God in de vogelkijkhut
Timon J. Beeftink over Spreken over God van Byung-Chul Han
Timon J. Beeftink raakte betoverd in een vogelkijkhut. Het uitzicht, de stilte, twee zwanen. Alleen je eigen adem hoorbaar. Toen hij Spreken over God las, een essay van de Duits-Koreaanse filosoof Byung-Chul Han, verdwaalden zijn gedachten opnieuw naar die ervaring in de vogelkijkhut midden in de natuur.
‘Dat moeten we vaker doen,’ zei hij, toen we weer op het pad met kale, overhangende takken en veel modder liepen. Ik stemde volmondig met hem in. Het had iets magisch. Alsof de tijd bevroor en onze gedachten oplosten in dat meertje met eendenkroos en twee zwanen langs de bosrand. Het was een diepe ervaring van… Presentie? God? Ik weet het niet, maar de wereld was heel zacht en ik wilde alles in mijn armen sluiten en dan met me meedragen, mijn drukke leven in. Maar ja, hoe deed je zoiets? En waar bewaarde je die menslievende rust dan?
Hut zonder klok
Het ging niet vanzelf, zoveel was wel duidelijk. Een klein uur later liepen we door de supermarkt voor pannenkoeken van ei, amandelmelk en kokosmeel (ze mislukten) en was dat hele gevoel weer weg. En ons tweede bezoek? Tja, dat kwam er niet. Te druk met werk, hardloopschema’s, een verhuizing—je weet hoe dat gaat. Ben je zomaar drie maanden verder.
Toch dacht ik vaak aan die zondagmiddag in eind november, toen ik het nieuwste essay van Byung-Chul Han las. Titel: Spreken over God: Een dialoog met Simone Weil. Neem nou een zin als deze: ‘Onder de daden- en prestatiedwang verleren we het contemplatieve kijken en luisteren.’ Of, nog zo’n zin in die typische staccatostijl van hem: ‘Prestatiewaan en creatieve industrie maken ons blind voor de schoonheid van de schepping.’
Ik dacht vaak aan die zondagmiddag in eind november.
In de vogelkijkhut viel die waan weg. We trokken de deur dicht, tuurden over het meertje en opeens was daar een wereld met krakende bomen, twee zwanen dus, een keffende meerkoet, een koekoek. Het sprak iets in ons aan wat in ons dagelijkse leven zo makkelijk vervloog—traagheid, aandacht, wachten zonder te weten wat er komt. En alles was heel mooi. Alsof we kommetjes van onze handen vormden en daarmee stukjes God vingen.
Hoelang we daar zaten? Geen idee, twintig, misschien dertig minuten, gelukkig was niemand zo stom geweest om een klok in de hut op te hangen. We hoefden ook niks. Gewoon zitten en kijken, meer niet. Han ziet die houding als een belangrijke voorwaarde, dé voorwaarde zelfs, voor een ontmoeting met God: ‘Waren we niet afgeleid, dan waren we bij God. Als we maar aandachtig zouden toekijken, dan zouden we God ontmoeten, overal.’ (Hij drukt belangrijke woorden vaak schuin.) Of, nog kernachtiger: ‘God is aandacht zonder afleiding.’
Han trekt in zijn nieuwste essay dus hetzelfde blik aan thema’s open—we leven te snel, verliezen elkaar, hebben geen oog voor het mysterie, schuwen stilstand en stilte—maar met meer nadruk op God. Soms levert het geweldige zinnen op. Zo schrijft hij meteen na de inleiding: ‘De crisis van de religie is dus ook een crisis van de aandacht, een crisis van het kijken en luisteren. Niet God is dood. De mens aan wie God zich openbaarde, dié is dood.’
De crisis van de religie is dus ook een crisis van de aandacht.
Blauwe flits
Misschien wel het mooiste van alles was dat we daar gewoon zaten. Samen. Met de ellebogen op de smalle, houten rand gedrukt en zonder de behoefte om de stilte te vullen. Genoeg reden dus om de volgende uitspraak van Weil, de Franse filosofe (1909 – 1943) met wie Han een ‘zielsvriendschap’ zegt te koesteren en wiens gedachten hij door het hele essay met de zijne verweeft, in twijfel te trekken: ‘Geluiden zijn schuw: ze zoeken alleen de eenzame op.’
Maar goed, ik moet het moment in de vogelkijkhut ook niet te veel overdrijven, want het zat goed mee die middag. Vanaf links, er stonden kale, hoge bomen (schietwilgen?), flitste plots iets over het water en landde in een van de takken tegenover ons. Even dacht ik dat het een roodborstje was, want ja, zo’n ervaren vogelaar ben ik niet, maar toen het beestje zich omdraaide, wisten we genoeg. Blauwe veren tegen groengrijze takken, witte stippen, vooral het gevoel dat je naar iets keek dat zo mooi was dat je niet uitgekeken raakte.

Misschien was het onze vriendschap, deze vogel, het trage water, de rust die over alles hing, maar ik was nergens en ergens was een beetje God. En niks was mijn eigen verdienste. Han heeft dus gelijk, wanneer hij schrijft: ‘De beschouwing van het schone stelt de verbeelding als instantie van inlijving buiten werking.’ Ik wist dat dit wonderschone beestje ook zonder mij bestond en ik niks kon doen om hem van mij te maken. Een soort genade. Hij kwam vanzelf, vloog vanzelf weg, wij waren slechts getuigen. En eerlijk? Dat was een heerlijk gevoel.
Als het om zulke momenten gaat, is Han op zijn best. Hij meent dat de moderne mens alleen nog rondjes om zichzelf draait en geen middelen heeft om aan zichzelf te ontsnappen. In de aandacht vindt Han een goed tegengif. Ik citeer: ‘De aandacht bereikt haar hoogste intensiteit op het moment waarop ze elke wil, elk oogmerk aflegt en ik-loos wordt.’ Met de ijsvogel, zo eerlijk moet ik toch zijn (sorry meerkoet, sorry zwaan), lukte dat best aardig. We vergaten de tijd en onszelf. Han: ‘Vreugde ontwaakt op het moment waarop we ons volstrekt zonder verlangen overgeven aan het ogenblik en ons daar in gehoorzaamheid naar voegen.’
We vergaten de tijd en onszelf.
Stoorboor
Toch schuurde het ook. Ik vond het mooi, die aandacht, dat kijken, maar had het gevoel dat er iets miste in het essay van Han. Neem nou die vogelkijkhut. Tuurlijk, daar viel de wereld weg en was er veel stilte, maar je kon daar toch niet je hele leven zitten en wachten? We moesten toch de wereld in? Die drukke, rumoerige wereld?
Ik dacht dus vaak aan een fantastisch zinnetje van Etty Hillesum, toen ik het essay las: ‘Ik zit hier niet in een rustige kamer met bloemen zwelgend in Dichters en Denkers God te prijzen, dat zou heus geen kunst zijn.’ Dat leek me ook. De grote vraag was niet óf er momenten van aandacht mogelijk waren, maar hóé je die menslievende rust met je meedroeg—de wereld in.
Han zegt daar niks over. Zoals in al zijn essays, schrijft hij op een wolk, die ergens ver boven de wereld zweeft, zonder dat hij ooit een stap in de modder van het alledaagse leven zet. Soms is dat heel verfrissend. Hij heeft het nooit over een ‘ik’, over ‘mij’ of ‘mijn’, legt dus nergens de nadruk op zijn eigen ervaringen. Soms is het ook verschrikkelijk irritant. Want ja, wie leeft er nou op een wolk? En die deur naar de wereld, die moet toch ooit een keer open?

Tot die ene zin, op pagina 74. Ik was stomverbaasd toen ik ‘m las. Sloeg meteen een ezelsoor in de linkerbovenhoek en krabbelde in de kantlijn: ‘Het is gek misschien, maar ik vind dit het interessantste zinnetje uit het hele boek.’ En nu ik de woorden opnieuw lees, durf ik wel een stapje verder te gaan. Het is niet alleen het merkwaardigste zinnetje uit het boek, maar uit het volledige oeuvre van Han. Hij schrijft: ‘Mijn buurman boort op dit moment in de muur.’
Daar was hij dan. Zomaar. Helemaal uit het niets. Han, de Duits-Koreaanse filosoof die bijna nooit interviews geeft en van wie niemand zijn geboortedatum weet (alleen zijn geboortejaar: 1959), was een mens, een echt mens, met oren en een lichaam. Ook hij zat wel eens op een bureaustoel ergens in een flat of een rijtjeshuis in Berlijn. En juist deze banaliteit, de boor van de buurman die opeens zijn zorgvuldig afgeschermde wereld binnendrong, maakte dat ik een aanknopingspunt voor mijn onbehagen vond. Han liet het lichaam, de modder, het heel alledaagse leven, structureel buiten zijn denken. Was de God van Han niet iets te veel wolk?
Het is niet alleen het merkwaardigste zinnetje uit het boek, maar uit het volledige oeuvre van Han.
Hoe open je een deur?
Neem weer die vogelkijkhut. Mag je daar schreeuwen? Lachen? Dansen? Huilen? Tja, liever niet. Tenzij je graag vogels wegjaagt en vogelaars boos maakt, maar laten we voor het gemak aannemen dat dit niet het geval is. Je moet stil zijn. Heel stil. Tot je niks anders dan je eigen adem hoort. Han ziet die houding als het onderscheidende van het christendom. Hij schrijft: ‘De christelijke deugd is geen zoektocht, geen actie, maar wachten en schouwen: ‘Nergens in het evangelie is sprake van een zoektocht die de mens onderneemt. De mens zet geen stap …’’
Het laatste deel van dit citaat is weer van Weil. En het is onzin. Ik noem maar iets: de vrouw die al twaalf jaar aan bloedvloeiingen lijdt. Ze reikt haar hand uit naar de zoom van Jezus’ mantel en doet dus precies niet wat Weil over onze drang tot vastgrijpen schrijft: ‘Als je aan een druiventros trekt, vallen de losse druiven op de grond.’ Het verlangen van deze vrouw is juist wat redt. Niet haar wachten, maar haar aanraken getuigt van haar geloof.
Niet haar wachten, maar haar aanraken getuigt van haar geloof.
En er zijn voorbeelden te over: de vrienden die een verlamde vanuit een gat in het dak laten afzakken, de schreeuwende Bartolomeüs, Nikodemus, Jaïrus. Het evangelie is een evangelie van wachten en verwachten, ja, maar net zo goed van roepen, aanraken, feesten. Van ons lichaam, dus. Han mist dat. In zijn kritiek op de daadzucht van de moderne mens, snijdt hij de band tussen geloof en handelen door. Alsof elke uitgestoken vinger meteen verdacht is.
Gevolg? Een zin als deze: ‘Alleen de intensieve ervaring van presentie als ervaring van stilte leidt ons naar God.’ Juist door contemplatie en stilte zo dik aan te zetten, lukt het Han (paradoxaal genoeg) niet om buiten het neoliberale regime te stappen. Hij trekt er muren voor op, laat het dus zijn macht behouden, zoekt God alleen nog in een soort vogelkijkhut. Een mooie correctie op onze bizar snelle cultuur, zeker, maar te makkelijk.
Nog zo’n zin: ‘Wie niet tot contemplatieve aandacht, tot kijken in staat is, heeft geen toegang tot de waarheid, tot de ware, duurzame orde der dingen.’ Deze nadruk op het oog is—net als het denken van Weil, overigens—heel platonisch. Toch is waarheid in het evangelie iets transformatiefs, een praktijk, iets wat we mee de wereld innemen. In het gesprek met Nikodemus, bijvoorbeeld, zegt Jezus (ik cursiveer): ‘Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat van zijn werken openbaar wordt dat ze in God gedaan zijn.’ (Joh. 3, 21)
Han filosofeert in de vogelkijkhut.
God is in de ijsvogel, dat is waar, maar ook in de arm om de behoeftige en het wiegen van een kwetsbaar kind. In zijn nieuwste essay komt dit gebrek misschien wel het duidelijkst naar voren—er is niks in het denken van Han, behalve dus die atypische boor, dat de deur naar onze alledaagse wereld opent. Hij filosofeert in de vogelkijkhut. En zo heel ingewikkeld is het toch niet? Om de deur naar buiten te duwen, moet je vooral je hand uitsteken. Of, om een beetje polemisch af te sluiten, waarom ook niet, hier een citaat van Rainer Maria Rilke:
Alleen in doen word jij begrepen
in handen helder pas


Timon J. Beeftink is schrijver, filosoof, soms kunstenaar. Hij studeerde filosofie in Groningen en Kopenhagen, daarna godsdienstfilosofie in Nijmegen.
Wil je Spreken over God bestellen?
Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast.
Word lid van Theologie.nl
Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af voor slechts €5,83 per maand.
