Menu

Premium

Habakuk

INLEIDING

De man

We weten van Habakuk niet meer dan wat we uit zijn boekje kunnen opmaken. En dat is heel weinig: niet eens de naam van zijn vader of van zijn geboorteplaats wordt genoemd. Buiten dit boekje komt Habakuk in het Oude Testament niet voor; ook niemand anders die zo heet. Deze naam werd vroeger wel afgeleid van een hebreeuws werkwoord, dat ‘omhelzen’ betekent; hij zou dan zoveel als ‘geliefde’ betekenen. Een joodse traditie legde verband met het ‘omhelzen’ van 2 Kon. 4:16 en zag in Habakuk de zoon van de Sunamitische. Dit heeft geen grond en is alleen al vanwege de tijdsafstand (er ligt ongeveer 200 jaar tussen Elisa en Habakuk) onmogelijk. Tegenwoordig ziet men in de naam Habakuk meestal een uit het Assyrisch bekend woord, dat een of ander gekweekt gewas aanduidt. De naam kan dus wijzen op assyrische invloed. Dat mensen namen van planten of dieren dragen is in het O.T. heel gewoon: Tamar (dadelpalm), Jona (duif) ea. Volgens een andere traditie zou Habakuk tot de Levieten, nader: tot de tempelzangers, behoord hebben. Deze gedachte kan samenhangen met het onderschrift van hoofdstuk 3, waar men in vs 19 ook ‘bij mijn snarenspel’ kan vertalen. Hiermee zou in verband gebracht kunnen worden, dat uit het boekje blijkt, dat Habakuk goed thuis was in de taal van de liturgie, zie 1:2-4 (gebed), 3:2-15 (theophanie), 3:17-19 (loflied). Voldoende bewijs, dat Habakuk als Leviet aan het heiligdom verbonden was, is dit niet. Over de vraag of hij als profeet een functie had bij het heiligdom, zie de volgende paragraaf. Uit het boek blijkt, dat Habakuk iemand is geweest met een zekere litteraire begaafdheid; hij weet de traditionele taal en beelden op een eigen wijze te gebruiken en zijn boek vertoont een goed dichterlijk peil.

De profeet

In 1:1 wordt Habakuk ‘profeet’ (Hebr. nabi) genoemd. Dit is de enige keer, dat deze aanduiding in het opschrift van een profetisch boek voorkomt. Er wordt wel uit geconcludeerd, dat Habakuk als profeet aan het heiligdom verbonden was. Maar het is niet helemaal zeker, dat er in Israel zulke cultische profeten bestaan hebben. Wel valt op grond van 1:1 en vooral van 2:1 te zeggen, dat Habakuk niet incidenteel deze profetie ontvangen heeft, maar al eerder als profeet werkzaam is geweest: hij verwacht een profetie als antwoord op zijn klacht en weet hoe hij zich op de ontvangst daarvan moet voorbereiden. Hij was dus reeds profeet en zal zowel een roeping als eerdere profetieën ontvangen hebben, al horen we noch van het een noch van het ander. Het boekje maakt niet de indruk de neerslag te zijn van een vele jaren durende profetische prediking; het is geheel geconcentreerd rondom de aankondiging van optreden en ondergang van het rijk van de Chaldeeën.

De tijd

De meeste profetische boeken bevatten opgaven van de tijd, waarin de profeet, wiens woorden in dat boek bewaard zijn, optrad; Hab. behoort (met Joël, Ob., Nah. en Mal.) tot de boeken, waarbij dat niet het geval is. Maar aan de hand van de inhoud is de tijd van deze profetie binnen vrij enge grenzen vast te stellen. Uit 1:6-11 blijkt, dat de Chaldeeën, die de kern vormden van het Nieuwbabylonische rijk (waarvan Nebukadnezar,605-562 v.Chr. de bekendste koning is geweest), hun zegetocht door het oude Nabije Oosten al wel begonnen zijn – zij worden, in al hun overwinnende kracht, als bekend ingevoerd – maar Juda nog niet onderworpen hebben. De macht van hun rijk werd definitief gevestigd, toen Nebukadnezar de egyptische koning Necho versloeg (slag bij Karchemisj, 605). Niet al te lang daarna vond de aanvankelijke onderwerping van Juda plaats, waarvan 2 Kon. 24:1 melding maakt. Het schijnt, dat de eerste jaren daarna de Babyloniërs (Chaldeeën) Juda tamelijk ongemoeid hebben gelaten. Jojakim kwam in opstand in 602 of 601; pas enkele jaren later had Nebukadnezar de handen voldoende vrij om Juda grondig aan te pakken: in 597 had de eerste wegvoering naar Babel plaats (Joia-kim was inmiddels gestorven en als koning van Juda opgevolgd door zijn zoon Jojachin, 598-597). Uit 1:12-17 en vooral uit de situatie, die zich weerspiegelt in hst. 2, krijgen we de indruk, dat Juda het optreden van de Chaldeeën inmiddels aan den lijve ondervonden heeft; dit wijst naar de tijd na 597, maar in elk geval vóór 587, omdat van de grote verwoesting van Jeruzalem, die in dat jaar plaats had, nog geen sprake is. Het resultaat is, dat we ons voor de oorspronkelijke datering van 1:5-l 1 niet al te ver van 605 moeten verwijderen, maar dat het boekje als geheel dateert van na 597, waarschijnlijk van niet al te lange tijd daarna. Voor de drie profeten, die in de volgorde Nah., Hab., Sef. in de Bijbel staan, vinden we dus de historische volgorde Nah.(± 650), Sef. (± 630), Hab.(± 595). De profeet Jeremia is in elk geval van Habakuk, maar waarschijnlijk van Sefanja en Habakuk een tijdgenoot geweest (hij trad als profeet op van ± 625 tot ± 580).

Het boek

Zoals reeds werd gezegd is het boekje een duidelijke eenheid: het draait geheel om de aankondiging van opkomst en ondergang van de macht van het chaldese (nieuwbabylonische) rijk. Er zijn, behalve de opschriften in 1:1 en 3:1 en misschien de muzikaal-liturgische aanduidingen in hst. 3 (3:3, 9, 13 sela; 3:19 voor de koorleider, met snarenspel), niet met zekerheid redactionele of andere toevoegingen aan te wijzen (maar zie de aant. bij 1:3, 2:1517). Het boekje bestaat uit drie delen, die samenvallen met de hoofdstukken:

De klacht

1:2-4 klacht over binnenlands onrecht

1:5-11 aankondiging van het optreden van de Chaldeeën

1:12-17 klacht over het optreden van de Chaldeeën Het antwoord

2:1-4 het antwoord gevraagd en gekregen

2:5-20 vijfvoudig wee over de wereldmacht

Het lied

3:2 gebed

3:3-15 de komst van God tot straf en redding

3:16-19 de reactie van het geloof

Voorzover onderverdelingen zijn aan te brengen, worden deze bij de uitleg gegeven.

Het is heel goed mogelijk, dat het boekje door Habakuk zelf op schrift is gebracht.

De betekenis

Het boek heeft een historisch bepaalde aanleiding, nl. het onrecht in Juda tijdens koning Jojakim en vooral het optreden van de Chaldeeën. Maar de formuleringen zijn zo gekozen, dat duidelijk wordt, dat hier een probleem van alle tijden ligt. Wat hier gezegd wordt kan in allerlei tijden op allerlei machten worden toegepast. De betekenis van het boek ligt in het antwoord van God op de klacht van het aangevochten geloof van de rechtvaardige. Die aanvechting komt daaruit voort, dat God tegen het onrecht en de geweldpleging niets schijnt te doen. En als er op het ‘kleine’ onrecht (1:2-4) een antwoord komt in de vorm van het optreden van de wereldmacht, die ahw. het oordeel brengt over dat ‘kleine’ (binnenlandse) onrecht, wordt het probleem nog groter, doordat het ‘kleine’ onrecht vervangen wordt door het grote. In de geschiedenis blijft dit probleem actueel: allerlei onrecht plegende machten gaan ten onder, maar worden opgevolgd door andere, wel groter, maar niet beter. De geschiedenis lost niets op, integendeel. De houding van de gelovige, die de geschiedenis niet los kan zien van het bestuur van God, kan temidden van deze aanvechtingen en spanningen alleen die zijn van het gelovig wachten: 2:4 is de kern van het boek. Van deze kern uit zijn twee lijnen te trekken. Ten eerste die van de rechtvaardiging door het geloof alleen; er is, ondanks alle klachten, te leven, maar alleen door geloof: dat is de enige houding waarin de rechtvaardige recht voor God staat. Ten tweede die van de eschatologie; het geloof weet, dat God eens alle macht en alle onrecht zal overwinnen; er komt ten slotte een nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont. Op enkele plaatsen in het Nieuwe Testament vallen duidelijke echo’s van het boek Hab. waar te nemen: Hand. 13:41 (Hab. 1:5); Rom. 1:17 (Hab. 2:4); Gal. 3:11 (Hab. 2:4); Heb. 10:37, 38 (Hab. 2:3, 4).

VERKLARING

Het opschrift 1:1

Godsspraak: zie bij Nah. l.T. Profeet: zie de Inl. Habakuk: voor de betekenis van deze naam zie de Inl. Geschouwd: strikt genomen past dit woord niet bij een godsspraak maar bij een visioen. Het wordt hier echter, evenals het woord ‘gezicht’ in Nah. 1:1 (in het Hebr. zijn de beide woorden aan elkaar verwant), gebruikt in de meer algemene zin van het ontvangen van een goddelijke openbaring. Het opschrift, dat boven het boek geplaatst is door hen, die de profetische boeken in grotere verzamelingen bijeenbrachten, geeft aan, dat we hier niet met inzichten van mensen, maar met Woord van God te doen hebben.

De klacht 1:2-17

Het merkwaardige van dit hst. is, dat de delen ervan uit verschillende perioden dateren en toch een goed samenhangende eenheid vormen. In het geheel van het boek is 1:12-17 het belangrijkste deel van dit.hst.: het roept het antwoord van hst. 2 op, dat op zijn beurt weer de reactie van hst. 3 veroorzaakt. Dit gedeelte 1:12-17 dateert uit ± 597 v.Chr. Bij de teboekstelling heeft de profeet echter de uit ± 605 daterende gedeelten 1:2-4 (klacht over onrecht in Juda) en 1:5-11 (aankondiging van straf daarover in de vorm van de komst van de Chaldeeën) daaraan vooraf laten gaan om het probleem van het aangevochten geloof in zijn volle scherpte te doen uitkomen door het in zijn historisch ontstaan te tekenen.

Klacht over onrecht 1:2-4

In dit gedeelte klaagt de profeet over de onrechtvaardige toestanden in Juda tijdens koning Jojakim (608-598); zie over hem 2 Kon. 23:34-37.

2.Hoelang: vaker in klachten, Ps. 13:2, 3; 62:4; Jer. 47: 6; vgl. Op. 6:10. Roep ik om hulp: zoals men de rechtvaardige rechter te hulp roept tegen het onrecht, 2 Kon. 6:26; Ps. 72:12. Gij hoort niet: bedoeld is niet, dat God de stem van degene, die om hulp roept, niet verneemt, maar dat Hij er niet op reageert, zie het parallelle ‘Gij verlost niet’; vgl. Ps. 22:3 en voor het tegenovergestelde geval (dat God wel hoort) Jes. 58:19; Jona 2:2. Geweld: dit woord duidt onrechtmatig gebruik van geweld aan, zoals dat kenmerkend is voor wie zich van God niets aantrekt.

3.Waarom: dit woord vraagt niet zozeer naar een reden, maar geeft uiting aan een klacht, bijna een verwijt. Doet Gij mij ongerechtigheid zien: met ‘doen zien’ kan ‘doen ondervinden’ bedoeld zijn; in dat geval maakt de profeet zich de tolk van de onderdrukten. Maar ook is mogelijk, dat Hab. bedoelt: waarom moet ik machteloos aanzien dat er onrecht gebeurt? Doet Gij zien: God dóet het onrecht wel niet, maar de profeet stelt Hem wel verantwoordelijk, omdat Hij het minstens toelaat. Aanschouwt Gij: ziet Gij werkeloos toe. Ellende (moeite, nood, onheil), onderdrukking (eig. mishandeling, verwoesting): de profeet zegt niet waar het in concreto over gaat. De tijdgenoten wisten dat toch wel en latere lezers kunnen hun eigen invulling geven. En er is twist: dit en het verdere vers is niet erg duidelijk. Met ‘twist’ wordt meestal niet ‘ruzie, onenigheid’ bedoeld, maar ‘rechtszaak’. Is dit een toevoeging van iemand, die wilde aangeven, dat de profeet hier een rechtsgeding met God heeft? Of is de bedoeling deze woorden met het volgende vs te verbinden: ‘en als iemand een rechtszaak durft te beginnen, dan (vs 4) komt er geen rechtvaardige uitspraak uit’?

4.Daarom: omdat God goddelozen hun gang laat gaan. Van de rechtspleging in Juda komt niets terecht, vgl. Sef. 3:3, 4. Omsingelt: in het gerecht wordt degene, die het recht aan zijn kant heeft, ‘ingepakt’ door de onrechtvaardige; niet het recht, maar de macht is beslissend.

Aankondiging van het optreden van de Chaldeeën 1:5-11

In dit gedeelte wordt op de klacht van 1:2-4 geantwoord, dat God wel degelijk iets gaat doen: er komt straf over Juda in de vorm van onderwerping door de Chaldeeën. Maar reeds in deze aankondiging komt uit, dat de Chaldeeën door hun eigenmachtig en meedogenloos optreden op hun beurt ook weer een probleem vormen in verband met het bestuur van God, zie vss 7, 9 en 11. Hierdoor grijpt dit gedeelte al enigszins vooruit op de klacht van de vss 12-17.

5.Ziet, Iet op: dezelfde woorden waren ook al in vs 3 gebruikt (zien en aanschouwen), toen als onderdeel van de klacht. Aangesproken zijn zij die het onrecht bedrijven en vooral zij die erover klagen. Een werk: nl. het doen optreden van de Chaldeeën. Dat gij niet zoudt geloven: een merkwaardige uitspraak, omdat noch het optreden van de Chaldeeën, noch het feit dat God een heidens volk gebruikt om Zijn eigen volk te tuchtigen, erg ongewoon is. Mogelijk is de taal van Hab. hier wat stereotyp; mogelijk ook heeft hij met deze sterke woorden een verbinding naar het laatste der dagen willen leggen. Anderen Vertalen: gij zoudt niet rustig kunnen blijven als het u verteld werd; dat is niet erg waarschijnlijk. Dit vs wordt aangehaald in Hand. 13:41.

6.Verwek: doe in de geschiedenis optreden. Chaldeeën: zie de Inl. (De tijd).

7.Gaan van hemzelf uit: dit volk wordt weliswaar door God ten tonele geroepen, maar doet zijn eigen hoogmoedige wil, vgl. Jes. 10:5; Zach. 1:15.

8.Vlugger: hoewel een zekere stereotypie in de tekening niet te ontkennen is, kan erop gewezen worden, dat Nebukadnezar bekend werd door zijn snelle marsen. Avondwolven: zie de verklaring van Sef. 3:3. Met een kleine wijziging kan ‘steppewolven’ vert. worden. Het verdere vs is onzeker van vert.

9.Geweld: hetzelfde woord als in vs 2. De Chaldeeën brengen het gericht over het geweld in Juda, maar plegen op hun beurt ook weer geweld. Het probleem van het bestuur van God wordt nog groter. Het aanstormen: het deel van het vs, dat met deze woorden begint, is zeer onzeker van vert.

10. Werpt aarde op: een aarden wal tegen een stadsmuur om zo de belegerde stad in te komen en haar in te nemen.

11. Onzeker van vert. Zie verder de inleiding bij dit gedeelte.

Klacht over het optreden van de Chaldeeën 1:12-17

Uit dit gedeelte krijgen we de indruk, dat Juda inmiddels met het optreden van de Chaldeeën kennis heeft gemaakt. Het dateert dus uit iets later tijd dan het voorafgaande, uit ± 597 v.Chr. Het antwoord van God op de klacht van 1:2-4, gegeven in 1:5-11, geeft aanleiding tot een nieuwe klacht: hoe kan de heilige God Zich van een dergelijke macht als instrument bedienen?

12. Vanouds: vgl. Deut. 33:27; Ps. 74:12. Wij sterven niet: waarschijnlijk stond er oorspronkelijk ‘Gij sterft niet’: Gij zijt van oudsher de onsterfelijke God; de schriftgeleerden vonden alleen al de gedachte, dat God zou kunnen sterven, onverdraaglijk en maakten er door de verandering van één letter van ‘Wij sterven niet’. Hem: de Chaldeeër. Rots: oude benaming voor God als de machtige, die veiligheid geeft, Deut. 32:4; Ps. 18:3.

13. Aanschouwt Gij, zwijgt Gij: waarom ziet Gij werkeloos toe? Rechtvaardiger dan hij: de Chaldeeën brengen straf over Juda, maar hun schuld is groter dan die van Juda (en andere door hen onderworpen volken).

14. Gij… maakt: de profeet stelt God ahw. verantwoordelijk voor wat de Chaldeeën doen. Geen heerser: de vissen en andere in de wateren levende dieren zijn niet georganiseerd en kunnen zich niet verdedigen. Zo zijn volken weerloos tegen de Chaldeeën.

15. Zie vs 14 voor de betekenis. Zegen: visnet (Jes. 19:8). Het babylonische rijk vergadert allerlei volken binnen zijn grenzen en deporteert ze naar believen. Hetzelfde beeld (veroveraar als visser) Jer. 16:16.

16. Slacht hij offers voor zijn net: de afgoderij van de macht. Gedacht is aan allerlei cultische (overwinnings-) feesten.

17. Voortdurend: het probleem van de geschiedenis: kunnen machten maar doen wat zij willen?

Het antwoord 2:1-20

In de vss 1-4 wordt het antwoord van God op de klacht van de profeet gevraagd en gekregen; in de vss 5-20 wordt dit antwoord in de vorm van een vijfvoudig ‘wee’ over de niets ontziende macht uitgewerkt. Het oordeel over de geweldpleger zal komen – maar er is geloof voor nodig om de troost van dit antwoord te ondervinden.

Het antwoord gevraagd en gekregen 2:1-4

1.Wachttoren, wal: zoals een bewaker van “een stad plaats neemt op uitkijktoren of wal om uit te zien naar wat komt, zo ziet de profeet uit naar een openbaring, waarin God hem het antwoord op zijn klacht zal meedelen. Wat ik moet antwoorden: de profeet moet, als ontvanger van openbaring, zelf het antwoord geven. Anderen lezen: wat Hij zal antwoorden (met verandering van één letter).

2.Gezicht: geen visioen in de eigenlijke zin, maar openbaring, zie de aant. bij 1:1 en bij Nah. 1:1. Deze openbaring is zo kort, dat ze, op een bord voor het huis van Habakuk geschreven, in het voorbijgaan te lezen is; de tekstervan vinden we in vs 4.

3.Want: omdat de vervulling niet onmiddellijk komen zal. Gezicht: zie bij vs 2. Spoedt zich naar het einde: deze woorden zijn opvallend, omdat het vs er juist mee rekent, dat de vervulling van de openbaring nog een tijd op zich zal laten wachten; mogelijk is het beter te vertalen: ‘getuigt zonder falen (betrouwbaar) van het einde’. Einde: de vervulling van de profetie en de afrekening met de goddeloze macht; tevens komt hier de eindtijd in zicht.

4.De eigenlijke openbaring, die op het bord (vs 2) kwam te staan, is kort en geladen; daarom moeilijk uit te leggen en al vroeg door verschrijvingen veranderd, zie Heb. 10: 38. Opgeblazen: hoogmoedig en zonder bestand; hij, dat is de onrechtvaardige wereldmacht, blijft daarom niet bestaan, heeft geen leven, zoals de rechtvaardige, dwz. degene die op God vertrouwt en naar Zijn wil vraagt. Geloof: trouw aan God en Zijn woord, ook wanneer dat lijden meebrengt of in strijd lijkt met de feiten. Hoewel deze spreuk duidelijk enerzijds op de Chaldeeën, anderzijds op de trouwe aanhangers van de HERE ziet, is de formulering zo, dat toepassing in allerlei tijden mogelijk is. Rabbi Simlai bracht alle geboden en verboden (613!) terug tot het ene gebod van Hab. 2:4. Zie Rom. 1:17; Gal. 3:11; Heb. 10:37, 38.

Vijfvoudig wee over de wereldmacht 2:5-20

De openbaring van de a.s. ondergang van de goddeloze macht (vs 4) wordt hier uitgewerkt in een vijfvoudig wee, dat aan de onderdrukte volken in de mond gelegd wordt.

2:5, 6a. Vs 5 herhaalt wat al in het voorafgaande is gezegd over de trots, de onverzadigbare begeerte naar macht en de onbestendigheid van de wereldmacht, resp. van de Chaldeeën. Overigens is vs 5 zeer onzeker van vert. en verklaring en lijkt het erop, alsof hier oorspronkelijk iets gezegd werd over de onbestendigheid van het bezit en het gevaar van het najagen ervan. Dodenrijk, dood: als beeld van onverzadigbaarheid, Spr. 27:20, 30: 16. Het genadeloos imperialisme weet nooit van ophouden. Die alle: al die onderworpen volken. Het lied, dat de volken zullen zingen, wordt aangeduid als een spreuk, spotlied, raadsels, dwz. niet in regelrechte prozaïsche taal, maar in een dichterlijke en verbergende taal, vol van spottende toespelingen, zullen ze de a.s. ondergang van de macht, die hen onderdrukt, bezingen.

6b-8. Wee tegen de woekeraar. Wee: zie bij Nah. 3:1. Deze eerste wee-spreuk vergelijkt de Chaldeeër met een woekeraar, die op onderpand tegen hoge rente uitleent en zich ook nog het pand toeëigent. Die u bijten: dubbelzinnig; de onderworpen volken zullen in opstand komen en van zich afbijten, maar tevens is in het woord voor ‘bijten’ het hebr. woord voor ‘rente betalen’ te horen. Vs 8 zegt hetzelfde zonder beeldspraak. Overgebleven: zie bij Sef. 2:7. Land, stad, bewoners: niet een bepaald land enz., maar in het algemeen.

9-11. Wee tegen de oneerlijke koopman. Wee: zie bij Nah. 3:1. De tweede wee-roep vergelijkt de Chaldeeër met een koopman, die onrechtmatige winst maakt. Nest in de hoogte: beeld van veiligheid, ontleend aan het nest van een roofvogel, vgl. Ob.:3, 4. Ten einde zich te redden: rijkdom als poging zich te beveiligen tegen de ondergang, Ps. 49:6-12; Spr. 18:11. Vs 10 laat de beeldspraak los. Uw huis: uw dynastie. Schande beraamd: uw plannen lopen op schande voor uzelf uit. De steen schreeuwt, de balk antwoordt: niet helemaal duidelijk; gaat het hier over de verwoeste steden, die om wraak roepen? Om de geroofde bouwmaterialen, waarmee de veroveraar zijn paleizen bouwt? Of eenvoudig over de stenen en balken van zijn paleis, die getuigen zijn van zijn boze plannen?

12-14. Wee tegen de onderdrukkende politicus. Wee: zie bij Nah. 3:1. Vermoedden we ook achter andere weeroepen in dit hst. bestaande spreuken (zie bij vs 5), deze wee-roep is geheel uit bestaande, ook elders voorkomende, elementen samengesteld, zie Mi. 3:10 (bij vs 12), Jer. 22:13 (bij vss 12en 13), Jer. 51:58 (bij vs 13)en Jes. 11: 19 (bij vs 14). Met bloed: de macht berust op bloedvergieten, onrechtmatig geweld; mogelijk is ook aan dwangarbeid gedacht. Vreemd is vs 13; de onderworpen volken leveren door hun vermoeiende arbeid, nodig om de door de Chaldeeën opgelegde lasten te kunnen opbrengen, een bijdrage aan de rijkdom van Babel, maar het is voor het vuur, dwz. het zal verwoest worden. En wanneer God de wereldmacht onderwerpt, zal Zijn heerlijkheid de aarde vervullen, dwz. zal iedereen zien, dat alle volken, onderworpenen en machtige, slechts ijdelheid waren en Gods bestuur toch almachtig.

15-17. Wee tegen de perverse ‘gastheer’. Wee: zie bij Nah. 3:1. In deze vierde wee-spreuk wordt de chaldese onderdrukker vergeleken met een gastheer, die zijn gasten dronken voert om hen te bespotten. Is hier gedacht aan de cultuur van Babel, die er verleidelijk uitziet en mensen dronken maakt, maar tenslotte schande brengt (zie Op. 18:3)? En er gif bijmengt: onduidelijk wat vert. en betekenis betreft; mogelijk moeten we vertalen ‘Gij voegt Uw toorn toe’ en is dit een toevoeging van iemand, die wou aangeven, dat er in de onderdrukking door de Chaldeeën ook iets was van de toorn van God over Juda en andere onderworpen volken. Beker van de rechterhand des Heren: beker van de toorn van God, zie Jer. 25: 15 w. Geweld de Libanon aangedaan: voor de bouw van paleizen en tempels werd cederhout van de Libanon gehaald; tevens wordt dit gezien als trots optreden tegen de natuur, Jes. 14:8, 37:24. De rest van vs 17 is een herhaling van het einde van vs 8.

18,19. Wee tegen de beeldendienaar. Waarschijnlijk zijn vss 18 en 19 van plaats verwisseld en moet vs 19 aan vs 18 voorafgaan. In dit vijfde en laatste wee gaat ‘t over de kern van alles: de wereldmacht blijft niet bestaan omdat ze haar eigen maaksel vereert, zoals een beeldendienaar doet – heel de babylonische cultuur was trouwens doortrokken van afgoderij. Wee: zie bij Nah. 3:1. Een stuk hout: een houten beeld, vgl. Jes. 44:14-20. Ontwaak: vgl. 1 Kon. 18:27, maar ook Ps. 35:23. Stommesteen: stenen afgodsbeeld, vgl. Ps. 115:5. Onderrichten: door het geven van zgn. godsspraken. Vandaar in vs 18 leugenleraar. Geen geest: geen leven.

20. Afsluiting van de profetie van de ondergang van de wereldmacht. Zijn heilige tempel: de hemel, Deut. 26:15; Jer. 25:30; Zach. 2:13, vanwaaruit Hij alles machtig regeert, in tegenstelling tot de machteloze afgoden. Zwijg: mogelijk oorspronkelijk een cultische roep, hier toegepast op de hele aarde, als God komt met Zijn oordelen; vgl. Sef. 1:7.

Het lied 3:1-19

Dit hst. maakt gebruik van cultische tradities, waarin de theophanie (het komen van God tot redding van Zijn volk) werd uitgebeeld. In het kader van het boek dient het om de reactie van de profeet op de boodschap van de a.s. komst en ondergang van de Chaldeeën uitdrukking te geven; maar door zijn cultische achtergrond en algemene bewoordingen (de Chaldeeën worden hier niet meer genoemd) heeft het een bredere strekking. Een visioen in strikte zin is het niet. De eigenlijke tekening van de theophanie bestaat uit twee delen: de vss 3-7 zien God komen uit het zuiden, zij spreken over Hem in de 3e persoon; de vss 8-15 schilderen Zijn strijd tot redding en oordeel, zij spreken over God in de tweede persoon.

Opschrift 3:1

Gebed: een deel van dit hst. staat in de gebedsvorm; bovendien wordt ‘gebed’ ook in de bredere betekenis van ‘psalm’ gebruikt, Ps. 72:20. Profeet: zie de Inl. Opsigjo-not: mogelijk betekent dit, dat dit lied werd gezongen of gereciteerd op de wijze van een klaaglied, vgl. Ps. 7:1.

Inleidend gebed 3:2

De tijding: die van 2: (3 en)4, zoals die is uitgewerkt in de wee-roepen van hst. 2. De profeet ziet deze tijding in het licht van de in dit verdere hst. 3 weergegeven cultische tradities van de theophanie; daardoor krijgt ze haar volle, tot in het laatste der dagen reikende, betekenis. Vandaar de vreze voor dit werk van God. Mogelijk moet echter vert. worden: ik heb Uw werk gezien (parallel vernemen – zien).

De theophanie 3:3-15. Eerste gedeelte 3:3-7

3.Teman, Paran: woestijnachtige gebieden ten Z. van Juda, herinnerend aan de reis door de woestijn: zoals God eenmaal aan Zijn volk verscheen en het leidde en verloste, zo komt Hij steeds weer te hulp; zie Deut. 33:2; Ps. 68:18; Jes. 40:4; vgl. ook Ps. 68:5 (God komt door de steppen aanrijden). Sela: buiten de Ps. alleen in dit hst.; betekenis onzeker, mogelijk geeft het aan, dat de gemeente op deze plaats ‘Amen’, ‘Tot in eeuwigheid’ of iets dergelijks zong. Majesteit: hier blijkbaar iets zichtbaars, dat Gods aanwezigheid aanduidt. Aarde vol van Zijn lof: alles op aarde buigt zich voor Hem bij Zijn komst.

4.Geen gedaante wordt getekend, alleen lichtverschijnselen, die ahw. het omhulsel van Zijn kracht zijn. Ook bij andere volken komt de tekening van de godheid als verpletterend licht voor.

5.Bij andere volken zijn Pest en Koortsgloed demonische figuren; hier dienen ze om de verschrikkelijke macht Gods aan te duiden.

6.Doet de aarde schudden: aardbeving als begeleidend verschijnsel van het komen van God, Ps. 18:8. Ziet rond: alleen Zijn blik al verschrikt de volken; deze volken zien dat alleen in de tekening van de theophanie, niet in de erdoor uitgebeelde werkelijkheid. In deze (en andere) zin heeft iedere theophanie-beschrijving iets profetisch, dat pas in het laatste der dagen tot vervulling komt. Bergen en heuvels, toppunten van vastheid, komen bij Gods nadering in beweging, als God over hen als eeuwenoude wegen op weg is naar Zijn volk.

7.Kusan en Midian wonen in het steppengebied ten Z. van Juda. Willen de sidderende tentkleden het beeld van de sirocco (woestijnwind) oproepen?

De theophanie 3:3-15 . Tweede gedeelte 3:8-15

8.Rivieren, zee: in kanaänitische teksten komt strijd voor van Baäl tegen een figuur, die ‘stroom’ en ‘zee’ genoemd wordt, een soort macht van de chaos, vgl. Ps. 93; toepassing van deze mythische taal op de komst van God is mogelijk door de herinnering aan de uittocht uit Egypte met doortocht door zee en rivier, vgl. Ps. 114:3, 5. Op Uw paarden, op Uw zegewagens: de voorstelling is niet die van een ruiter, maar van een wagenrijder; van ‘rijden’ ivm. de theophanie spreekt ook Ps. 68:5. Mogelijk hoort vs 15 na vs 8 thuis.

9.Zeer onzeker van betekenis, vooral het tweede deel, dat bestaat uit drie hebr. woorden (‘eden, staven, spreuk’). Is de bedoeling, dat de pijlen (wagenstrijders waren veelal boogschutters) met de bezwerende kracht van het woord geladen zijn? Sela: zie bij vs 3. Gij splijt: met Uw pijlen.

10. Bergen: zie bij vs 6. Water: zie bij vs 8. Watervloed: dit woord doet denken aan schepping (Gen. 1:2) en zondvloed (Gen. 7:11, 8:2). Verheft zijn stem: personificatie; de wateren, door storm opgezweept, maken groot geruis. Steekt zijn handen omhoog: de hoge golven gezien als handen, in overgave of aanbidding opgestoken. Misschien is het beter deze woorden met het volgende vs te verbinden en te vert.: de zon vergeet haar handen uit te strekken (= haar stralen uit te zenden), de maan blijft in haar woning.

11. Zie bij vs 10. Het onweer maakt, door dikke wolken en meer nog door verblindende bliksemstralen, hier voorgesteld als Gods pijlen en speer, zon en maan onzichtbaar.

12. Gramschap: zie bij Nah. 1:6. Dorst Gij: dorsen als beeld van teisteren, Richt. 8:7; Jer. 21:10; Am. 1:3.

13. Het doel van Gods komst. De angstaanjagende tekenen lopen uit op verlossing. Gezalfde: koning; opmerkelijk, omdat er in de tijd van Habakuk geen goede koning meer was in Juda; ook de val van Babel heeft niet geleid tot herstel van het koningschap in Juda. De vervulling reikt dus verder. Des goddelozen huis: algemeen geformuleerd; in dit verband betekent het, dat het trotse gebouw van de macht van het rijk van de Chaldeeën zal worden afgebroken. Overigens zijn de laatste twee regels van vs 13 zeer onzeker. Sela: zie bij vs 3.

14. Zeer onzeker. De niets en niemand ontziende macht van de Chaldeeën zal worden overwonnen. Dat doet God, Gij; zo mag de profeet het zien, hoewel het in de geschiedenis door de Perzen gedaan is. Mij: de profeet en het trouwe deel van het volk (zie bij Sef. 3:12). Maar het is ook goed mogelijk, dat de tekst in de war geraakt is.

15. Zie bij vs 8.

De reactie van het geloof 3:16-19

16. Het: de tijding, zie bij vs 2. De reactie is hier nog sterker dan in vs 2, omdat inmiddels de profeet zich de theophanie voor ogen gesteld heeft. Merkwaardig is, dat de reactie er niet een is van dankbaarheid, dat God Zijnvolk komt verlossen (vgl. vs 13); blijkbaar overheerst het besef, dat ontzagwekkende dingen staan te gebeuren. Maar er is ook het rustig afwachten, vgl. 2:3.

17, 18. Een prachtig lied van vertrouwen, dat mogelijk reeds bestond en hier door Hab. aangehaald wordt. Het houdt niet zozeer verband met wat vijanden in een land kunnen aanrichten. Het nochtans van vs 18 is het nochtans van het geloof, dat midden in dit leven staat en toch van de omstandigheden niet afhankelijk is. Vs 18 is ontleend aan liturgische tradities, vgl. 1 Sam. 2:1; Ps. 28:7. Bij de strekking van vss 17 en 18 vgl. Ps. 73:25, 26. 19. Ook dit vs spreekt hymnische taal, vgl. Ps. 18:33, 34, 27:1, 3. Hinden: snel, lichtvoetig. Mijn hoogten: hoogte als plaats van veiligheid en als beeld van het uitgeheven zijn boven de moeiten. Het ‘mijn’ is wat vreemd in dit verband; spreekt de profeet hier namens het trouwe deel van het volk het besef uit, dat het land, waarin die hoogten liggen, van hen is? Voor de koorleider: onzekere term, die waarschijnlijk wil zeggen, dat het lied een plaats in de eredienst had. Met snarenspel: aanwijzing voor de muzikale begeleiding. Zie ook de Inl. (De man). Deze laatste regel is waarschijnlijk toegevoegd door de redacteuren van de profetische boeken, vgl. de Inl.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken