Menu

Basis

Geloof in Galaten?

Pistis als publieke relatie van trouw

Het is een breed gedeelde opvatting dat ‘geloven’ de kern is van het christendom, en – terecht of onterecht – zelfs van religie in het algemeen. ‘Gelovigen’ dat zijn religieuzen. De woordgroep ‘geloof’ (geloven, gelovig, geloof) heeft in het Nederlands een bij uitstek cognitieve betekenis gekregen: geloven is vinden dat iets waar is. De vraag is echter of de Griekse woordgroep die in het vroege christendom zo’n rol van betekenis is gaan spelen, pistis en aanverwante termen, wel als ‘geloof’ begrepen moet worden. Dit artikel betoogt op grond van Grieks-Romeinse context dat de sociale deugden ‘trouw’ en ‘vertrouwen’ beter de lading van pistis dekken en leest diverse passages van de Galatenbrief in dit licht.

Een bijkomend probleem van de invulling van geloof als een cognitieve handeling is dat het vaak juist wordt gecontrasteerd met de rede. Volgens sommige ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’ is geloven een vorm van kennen die gekenmerkt wordt door een mate van onzekerheid of door gebrek aan onderbouwing: geloven als een sprong in het diepe. Deze opvatting van geloof als een ongefundeerde waarheidsclaim heeft geleid tot schampere religiekritiek uit bijvoorbeeld de hoek van de New Atheists. Als religie per definitie geloof is en geloof per definitie onredelijk, dan is religie onredelijk. Maar staat pistis in de tijd van het vroege christendom wel tegenover wat redelijk is?

Hedendaagse lezers die bekend zijn met de Galatenbrief staat vermoedelijk nog meer dan de tegenstelling ‘geloof versus weten’ de tegenstelling ‘geloof versus werken’ of ‘geloof versus wet’ voor ogen:

Suzan Sierksma-Agteres is promovendus Vroeg Christendom en Nieuwe Testament aan de Rijksuniversiteit Groningen en docent Nieuwtestamentisch Grieks aan de PthU in Amsterdam.

(…) daarom zijn ook wij in Jezus Christus gaan geloven, om gerechtvaardigd te worden door het geloof in Christus en niet door de werken van de Wet.(GALATEN 2,16 – WILLIBRORDVERTALING OVERAL IN DIT ARTIKEL)

Rechtvaardiging is niet te verdienen door het houden van de wet. Het was deze boodschap die in Galaten zo fervent lijkt te worden verdedigd, die maakte dat Luther de brief zou hebben betiteld als ‘mijn briefje, met wie ik innig vertrouwd ben, mijn Katharina von Bor’ (Tafelgesprekken 1.69, no. 146). In de voetsporen van Luther is de betekenis van ‘geloof’ in de Galatenbrief gekleurd door dit contrast met eigen verdienste, met werken, met ethiek. Geloof is bij uitstek iets waarvoor je zelf niets doet, een genade-gave. Ook wat betreft deze inkleuring van ‘geloof’ kunnen we ons afvragen of dit op dezelfde manier opgaat voor Paulus en zijn niet-Joodse tijdgenoten aan wie de brief gericht was.

Het begrip pistis (en aanverwante termen) hoort in de oudheid namelijk thuis in andere contexten waarmee wij niet langer vertrouwd zijn. In dit artikel wil ik passages uit de brief lezen vanuit één van deze contexten, namelijk de context van politieke en maatschappelijke relaties. Pistis en de Latijnse equivalent fides zijn in deze context sociale deugden. Ze staan voor een verbond van wederzijdse trouw tussen hoger en een lager geplaatsten. In dit artikel belicht ik drie aspecten van de sociaal-politieke deugd pistis/fides in Grieks-Romeinse bronnen uit de periode 100 vóór Christus tot 200 na Christus. Deze aspecten koppel ik steeds aan passages uit de Galatenbrief die hierdoor in een nieuw licht komen te staan.

1. Pistis verkondigen (1,23): reactie op Romeins imperialisme?

Pistis/fides was een echt catchword in Romeinse propaganda. Tijdens de regering van Octavianus Augustus werd er een doelbewust programma opgezet om traditionele Romeinse waarden en deugden als fides en pietas te promoten, zowel in familiekring als in het publieke domein. Op ‘internationaal’ niveau functioneerde de toe-eigening van pistis/fides, ‘goede trouw’, als legitimatie van Romeinse heerschappij. Zo schrijft Augustus zelf in zijn Res Gestae (27): ‘Een groot aantal andere naties heeft kennisgemaakt met de goede trouw (fides) van de Romeinen tijdens mijn principaat die voorheen nooit een uitwisseling van ambassadeurs of vriendschap met Rome hadden’. Deze landen zwoeren trouw (fides) aan de Romeinse ‘redder’, vertegenwoordigd door een veldheer, die op zijn beurt bescherming (ook fides) beloofde: zo werden zij van vijanden tot geallieerden.

Dit type teksten speelt een rol in een populaire denkrichting in hedendaagse bijbelwetenschap die Paulus’ boodschap beschouwt als anti-imperialistisch, gericht tegen de Romeinse overheersing. Volgens deze anti-imperialistische interpretatie (zie bijvoorbeeld het werk van Kathy Ehrensperger, Dieter Georgi en Neil Elliott) kiest Paulus bewust termen als pistis om een scherp contrast tussen Christus’ boodschap en die van Rome te schetsen. Waar de fides van Rome neer zou komen op onvoorwaardelijke overgave, afgedwongen door geweld en overmacht, wil Paulus met pistis-taalgebruik een vrijwillige vertrouwensrelatie uitdrukken met de God die zich via kurios Christus heeft bekend gemaakt.

Deze benadering heeft als verdienste dat het belang van de Romeinse context voor het begrip van Paulus’ taalgebruik en boodschap wordt onderkend. De diversiteit in het Romeinse discours toont echter aan dat fides als zodanig niet enkel als een doorzichtig eufemisme voor machtsmisbruik werd begrepen. Pistis/fides kon enerzijds de afhankelijkheid en loyaliteit van de onderliggende partij uitdrukken, maar anderzijds stond zij nooit los van de verplichtingen en verantwoordelijkheid van de bovenliggende partij. Zo kon het door beide partijen worden gebruikt en misbruikt om een appel op de ander te doen. Hoewel de aard van Paulus’ boodschap van trouw aan Christus wel degelijk anti-imperiaal potentieel heeft, lijkt hij in het gebruik van pistis vooral aan te sluiten bij de Romeinse opvatting van pistis/ fides. Net als de Grieks-Romeinse variant is pistis bij Paulus een publiekelijk aanbod van een machtige heerser om in een relatie van wederzijdse trouw en vertrouwen te treden en zo deel te worden van zijn heerschappij. Dit aspect van pistis komt bijvoorbeeld naar voren wanneer gesproken wordt over verkondiging (bijvoorbeeld in Romeinen 1,8 en 10,8). Aan het begin van de Galatenbrief beschrijft Paulus hoe weinig hij van doen had met de tak van de Christus-beweging in Judea. Zij wisten enkel van horen zeggen:

Hij die ons vroeger vervolgde verkondigt nu het geloof (euangelizetai tēn pistin) dat hij vroeger wilde uitroeien (hēn pote eporthei).(GALATEN 1,23)

Bijna alle moderne vertalingen gaan hier uit van een betekenis van pistis als ‘het geloof’ als een geheel aan opvattingen die samen ‘het christelijk geloof’ vormen: geloof als de inhoud van het kerygma. De vroege datum van de brief zet echter vraagtekens bij een dergelijk ‘massief’ geloofsbegrip. Bovendien is de combinatie met het werkwoord porthein, ‘vernietigen’, dan moeilijk uit te leggen: zoals classica Teresa Morgan heeft betoogd (2015) suggereert dit werkwoord dat Paulus het hier heeft over een ‘relationship of trust’ of een ‘bond of trust’, een vertrouwensrelatie dus.

Een dergelijke interpretatie van pistis wordt bevestigd door het discours van politiek patronage zoals dat in Romeinse geschiedschrijving naar voren komt. Het komt vaak voor dat externe machthebbers of interne verraders wordt voorgehouden dat ze kunnen vertrouwen op Romeinse goede trouw (fides) en goedertierenheid (clementia) (zie bijvoorbeeld Livius, Ab Urbe Condita 44.9.1, 45.4.7; Sallustius, De bello Iugurthino 33.4). Diodorus van Sicilië bericht dat de Siciliaanse koning Hiëro niet zit te wachten op Romeinse bemoeienis in zijn strijd tegen de Mamertijnse piraten: ‘de Romeinen, die zo zaniken over het woord pistis, zouden zeker geen huurmoordenaars moeten beschermen die pistis zo hadden geminacht’. Als ze wel zouden ingrijpen ‘zou het voor de hele mensheid duidelijk zijn dat ze medelijden voor wie in gevaar is als dekmantel gebruiken voor hun eigen hebzucht en dat ze eigenlijk Sicilië wilden hebben’ (Bibliotheca Historica 23.1.4).

Het aardige aan dit voorbeeld is dat de Romeinen hier op hun reputatie van pistis worden aangesproken en dat dit juist als argument tegen Romeins imperialisme wordt ingezet. Op iemands pistis moest je kunnen vertrouwen. Daarom ook worden Romeinse leiders die een gegeven woord van trouw beschamen hard veroordeeld. Seneca spreekt schande van Sulla’s moord op de inwoners van Praeneste die hij na zijn woord te hebben gegeven (post fidem) in een hoek dreef en bruut vermoorde (De Beneficiis 5.16.3). Deze voorbeelden – en dit is slechts een kleine selectie – tonen aan dat pistis/ fides in Romeinse bronnen een belangrijke sociale deugd was die alom bekend was als iets waarop vriend en vijand een beroep kon doen.

Paulus verzet zich tegen een berekenend en afgewogen soort wederkerigheid.

Zo kunnen we ook Paulus’ missie, zo kernachtig samengevat als ‘pistis verkondigen’, begrijpen als het verkondigen van de mogelijkheid van een verbondsrelatie. Hij verkondigt dat God zijn trouw toezegt aan wie ook maar in dit verbond wil stappen. Dit verklaart ook waarom ‘verkondigen’ en ‘vernietigen’ elkaars tegenpolen zijn: waar Paulus eerst een relatie van onderling vertrouwen tussen God en zijn getrouwen wilde afbreken, maakt hij nu als ‘ambassadeur van pistis’ Gods trouw zo breed mogelijk bekend om mensen ertoe te bewegen deze met loyaliteit en vertrouwen te beantwoorden.

2. Een reactie van pistis (3,5): trouw als antwoord op een geschenk

De wederkerigheid van verkondiging en respons zit ook besloten in de door Paulus zo veelvuldig ingezette woorden pistis en charis. Waar pistis zowel op trouw als op vertrouwen kan duiden, betekent charis zowel genade als dank. Paulus verkondigt Gods genade en trouw in zijn geschenk van rechtvaardigheid in Christus. Dit vraagt om een publieke respons van dankbaarheid en commitment aan deze goddelijke patronus. In filosofische bronnen uit de periode die we bekijken staat deze reactie ter discussie. Zowel Cicero als Seneca klagen over het gebrek aan dankbaarheid onder cliënten die zij duiden als weerstand tegen het gezien worden als ontvanger van weldaden van hogerhand. Cicero betoogt dat hoewel een snelle wedergift lucratief lijkt voor de gever, het beter is te geven aan iemand die de gift enkel met innerlijke dankbaarheid beantwoordt. Wie graag snel iets terugdoen, doen dat omdat ze ‘als de dood zijn om cliënten te worden genoemd’ (De Officiis 2.69). Zo stelt ook Seneca een eeuw later dat eenontvanger de hele stad zou moeten uitnodigen om getuige te zijn van de gift. Mensen die geen publiekelijke erkenning geven, zijn bang ‘dat van hen wordt gezegd dat ze hun succes danken aan andermans hulp in plaats van aan hun eigen kracht (sua virtute)’ (2.23.3). Hoeft de begunstigde volgens Seneca dan echt niets terug te geven? Zeker wel: waar de gevers bona fide moeten zijn (2.17.7), mogen zij ook van hun begunstigden vrijwillige fides en gratia (dank) verwachten. Als ontvangers echter concrete wederdiensten doen, verandert genade in koopwaar (3.14.2: merces) en veranderen weldoeners in bankiers terwijl ze op goden horen te lijken (3.15.4).

Verschillende dingen vallen hier op: het contrast tussen genade en berekenend geven bij de gevers, het contrast tussen afhankelijkheid en eigen verdienste bij de ontvangers en de innerlijke respons van fides die in de plaats komt van concrete wederdiensten. De vermarkting van genade, genade versus verdienste, geloof versus wederdienst – dat komt dichtbij de Paulijnse tegenstelling die door Luther zo werd uitgelicht. Maar anders dan de vrij ‘lichte’ Lutherse invulling van geloof als een gave van God, is het sola fide van Seneca aanzienlijk zwaarder ingevuld: het is een belangrijke innerlijke deugd van trouw en loyaliteit, een afhankelijkheid die ook publiekelijk moest worden beleden.

Als we met deze kennis in het achterhoofd kijken naar een volgende tekst uit de Galatenbrief dan helpt dit om Paulus’ beknopte taalgebruik beter te begrijpen. In Galaten 3,2-5 wordt de frase ‘werken van de wet’ twee keer gecontrasteerd met akoē pisteōs: ‘heeft u de Geest ontvangen door werken van de wet of door akoē pisteōs? … Geeft God u de Geest en is hij krachtig actief onder u door de werken van de wet of door akoē pisteōs?’ Meestal wordt deze frase ofwel vertaald met iets als ‘geloven wat je hoort’, ofwel als ‘de boodschap van het geloof’. Akoē betekent namelijk ofwel het vermogen om te horen ofwel het gehoorde, de boodschap zelf. Maar ook pistis kent vele betekenissen waarvan ‘het geloof’ zoals we aangaven vrij massief en daarmee niet waarschijnlijk is in deze vroege periode. Ook een cognitief ‘geloven’ lijkt niet passend. Moet je iets ‘geloven’ om een geschenk te krijgen?

Opvallend is dat het hier gaat om een situatie van geven (epichorēgeō) en ontvangen (lambanō, vergelijk Galaten 3,14). Als we Paulus’ boodschap begrijpen als een goddelijk aanbod van gerechtigheid, bevestigd door een krachtige goddelijke aanwezigheid, dan is de logische voorwaarde om dit te ontvangen dat er een wederkerige relatie van trouw en vertrouwen is. God kijkt niet naar wie een wederdienst kan doen (de wet houden), maar naar een vrijwillige respons van de ontvanger, gekenmerkt door pistis. Het contrast met ‘werken der wet’ valt zo ook op zijn plaats: Paulus verzet zich tegen een berekenend en afgewogen soort wederkerigheid. De gave van de Geest en de ‘werking van krachten’ bevestigt vervolgens dat de ontvangers zijn geadopteerd in Gods familie (zie: Galaten 4,6-7) en zo in de directe invloedsfeer van God zijn gekomen, de ultieme patronus en weldoener. Bovendien doet de hierop volgende vergelijking hieraan recht: heidenen zijn gezegend ‘met pistos Abraham’ (Galaten 3,9). De aardsvader toonde zijn pistis niet door het accepteren van een onwaarschijnlijke waarheid (hij trok deze eerder in twijfel) maar door een levenslang verbond van trouw aan God: hij was niet ‘gelovig’ maar ‘trouw’.

Hoe zouden we akoē pisteōs dan het best vertalen? Mijn voorstel zou zijn dat het hier gaat om ‘door het horen dat leidt tot een relatie van trouw’, of wat beknopter, ‘door een reactie van trouw’. Zo komt akoē dichtbij hypakoē, gehoorzaamheid: daadwerkelijk je leven aanpassen in antwoord op andermans boodschap.

3. Pistis is gekomen (3,25): een tijdperk van vertrouwen voorbij wat moet of hoort

Meer nog dan een belangrijke deugd, was pistis in de Grieks-Romeinse oudheid een graadmeter van maatschappelijk welzijn, gepersonifieerd door een godin. In een ver mythisch verleden, toen Kronos/Saturnus zelf regeerde, was er ’geen hebzucht of ongerechtigheid onder mensen, maar vertrouwen (pistis) en gerechtigheid (dikaoiosunē)’ (Plutarchos, Aetia Romana et Graeca 275A42). Het was een tijdperk waarin men ‘zonder wet, uit vrije wil, trouw (fides) en het juiste (rectum) cultiveerde’ (Ovidius, Metamorphosen 1.89-90). De tegenstelling tussen pistis/fides en de wetten navolgen is er één die opvallend vaak terugkomt. Pistis ondervangt dat terrein waar de wet geen grip op heeft. Ergens in het mythische verleden komt er ook weer een eind aan de goede start. Het morele verval wordt verbeeld als een terugtrekkende beweging van deugden in goddelijke gestalten. Al in de zesde eeuw voor Christus lezen we hierover bij de dichter Theognis van Megara, die stelt dat onder andere Pistis is vertrokken van de aarde (Fragment 1135-1142). Tot ver in de keizertijd klinkt ditzelfde motief door en het functioneert ook om de meer recente Romeinse geschiedenis te duiden. Zo leidde het uitbreken van de burgeroorlog tussen Caesar en Pompeius tot een goddelijk terugtrekken van onder andere Fides en moet en wat er Iustitia (Petronius, Satyricon verwacht wordt. 124.246-253).

Deze teksten geven aan hoezeer de afwezigheid van pistis/fides een gemeenplaats was in Paulus’ cultuur. Maar ook een terugkeer van deze deugd maakt deel uit van dit discours. Vergilius bejubelt Augustus’ triomf in verheven termen: ‘Saturnus’ heerschappij keert weder!’ (Eclogen 4.4-7) en ‘nu zullen witte Fides en Vesta, Quirinus met zijn broer Remus, wetten uitschrijven!’ (Aeneïs 1.292-293). Ook onder Tiberius wordt de pax Augusta geprezen in euforische termen: ‘Fides is teruggeroepen naar het forum!’ (Velleius Paterculus, Historia Romana 2.126.2). De terugkeer van Trouw is duidelijk verbonden met het aanbreken van een nieuwe heerschappij, een nieuw tijdperk van voorspoed

Pistis reikt voorbij aan wat moet en wat er verwacht wordt..

Pistis/fides gaat volgens dit Romeinse discours niet alleen voorbij aan wat ‘moet’ van de wet, maar ook aan wat ‘eigen’ is: zelfs jegens vijanden dient men trouw te zijn. Zo draait de historische anekdote ‘de schoolmeester van Falerii’ om de fides van de belegerende Romeinen aan hun vijanden, door geen gebruik te maken van het verraad van de schoolmeester (Livius, Ab Urbe Condita 5.27.12-15). Cicero verwijst naar het voorbeeld van Regulus, een Romein die ten tijde van de Carthaagse oorlogen liever een marteldood stierf dan zijn woord van trouw aan de vijand te breken (De Officiis 3.104). Als universele deugd reikt pistis/fides dus voorbij de eigen familie en ethnos helemaal tot aan vreemdelingen, tegenstanders en staatsvijanden.

Bezien vanuit dit discours winnen Paulus’ woorden aan de Galaten aan betekenis:

Voordat ‘pistis’ kwam, stonden wij onder bewaking van de wet, opgesloten tot ‘pistis’ zou worden geopenbaard. De wet is dus voor ons een oppasser geweest tot de komst van Christus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden door ‘pistis’. Maar nu ‘pistis’ is gekomen, staan wij niet langer onder de oppasser. Want gij zijt allen kinderen van God door ‘pistis’ in/van Christus Jezus. Want u allen die in Christus bent gedoopt, bent met Christus bekleed. Er is geen Jood of heiden meer, er is geen slaaf of vrije, er is geen man en vrouw: allen tezamen bent u een persoon in Christus Jezus.(GALATEN 3,23-28)

Pistis is gekomen! Paulus spreekt hier over pistis als ware het een teruggekeerde personificatie van de betreffende deugd. En de betekenis van deze komst ligt in een niet langer nodig zijn van de wet, en in een niet langer opgaan van sociale grenzen. Pistis reikt voorbij wat moet, wat er verwacht wordt, want het is een internalisatie van de wet: ‘als u zich door de Geest laat leiden, staat u niet onder de wet’ (Galaten 4,18). Pistis is deel van de ‘vrucht van de Geest’ en ‘tegen zulke dingen bestaat geen wet’ (Galaten 5,23). Pistis reikt bovendien voorbij wat eigen is, voorbij de eigen ethnos, want er is geen sociaal onderscheid meer. Er is een nieuw tijdperk van trouw en vertrouwen ingegaan met de komst van Trouw, met de komst van een nieuwe rechtvaardige koning, Christus Jezus. Alles wat nodig is om tot deze nieuwe heerschappij, deze familie van pistis (Galaten 6,10) toe te treden, is een publiek antwoord van trouw.

Gezien het belang van dit type trouw en vertrouwen voor het begrijpen van de kernboodschap van het vroege christendom is het des te treuriger dat het juist aan maatschappelijk vertrouwen in de hedendaagse kerk lijkt te schorten. ‘We vertrouwen de politie het meest en de kerk het minst’, zo kopte de NOS nog afgelopen mei. Misschien is het tijd dat we wat minder gaan ‘geloven’ en tijd dat trouw en vertrouwen weer als christelijke kernwoorden in ere worden hersteld.

Literatuur

• Richard A. Horsley (redactie), Paul and Empire: Religion and Power in Roman Imperial Society, Harrisburg 1997.

• Edwin A. Judge, “The Roman Theory of Historical Degeneration,” Hermes 58 (1961): 5-8.

• T. Morgan, Roman Faith and Christian Faith: Pistis and Fides in the Early Roman Empire and Early Churches, Oxford 2015.

• Christian Strecker, “Fides – Pistis – Glaube: Kontexte und Konturen einer Theologie der ‘Annahme’ bei Paulus”, in: M. Bachmann en J. Woyke (redactie), Lutherische und neue Paulusperspektive, red. Michael Bachmann en Johannes Woyke (Tübingen: Mohr Siebeck, 2005), 223–250.

• Andrew Wallace-Hadrill, “The Golden Age and Sin in Augustan Ideology”, Past and Present 95 (1982): 19–36.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken