Menu

Premium

Getuigen van de Heer die bevrijdt

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Bij Jesaja 43:1-12 en Johannes 21:1-14(19)

Vooral de Johannesperikoop roept een berg exegetische vragen op. De meest opvallende is het raadsel van de honderddrieënvijftig vissen: waarom dit precieze aantal? Hierover later meer. Laten we het thema bevrijding als focus hanteren voor beide lezingen. In Jesaja 43,4 zien we dit mooi verwoord: ‘Jij bent zo kostbaar in mijn ogen, zo waardevol, en Ik houd zo veel van je, dat Ik de mensheid geef in ruil voor jou, ja alle volken om jou te behouden’ (NBV).

In deze godsspraak roept de Heer alle ballingen van Israël tot zich. Wat betekent in dit verband ‘Ik zal ’adam (hier als collectivum: ‘de mensheid’) geven’? Dat niet alleen de ballingen van Israël getuige zullen zijn van deze bevrijding, maar dat in het verlengde van dit ‘dove en blinde’ (Jes. 43,8) volk ‘alle schepselen’ (43,7) hiervan getuige zullen worden. Israël is eerste getuige, maar uiteindelijk zullen allen beamen (43,9) dat alleen de Heer redt (43,11). De mensheid is dus niet alleen onderpand voor Israël, maar naast haar ook getuige van Gods genade.

Door het water

In Johannes 21 is het vooral Simon Petrus die getuige wordt van deze genade – via Jezus. Petrus heeft niets meer om zichzelf op te beroemen nadat hij Jezus driemaal verloochend heeft (Joh. 18,27). Hij is ten prooi gevallen aan chaos: hij gaat ‘de zee’ (Gr.: thalassa) op om te vissen, de Zee van Tiberias – voor de verteller van het verhaal gaat het niet over een meer, maar over een zee.

Vgl. S. van Tilborg, Johannes, Belichting van het Bijbelboek, ’s-Hertogenbosch 1988, 226; J.G. Bellet, Commentaar bij het Evangelie naar Johannes, Oude Sporen 2009, 139.

Desondanks voelt Petrus zich zo vrij, dat zodra ‘de leerling van wie Jezus hield’ Jezus herkent en dit aan hem meldt, hij zijn kleed opschort en overboord springt om vóór de anderen bij Jezus te zijn. Met nadruk wordt vermeld dat hij daaronder gymnos, naakt is (Joh. 21,7). Op naaktheid rustte een taboe (Gen. 2,25; 3,7-11; 9,21-23). Maar blijkbaar vertrouwt Petrus, voordat er ook maar één woord tussen Jezus en hem gewisseld is, zo sterk op zijn genadige liefde, dat deze kleine overtreding, die in het niet valt bij de drievoudige loochening, hem zeker wel zou worden vergeven. Misschien dacht hij aan Jesaja 43,2: ‘Moet je door het water gaan, Ik ben bij je.’

‘Simon, heb je mij lief?’

Nadat de leerlingen aan land zijn gekomen, gebruikt Jezus met hen de maaltijd: van brood en vis (Gr.: opsarion; vgl. ook Joh. 6,9: ‘vis met brood’; in tegenstelling tot ichthus, de vis die ze net uit zee gevangen hebben, vgl. 21,6). Na de maaltijd beantwoordt Jezus Petrus’ spontane daad met de drievoudige vraag of hij Hem liefheeft. Gezien het voorgaande moet dit Petrus ook drievoudig pijn gedaan hebben. Driemaal moet hij diep door het stof, omdat hij weet dat in het verleden zijn daden zo anders bleken dan zijn belofte dat hij bereid was om voor Jezus te sterven. Geen wonder dus dat Petrus bij de derde keer ‘verdrietig werd’ (21,17). We kunnen ervan uitgaan dat hier sprake is van een diep verdriet, dat volgt op de grote blijdschap om de bevrijding uit zijn chaos van schuld en schaamte. Petrus’ emoties gaan door diepe dalen en over hoge bergen.

Petrus’ gordel

De reden waarom we de perikoop wat ruimer genomen hebben, is dat de gordel die in Johannes 21,7 lijkt te ontbreken, in vers 18 terugkomt in de concluderende bespiegeling van Jezus: ‘Waarachtig, Ik verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe wilt.’ Hiermee laat Hij zijn waardering blijken voor Petrus, die ondanks de kluisters van zijn verleden en de teugels van maatschappelijke conventies en goede zeden, zijn eigen keuzes maakt en zijn gevoel volgt. Tegelijk waarschuwt Hij Petrus ervoor, dat hij later een tweede kans zal krijgen om zijn beloofde trouw-tot-in-de-dood te bewijzen. Het mooie is dat Jezus al weet dat Petrus dezelfde fout geen tweede keer zal maken. Later zal hij in Jeruzalem (naakt?) geketend en gevangengenomen worden en bij zijn bevrijding zijn kleed en gordel weer aandoen (Hand. 12,8).

Honderddrieënvijftig?

Hiermee komen wij terug op het centrale thema: bevrijding. Gods bevrijding blijkt ook hier weer niet zonder getuigenis en lijden te gaan. In Jesaja 43 is de hele mensheid (’adam) onderpand voor, en getuige van, de bevrijding van Israël uit de ballingschap, als uiting van Gods onvoorwaardelijke liefde (Jes. 43,4) voor en verbond met Zijn volk. In Johannes wordt dit omgekeerd. Hier is het de ‘nieuwe Adam’ zelf, Jezus, die deze liefde belichaamt. Dit blijkt doordat Petrus uit zijn ballingschap bevrijd wordt door volledig in Jezus als redder te geloven. Jezus richt hem op uit het water, van zijn verleden bevrijd, beroept hem tot herder en roept de leerlingen op tot navolging. Zo worden zij hier tot ‘vissers van mensen’ gemaakt, zonder dat Johannes deze uitdrukking gebruikt. Want hoewel niemand precies lijkt te weten wat die honderddrieënvijftig vissen betekenen, worden ze wel vaak met ‘volken’ of ‘mensheid’ in verband gebracht

Bijvoorbeeld door Bellet, Commentaar (supra, n. 1), met verwijzing naar Eze-chiël 47,10: ‘Er zullen net zo veel soorten vis zijn als in de Grote Zee.’ Dat wil zeggen de Middellandse, het centrum van de toen bekende wereld.

: de getuigen van de Heer die bevrijdt.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken