat hij de inhoud van zijn zending onverkort heeft verdedigd onder mensen. Hij begint zijn verhaal met een aanspreking van de Galaten in de rol van luisteraars: ‘jullie hebben wel al gehoord (1:13).

In het eerste tafereel (1:13-24) zet Paulus een groot tweeluik op om de impact van zijn roeping duidelijk te maken. Het eerste luik situeert zich in de voltooid verleden tijd (‘vroeger’), ‘in het jodendom’, en heeft één protagonist die alles leidt, Paulus. Zijn heldendaad bestond de kerken te vervolgen. Het tweede luik wordt van het eerste duidelijk afgescheiden door een antithetische tijdsaanduiding (‘toen echter’). De handelende figuren zijn nu God en Paulus zelf, die de opdracht van God onverdroten uitvoert. Plaats van handeling is het gebied van de heidenen. Terwijl in het eerste luik God niet ter sprake komt, beheerst nu het goddelijke het hele gebeuren en wordt het bij herhaling geplaatst tegen over het menselijke. Het tweede luik wordt afgesloten met een verwijzing naar het begin van het eerste luik en beklemtoont zo de radicaliteit van de ommezwaai: de grote ijveraar voor de Joodse zaak en vervolger van de christenen (1:13-14) is nu de grote verkondiger van het Christusgeloof geworden en wordt als dusdanig erkend door de Joodse christenen (1:23-24).

Het tweede tafereel (2:1-10) wordt narratief met het eerste verbonden door een tijdsaanduiding (‘daarna’). Plaats van de handeling is Jeruzalem, en de handelende figuren zijn aan de ene zijde Paulus en, als nieuwkomers in het verhaal, Barnabas en Titus, en aan de andere zijde een kleine groep christenen in Jeruzalem die met de term ‘mannen van aanzien’ worden aangeduid. De handeling bestaat erin dat de held, Paulus, geholpen door God, de boodschap die bedreigd wordt door ‘valse broeders’ veilig stellen. Thema is hier dus de boodschap (het werkwoord ‘boodschappen’ of ‘evangeliseren’, dat in het eerste tafereel een prominente plaats had, wordt nu vervangen door het zelfstandig naamwoord ‘boodschap’ of ‘evangelie’).

Het derde tafereel (2:11-21) wordt ingeleid door ‘maar’, dat al direct aangeeft dat de vredige situatie waarmee het vorige tafereel eindigde, in het gedrang is. Paulus valt met de deur in huis door zijn optreden kernachtig weer te geven nog voordat hij de situatie heeft geschetst: hij heeft Kefas openlijk de waarheid gezegd, want hij bleek schuldig (2:11). Plaats van het gebeuren is nu Antiochië en de actoren zijn aan de ene zijde Paulus, die alleen staat, en aan de andere zijde Kefas, Barnabas en ‘de overige Joden’. De held, Paulus, verdedigt hier het evangelie van de heidenen tegen de antiheld, Kefas, die zich heeft laten meeslepen door menselijk opzicht en daardoor hypocriet is (2:13). De levendigheid van dit tafereel wordt vergroot door het op te zetten als een gerechtsscène (Paulus gebruikt hier veel juridische termen) en door het inbrengen van een dialoog in de directe rede. Dit derde tafereel staat in contrast met het tweede tafereel, zodat men beide taferelen ook zien als een tweeluik. Thema is telkens de bedreigde inhoud van het evangelie. Terwijl in 2:1-10 Paulus de plaats van handeling bepaalde (Jeruzalem) en hij er het oordeel van ‘de mannen van aanzien’ aanhoorde, is het in 2:11-21 Kefas die de plaats van handeling bepaalt (Antiochië) en is het Paulus die een oordeel over hem uitspreekt. In 2:1-10 wordt Paulus geflankeerd door Titus en Barnabas; in 2:11-21 treedt hij alleen op tegen alle anderen. Galaten 2:1-10 eindigt met een proclamatie van gemeenschap; 2:11-21 stopt bij de confrontatie en laat de afloop open.

De autobiografie fungeert als waarmerk van Paulus en als identificatiemodel voor de geadresseerden. In het eerste tafereel houdt Paulus de Galaten een tegenmodel voor. De beslissende stap die hij in zijn leven heeft gezet – en waaraan hij is trouw gebleven – is het tegendeel van de stap die de Galaten willen zetten: van ijveraar voor de Thora stapte Paulus over naar de genade in Christus, terwijl de Galaten op het punt staan deze genade te verbeuren voor observantie van de Thora. In het tweede en derde tafereel getuigt Paulus niet alleen van zijn standvastigheid, maar ook van zijn bekommernis voor de Galaten: hij presenteert zich als de grote verdediger van het evangelie aan de heidenen – en dus aan de Galaten – tegen de vijandelijke acties van valse broeders (2:4) en tegen de hypocrisie van de hoogste autoriteiten in de kerk (2:11-14). Anders dan Kefas, de anti-held, is hij nooit gezwicht voor menselijk opzicht. Op deze wijze wekt Paulus bij zijn geadresseerden het gevoel dat zij op hem kunnen rekenen, meer zelfs, dat hij één van de hunnen is. Functie en opbouw van de autobiografie vertonen gelijkenissen met lofredes uit de toenmalige profane literatuur waarin het ethos van iemand wordt aangetoond, culminerend in een vergelijking met anderen.

De rede die Paulus in 2:14-21 formeel tot Kefas richt, richt hij retorisch ook tot de Galaten. In 2:16 formuleert hij waar het over gaat, niet enkel in het conflict in Antiochië, maar ook in de huidige controverse in de kerken van Galatië: er is geen Joods privilege dat leidt tot rechtvaardiging en heil; elke rechtvaardiging en alle heil geschieden door geloof in Christus. Dat het daarom ‘draait’ wordt ook weergegeven in de concentrische zinsstructuur van vers 16: aan de uiteinden bevindt zich telkens een negatie (geen rechtvaardiging op basis van Joodse identiteit); daarbinnen wordt de bevestiging verwoord dat rechtvaardiging geschiedt door het geloof in Christus; in het centrum staat de belijdenis: ook wij (Joden) hebben in Christus geloofd. De ik-vorm die Paulus vanaf vers 18 gebruikt verwijst niet enkel naar hemzelf. Dit ik is ook exemplarisch. Op deze wijze worden nu de Galaten uit hun aanvankelijke positie van toehoorders gehaald en worden zij medespelers in het betoog. De ‘Antiocheense rede’ vormt op deze wijze een inleiding op het volgende deel van de brief.

Argumenterend deel (3:1-4:11)

Nadat hij zijn geloofsbrieven heeft voorgelegd en voordat hij overgaat tot concrete orders om de crisis in de kerken van Galatië te bezweren, zet Paulus in een brede argumentatie uiteen waarom het zinloos is dat heiden-christenen de Thora zouden naleven (3:1-4:11). In essentie komt het erop neer dat door het Christusgebeuren de Thora als behoeder van de Joodse exclusiviteit is overstegen en dat in Christus alle christenen erfgenamen zijn van Abraham. De samenhang en structuur van dit deel zijn gecompliceerd. Maar de vele tijdsaanduidingen geven aan dat heilsgeschiedenis een belangrijke ordenende rol speelt in de argumentatie.

Dit argumenterend deel begint formeel met een expliciete aanspreking van de Galaten, gevolgd door een spervuur van vragen (3:1-5). Paulus is hard voor de Galaten, maar nog harder voor de opruiers: hij beticht hen ervan met kwade intenties de Galaten te hebben behekst. Paulus roept de Galaten hierdoor op om zich te distantiëren van de opruiers en om opnieuw aan te sluiten bij hun oorspronkelijke ervaring van de geest. Bij deze ervaring start hij zijn argumentatie: de Galaten hebben de geest ontvangen door gelovig naar het evangelie te luisteren en niet door de Thora te onderhouden. Deze ervaring staaft hij vervolgens in drie heilshistorische rondes.

In de eerste ronde (3:6-14) is ‘belofte’ het centrale thema. Dit thema geeft aan de vermelding van achtereenvolgens Abraham, de Thora en Christus niet enkel een logisch maar tevens een chronologisch verband: de belofte aan Abraham is, na een periode van Thora, vervuld in Christus. Elke fase in dit historisch kader wordt ondersteund door Schriftcitaten. In het verleden heeft God aan Abraham een nakomelingschap voorzegd dat Joden èn heidenen zal omvatten. Wanneer evenwel nadien de Thora kwam, werden de Joden binnen de Thora gehouden door de dreiging van vervloeking die de Thora uitoefende zodat niemand straffeloos de omheining kon verlaten. Aan deze periode van Thora-voogdij kwam een einde toen Christus op het kruis de dreigende vloek van de Thora wegnam door zelf een vloek te worden. Joodse christenen konden sindsdien straffeloos de omheining verlaten en de zegen die aan Abraham was toegezegd naar de heidenen brengen. Paulus eindigt in het heden met een appèl aan de geest als bewijs dat de belofte die aan Abraham gezegd was, is vervuld. De band tussen belofte en vervulling geeft Paulus aan met een dubbel woordspel: belofte en boodschap zijn in het Grieks fonetisch bijna identiek (epangelia en evangelion) en het boodschappen van de belofte aan Abraham formuleert hij als een voor-boodschappen (pro-evangelizo: 3:8). Met dit historisch schema maakt Paulus duidelijk dat de Galaten ingaan tegen Gods heilshistorische bedoeling als zij de Thora zoeken te vervullen.

De tweede historische ronde (3 U5-29) begint met een hernieuwde aanspreking en wordt door Paulus ingeleid met een vergelijking. Thema in dit deel is ‘één’ (3:16.20.28). Eén staat hier niet tegenover veel, maar tegenover verdeeldheid, een verdeeldheid die inherent is aan de Thora die onderscheid maakt tussen wie ingesloten is (3:22.23) en wie uitgesloten is. De overwinning van de verdeeldheid, die in de belofte aan Abraham in het vooruitzicht is gesteld, komt tot stand in Christus (3:28). Ook deze tweede historische ronde bestaat uit drie onderdelen: de tijd van Abraham (vv. 15-18), die van de Thora (vv. 19-25) en die van Christus (vv. 26-29). In elk van deze onderdelen plaatst Paulus zich op het standpunt van de periode die hij bespreekt, en van daaruit bekijkt hij de andere periodes. In het eerste onderdeel (vv. 15-18) plaatst Paulus zich in de tijd van Abraham, 430 jaar voor de afkondiging van de Thora, en kijkt hij van daaruit vooruit naar zowel Christus (3:16) als de Thora (3:16-17). Door een vergelijking met een testament wil hij aangeven dat de belofte die aan Abraham werd gedaan onherroepelijk is. Het tweede onderdeel, dat de tijd van de Thora als onderwerp heeft (vv. 19-25), leidt Paulus in met een vraag naar de betekenis van de Thora. Eerst onderstreept hij het beperkte karakter van de Thora: de Thora heeft een beperkte opdracht, namelijk overtredingen tegengaan; zij heeft een duur die beperkt is tot de komst van het zaad van Abraham; zij is niet rechtstreeks door God uitgevaardigd, maar door engelen en heeft dus een beperkte waardigheid; zij brengt geen eenheid – het waarmerk van God – maar slechts beschuttende afzondering voor de Joden, en heeft derhalve een beperkt effect. Nadat hij het beperkt statuut van de Thora heeft aangegeven, richt hij eerst, vanuit de periode van de Thora, zijn blik terug op de belofte die God aan Abraham had gedaan om nogmaals te onderstrepen dat de beloften onaantastbaar zijn (vv. 21-22) en nadien zijn blik vooruit om de periode tot de komst van Christus te definiëren als een ‘wachtkamer’ onder de hoede van een pedagoog (vv. 23-25). In het derde en laatste onderdeel (vv. 26-29) staat Christus centraal, en meer bepaald de eenheid in Christus die de verdeeldheid die door de Thora werd in stand gehouden, overstijgt. Het afsluitende vers 29 brengt de begrippen samen die ook in vers 16 voorkomen (Abraham, Christus, belofte en erfgenaam) en vormt zo een omsluiting van dit tweede deel.

Met ‘ik bedoel’ en een nieuwe vergelijking zet Paulus de derde historische ronde in (4:17). Het thema is nu ‘vrijheid’. Anders dan in de twee vorige delen heeft Paulus het hier over twee tijdperken die hij antithetisch tegenover elkaar plaatst: een verleden dat gekenmerkt is door slavernij en een heden dat gekenmerkt is door vrijkoop en zoonschap. Paulus vat hier het Thora-verleden van de Joodse christenen en het godsdienstige verleden van de heiden-christenen samen onder één noemer: slavernij onder de kosmische machten. Met een concluderend ‘dus’ en het heropnemen van het begrip ‘erfgenaam’ uit het eerste vers sluit hij de derde ronde af.

Alle kenmerken van Paulus’ evangelie zijn in dit argumenterend deel ter sprake gekomen: het goddelijke karakter, het bevrijdingskarakter, het eschatologische karakter en het inclusieve karakter. In elk van de drie historische rondes heeft Paulus de Galaten duidelijk willen maken dat een streven naar Thora-observantie een regressie is waarmee zij ingaan tegen de heilshistorische bedoeling van God. Dit wordt geëxpliciteerd in het slot van dit deel (4:8-11). Met de retorische vragen die Paulus hier stelt en met de uitdrukking ‘tevergeefs’ sluit hij opnieuw aan bij het begin van dit deel (3:1-5).

Sommerend deel (4:12-5:12)

Nadat Paulus zijn evangelie heeft uiteengezet en zo de christelijke identiteit heeft omschreven tegenover het non-evangelie, wil hij dat de Galaten de juiste consequenties trekken en zo de crisissituatie in de kerken van Galatië keren. Hij zal nu drie verschillende registers uittrekken om hen op te roepen trouw te blijven aan zijn evangelie en de opruiers te elimineren. In elk van deze registers bespeelt hij de strategieën van associëren en distantiëren, maar telkens op een andere wijze: eerst pathetisch, nadien schriftuurlijk en ten slotte autoritatief.

Paulus opent de pathetische overreding (4:12-20) met een bede tot navolging en hij sluit haar af met een retorische expressie van wanhoop. In amper negen verzen poogt hij een drievoudige verandering te bereiken in de gevoelens van zijn geadresseerden: van vijandschap tegenover hem naar vriendschap, van schaamteloosheid over hun houding naar schaamte, en van neutrale gevoelens tegenover de opruiers naar boosheid tegen hen. Deze verandering in gevoelens scherpt hij aan door te wijzen op een drievoudige tegenstelling, een temporele (hun vroegere houding tegenover Paulus en hun huidige houding), een ruimtelijke (hun houding in aanwezigheid van Paulus en hun houding tijdens zijn afwezigheid) en een vocale (de toon waarmee hij hun nu toespreekt en de toon waarmee hij hen zou willen toespreken).

Vervolgens opent Paulus het schriftuurlijk register (4:21-5:1) met de ironische vraag: ‘Zeg me, u die zo graag onder de Thora wilt staan, luistert u wel naar de Thora?’ Hij verwijst naar de twee zonen van Abraham en typeert de ene zoon als de zoon van de slavernij, het vlees en het huidige Jeruzalem, en de andere zoon als de zoon van de vrijheid, de belofte, de geest en het eschatologische Jeruzalem. Uitdrukkelijk identificeert hij de Galaten – christenen die afkomstig zijn uit de wereld van de heidenen – met de nakomelingen van de vrije zoon. Nergens zegt hij uitdrukkelijk dat de opruiers behoren tot de nakomelingen van de onvrije zoon. Maar door hen tegenover de Galaten te plaatsen, plaatst hij hen bij de onvrijen. Het gebod dat de Schrift geeft om de slavin en haar zoon uit te drijven wordt zo een gebod aan de Galaten om de opruiers uit te drijven.

Tot slot opent Paulus ook een derde register (5:2-12). Hij spreekt nu met het gezag dat hij in het eerste deel van de brief duidelijk aan de orde heeft gesteld, het gezag van de Godsgezant. Hij begint met een nadrukkelijk ‘ik, Paulus’ en noemt dan, voor het eerst in de brief, expliciet datgene dat het zenuwpunt is in de hele controverse, de besnijdenis. De gevolgen van de keuze voor besnijdenis geeft hij eerst weer in een korte zin die naar de toekomst verwijst: ‘Christus zal u niets baten’. In meer algemene termen en met meer woorden herhaalt hij deze stelling, maar stelt nu de gevolgen voor als voldongen feiten, waardoor het afschrikwekkende effect nog meer accent krijgt: ‘jullie hebben met Christus gebroken en de genade verbeurd’. Paulus gebruikt hier ‘jullie’ en distantieert zich zo van zijn geadresseerden die deze weg zouden kiezen. In scherpe tegenstelling tot deze keuze en haar gevolgen, plaatst Paulus zijn keuze en haar gevolgen: ‘wij verwachten door de geest de verhoopte gerechtigheid van het geloof (5:5).

Na deze scherpstelling van de kosten en de baten die de keuze voor het evangelie of voor het non-evangelie meebrengen, sluit Paulus af met een striemende distantiëring en een vorderende associëring (5:7-12). De oproerkraaier wordt gediskwalificeerd als rotte appel (‘een beetje zuurdesem maakt het hele deeg zuur’), als geleid door duistere machten (‘die ingeving kwam niet van Hem die u roept’) en als iemand die Gods veroordeling niet zal ontlopen (‘hij zal het vonnis moeten ondergaan’). Met ongemeen sarcasme sneert hij dat de promotoren van besnijdenis zich maar meteen volledig moeten laten castreren. Terzelfder tijd spoort hij de Galaten aan zich aan zijn zijde te scharen – en daarmee ook aan de zijde van Christus – en de opruier te verbannen: ‘ik vertrouw op u in de Heer, dat u er niet anders over denkt’. Het vertrouwen dat Paulus hier uitspreekt is een retorische techniek om de toehoorders onder druk te zetten, zoals ook de vermelding van de beloftevolle start die de Galaten hadden genomen (5:7) retorisch gezien de boodschap inhoudt om zo door te gaan.

In deze afsluitende verzen (5:7-12) herneemt Paulus heel wat elementen uit het begin van de brief (1:6-10). In beide passages herinnert hij eerst aan de veelbelovende houding van de Galaten kort na hun bekering. Vervolgens brengt hij hun afdwalen van God die hen roept aan de orde. Dit afdwalen is gebeurd op instigatie van malafide personen. Zij worden uitdrukkelijk veroordeeld, wie het ook zijn (vergelijk 1:8-9 en 5:10). Tot slot heeft Paulus het over zichzelf en betoogt hij dat hij er niet op uit is mensen naar de mond te praten. Mocht hij dit doen, dan zou hij geen slaaf van Christus zijn (1:10) en zou het afgelopen zijn met de ergernis van het kruis (5:11). Naast een parallelle opbouw hebben het begin van de brief en deze recapitulatie ook een ruim vocabulair gemeen. Toch is 5:7-11 geen louter hernemen van wat in de aanhef van de brief is gezegd. De distantiëring en associëring die Paulus heeft opgezet in het begin, heeft nu een finaal punt bereikt. De retorische verbazing is omgezet in de retorische bezwering dat hij erop rekent dat de Galaten zijn zienswijze beamen. En de kwestie die de aanzet vormde van de brief is in deze bezwering opgelost: de Galaten zullen de opruiers uit hun midden verbannen. Paulus geeft ook aan dat Gods roep tot de Galaten niet een eenmalig feit is dat samenvalt met het horen van het evangelie eertijds (1:6: verleden tijd), maar dat God hen voortdurend blijft roepen (5:8: tegenwoordige tijd).

Aansporend deel (5:13-6:10)

In het laatste deel van de brief kiest Paulus zijn vertrekpunt bij een nieuwe argumentatieve situatie. De relatie tussen de Galaten en hemzelf en de situatie tussen de Galaten en de opruiers zijn retorisch uitgeklaard. Nu bespreekt Paulus de onderlinge relatie van de Galaten. Ook deze baart hem zorgen (5:15). Voor het eerst in deze brief gebruikt hij het woord ‘elkaar’, en hij zal dit woord nog zesmaal hernemen. In dit laatste deel komt het ‘elkaar bijten en klauwen’ aan de orde (5:15). Paulus laat deze kwestie voorafgaan door zijn standpunt hiertegenover, de onderlinge liefde (5:14), en dit standpunt laat hij weer voorafgaan door het ijkpunt van alles, Gods heilswil (‘u werd geroepen tot vrijheid’ in 5:13 betekent: ‘God heeft u geroepen tot vrijheid’). Nadien komt Paulus terug op de geestervaring van de Galaten en van daaruit werkt hij zijn aanmaningen uit: de geest ontvangen (cf. 3:2) betekent ‘wandelen in de geest’ (zo luidt 5:16 in woordelijke vertaling) en ‘handelen in de geest’ (zo luidt 5:18 in woordelijke vertaling). De aanmaningen eindigen op een wijze die parallel is met de wijze waarop Paulus’ autoritatieve vordering in 5:4-5 eindigde: de Galaten moeten een keuze maken en er de consequenties van inzien. Wie voor de zelfzucht kiest, zal ten onder gaan; wie voor de geest kiest, zal eeuwig leven verwerven (6:7-10). De aanmaningen sluiten af met een metaforische uitdrukking die uniek is in het Nieuwe Testament: de ‘huishouding van het geloof (6:10). Deze metafoor voor de kerk is de samenvatting van de vele metaforen uit de familiale sfeer waaraan de brief aan de Galaten zo rijk is. Met deze metaforen wil Paulus de resocialisatie van de Galaten, die nog maar pas hun heidense sociale banden hebben verbroken, ondersteunen. Bevestiging van hun christelijke identiteit immers alleen blijvend zijn wanneer zij gepaard gaat met een resocialisatie.

Slot (6:11-18)

In een eigenhandig geschreven slot (6:11-18) herneemt Paulus kort en krachtig de kwestie die hem tot het schrijven van zijn brief heeft gebracht en zijn standpunt ter zake. De dubbele zegen die hij uitspreekt richt zich tot degenen die leven volgens het beginsel van het evangelie en tot het Israël van God (6:16) en is dus een voorwaardelijke zegen. Hij vormt een antithetische omsluiting met de dubbele en voorwaardelijke vloek die Paulus heeft uitgesproken aan het begin van de brief (1:8-9).

Intertekstualiteit

In de brief aan de Galaten verwijst Paulus veelvuldig en in velerlei vorm naar de Schrift. Al deze verwijzingen functioneren binnen de retorische strategie van de apostel, en dit vooral op drie wijzen: (1) zij verlenen goddelijk gezag aan wat hij zegt; (2) zij bevestigen de christelijke identiteit; (3) zij versterken het wijgevoel tussen hem en zijn geadresseerden.

In het eerste deel van de brief dienen de verwijzingen naar de Schrift om Paulus voor te stellen als een betrouwbaar en onkreukbaar Godsman. In de lijn van de grote religieuze leiders die zich slaaf van de HEER noemden, noemt hij zich slaaf van Christus (1:10). En zoals Jesaja werd Paulus geroepen vanuit de moederschoot. Recent vergelijkend onderzoek van taal en thema’s in Galaten 1-2 en in de Makkabeïsche literatuur leidt tot de stelling dat Paulus zich als een Makkabeïsche martelaar presenteert, waarbij evenwel op ironische wijze de rollen zijn omgedraaid: de Makkabeïsche martelaren vochten een exemplarische strijd tegen de heidenen voor het behoud van de Joodse wetten, terwijl Paulus de strijd aanbindt met judaïzanten voor het behoud van een Thora-vrij evangelie voor de heidenen.

In het tweede deel van de brief is de hele argumentatie gestoeld op de duiding van het Christusgebeuren als de vervulling van Gods belofte aan Abraham: ‘in hem zullen alle heidenen worden gezegend’ (Gen. 12:3). Dit verband tussen belofte aan Abraham en vervulling in Christus versterkt Paulus retorisch door te spelen met de fonetische quasi-equivalentie tussen epangelia (belofte) en evangelion (boodschap, evangelie). In dit argumenterende deel van de brief speelt ook Deuteronomium 27-29 een belangrijke rol. De tegenstelling zegen -vloek die daar prominent aanwezig is, vormt de achtergrond van waaruit het heilshandelen van Christus in 3:10-14 moet worden begrepen: in Christus’ heilsdood is de dreiging van de vloek vervallen en is zegen gekomen over de heidenen. In het derde deel van de brief verwijst Paulus naar de twee zonen van Abraham (Gen. 16 en 21) en keert hij de gangbare interpretatie om: niet de heidenen maar de opruiers zijn de afstammelingen van de zoon van een slavin. Dit geeft hem een schriftuurlijke basis voor zijn vordering om de opruiers te verbannen.

In het vierde en laatste deel van de brief valt vooral de shorthand van de Thora op die Paulus haalt uit Leviticus 19:18: ‘u zult uw naaste liefhebben als uzelf’ (5:14). Deze shorthand interpreteert hij nadien christologisch als de Wet van Christus (6:2). Ook in de heilsuitspraken over Christus, die in alle onderdelen van de brief voorkomen, grijpt Paulus terug naar oudtestamentische taal. De bevrijdingstaal die hij in deze uitspraken gebruikt, is ontleend aan het exodusverhaal. In Joodse kringen leefde de opvatting dat het volk nog in ballingschap verkeerde en dat de eschatologische exodus nog zou komen. Door het bevrijdend handelen van Christus uit te drukken in exodustaal, wordt dit handelen voorgesteld als een tweede exodus.

Uit het voorgaande blijkt dat Paulus zowel het Christusgebeuren interpreteert vanuit de Schrift als de Schrift interpreteert vanuit het Christusgebeuren. Dit is ook zo met enkele sleutelbegrippen uit het Joodse zelfverstaan. Voor Joden verwijzen de begrippen ‘zondaars’ (2:16) en ‘kinderen van Hagar’ (4:21-31) naar de heidenen, en slaan de begrippen ‘erfgenamen van Abraham’ en ‘kinderen van Isaak’ op henzelf. Paulus doorbreekt de exclusiviteit die in elk van deze begrippen ligt. Enkel het begrip ‘zoon van de slavin’ reserveert hij, impliciet en in ironische zin, voor de opruiers, Joden die vasthouden aan de exclusiviteit van het Jood zijn. De begrippen Jeruzalem en Israël geeft hij een kwalificering waardoor zij boven elke exclusiviteitsclaim uitstijgen: het ‘Jeruzalem van boven’ (4:26) en het ‘Israël van God’ (6:16); zij zijn de vrucht van de ‘nieuwe schepping’ (6:15).

Elementen uit de jonge christelijke traditie klinken door in de heilsuitspraken dat Christus is overgeleverd voor ons/voor onze zonden (1:4; 2:21 en 3:13; vergelijk 1 Kor. 15:3) en in de verwijzing naar de doopselritus (3:27).

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken