God wil met ons zijn
God wil met ons zijn
Bij Jesaja 7,10-17, Romeinen 1,1-7 en Matteüs 1,18-25
De vierde zondag van Advent valt dit jaar een volle week voor het Kerstfeest. Maar deze zondag staat al helemaal in het teken van het Kind dat komt. In het Kind staat God zelf centraal, is God met ons. Dat is de centrale boodschap.
De schriftlezing uit Jesaja is een heel bekende tekst. Jesaja 7,14 wordt geciteerd in de perikoop uit Matteüs (Mat. 1,23). Het is mooi dat we deze zondag niet alleen het citaat horen, maar ook Jesaja zelf aan het woord kunnen laten komen. Zonder de context, beschreven in Jesaja 7,1-10, zal deze tekst echter moeilijk te begrijpen zijn. Het land Juda wordt bedreigd door Israël, dat een coalitie gesloten heeft met Aram. Achaz, de koning van Juda, is bang wanneer hij hoort dat de twee bondgenoten optrekken naar Jeruzalem, de hoofdstad van Juda. En met hem is het hele volk bang (7,2).
Een teken
Jesaja krijgt opdracht van JHWH om de koning en het volk gerust te stellen: er is niets om bang voor te zijn (7,3-9). Achaz mag van JHWH om een teken vragen, maar hij weigert dit. Uit angst? Uit valse vroomheid? Uit ongeloof? Dan stelt JHWH zelf een teken: de geboorte van een kind (7,14). Bij Jesaja gaat het niet om een kind dat in de verre toekomst, bijvoorbeeld in de tijd van Jezus wordt geboren. De aangekondigde geboorte is er een die heel binnenkort gaat gebeuren. De jonge vrouw is (nu) zwanger, en spoedig zal zij een zoon baren. En ze zal hem (Hebr.:) ‘immanoe ’el noemen, ‘God met ons’ (7,14). Het is alsof de zwangere jonge vrouw naast Jesaja staat en hij alleen maar naar haar hoeft te knikken. Nog voordat dit kind groot genoeg is om het onderscheid te weten tussen goed en kwaad, zal de netelige situatie waarin het land zich bevindt totaal veranderd zijn. Israël en Aram zullen beide ontvolkt zijn en geen gevaar meer vormen voor Juda. De naam van het kind is, net als de namen van veel kinderen in het boek Jesaja, symbool voor de toestand waarin land en koning zich bevinden: God met ons. Het kind zal boter en honing kunnen eten, net als melk en honing een bijna paradijselijke combinatie. Het lijkt allemaal goed af te lopen voor Juda, ware het niet dat de laatste zin nogal omineus klinkt. Daar doemt een nieuwe, nog machtiger vijand op aan de horizon: de koning van Assyrië (7,17).
Een ander Kind
Eeuwen later ziet Matteüs in deze perikoop uit Jesaja een ander Kind aangekondigd, dat bij uitstek de naam Immanuel, God met ons, belichaamt. In Matteüs 1,18 wordt het allereerste begin (1,1) van het evangelie hernomen: de (Gr.:) genesis van Jezus Christus. In tegenstelling tot in het Lucasevangelie wordt hier over de geboorte van Jezus verteld vanuit het gezichtspunt van Jozef. Jozef vertegenwoordigt de afstammingslijn naar David, dus zijn vaderschap is van cruciaal belang. Jozef wordt beschreven als een rechtvaardig (Gr.: dikaios) mens (Mat. 1,19). Hij is vroom en godvrezend, maar zeker geen letterknecht. Hij had Maria ook zwaar in de problemen kunnen brengen door haar aan te klagen wegens overspel. Dat wilde hij niet: hij wilde haar heimelijk, onopvallend laten gaan.
Geen halfgod
Maria is zwanger uit (Gr: ek) de heilige Geest (1,18). Wat dit precies is, wordt in het midden gelaten. Het wordt in elk geval op een heel andere manier verteld dan in mythen, waarin verhaald wordt over goden die op aarde vrouwen bezwangeren, die vervolgens halfgoden baren. Het enige wat Matteüs ons wil vertellen is dat dit Kind dat geboren wordt, een bijzondere band met God heeft, al vanaf voor zijn geboorte. In dit Kind wordt zichtbaar: God is met ons.
Doorlopende verkondiging
De inleiding van de brief van Paulus aan de Romeinen is een waar taalkundig kunststuk, wat je in de NBV helaas niet echt terugvindt. Ik zal een paar taalkundigheden bespreken. Paulus noemt zichzelf een dienaar, een slaaf (Gr.: doulos) van Christus Jezus (Rom. 1,1). Later noemt hij Jezus (onze) Heer (1,4.7). Dat woord is ons bijna te vertrouwd geworden om de implicatie te kunnen zien: een heer heeft slaven of dienaars, waarover hij volledig kan beschikken. In deze termen spreekt Paulus dus over de relatie van Christus en zijn gelovigen: als een meester en zijn dienaars. Deze in zijn tijd vertrouwde begrippen drukken goed uit hoe radicaal Paulus het christen-zijn ziet.
Paulus vertelt dat God al zelf door zijn profeten het ‘goede nieuws’ (Gr.: eu-angelion) over zijn Zoon in de heilige schriften heeft ‘aangekondigd’ (van het Griekse werkwoord pro-ep-angelloo), dat Paulus nu mag ‘verkondigen’ (Gr.: angelloo). Paulus stelt zijn verkondiging dus in een directe lijn met die van de profeten.
De verkondiging heeft als inhoud Gods Zoon, die wordt beschreven met een dubbele lijn: naar het vlees (Gr.: kata sarka) stamt Hij af van David (1,3); naar de Geest (Gr.: kata pneuma) is Hij de aangewezen Zoon van God en bekleed met macht, toen Hij opstond uit de dood (1,4).
Paulus is geroepen om deze Zoon te verkondigen aan alle volken, ook aan de Romeinen aan wie hij deze brief schrijft (1,6). De verkondiging van het goede nieuws maakt dus één lange beweging, van de profeten uit het verleden via Paulus naar ‘u’ – de toekomst. En ik denk dat ook wij ons hier aangesproken mogen voelen. Wat er verteld wordt is geen momentopname, geen incident, maar het is een doorlopende verkondiging. Deze verkondiging is begonnen door God zelf en loopt nog altijd door.
Zo wordt in deze week voor Kerst de focus gelegd op God, die met ons wil zijn – in het verleden, in het heden en in de toekomst.
Marise Boon