God liefhebben boven alles
Alternatief bij 6de zondag van de herfst (Deuteronomium 6,1-9, Matteüs 22,34-46 en Titus 3,1-11(15))
‘Gij moet JHWH uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten.’ Zo klinkt het in Deuteronomium. En zo horen we het ook bij Matteüs. Alleen, bij de evangelist wordt deze uitspraak gevolgd door: ‘het tweede gebod daarmee gelijkwaardig, gij zult uw naasten beminnen als uzelf.’
Toen ik nog maar net begonnen was met de studie theologie, sprak ik iemand die moeite had met het gebod van de liefde. ‘Ja, mijn naasten liefhebben, daar kan ik me iets bij voorstellen, maar hoe moet ik God meer liefhebben dan wie of wat dan ook?’ Als net beginnend student wist ik het ook niet.
Gelijkwaardig of gelijk?
Misschien zit het probleem wel in de vertaling van de tekst. Wanneer we in plaats van gelijkwaardig zouden lezen ‘gelijk’, dan denk ik dat we daarmee de bovenvermelde vraag tot een oplossing kunnen brengen. Want dan wordt het eerste gebod, de liefde tot de Eeuwige, gelijk aan de liefde tot de medemens. Misschien dat het woord gelijkwaardig als vertaling wordt gebezigd, omdat een complete gelijkschakeling van de liefde tot God toch niet hetzelfde kan zijn als de liefde voor de medemens.
Toch wil ik opmerken dat we door ‘gelijk’ te lezen, de twee zinnen aan elkaar koppelen op een wijze die gemeengoed is in de teksten van de Schriften. Met grote regelmaat komen we teksten tegen waarin bepaalde zinnen worden gevolgd door een andere zin met dezelfde inhoud, maar dan in andere woorden. Waarin de inhoud wordt herhaald, maar waarvan je ook kunt zeggen dat daarmee de inhoud van de eerste zin wordt verduidelijkt. Een duidelijk voorbeeld is te vinden in Psalm 8 (‘Heer onze Heer, hoe machtig is uw naam, allerwegen op aarde’), waarin na de aanhef telkens sprake is van twee achtereenvolgende zinnen waarin tweemaal hetzelfde wordt gezegd, maar steeds met andere woorden. Ik zou dus opteren voor ‘de liefde voor God’ is gelijk aan ‘de liefde tot de medemens’.
Het onderhouden van Tora
Prachtig, maar als we het daarbij laten, dan kunnen we leuk uitweiden over de liefde, over hoe fijn het is wanneer mensen elkaar ‘aardig’ vinden. We kunnen heel onze gevoelswereld erbij halen en er fijntjes op wijzen hoe de Schriften ons reeds vertellen wat psychologen in onze tijd vertellen. Anders gezegd, hoe diep de wijsheid is die ons in de Schriften wordt aangereikt. Maar wanneer door de Schriften tot ons wordt gesproken over de liefde, dan hebben we het niet allereerst over onze gevoelens voor de ander, voor de Ander. Dan gaat het toch primair over het betrachten van de gerechtigheid.
Want zo begint hoofdstuk 6 van Deuteronomium. ‘Dit zijn de geboden, voorschriften en bepalingen die ik u in opdracht van JHWH uw God moet leren. Gij moet die volbrengen in het land dat ge aan de overkant in bezit gaat nemen.’ De ik-figuur is Mozes die het volk nogmaals op het hart drukt om de geboden, de Tora, samengevat in de Tien Woorden, te onderhouden (Deut. 5). Dat moet je doen wanneer je het land in bezit gaat nemen. Of mogen we ook verstaan: dóe die woorden, want zó zul je het land in bezit kunnen nemen? Zo zul je er zelf voor zorgen dat het land waar jij woont, waar jij werkt, waar jij leeft, een goed land mag worden.
Wanneer tot ons gesproken wordt over de liefde, dan heeft dat niet allereerst te maken met sympathie of antipathie, maar met het onderhouden van de Tora. En dat is zorgen dat de wereld gekenmerkt wordt door rechtvaardigheid – rechtvaardigheid die jij hebt te betrachten ten aanzien van die mens die tegenover je staat, ongeacht hoe jij over die ander denkt.
De brief aan Titus
Ook in de brief die Paulus aan Titus schrijft, wordt het van belang geacht dat mensen goede daden verrichten. We zouden misschien de wenkbrauwen fronsen wanneer we horen dat mensen de overheid dienen te gehoorzamen. Maar wanneer we de hele brief lezen, denk ik dat Paulus hier niet schrijft over het wereldlijk gezag. Het gaat hem erom dat Titus zorgt dat het gezag in de kerkelijke gemeenschap wordt uitgeoefend door mensen die onberispelijk zijn in de eigen levenswandel. Het is dat gezag dat de gemeenteleden hebben te eerbiedigen. Het belang van een voortreffelijke levenswandel is volgens Paulus noodzakelijk omdat er ook mensen zijn die een dwaalleer verkondigen. Je moet de goede mensen tot leider aanstellen.
Christenen dienen, naar het woord van Paulus, de eersten te zijn als het gaat om goede werken doen. Want dat is goed en de mensen zullen daar wel bij varen. Maar laten we daarbij niet vergeten dat Paulus dit vermeldt vanuit het duidelijke standpunt dat mensen dat dus doen vanuit hun geloof. Want de uiteindelijke redding is gegeven met de komst van Jezus als Messias, en dankzij de wedergeboorte in de doop mogen wij ook de toerusting door de heilige Geest verwachten.
Je zou mogen zeggen: we zijn dan wel geroepen om goede werken te doen op onze aarde, we hebben de liefde, dat wil zeggen de rechtvaardigheid bij alles wat we ondernemen in het vizier te houden, maar daarmee is niet alles gezegd. Het is ook de genade, dat wat ons ‘om niet’ gegeven is, waardoor wij mogen leven op deze aarde. Een genade die ons tevens in staat zal stellen om tweespalt en onenigheid teniet te doen. Zeker in onze tijd, waarin tegenstellingen eerder op de spits gedreven worden zodat ze onoverbrugbaar worden, dan dat mensen zoeken naar verbinding mét alle verschillen, lijkt me een levenshouding van begrip en ruimte voor de ander van essentieel belang.
Deze exegese is opgesteld door Henk Hudepohl.