Menu

Basis

Geloven

Hoe vaak heb je het wel niet gehoord heb: ‘Ik geloof wel dat er iets is, maar…’ Als je in gesprek raakt met mensen in en om de kerk, gaat het soms zomaar over geloven. ‘Hebt u er wat aan, als er “iets” is?’ zou je kunnen vragen. Dat ‘iets’ wordt al gauw ‘niets’ en dat is jammer. Het kan ook anders.

Dr. P.J. van Midden is universitair docent Hebreeuws aan Tilburg University

Laten we maar meteen met de deur in huis vallen: als het bijbelwoordje ‘geloven’ ter sprake komt, gaat het niet om zoiets als het geloven in God of een hogere macht. De achtergrond daarvan is kinderlijk eenvoudig: iedereen in bijbelse tijden wist zich afhankelijk van een god of een reeks goden. Daarin ‘geloofden’ de mensen niet: ze wisten zeker dat die hun leven bepaalden. En die psalmist dan, die roept: ‘De dwaas zegt in zijn hart: er is geen god.’? Die dwaas gelooft toch zeker niet? Jawel hoor: die dwaas weet van god en gebod. Hij is dom, niet omdat hij zegt ‘Er is geen god’ maar ‘God is er niet.’ En dat is echt wat anders.

Wat is ‘geloven’ dan wel? Zonder ingewikkeld te doen over de grondteksten van de Bijbel: het woord Amen kent iedereen. ‘Amen’ is een heus Hebreeuws woord en betekent: ‘(Het is) waar’. Daarvan is een werkwoord gemaakt: ‘voor waar, voor betrouwbaar houden’. Dat wordt door de vertalers steevast met ‘geloven’ vertaald. Als je in iets of iemand gelooft, houd je die zaak of die mens voor betrouwbaar. Je zou ‘geloven’ dus ook door ‘vertrouwen’ kunnen vervangen. Want in het Nederlands heeft ‘geloven’ een hele vracht aan bijwerkingen gekregen. Bij geloven denken we aan discussies over wat je kunt tellen, meten en wegen, dus wat je kunt bewijzen en in een potje kunt stoppen; en al datgene dat in de wereld van de ervaring thuishoort, wat je moet ‘geloven’. Het is aan de Bijbel vreemd. Lees even mee: er staat een mooie tekst in de Bijbel, in Genesis 15:6. Aan Abram en Sara is een kind en een land beloofd, maar er is nog niets van die belofte waar geworden. Dan vernieuwt God zijn belofte en lezen we: ‘Abram geloofde God…’ Er staat niet dat hij in God geloofde, maar dat hij God geloofde. Voor Abram was God betrouwbaar. Hij zou doen wat hij had beloofd. De vraag is niet of God bestaat, maar voor wie hij staat.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken