Groene vingers
Bij Matteüs 13,24-30.36-43
Mevrouw Van den Hof heeft de mooiste tuin van de straat. Ze is al oud en woont alleen. Elke dag zie je haar wel even bezig in de tuin, onkruid trekken, bloemen knippen, iets erbij zetten, iets weghalen. Altijd zijn er bloemen. Alles is keurig in die tuin. ‘Ik heb groene vingers,’ zegt mevrouw Van den Hof. De kinderen kijken, maar ze zien niets. Ze draagt tuinhandschoenen.
Nu is ze een weekje uit logeren bij haar dochter. Aadje en Eefje, de buurkinderen, mogen op de tuin passen. Dat is niet veel werk; ze moeten alleen sproeien als het droog weer is. Ze ruimen ook de rommel op die in de voortuin waait: plastic zakjes, papier en een blikje dat een lummel erin gegooid heeft.
Er komt slecht bericht: mevrouw Van den Hof is gevallen en heeft haar pols gebroken. Ze is heel flink, maar wil toch nog even bij haar dochter blijven. ‘Vergeten jullie mijn tuin niet?’ ‘Natuurlijk niet. Sproeien is leuk,’ zegt Aadje door de telefoon. Maar het gras wordt wel erg lang en er beginnen overal kleine plantjes te groeien. Onkruid!
Papa zal het gras maaien. Hij zegt: ‘Laat dat onkruid maar staan, misschien heeft ze er wel plantjes ingezaaid, Vlijtige Liesjes en zo.’
Ze knippen wel de oude rozen eruit. Dat mag. Verder groeit alles alsof de duvel er mee speelt. Wat zal ze schrikken als ze thuiskomt. Aadje en Eefje zijn bang dat ze boos wordt als ze die wildernis ziet.
Maar dat is niet zo. Als ze thuiskomt is ze blij dat ze haar tuintje terug heeft.
‘Kunnen we helpen?’ vragen de kinderen.
‘Nog even wachten,’ zegt buurvrouw, ‘dan zijn mijn zaailingen groot genoeg zodat ik ze kan herkennen.’
Twee weken later is het zover. Buurvrouw zit op een stoeltje in de tuin en wijst aan, met haar stok: ‘Dit moet eruit, dat mag blijven staan.’
De kinderen doen het werk. Ze krijgen zwarte nagels, geen groene vingers.
‘Hoe zit dat?’ vragen ze aan de buurvrouw.
‘Ik zal het je uitleggen,’ zegt ze.
Wat denk je dat buurvrouw vertelt over die groene vingers?
Kunnen kinderen ook groene vingers hebben?
Vind je niet dat de kinderen iets moeten krijgen voor hun werk?