Menu

Premium

Gekruisigd onder Pontius Pilates, gestorven en begraven

Bij Johannes 18,1-19,42

Het meest beruchte vooroordeel dat gedurende negentien eeuwen tot moordzucht heeft geleid, is dat de joden schuldig waren aan de dood van Christus. De vraag van Pilatus heeft het volk Israël in de beklaagdenbank gezet en de joden hebben een vloedgolf van laster over zich heen gekregen. Een slecht geweten bracht ons ertoe de klaagzangen van Goede Vrijdag (de improperia) eens onder de loep te nemen: ‘Ik heb u uit het land Egypte weggeroepen, maar gij hebt voor uw verlosser een kruis bereid.’ Een naar begin.

Toch is zo’n aanklacht niet onbekend in het jodendom. Zo klinkt op de negende Av, de rouwdag om de verwoesting van de tempel: ‘Aan U, Heer der gerechtigheid, door de tekenen die Gij ons bewezen hebt van oudsher: ons past beschaamdheid, omdat we de beproevingen waarmee U ons bezocht niet hebben doorstaan, Gij verafschuwt ons terecht.’ En de profeet Micha zegt: ‘Sta op, hoor wat de Heer zegt: treed op als aanklager (…). Immers heb Ik u gevoerd uit het land Egypte, u uit het slavenhuis verlost, Mozes en Aäron voor u uitgezonden, gedenk toch’ (6,1.4-5). De kritiek van de profeten mag duidelijk klinken, maar is een binnenjoodse zaak. De lezer trekt zich de vermaning persoonlijk aan en wil zijn leven beteren. Pijnlijk wordt het als de lezer zichzelf gaat beschouwen als onschuldig en een ander alle slechtheid in de schoenen schuift. Daarom is het leerzaam vandaag de joden over onze schouders mee te laten lezen in het lijdensverhaal.

De judaskus

Een jonge joodse man heeft Pesach gevierd met zijn leerlingen. Het was geen erg vreugdevolle viering. De machten van de duisternis lagen op de loer. Na het paasmaal gaan ze de Kedronbeek over, net als David toen hij moest vluchten voor zijn zoon Absalom (2 Sam. 15,23). De man in de Hof van Olijven wil leven en in de nacht der vreugde met heel Israël zijn. Hij bidt: ‘Vader, laat de beker van de laatste bitterheden aan Mij voorbijgaan.’ Gesterkt door het gebed en tot klaarheid gekomen, keert Hij terug naar zijn slapende leerlingen, waar het noodlot komt aansluipen in de gedaante van zijn discipel Judas. Hij is het die de gemengde overvalbrigade – manschappen van de tempel politie, de paleiswacht van de hogepriester en een paar Romeinse legioensoldaten, onder leiding van een Romeins officier (Joh. 18,12a) – op het spoor van Jezus zet. Judas begroet Hem met het traditionele ‘Sjalom aleicha rabbi-u-mori’ (‘vrede met U, mijn rabbi en leraar’) en kust Hem.

Zit in de beschrijving van deze kus een verwijzing naar de dood door een kus, die het voorrecht is van de rechtvaardige? Volgens een joods-haggadische opvatting zal iedere rechtvaardige sterven door een kus van God. Deze opvatting knoopt aan bij de beschrijving van Mozes’ eenzame sterven op de berg, waarvan staat geschreven dat hij sterft ‘op de mond des Heren’ (Deut. 34,5).

Pilatus hoofdschuldige

Na Jezus’ gevangenneming komt Hij bij de Sadduceeërs terecht, die op de vooravond van Pesach een haastig vooronderzoek afwerken, waarschijnlijk met de vrome bijgedachte dat voor Pesach grote schoonmaak moet worden gehouden. De volgende morgen worden de Farizeeën erbij gehaald. Zo’n joods tribunaal had toen niet het recht om doodvonnissen uit te spreken. Het gebeurde zo nu en dan wel zonder dat de Romeinen er aanmerkingen op maakten. In het geval van Jezus lag overlevering aan de Romeinen in de bedoeling, om zo de gevaarlijke en wrede Pontius Pilatus elk voorwendsel te ontnemen om op te treden tegen de tempel en de bevolking van Jeruzalem, alsook tegen de menigte pelgrims die voor het Pesachfeest gekomen waren. Enige meelopers hebben nog hun duit in het zakje gedaan door te roepen: ‘Aan het kruis met Hem.’ Dat Pilatus echter ondanks zijn handenwasserij de hoofdschuldige is, blijkt uit de geloofsbelijdenis, waarin Pontius Pilatus altijd nog als hoofdpersoon genoemd wordt.

‘Zijn bloed…’

Helaas zijn vele uitspraken uit de evangelieverhalen in de loop der geschiedenis een eigen leven gaan leiden. Teksten die alleen maar goed te verstaan zijn als men ze ‘theologisch’ verstaat. Duidelijk is dat bij de uitspraak van Kajafas over het besluit om Jezus te doden: ‘Het is beter dat één man sterft dan dat heel het volk te gronde gaat’ (Joh. 11,50-51). Erger is de geschiedenis van de merkwaardige woorden: ‘Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen’ (Mat. 27,25). Als de brave Matteüs geweten zou hebben wat deze ene zin teweeggebracht heeft, zou hij hem waarschijnlijk geschrapt hebben. De uitspraak is echter allerminst een wraakroepende tekst, maar een zin uit een vroom offerritueel, die verwijst naar de liturgie van Grote Verzoendag. Er zijn nog meer verwijzingen naar het ritueel van Grote Verzoendag. In het evangelieverhaal lijken de vermeldingen van Jezus’ verschillende gewaden – het rode kleed dat de soldaten hem aandoen (Joh. 19,3), het schitterende kleed dat Herodes hem schenkt – zinloos. Leest men het boek Leviticus (16,4.24) en het commentaar volgens de Misjna Joma VII,3, dan worden die wisselingen van gewaad opeens zinvol.

De kruisdood die Jezus zal ondergaan, is de meest gruwelijke marteldood die een mens kon ondergaan, de verschrikkelijkste die de oudheid heeft gekend. Het was geen joodse manier van terechtstellen, maar een Romeinse. Volgens de joodse wet kon iemand wel na zijn terechtstelling aan een paal worden gehangen als afschrikwekkend voorbeeld. Het lijk moest dan wel voor zonsondergang van de paal gehaald worden. De mens, beelddrager Gods, mag niet zo te schande worden gezet.

Jezus van Nazaret wordt na de geseling door de Romeinse soldaten naar de plaats van de terechtstelling geleid. Hij moet zelf zijn kruis dragen. Dat het tafereel van een veroordeelde met zijn kruis – vele medejoden van Jezus zijn ook gekruisigd – diep is binnengedrongen in de joodse bewustwording, blijkt uit de Midrasj Rabba op Genesis 22,6: ‘Toen nam Abraham het hout voor het brandoffer, legde het op zijn zoon Isaak (…) zoals iemand die zijn kruis op de schouder draagt.’

Wellicht ook interessant

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Drie-eenheid

In 2024 schreef Bram van de Beek een artikel voor een wetenschappelijke encyclopedie over hoe er in de Vroege Kerk werd gedacht over de drie-eenheid. Al vanaf de jaren-’80 is hij actief als hoogleraar. In 1981 volgende hij in Leiden prof. dr. H. Berkhof op als hoogleraar Dogmatiek. In 2000 verhuisde hij naar de Vrije Universiteit, waar hij Symboliek ging doceren. Bij symboliek gaat het om de inhoud van de geloofsbelijdenissen. Ook was Van de Beek bijzonder hoogleraar Systematische theologie aan de Universiteit van Stellenbosch in Zuid-Afrika.

None

Recensie van Matthijs Schuurman over het boek Inferno

Iedereen heeft misschien wel zijn eigen beeld van de hel. Persoonlijk vind ik de hel zelf veel moeilijker voor te stellen dan de hemel. Als ik de hel zou moeten verbeelden, dan zou ik kiezen voor een druk winkelcentrum waar ik eindeloos op en neer ga op de roltrap. Ik ben dan in een drukte van mensen waar ik niet verbonden mee kan raken, omdat die mensen op dat moment allemaal voor zichzelf leven. Een plek waar ik innerlijk alleen maar onrustig kan worden en onrustig zal blijven. Zo stel ik me de hel voor: als een plek waar ik in het leven hier op aarde al niet graag kom. Als ik over het beeld nadenk, ontbreekt een belangrijk element: God Die Zijn oordeel heeft uitgesproken over mijn leven. Dat ik niet zonder reden voor altijd op die roltrap op en neer zal gaan en ik innerlijk gek wordt van de steeds toenemende onrust.

Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Jan Luyken (1700), Origenes onderwijst zijn studenten.
Basis

Waarom ‘Eeuwig’ toch niet altijd een goed vertaalwoord is

Enkele publicaties vorig jaar, waaronder het boek “Het einde van de Hel” van Reinier Sonneveld, hebben de eeuwenoude discussie of God alle mensen uiteindelijk zal redden1 weer nieuw leven ingeblazen. Een belangrijk argument tegen de leer dat voor ongelovigen de hel de eindbestemming zou zijn, is dat de Hebreeuwse en Griekse woorden die meestal met “eeuwig” vertaald worden, niet de betekenis “eindeloos” hebben. Dat was aanleiding voor het blad Met Andere Woorden (MAW), een vakblad voor Bijbel en vertalen, om een themanummer uit te geven rondom dit woordje, “eeuwig” en “eeuwigheid”. En, hoewel vertalers zich het liefst op de tekst zelf focussen, ontkom je er niet aan keuzes te moeten maken die aan een dergelijke discussie raken.2 Zo moet een vertaler kiezen of hij meegaat in het zo bekende “eeuwig” en “eeuwigheid”, of in navolging van kritiek en diverse onderzoeken voor een andere weergave kiest. In het themanummer verdedigden enkele artikelen de keuze voor “eeuwig”. In de studievertaling waar ik aan mee mag werken, de Nieuwe Concordante Vertaling (NCV),3 is echter een andere keuze gemaakt. In dit artikel laat ik graag zien waarom “eeuwig” toch niet altijd een goed vertaalwoord is.

Nieuwe boeken