Menu

Premium

God leeft, voor wiens gelaat ik sta

1 Koningen 17 – 2 Koningen 2

Elia is een van de grootste profeten. Hoewel wij betrekkelijk weinig van hem weten en zijn nalatenschap tot slechts enkele verhalen beperkt bleef (3. Kon. 3.7-2 Kon. 2), is zijn weerklank in de joodse, christelijke en islamitische spiritualiteit moeilijk te overschatten. Wij beperken ons in deze bijdrage tot een viertal schetsen: hoe hij zich onmiddellijk aangesproken wist door Wezer, de verslaving van de afgoderij brak, op de Horeb een stem van beukende stilte hoorde en Elisa tot zijn opvolger zalfde. Samen geven zij ons een beeld van deze man Gods, wiens naam uitdrukte wie hij was: Eli-Tahoe, Mijn God is Wezer.

Elia wordt getekend als iemand die onder de directe invloed stond van Wezer, zijn God. Bij al wat hij deed werd hij rechtstreeks bewogen door het spreken van zijn Meester. Zo was er tot hem de aanspraak van Wezer die zei: ‘Ga…’ En hij ging en deed naar de aanspraak van Wezer (1 Kon. 17:2-5).

Het is alsof Elia volkomen parallel loopt met zijn Meester. Dit komt ook markant naar voren in het verhaal over de weduwe van Sarefat. De aanspraak van Wezer zegt: ‘Sta op en ga naar Sarefat.’ En hij stond op en ging naar Sarefat (1 Kon. 17:8-10). Hier horen we weer het unisono van een synchrone beweging. Deze synchronie is echter geen marionettenspel; het is geen uiterlijke gelijkvormigheid, geen imitatie. dit te gaan zien is het nodig ons te verdiepen in de ‘aanspraak’ (dabar) van Wezer. Wat is een ‘aanspraak’? Hoe werkt zij? De werking van de profetische aanspraak is goed te zien in een woord van de profeet Amos:

De leeuw heeft gebruld,
wie zou niet schromen?
Mijn Meester, Wezer, heeft gesproken,
wie zou niet profeteren?
(Amos 3:8)

Het spreken van Wezer wordt hier vergeleken met het brullen van een leeuw. Een brullende leeuw, vooral als hij vlakbij is, wekt een onmiddellijke reactie in ons gestel: schrik, ontzag, schroom. Zoals wanneer we kippenvel krijgen. Daar denk je niet bij na. Het gebeurt onmiddellijk aan je. Er zit geen afstand, geen bedenken, geen reflectie tussen. Het brullen werkt rechtstreeks in op onze zenuwen, op onze ziel. Aanspraak is directe inwerking van God op een mens, in ons geval op Elia. Elia niet anders dan reageren. Niet omdat hij uiterlijk gedwongen wordt, maar omdat hij van binnenuit niet anders dan schrikken en schromen. En deze reactie zelf is het wezen van zijn profeteren:

Mijn Meester, Wezer, heeft gesproken,
wie zou niet spreken zoals Hij,
wie zou niet leven vanuit Hem,
wie zou geen profeet van Wezer worden?

Hoewel de aanspraak van Wezer onmiddellijk doorwerkt in het gestel van de profeet – hij er niets aan doen –, de profeet zich er wel in trainen om gevoelig te worden voor deze aanspraak. Hij oefent zichzelf door in kleine dingen ontvankelijk te worden en door zich open te stellen. Hoewel de aanspraak dus wezenlijk genade is, kunnen wij er ons geleidelijk voor openstellen en er gevolg aan geven. Dat heeft Elia gedaan. Hij gaf mee met zijn Meester in kleine dingen. Daardoor kon hij in het groot de aanspraak van zijn Meester onmiddellijk leven. Een synchronie.

Elia op de Karmel

De thuisbasis van Elia was de Karmel, een onherbergzaam grensgebied in het noorden van Israël. Daar vond de felle confrontatie tussen Elia en het baälisme plaats (1 Kon. 18). Vanwaar deze clash? We kunnen de ernst van de botsing tussen Elia en de Baälprofeten alleen begrijpen wanneer we bedenken dat in het baälisme de relatie God-mens niet centraal staat. De god-menselijke relatie is in deze vruchtbaarheids-godsdienst slechts een afgeleide. Zij hangt af van de willekeur van de goden, hun luimen, vrijages en toevallige onderlinge relaties. Hun hemelse gevechten op leven en dood bepalen het leven op aarde: is Mot (de godheid Dood) de baas, dan sterft alles, heerst Baäl, dan bloeit alles weer op. In het jahwisme daarentegen staat de god-menselijke relatie centraal. Wezer heeft zich exclusief gebonden aan zijn mensen. Hij heeft geen andere relatie. Hij is de enige. Hij leeft voor zijn mensen. De profeet Elia beseft dit als geen ander. Hij leeft uit Wezer. Er is geen andere God. Naar de hemel kijken en afwachten wie er de baas is zoals de Baälprofeten doen, betekent voor Elia slavernij, erger dan de slavernij in Egypte.

Vandaar de felheid van zijn strijd. Voor hem is het een bevrijdingsstrijd: loskomen uit een onderdrukkende relatie. Nu weten wij allemaal hoe moeilijk het is los te komen uit afhankelijkheden en rollen. Talloos zijn de verhalen van mensen die vertellen hoe pijnlijk het is, ja, hoe wreed bijna, het masker af te moeten leggen van valse rollen en gegroeide afhankelijkheden. Alle bevrijdingsspiritualiteiten weten ervan. De confrontatie op de Karmel tussen Elia en de Baälprofeten is een beeldverhaal waarin onderscheid gemaakt wordt tussen God en (af)goden. Het verhaalt ook over de ontmaskering van stemmen en mechanismen in onszelf. Stemmen die met velen zijn, die ons verwarren, verleiden, en alle kanten op sturen. De mechanismen in onszelf die we gebruiken om alles en iedereen om ons heen onder controle te houden, zelfs God.

Jan van Helden heeft deze ontmaskering scherp in beeld gebracht. In 1969 maakte hij een ‘ets en aquatint’ voor het tijdschrift Speling. De titel onder de ets zegt: ‘De uitdaging van Elia aan de Baäls’. In het tijdschrift kreeg de afbeelding echter de titel: ‘Elia ontmaskerde de vruchtbaarheidscultus’. De ets toont de ontmaskering, letterlijk. Rechtsboven ligt een stier op een altaar. Daaromheen rennen een aantal verklede, vreemd uitgedoste figuren, met de armen in de lucht. Het zijn Baälprofeten. In de linker bovenhoek zien we een muurtje met toeschouwers. De meeste aandacht krijgen drie figuren op de voorgrond. De man links, die eruitziet als een antieke dorpspastoor, verbeeldt de profeet Elia. Hij staat ontspannen, met zijn handen op zijn rug, een bloem in de hand, een lelie, symbool van onschuld en zuiverheid. Het lijkt of hij rustig heen en weer aan het paraderen is, voor het hele gebeuren langs, niet bewogen om wat er gebeurt. En dat terwijl voor hem een man staat die uit alle macht zijn aandacht probeert te trekken. De mond wijd open, lijkt deze man het uit te schreeuwen. Boven op zijn hoofd een afgetrokken masker. Hij hoorde bij de profeten die rond het altaar dansten, maar hij danst niet langer mee. Hij is door zijn rug gezakt, hij is ontmaskerd, hij voelt de pijn. Hij lijkt op zijn hand te bijten als uiting van frustratie en vertwijfeling, een soort agressie die op zichzelf gericht is. Op de hand bijten ook laatste middel zijn van verzet tegen opwellende tranen. We zien hier hoe het uitblijven van een antwoord van de Baäl op het offer van de profeten uitwerkt. De profeet weet zich ontmaskerd.

De derde man in de rij, de meest rechtse figuur, is ook ontmaskerd. Maar hij schijnt nog niet te begrijpen wat er aan hem gebeurt. Hij is ontmaskerd, maar hij houdt vol, met een strak gezicht, en met zijn handen tot vuisten gebald. Hij danst gespannen door, maar niet langer rond het altaar. Zijn ogen lijken voor zich uit te staren zonder te zien.

Elia staat er kalm bij, houdt zich erbuiten. Rustig wachtend ziet hij hoe het baälisme aan zichzelf ten gronde gaat. Hij ziet in zijn ooghoek het pijnlijke gebeuren dat met woede en wanhoop gepaard gaat. Maar hij kijkt verder dan dit moment van pijn. Dit is niet een moment om te gaan troosten. Dit is het moment om de pijn door te laten dringen. De ontmaskering moet voltrokken worden en niet toegedekt.

Elia op de Horeb

In wezen gebeurt met Elia op de berg Horeb iets vergelijkbaars (1 Kon. 19). Na een lange tocht door de barre woestijn, gesterkt door een bode van Wezer, komt Elia bij de berg waar de Machtige eerder aan Mozes was verschenen (Ex. 33). Wezer treedt zijn knecht tegemoet, zoals een koning betaamt: ‘Wat heb je, Elia?’, hetgeen zoveel betekent als: ‘Waarmee kan Ik je van dienst zijn, Elia?’ (1 Kon. 19:9). Elia doet zijn beklag. Alles is fout gegaan. Hij is nog alleen over. Zijn Meester nodigt hem uit voor een audiëntie. Die verloopt enigszins merkwaardig. De koning wordt aangekondigd door een aantal bekende herauten: Storm, Aardbeving en Vuur. Maar geen van deze traditionele boden kondigt de komst van Wezer aan. Dan volgt er ‘een stem van beukende stilte’ (19:12). Deze kondigt eindelijk zijn voorbijgaan aan. Velen hebben zich afgevraagd wat deze merkwaardige stem te betekenen heeft. Sommigen denken aan een stille bries: een meer vergeestelijkte vorm van Godsopenbaring. Anderen denken aan de stilte als tegenspeler van natuurgebeurtenissen: Wezer is geen natuurgebeuren. Weer anderen vermoeden een kritiek op de mozaïsche traditie als woordopenbaring: Wezer is woordeloze stilte. Nog weer anderen horen een vorm van zelfkritiek in de stille stem: Wezer is niet zo gewelddadig als het gebeuren op de Karmel suggereert, waar honderden Baälprofeten werden uitgemoord. Eigenlijk zijn er drie aspecten in de ‘stem van beukende stilte’ die te denken geven. Ten eerste: de spanning ‘stem’ en ‘beukend’. Ten tweede: de combinatie ‘stem’ en ‘stilte’. Ten derde: de paradox ‘stilte’ en ‘beukend’. Het beste beginnen we bij de ‘stem’. Wat ook verder de andere twee woorden mogen betekenen, de ‘stem’ duidt op spreken, op aanspraak, op communicatie van Godswege. Daarom volgt er op de stem: ‘en Elia hoorde’ (19:13). Hij h66rt de aanspraak. Daarom verbergt hij schroomvol zijn gelaat in zijn mantel, want in deze stem is zijn Meester ‘voorbijgegaan’ (19:13-15). De goddelijke stem wordt nu nader getypeerd met de woorden ‘beukende stilte’. Dat moet een stem geweest zijn waaraan Elia nog niet gewend was. Het woord ‘beukend’ duidt op een zeer indringende, onmiddellijke inwerking. Iedere aanspraak is onmiddellijk en indringend, maar deze dringt blijkbaar bijzonder diep door; ze is beukend, vermorzelend. Dat een stilte indringend kan zijn, is niet vreemd. Denken we maar aan de uitdrukking ‘met stomheid geslagen’. In de Schrift is men met stomheid geslagen wanneer men in contact komt met de dood. Doodservaring maakt stil. Het gaat dus om een stem die een zeer negatieve ervaring uitdrukt en waarin Wezer aankondigt wat er te gebeuren staat. De lezers van het boek Koningen weten wat die negatieve ervaring zijn zal: de naderende ballingschap, de dood van Israël. Maar, zo zegt de stem van beukende stilte, deze ervaring komt van Godswege en moet gebeuren. Wezer is een stil makend geheim!

De gebeurtenis op de Karmel en de stem op de Horeb betreffen beide een pijnlijk proces van ontmaskering. Ingesleten verwachtingspatronen moeten worden losgelaten, door de Baälprofeten, maar ook door Elia.

Elia en Elisa

Op de Horeb hoort Elia de aanspraak van Wezer (1 Kon. 19:15- 18). Een van de drie opdrachten die hij krijgt, is het zalven van Elisa ‘als profeet in jouw plaats’. Elia gaat onmiddellijk op weg. Aangekomen bij Elisa werpt hij zonder een woord te zeggen zijn mantel over hem heen (19:19). Elisa reageert al even onmiddellijk als zijn meester: hij is meteen bereid afscheid te nemen van zijn familie en zijn werk en Elia achterna te gaan. De onmiddellijkheid van zijn reactie verraadt de aanspraak die hij ervaart in Elia’s gebaar.

Het is interessant te zien hoe Elisa hier profeet wordt. Hij neemt niet meteen de rol van Elia over, maar volgt hem en dient hem. Elisa legt een weg af waarop hij meer en meer profeet wordt. Zijn eerste onmiddellijke reactie is dat hij op weg gaat. Maar Elia volgen is geen eenmalig besluit. Elia volgen betekent steeds opnieuw kiezen. Dit wordt prachtig uitgebeeld in het verhaal van Elia’s hemelvaart (2 Kon. 2). Tot driemaal toe zegt Elisa: ‘Bij het leven van Wezer en bij het leven van jouw ziel, als ik jou verlaten zou…’ Tot het einde toe blijft hij bij Elia. Hij verlaat hem niet. Als een leerling die trouw is aan zijn leraar.

Wanneer Elisa ten slotte ziet hoe Elia ten hemel opgenomen wordt, schreeuwt hij het uit: ‘Mijn vader, mijn vader.’ Hij drukt hier uit dat hij de zoon is die zijn vader moet laten gaan. Als zoon van Elia doet hij voortaan het werk van zijn vader. Hier wordt Elisa werkelijk profeet in de plaats van Elia. Zijn eigen kleren scheurt hij in tweeën, en de mantel die van Elia afgevallen is raapt hij op. Daar staat hij, v66r Wezer, de Machtige van Elia. Vanaf dat moment treedt hij in het voetspoor van Elia, draagt zijn mantel, ademt zijn geestkracht, wijst koningen terecht, helpt de arme weduwe en doet wonderen. Toch is hij geen kopie van Elia; hij leeft persoonlijk uit dezelfde Bron: hij leeft ‘bij het leven van Wezer, voor wiens gelaat ik sta’ (2 Kon. 3:14).

Anne-Marie Bos; Kees Waaijman

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken

Lid worden