Menu

Premium

Haggaï

INLEIDING

De profeet

De naam Hagga! betekent: feesteling; hij die op een feestdag geboren is. Hij is de profeet aan wie we het boek Haggal te danken hebben. Eigenlijk moet zijn naam als Chaggal (chag = feest) geschreven worden. Vgl. de namen Chaggi, de zoon van Gad, Gen. 46:16 en Chaggia een Leviet, 1 Kron. 6:30. Haggal zal zijn naam aan zijn geboorte op een feestdag te danken hebben. Verder weten we niet veel van hem. Terwijl bij andere profeten de naam van de vader (Jesaja), de plaats van herkomst (Amos) of beide (Jeremia) genoemd wordt, ontbreekt een en ander bij Haggaï. Het opschrift duidt hem aan als een nabi, een profeet, een titel, die ook aan Habakuk en Zacharia gegeven wordt. Dat hij met andere profeten samengewerkt heeft, blijkt uit de notitie van Ezra 5:1, waar hij in één adem genoemd wordt met Zacharia. De datum, welke in Zach. 1:1 vermeld wordt, valt inderdaad tijdens het optreden van Haggaï.

Er is een traditie, die zegt dat Haggaï psalmdichter is geweest. De LXX noemt Haggaï en Zacharia als auteurs van Ps. 146-148. Uit dien hoofde neemt men aan, dat Haggaï zijn profetie oorspronkelijk in dichterlijke taal heeft uitgesproken en deze later in proza op schrift heeft gesteld. Vandaar dat in Haggaï woordspelingen (1:6, 9, 11), opmerkelijke beeldspraak (1:6) en ritmische zinsbouw (2:20-23) zouden zijn terug te vinden. Het is moeilijk te zeggen, hoeveel waarde aan deze traditie moet worden gehecht. Het is natuurlijk best mogelijk, dat zulke Halleluja-liederen bij het gereedkomen van de tempel, waarvoor Haggaï en Zacharia zich alle moeite getroost hebben, door deze profeten zijn aangeheven. Hoe dit zij: de H. Schrift vindt het niet zo belangrijk dat we iets van zijn afkomst weten. Hij wordt eenvoudig aangeduid als ‘Haggaï de profeet’ (l.T). Hij beroept zich ook nadrukkelijk op persoonlijk ontvangen openbaring. En daar komt het op aan, ook bij dit oudtestamentisch profeten-boekje: op de boodschap van God.

Datering

We kunnen het optreden van de profeet nauwkeurig dateren. Hij profeteerde nl. op de eerste dag van de zesde maand van het tweede regeringsjaar van koning Darius (1:1), di. 29 augustus (Elul) 520 v.Chr.; voorts de 24e dag van dezelfde maand = 21 september (Elul) 520(1:15); de 21e van de zevende maand (Tisjri) = 18 oktober 520 (2: 1,2) en de 24e van de 9e maand (Kislew) = 18 december 520(2:10, 20).

Sommige uitleggers zijn van mening, dat de profeet Haggaï in 520 v.Chr. vrij oud moet zijn geweest, omdat hij niet profeteerde bij het feest van de vernieuwing van de tempel in 515 v.Chr. en toen reeds gestorven zou zijn, maar zekerheid hieromtrent is er niet. Wel spreekt hij over de vroegere heerlijkheid van de tempel (2:4) en op goede gronden mag worden verondersteld, dat hij ouder was dan Zacharia, want waar deze profeten samen worden genoemd, gaat Haggaï’s naam voorop (Ezra 5:1; 6: 14).

De tempelbouw in 520 v.Chr. vond plaats onder Darius I Hystapis (522-486), koning van Perzië. De stichter van dit perzische rijk was Cyrus of Kores (559-529), die in 538 Babel veroverde en de Jóden verlof had gegeven naar hun land terug te keren. In het jaar daarop werd door een grote schare de terugtocht naar het land der vaderen aanvaard. Als hoofden van het teruggekeerde volk worden ons bij Haggaï en Zacharia Zerubbabel en Jozua genoemd. Cyrus werd in 529 opgevolgd door Cambyses (529-522), zijn zoon en deze in 522 door Darius I. Het blijkt, dat deze perzische vorst genegen was de tempelbouw in de geest van Cyrus, ook door het verlenen van staatssubsidie, te bevorderen. Zo wordt dan (eindelijk) aan de tempelbouw begonnen, welke arbeid in 515 v.Chr. werd voltooid.

Inhoud van het boek

De inhoud van het boek bestaat hoofdzakelijk uit vier toespraken, waarvan drie betrekking hebben op de tempelbouw:

Opwekking tot de tempelbouw (1:1-11)

Mededeling aangaande de uitwerking hiervan (1:12-2: la;hebr. 1:12-15)

De heerlijkheid van de nieuwe tempel (2: lb-10; hebr. 2: 1-9)

Belofte van zegen na de tempelbouw (2:11-20; hebr. 2: 10-19)

De Messiaanse belofte voor Zerubbabel (2:21-24; hebr. 2:20-23).

VERKLARING

Opwekking tot de tempelbouw 1:1-11

Inl.). We kunnen deze datum omrekenen en dan wordtHaggaï treedt op als profeet op de eerste dag van de zes- het 29 augustus 520 v.Chr. Dat was de feestdag van de de maand in het tweede jaar van koning Darius (vs 1; zie nieuwe maan, welke vanouds gevierd werd met een bijzonder feestoffer, Num. 28:11-15. Het volk kwam dan bijeen op de tempelplaats (vgl. Jes. 66:23): een geschikt moment voor een profeet om ‘het woord des HEREN’ te spreken. Hij geeft de openbaring van God door aan het volk, in het bijzonder aan twee leidinggevende personen: Zerubbabel (= zaad van Babel), de zoon van Sealtiël, kleinzoon van koning Jojakin, een afstammeling dus van het oude davidische koningshuis. Hij was stadhouder over de in Juda teruggekeerde ballingen. Jozua (= de HERE is redding), de zoon van Josadak, die met Zerubbabel uit de ballingschap terugkeerde en tot hogepriester werd aangewezen. Bij Ezra (2:2; 3:2-9) en Nehemia (7:7) heet hij Jesua. Samen vormen ze de wereldlijke en geestelijke regering van het volk.

Dit volk (vs 2): deze spreekwijze geeft uiting aan een zeker misnoegen bij Haggaï. De achtergrond hiervan is: er ligt een Huis verwoest (2, 4, 9) en dat heeft gevolgen. In feite was de herbouw van de tempel al begonnen onder koning Cyrus in 536, maar daarna gestaakt, door tegenwerking van de Samaritanen (Ezra 4:4, 5). De bouw lag nu al 16 jaar stil; ook toen de tempelbouw wèl hervat kon worden is dat niet gebeurd.

De tijd is nog niet gekomen (vs 2): men zal het later wel doen! Hiertegenover stelt de profeet (vs 4): is het voor u dan wel de tijd om in uw goed-doortimmerde huizen (lett.: van een plafond, een dak voorzien) te wonen? Terwijl de tempel nog een ruïne is?

Vervolgens wekt de profeet uit naam van de HERE der heerscharen het volk op om acht te slaan op zijn wegen: zijn de economisch slechte toestanden en de rampspoeden wellicht het gevolg van het feit, dat de tempel nog altijd verwoest ligt (vs 5)? Er is zelfs sprake van een doorboorde buidel (vs 6): de beurs (voor het eerst hier in het O.T. genoemd) met daarin het zo zuur verdiende geld, is zo maar leeg.

Vs 7 is ongeveer gelijk aan vs 5. Haggaï wil met nadruk zeggen dat het ondervonden leed moet leiden tot bekering.

Haggaï geeft het volk nu een drietal opdrachten (vs 8):

a. gaat de bergen van Juda in;

b. haalt hout, dat nodig is als materiaal bij de bouw van de nieuwe tempel;

c. en herbouwt dit huis; dit zijn de centrale woorden, waar het in dit boekje op aan komt.

De belofte is, dat de HERE aan de tempel een welgevallen zal hebben. Het woord welgevallen heeft in het O.T. betrekking op het offer (Ps. 51:18 v) of op de mensen, die het offer brengen (Lev. 1:3; Ez. 20:40; Mal. 1:8). De tempelbouw wordt dus als offerdienst gezien.

In de nu volgende vss 9-11 wordt aangegeven, dat het een straf van de HERE is, die de rampspoeden over Israel brachten. In de geringe opbrengst van de oogst blies Jahwe er nog in, dwz. zelfs het weinige verdween (door diefstal, rottingsproces, ongedierte, vgl. 2:17). Vanwege de verkeerde instelling van het volk kwam er geen dauw van de hemel: dan geeft de aarde geen opbrengst en mislukt de oogst, naar Lev. 26:20; Deut. 11:17.

Voorts geeft de HERE een droogte (het land Kanaän is afhankelijk van de regenval) over land en bergen; gevolg: geen koren, most (= ongegist druivesap), olie (van de olijf), maw. een totale misoogst.

Mededeling aangaande de uitwerking hiervan 1:12-2:1a

In dit gedeelte vinden we de reactie op Haggaï’s oproep tot de herbouw van de tempel: er wordt naar geluisterd (vs 12) en men gaat aan het werk (vs 14).

Zerubbabel, Jozua (zie 1:1) en het hele overblijfsel van het volk (dat zijn de Joden, die op dat moment in Juda woonden) hoorden naar de stem van de HERE, hun God: ze erkennen Hem als de God van het Verbond, Die trouw is aan zijn volk. In de profetie zit de stem van de HERE (inspiratie); vandaar dat de profeten kunnen zeggen: zó zegt de HERE (vss 2, 3, 7, 8). Haggaï wordt zelfs genoemd (vs 12): de bode des HEREN. Deze titel (hebr.: malak JHWH) wordt ook gebruikt voor de Engel des HEREN, Gen. 16:7; het volk Israel, Jes. 42:19 en de priester, Mal. 2:7. Met name echter aan de profeet, zie 2 Kron. 36:15; Jes 44:26. Krachtens de boodschap (= zending) des HEREN mag de profeet de bemoedigende woorden tot het volk richten: Ik ben met u.

Na deze bemoediging komen de mensen in actie: Zerubbabel, Jozua en het overblijfsel van het volk. Er ontstaat onder de Joden een geestelijk reveil en tegelijkertijd gaan de handen uit de mouwen: de herbouw van de tempel wordt weer aangepakt. Dit geschiedde (2:1a; hebr.: 1:15) op de 24e van de 6e maand in het tweede jaar van koning Darius, di. de 21e september 520 v.Chr., drie weken na 1:1.

De heerlijkheid van de nieuwe tempel 2: 1b-10

Thans volgt de tweede toespraak van de profeet Haggaï, ongeveer een maand na de hervatting van de tempelbouw (2:1a). De vss 1b en 2 geven een exacte datering: in het tweede jaar van Darius, op de 21e van de 7e maand (Tisjri); volgens onze tijdrekening is het dan 18 oktober 520 v.Chr. Dit was opnieuw een bijzondere dag: de laatste dag van het Loofhuttenfeest (begonnen op de 15e Tisjri), een dankfeest voor de oogst en een herinnering aan de tocht van Israel door de woestijn. Deze 7e dag was ‘de grote dag van het feest’. Joh. 7:37. Op dit vreugdevolle feest richt de ‘feestprofeet’, het zondagskind Haggaï zich weer tot de leiders en het volk (1:1, 12, 14), beginnend met een vraag (vs 4): wie heeft de tempel van Salomo nog gekend, waarvan de verwoesting nog geen 70 jaar geleden is? Van 586 tot 520 is 66 jaar. Misschien heeft Haggaï de teleurstelling van sommige mensen opgemerkt, want hij geeft zelf ten antwoord: is het niet, daarbij vergeleken, als niets in uw ogen?

Onmiddellijk echter na de erkenning van deze teleurstelling, komt Haggaï met een bemoedigend woord (vs 5): maar nu, wees sterk (of: houd moed), ga aan het werk en dan wordt aan deze opdracht opnieuw (zie 1:13) de belofte verbonden: want Ik ben met u. Vs 6 sluit zich bij deze toezegging aan, overeenkomstig het woord, dat Ik u beloofd heb bij de uittocht uit Egypte (Ex. 29:45 v) en mijn Geest onder het volk woonde (zie Jes. 33:11; denk ook aan het wonen van God in de tabernakel, Ex. 25:8). Na over verleden en heden gesproken te hebben (vss 2-6), geeft Haggaï nu een beschrijving van de toekomst (vss 710). Binnen korte tijd zal de HERE hemel en aarde in beroering brengen. Te bedenken valt, dat de profeten de geschiedenis als één gebeuren zien en de (korte) tijd voor hen een zeer betrekkelijke zaak is. Deze heeft zijn uitlopers tot in de eindtijd toe: alles wordt op één schilderij gezet. Die ‘Dag des HEREN’ gaat gepaard met geweldige natuurverschijnselen (vgl. Joël 2:10, 30, 31). De volken komen in opschudding (vs 8; zie vs 23); ze zullen hun kostbaarheden als vrijwillige gaven naar de nieuwe tempel brengen, zodat deze met heerlijkheid (kabod) is vervuld. Alles is immers Gods eigendom, Ps. 24:1; ook het zilver en het goud, vs 9; vgl. Hos. 2:7. De heerlijkheid des HEREN, het wonen van God onder de mensen, zal in de toekomst nog groter zijn, dan in de tempel van Salomo. In het Nieuw Jeruzalem zal de heerlijkheid der volken gebracht worden (Op. 21:26). In deze tempel zal Ik heil (sjalom) geven, zegt de HERE der heerscharen (vs 10): een heenwijzing naar het komend vrederijk van de Messias.

Belofte van zegen na de tempelbouw 2:11-20

In de derde profetie van Haggaï handelt de profeet over de vragen met betrekking tot rein of onrein, met een toepassing op de situatie van zijn tijd.

Opnieuw (vs 11) is deze profetie gedateerd: de 24e van de 9e maand Kislew in het 2e jaar van Darius, di. 18 december 520 v.Chr. Drie maanden na de hervatting van de tempelbouw, 2:1 en 2 maanden na de vorige profetie, 2: 2. Deze dag komt niet als een bijzondere dag op de oudtestamentische feestkalender voor.

Vs 12 begint met de vaste profetische formule (1:2, 5, 7 en nog een aantal malen met een kleine variatie): zo zegt de HERE Sebaot en dan volgt een aan de priesters voor te leggen vraag omTora: wetsonderricht. Zij weten wat rein en onrein is, Lev. 10:10.

Vs 13 noetnt de eerste vraag: als iemand heilig vlees in de slip van zijn kleed draagt en hij raakt met die slip een ander levensmiddel aan, wordt dit dan heilig? De priesters antwoorden, dat dit niet het geval is. (In Lev. 6:27 gaat het over het zondoffer.) In vs 14 draait Haggaï de vorige vraag om: als iemand onrein is geworden door de aanraking met een dode en hij raakt de in vs 13 genoemde spijzen aan, worden deze dan onrein? Het antwoord is ja: alles wat de onreine aanraakt zal onrein zijn (Num. 19:22). Nu gaat de profeet de toepassing maken met het oog op het volk (vs 15): op zichzelf maakt een tempelbouw niet heilig; integendeel: de zonden van het volk maken de arbeid onrein.

Daarom roept de profeet op tot inkeer: bedenkt toch (vs 16; hebr.: neemt ter harte). En dan herinnert de profeet aan de periode van non-activiteit (536-520), waarin men niét meer werkte aan de tempel (Hebr.: hekal, di. het eigenlijke tempelgebouw, het hoofdgebouw). Wat viel de oogst niet bitter tegen (vs 17): kwam men bij een kóren-hoop, dan waren er slechts tien ipv. twintig maten; bij de wijnpers nóg minder dan de helft: twintig ipv. vijftig maten. Ook ontstonden korenziekten: brandkoren (het graan verdorde) en honingdauw (de bladeren verdorren aan de punten), vs 18; zie Arnos 4:9. Ook werd de oogst (al het werk van uw handen) door hagel getroffen, maar het volk had geen gedachte aan Mij, of met de LXX: bekeerde zich niet tot Mij. Opnieuw (vs 19) wordt de datum genoemd: 18 december 520 (zie vs 11). Er is geen koren in de schuur en de drie méést bekende vruchtbomen: de vijgeboom, de granaatappelboom en de olijfboom (Deut. 8:8) hebben geen vrucht gedragen. Maar ze zijn er nog wel en dan komt het uitzicht (vs 20): vanaf deze dag – nu de mensen tot inkeer zijn gekomen en de herbouw van de tempel is hervat – zal Ik, de HERE u zegenen.

De Messiaanse belofte voor Zerubbabel 2:21-24

In deze vierde profetie richt Haggaï zich uitsluitend tot de landvoogd Zerubbabel, in wie hij messiaanse trekken ziet en dan profeteert hij voor de tweede maal op 18 december 520 (zie voor de eerste keer 2:11): de HERE zal hemel en aarde doen beven, vs 22: aanduiding vän een bijzonder ingrijpen van God in de geschiedenis. Koningstronen zullen omver geworpen worden, de strijdwagens vernietigd, de paarden en ruiters ten onder gaan (vgl. Ex. 15:21) en zoals in de tijd van Gideon (Ri. 7:22) zal de één door het zwaard van de ander omkomen. Maar Zerubbabel zal als een zoon van David, gemaakt worden tot een zegelring (vs 24): symbool van de koninklijke macht; gedragen aan een koord om de hals (Gen. 38:18) of aan de vinger (Jer. 22:24). Door hem zal God zijn beloften volvoeren en zal Israel weer echt volk des HEREN zijn. Op de achtergrond van dit alles ligt Gods verkiezing: want u heb Ik uitverkoren. Zo wordt aan het slot van dit boekje de lijn naar de Messias getrokken. In de grote Davidszoon worden al Gods beloften vervuld. Een verdergaande vervulling van dit vers zal zich in de geschiedenis realiseren in het ‘laatste der dagen’, tot de voleinding is gekomen, Op. 21:22.

Wellicht ook interessant

None

Preview: God. Naar een andere filosofie

We beginnen dus nu aan een boekje over denken over God, over de Naam. Goed, maar is dat nog wel nodig? Kan dat zelfs nog wel? Niet dat het taboe zou zijn, nee, merkwaardig genoeg loopt de boekenmarkt over van titels over God en godsdienst. Iedereen schrijft over God tegenwoordig. Sinds kort bestaat het prestigieuze Journal for Continental Philosophy of Religion (Brill). Dat betekent dat er in elk geval interesse wordt getoond in dat filosofische terrein. Theologen, natuurlijk, maar ook filosofen, wetenschappers, politici, kunstenaars en nog anderen kunnen er niet over zwijgen.

None

Nicea voor Nu; hoe een oude belijdenis ons vandaag kan helpen

Drie initiatiefnemers – Jelle Huismans, Margriet Westes en Arnold Smeets – hebben ervoor gezorgd dat 32 schrijvers samen 47 korte, puntige bijdragen schreven over de Geloofsbelijdenis van Nicea. Steeds namen de auteurs een paar woorden uit de belijdenis voor hun rekening, waarover zij twee à drie pagina’s schreven. Dat maakt het tot een zeer toegankelijk boek. Met dank daarvoor: ik heb het met plezier gelezen en hier en daar zinnen onderstreept en smileys of kruisjes gezet bij uitspraken die mij boeiden of juist tegenstonden.

Basis

Boekrecensie Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel door Ludy Fabriek

Het boek Verblijven in de ziel van Esther Stoorvogel is een geweldige uitdaging om je innerlijke relatie met God als je hemelse Vader meer en meer te verdiepen. Het beeld van de ziel als een burcht met zeven verblijven spreekt heel erg tot de verbeelding. Zeker om de ontwikkeling van je geestelijke leven te zien als een reis door die verblijven op weg naar het hart van de burcht: de troonzaal. Het uiteindelijke doel van een kind van God is om zó dicht bij Hem te zijn, dat we volkomen één met Hem zijn. Vandaar dat de subtitel van het boek ook treffend gekozen is: De innerlijke reis naar het hart van God.

Nieuwe boeken