Handelingen van de apostelen
INLEIDING
Naam
Wij kennen het tweede deel van Lucas’ werk onder de titel: Handelingen (= daden) van de apostelen, een naam die al aan het einde van de 2e eeuw voorkomt; het is niet gezegd dat Lucas zelf zijn boek zo genoemd heeft. De naam dekt niet volledig de inhoud. Vooreerst treden de apostelen in de tweede helft van het boek terug en speelt vanaf Hand. 13 Paulus een centrale rol. In de tweede plaats worden slechts over Petrus en Paulus uitvoerige mededelingen gedaan, terwijl de andere apostelen slechts in het algemeen genoemd worden, op een enkele uitzondering na. Maar vooral dient bedacht te worden, dat Lucas in dit boek wel het spreken en handelen van de apostelen beschrijft, maar dan als gezanten en instrumenten van de verhoogde Christus, die door hen werkzaam is.
Zoals reeds in de Inleiding op het evangelie naar Lucas is vermeld, vormt Handelingen het tweede deel van een groot werk, dat begint met de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper en dat eindigt met de prediking van het evangelie in Rome. Het evangelie moet gepredikt worden te beginnen bij Jeruzalem tot de einden der aarde. Het boek Handelingen vertelt de uitvoering van dit in Hand.1:8 aangegeven ‘program’. Het slot van Handelingen geeft aan, dat het getuigenis van Christus de einden der aarde zal bereiken.
Aard en doel
Ten onrechte heeft men wel gesproken van de eerste kerkgeschiedenis van de christelijke kerk. Al bevat het boek vele bijzonderheden over de groei van de eerste gemeente en de wording van de kerk, toch kan men het geen kerkgeschiedenis in onze zin noemen. Ook hier is Lucas, de auteur, historicus en evangelist. Maar we zullen zijn geschiedenis moeten meten met de maatstaven van de antieke geschiedschrijving. Er blijken in het beeld wat geschetst wordt allerlei lacunes te zitten. Sommige gebeurtenissen, bv. de bekering van Paulus, worden meerdere malen verteld; van andere gebeurtenissen horen we niets, of slechts terloopse mededelingen. Hoe het evangelie in Egypte of Italië gekomen is, wordt niet verteld. Allerlei gegevens die ons uit Paulus’ brieven bekend zijn, worden in Handelingen niet vermeld.
Zeer breed en levendig getekende gebeurtenissen, bv. het verhaal van de reis van Paulus naar Rome (Hand. 27-28) worden afgewisseld met korte, flitsende opmerkingen. De schrijver geeft geen reportage van het geheel, maar toont dia’s met samenvattende mededelingen. Deze samenvattende mededelingen nemen in het tweede boek van Lucas een bijzondere plaats in (vgl. bv. Hand. 2:4247; 4:32-37; 5:12-16): zij hebben een verbindende functie tussen de beschrijving van de afzonderlijke gebeurtenissen, vertonen een generaliserende tendens en laten zien wat typerend is voor het leven van een gemeente. Van belang zijn ook de redevoeringen die op vele plaatsen in het boek zijn opgenomen. Zij zijn naar de gewoonte van die tijd door Lucas geformuleerd in overeenstemming met de hoofdlijn van de oerchristelijke, apostolische verkondiging en geven als zodanig een betrouwbaar beeld van die prediking.
Wat van antieke geschiedschrijvers gezegd kan worden, geldt mutatis mutandis ook voor Lucas: schreven zij om te onderrichten, Lucas schrijft geschiedenis om te verkondigen. Deze eenheid van geschiedenis en verkondiging bepaalt ook het doel van Lucas’ tweede boek. In 1:1 verwijst de schrijver naar zijn eerste boek: het bericht over wat Jezus is begonnen te doen en te leren. Handelingen moet gelezen worden in aansluiting aan het Evangelie. Terwijl Lucas in het evangelie laat zien hoe het heil geopenbaard wordt in het woord en het werk van Jezus, maakt Handelingen duidelijk hoe er een hechte brug bestaat tussen het werk van Jezus en de latere generatie. Het evangelie wordt bevestigd door de apostelen, bekrachtigd door Gods machtige daden.
Lucas’ tweede boek dient de versterking en de opbouw van de gemeente in de laatste decennia van de eerste eeuw, in de na-apostolische tijd. Naast deze hoofddoelstelling valt ook een apologetische tendens te herkennen. Lucas beklemtoont op verschillende plaatsen dat christenen geen rebellen zijn, die een gevaar voor de overheid betekenen.
Schrijver en bronnen
De schrijver van Handelingen is vermoedelijk de metgezel van Paulus, Lucas, de arts, zoals we zagen in de Inleiding tot de verklaring van het derde evangelie. Hij heeft bij zijn werk op vele plaatsen over goede informatie en bronnen beschikt. Na hoofdstuk 16 treffen we telkens stukken aan die in de ‘wij-vorm’ gesteld zijn. Zeer waarschijnlijk moet gedacht worden aan stukken uit een reisjournaal van wat de schrijver zelf mee beleefd heeft.
Het werk vertoont eenheid van stijl en compositie. Het onderzoek naar de bronnen die Lucas gebruikt moet hebben, leidt dan ook niet tot bevredigende resultaten. Daarvoor zijn de draden van traditie en compositie te zeer verstrengeld.
Door allerlei opgravingen en vondsten uit de antieke wereld en door bestudering van antieke bronnen (inscripties, politieke documenten, oorkonden etc) is komen vast te staan hoe nauwkeurig en accuraat Lucas te werk gegaan is, zodat de historische waarde van zijn werk terecht door velen beklemtoond wordt. Er zijn geleerden die zeer sceptisch staan tegenover de historische betrouwbaarheid inzake het beeld wat Lucas schetst. Met name het beeld van Paulus in Handelingen zou sterk afwijken van de Paulus, die we kennen uit de brieven. Anderen hebben daartegenover terecht opgemerkt dat de verschillen niet overdreven moeten worden. Ze zijn verklaarbaar vanuit het tijdsverschil van ongeveer 30 jaar tussen de gebeurtenissen, die Lucas beschrijft, en de vervaardiging van zijn werk. Voorts moet bedacht worden, dat een brief bestemd voor gemeentetoerusting anders van opzet en inhoud is dan een zendingsboek. Men hou-de daarbij wel in het oog dat het doel van Lucas’ geschiedschrijving de verkondiging van de grote daden Gods is.
Tijd en plaats van ontstaan
Over de plaats valt niets met zekerheid te zeggen. Ten aanzien van de tijd kiezen velen voor een datering tussen 80-90 n.Chr.
Theologische motieven
Ook hier verwijzen we naar hetgeen onder de Inleiding bij het Evangelie naar Lucas gezegd is. Daaraan zouden we, speciaal voor wat Handelingen betreft, op de volgende karakteristieke motieven willen wijzen.
Lucas tekeht ons in zijn boek de groei en de uitbreiding van de gemeente als resultaat van de voortgaande verkondiging van het evangelie. De gemeente is schepping van het Woord (vgl. bv. de 3x terugkerende aanduiding ‘Alzo wies het Woord’, 6:8, 12:24, 19:20). Deze groei is zowel intensief als extensief. De opbouw van de gemeente staat in dienst van de uitbouw.
Staat in de evangeliën de boodschap in het Koninkrijk van God centraal, in Handelingen wordt het zwaartepunt verlegd naar de prediking van Jezus als de gekruisigde en de opgestane Here. De heerschappij van de opgestane Christus betekent de aanvankelijke realisering van het Rijk. Deze heerschappij stuwt het zendingswerk voort. De verhoogde Christus staat achter zijn dienaren. Op Pasen volgt Pinksteren. In de uitstorting van de Geest treedt de met Jezus’ komst aangebroken heilstijd in haar laatste beslissende fase. Geest en Woord zijn nauw verbonden. De Geest drijft tot spreken en vormt de bron voor het leven van de gemeente.
Karakteristieke aanduiding voor de arbeid van de verkondiging is vooral de woordgroep ‘getuigen/getuigenis/getuige’ (bv. 1:8; 2:32; 3:15; 10:39; 22:15; 26:16). De getuigen zijn ooggetuigen van Jezus’ werk en vooral van zijn opstanding. Zij betuigen de facta, maar vooral ook de heilsbetekenis van de daden naar de Schriften. God zelf bevestigt dit getuigenis. Naast de kring van de twaalven is het vooral Paulus die als getuige genoemd wordt. Het leven van de gemeente wordt onder het regime van de Geest getekend als een leven in gemeenschap en dienst. Grote nadruk legt Lucas op het gebed, met name het gebed om de voortgang van de verkondiging.
Het accent op de groei betekent geen triumfalisme. Handelingen maakt ook melding van de tegenkrachten: verdeeldheid, vervolging, de dreiging van de magie. De tegenstand is er zowel van de kant van de Joden als van de zijde van de heidenen.
Lucas tekent in Handelingen de weg die het evangelie neemt van Jeruzalem tot de einden der aarde. Ondanks het feit dat Israel’s leiders hun Messias gekruisigd hebben blijft Christus zijn volk opzoeken. Het ‘eerst de Jood- en dan de Griek’ is een ook in Handelingen veelvuldig thema.
De verkondiging van het heil onder de volken wordt gelegitimeerd door het heilsplan van God volgens de Schrift (Hand. 13:46-47) en realiseert zich historisch door de afwijzing van de Joden heen (Hand. 13:46-47; 18:6; 28:28). Maar de klop op de deur van de synagoge blijft tot aan het slot van Handelingen toe.
Indeling
Op grond van Hand. 1:8 kan men een driedeling bepleiten: Jeruzalem – Samaria – de einden der aarde / de volken. Daarnaast is het goed de samenvattende notities, zoals 6:7; 9:31; 16:5; 19:20 en 28:31 als markeringspunten vast te houden. Op grond daarvan geven we de volgende indeling:
1:1-26: Inleiding, de opdracht tot getuigen
2:1-6:7: Het getuigenis te Jeruzalem
6:8-9:31: Verbreiding van het getuigenis van Jeruzalemnaar Samaria
9:32-16:5: Het begin van het getuigenis onder de heidenen
16:6-19:20: Het getuigenis in Griekenland en Klein-Azië 19:21-28:31: Het getuigenis tot aan de einden der aarde.
VERKLARING
De opdracht tot getuigen 1:1-26
Het boek Handelingen begint met een korte samenvatting van Lucas’ eerste boek. De korte aanwijzing van de omgang van Jezus met zijn leerlingen gedurende de veertig dagen na de opstanding vormt de overgang tot het bericht van zijn heengaan tot de Vader. De hemelvaart zelf wordt sober beschreven. Terwijl in Luc. 24:51-53 over de hemelvaart gesproken wordt als het hoogtepunt van de zending van Jezus en zijn werk op aarde, is in Hand. 1:9-11 naast het motief van de scheiding ook sprake van de terugkeer van Jezus en de toekomst van de beginnende kerk. Het einde van Christus’ werk op aarde vormt het begin van de tijd van de kerk onder de heerschappij van de verhoogde Here. Ondanks de scheiding gaat zijn werk voort. De vss 13-26 vormen de overgang naar het verhaal van Pinksteren. In volhardend gebed wordt uitgezien naar de beloofde Heilige Geest. Het twaalftal wordt gecompleteerd als een laatste voorbereiding voor de vervulling van de opdracht, getuigen van Jezus Christus te zijn.
De veertig dagen en de hemelvaart 1:1-12
1.Te doen en te leren: Het werk van Jezus omvat daad en prediking in een hechte eenheid. 2. Door de Heilige Geest: Deze woorden kunnen ook met ‘uitgekozen’ verbonden worden. Jezus, de Christus, gezalfd met de Heilige Geest (vgl. Luc.4:18; Hand. 10:38) heeft de apostelen uitgekozen (vgl. Luc. 6:12-16). 3. Veertig dagen: Wellicht naar analogie van de veertig dagen die Mozes op de berg Sinaï doorbracht om de wet te ontvangen. Over al wat het Koninkrijk Gods betreft: Waar Lucas precies op doelt is moeilijk te zeggen. Te denken valt aan wat in Luc. 24:36-49 gezegd wordt.
4.Gebood… niet te verlaten: De beloften van God vragen geloof en gehoorzaamheid. De belofte van de Vader: Nl. de door de Vader beloofde Geest. 5.Johannes doopte met water: Zie Luc. 3:7, 12, 16. Met de Heilige Geest gedoopt worden: De doop met de Geest luidt de tijd van de kerk in. Heeft Lucas in zijn eerste boek verteld hoe Jezus gedoopt werd (Luc. 3:21), Hand. vertelt hoe alle gelovigen de Geest ontvangen.
6.Herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israel: Men heeft in deze vragen dikwijls enghartig joods nationalistisch denken beluisterd. Ten onrechte. Wat de leerlingen meegemaakt hebben, het onderwijs, waar vs 3 van spreekt, roept bij hen de vraag op naar de komst van Gods heerschappij, waarvan juist in de profetie aan Israel sprake was. Het in het Grieks gebruikte woord voor herstellen wordt in de LXX gebruikt voor het terugbrengen van de joden naar hun land (Jer. 16:15; Hos. 11:11) en voor het werk van de wederkerende Elia (Mal. 4:6). Israel zal in de eerste plaats delen in de zegeningen van het Koninkrijk Gods.
7-8. Het antwoord van Jezus bevat een drievoudige correctie: a. Alleen God bepaalt de tijden van zijn heilsplan (vgl. Mar. 13:32); b. Het gaat niet alleen om Israel, maar om heil voor de gehele wereld (vgl. Luc. 2:32; Jes. 49:6); de apostelen ontvangen geen antwoord op de vraag naar het tijdstip, maar de belofte dat zij in de kracht van de Geest getuigen zullen zijn (zie Luc. 19:11-27).
8.Het komen van de Geest betekent kracht. Over de verbinding tussen kracht en Geest zie ook Luc. 1:35; 4:41 en Hand. 10:38. Door de Geest zullen de apostelen krachtige daden mogen doen (Hand. 8:13; 19:11). Getuigen: In het rechtsgeding tussen God en de wereld zullen zij die de opgestane Here gezien hebben, dat is met name de kring van de twaalven, getuigen van Gods waarheid, met name de waarheid aangaande de opstanding van Jezus, de gekruisigde. In het O.T. wordt Israel geroepen Gods getuige te zijn onder de volken (Jes. 43:10; 44:8). Het is zowel het getuigenis aangaande wat feitelijk geschied is als een wervend en appellerend belijdend woord. De Heilige Geest zal hen ook tegenover eigen zwakte en tegenstand van buiten daartoe bekrachtigen. Te Jeruzalem en in geheel Judea: Jezus is de Messias van Israel. Dit volk vormt het eerste adres van de evangelieprediking. Samaria: Zie Luc. 9:51-56. Tot het uiterste der aarde: Velen denken hierbij aan Rome. Dat is minder waarschijnlijk. In het licht van Jes. 49:6 moeten we de woorden opvatten als een synoniem van ‘alle volken’. Ook in Simeon’s lofzang zijn Israel en de volken beiden begrepen in het messiaanse heil.
9- deze verzen beschrijft Lucas de hemelvaart. Opgenomen: Vgl. 1:3; Mar. 16:19; 1 Tim. 3:16. In het O.T. wordt het van Elia gezegd (2 Kon. 2:11). Jezus is verhoogd ter rechterhand Gods (2:33). Een wolk: Hier teken van verberging (vgl. Ps. 97:2). Vs 11 verbindt de wolk met de wederkomst, zie Dan 7:13; Mat. 26:64. 10. Zie: Aanduiding van het bijzondere. Twee mannen in witte klederen: Nl. de engelen, vgl. Luc. 24:3. Het getal twee dient mogelijk om hun getuigenis te bekrachtigen (vgl. Deut. 19:15). Zal… wederkomen: In de tijd tussen hemelvaart en wederkomst moeten de discipelen niet naar de hemel staren; de tussentijd is de tijd van de verkondiging. Er wordt niet gezegd, dat de wederkomst spoedig zal plaatsvinden. De vraag van de engelen herinnert aan Luc. 24:5. 12. Toen keerden zij terug: Dit ligt in de lijn van het bevel van vs 4. Een sabbatsreis: Dwz. de afstand die men op sabbat mag gaan, nl. 2000 el, . De mededeling accentueert dat de plaats van de hemelvaart verbonden moet worden met Jeruzalem.
Tussen hemelvaart en Pinksteren 1:13-26
13. Bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Een bovenvertrek van een huis of een aparte woning op het dak van een huis. Soms brengt men de plek in verbinding met Luc. 22:12. Bovenvertrekken waren plaatsen waar gebeden werd en waar rabbijnen samenkwamen voor onderricht. Zij: Lucas noemt aan het begin van zijn boek de namen van de elf apostelen. Het twaalftal is incompleet.
14. Eendrachtig: Vooral in de eerste hoofdstukken onderstreept Lucas de eendracht van de jonge gemeente. Volharden in het gebed: Zie ook 2:42; 6:4; Rom. 12:12; Kol. 4:2. Bedoeld is hier het gebed om de Geest. Volharding is een kenmerk voor het geloof (vgl. Luc. 8:13) Met enige vrouwen: Vgl. Luc. 8:2. In de joodse gemeenschap was deze plaats van de vrouw iets bijzonders. Broeders: Alleen Jacobus wordt verder genoemd in Hand.
15. Petrus treedt op als woordvoerder (vgl. ook Hand. 2: 14). Broeders: hier aanduiding van de gelovigen. 120: 10×12; in de joodse traditie was 120 het minimum aantal personen dat nodig was om een nieuwe zelfstandige gemeente te vormen en een sanhedrin te hebben. 16. Schriftwoord… vervulling: Zie vs 20 waar Ps. 69:26 geciteerd wordt. De dood van Judas wordt gezien als vervulling van de profetie. Het moest naar het plan van God zo vervuld worden. De Heilige Geest:Het O.T. is het woord van de H. Geest, die van mensen gebruik maakt. Zie over Judas, de gids: Luc. 22:47. 17. Aandeel aan deze bediening: Bedoeld is het apostelschap. Het met ‘aandeel’ vertaalde woord keert terug in vs 26. 18. Over de dood van Judas zie ook Mat. 27:3-10. hun eigen taal: Het Aramees. Mat. 27:8 heeft ‘bloedakker’, zonder de arameese naam. 20. Ps. 69: wordt ook in Mat. 27:34; Mar. 15:36; Joh. 2:17; 15:25; 19:28 gebruikt met betrekking tot Jezus en zijn lijden. Opzicht: Opzienersambt, nl. het apostelschap.
21-22. Vereiste voor het apostelschap is omgang met Jezus en getuige zijn van zijn opstanding. 23. Zij stelden er twee: De gemeente stelt een tweetal. Uit het volgende vs. blijkt dat het God is, die uitkiest. Jozef-Barsabbas-Jus-tus: Jozef is een gebruikelijke joodse naam. Barsabbas: zoon van sabbat of zoon van de oude. Justus: de rechtvaardige. Een latijnse naam. Joden droegen vaker een latijnse naam als tweede naam. Matthias: Verkortevorm van Mattathias (= geschenk van JHWH). 24. Men bidt tot God, de kenner van alle harten: zie 1 Sam. 16:7; Luc. 6:8; Joh. 2:25; Hand. 15:8. De Here alleen kent en doorgrondt ons. Zijn eigen plaats: Judas is afgeweken van de plaats van het apostelschap, eigen wegen gegaan die uitliepen op het verderf. Opvallend is overigens de terughoudendheid ten aanzien van Judas’ lot in het spreken van de apostelen. 26. Loten: Lett, ‘en zij gaven aan hen loten’. In Lev. 16:8 is sprake van ‘werpen van het lot’. Het loten komt in het O.T. veelvuldig voor (Joz. 18: 6; 1 Sam. 14:42; Jona 1:7). Met de aanwijzing van Matthias is het getal twaalf weer vol gemaakt.
Het getuigenis te Jeruzalem 2:1-6:7
De dag van het Pinksterfeest 2:1-13
De uitstoring van de Heilige Geest is de vervulling van de oudtestamentische belofte aangaande het komen van de Geest in de eindtijd (Jes. 44:3-5; Ez. 36:26). Terwijl in het O.T. de Geest slechts aan enkelen geschonken werd, gaat nu de bede van Num. 11:29 in vervulling: Allen worden vervuld en profeteren (vs 4, 18). De Geest wordt geschonken als onderpand en eerstelingsgave van de grote toekomst (vgl. Rom. 8:23; Ef. 1:13-14). Zijn werk manifesteert zich in de doorbreking van taalgrenzen en -barrières. De prediking van Gods grote daden doorbreekt alle grenzen en brengt het nieuwe volk van God uit Israel en de volken bijeen. Het verhaal van Hand. 2 is een tegenhanger van Gen. 11:1-9. 1. De Pinksterdag: Lett.: ‘de vijftigste (dag) na Pasen’. Pinksteren is een van de drie grote joodse feesten (vgl. Lev. 23:15vv; Deut. 16:9). Het was niet alleen een oogstfeest, maar in later tijd ook gedenkdag van de wetgeving en de verbondssluiting op Sinaï. Het is niet geheel zeker of dit laatste reeds voor Lucas’ tijd opgaat. Allen: Zie 1:15. 2. Windvlaag: Het hebr. en gr. woord voor Geest (roeach, pneuma) betekent ook ‘wind’ (vgl. Joh. 3:8). 3. Tongen: Het gr. woord betekent ook ‘taal’. Vuur: Zie Luc. 3:16. Het teken wijst op het reinigende en louterende werk van de Geest en is tegelijk aanduiding van Gods heerlijkheid. 4. De Geest drijft tot spreken. Het gr. woord dat vertaald wordt met ‘spreken’ wordt vaak gebezigd voor het uiten van Godsspraken. Uit de vss 6, 8, 11 blijkt dat het gaat om het spreken in andere talen. Hier is dus geen tongen-taal zoals in 10:46. Bij glossolalie spreekt men onverstaanbare woorden (vgl. 1 Kor. 14). Wel is er relatie. De vermelding van dronkenschap in vs 13 doet denken aan extatisch spreken. Ook de tongentaai beoogde de lofprijzing op Gods daden (vgl. vs 11). De aansluiting van 2:1-13 aan de vss 16-21 wijst er op dat Lucas het spreken interpreteert als ‘profeteren’ (2:18). 5. Joden… woonachtig: Hoewel het niet geheel onmogelijk is te denken aan pelgrims, doet het ‘wonen’ toch eerder denken aan Joden uit de Diaspora, dwz. uit de landen, waarheen zij verstrooid waren, die teruggekeerd waren naar Jeruzalem om er de laatste jaren door te brengen. De verstrooiing gold als een vloek. Onder de hemel: D.w.z. uit alle volken. 6. Het talenwonder wekt verbazing. De reacties zijn verschillend, verlegenheid, spot en later ook verslagenheid en omkeer. 9-11. Uitwerking van vs de aanwezige Joden zijn de volken vertegenwoordigd. Mogelijk is hier gebruik gemaakt van bestaande volkenlij sten. De lijst laat zien hoezeer de Joden verspreid waren over de verschillende landen van de toenmaals bekende wereld. Beginnend in het Oosten geeft Lucas een opsomming, die van het Oosten via Klein-Azie naar Noord-Afrika gaat.Jodengenoten: Proselieten, mensen van heidense afkomst die door doop, offer en besnijdenis toegetreden waren tot het Joodse volk. 11. Grote daden: zie Deut. 11:2; Ps. 71:19. Het gaat om de dingen die God in Jezus gedaan heeft. In onze eigen taal: De grenzen van het verbond worden ontsloten voor alle volken. De volken krijgen deel aan het aan Israel beloofde heil. 13. Vermoedelijk vormt de extatische bezieling van de discipelen aanleiding tot de spottende beschuldiging van dronkenschap.
De prediking van Petrus 2:14-40
14. Sprak hen toe: Hetzelfde woord als in vs 4. Er is verband tussen het spreken door de Geest en Petrus’ spreken nu. 15. Derde uur: Men ontbeet pas in het vierde uur na het morgenoffer. Het derde uur is 9 uur ‘s morgens. 16-21: Het Pinkstergebeuren is vervulling van wat God door Joël gezegd heeft. In vs 17 is een markante toevoeging: ‘in de laatste dagen’. De tijd van de kerk is het laatste tijdperk in het verloop van de heilsgeschiedenis. Alle vlees: In Joël 2 de Israëlieten. In Hand. is er universele spits naar de volkenwereld. Het gevolg van het komen van de Geest zal zijn: profeteren, gezichten zien, dromen dromen. 18. Mijn dienstknechten… Mijn dienstmaagden: dwz. van God, het gaat dus niet om dienstknechten in letterlijke zin. Zie Hand. 4:29 en 16:17. 19-20: Gebeurtenissen in de kosmos zijn aankondiging van de oordeelsdag, de dag van JHWH (vgl. Am. 5:18vv). Zie ook Luc. 21:25vv. 21. Redding, behoud in het oordeel is er voor ieder die de Naam van Jezus, de Here, aanroept. Zie voor de verbinding tussen de Naam het gered worden: 4:12. ‘Aanroepen’ is wezenlijk voor de christen. Het woord veronderstelt in de LXX steeds een situatie van onderdrukking en beproeving, waarin men om hulp roept bij God. 22-24. Petrus spreekt over Jezus leven, dood en opstanding. Nazoreeër (vgl. o.a. Mat. 2:23; Hand. 3:6; 4:10; 24:5) is een aanduiding die in verbinding staat met Jezus’ woonplaats Nazareth. Aangewezen: een officiële term ter aanduiding van beambten. De wonderen legitimeren Jezus. In vs 23 spreekt Petrus over Jezus’ sterven. Het was de daad van mensen. Het gebeurde volgens Gods plan. Wetteloze mensen: Romeinen. Wat mensen ten kwade beraamden heeft God ten goede gekeerd (vgl. Gen. 50:20). 24: Uitvoerig wordt gesproken over de opstanding of opwekking als daad van God. De weeën van de dood: vgl. Ps. 18:6; 116:3. De dood wordt hier, evenals in IV Ezra, vergeleken met een barende vrouw. Jezus, vorst van het leven (3:15), kon door de dood niet vastgehouden worden. 25-28: Hier citeert Petrus Psalm 16:8-11. Het citaat stemt vrijwel geheel overeen met de LXX. Dit psalmwoord wordt op Christus toegepast, evenals in Hand. 13:35-36. 27. Uw heilige: In Ps. 16 wordt een woord gebruikt dat betekent: degene, die trouw blijft aan het verbond, de vrome. In Heb. 7:26 wordt de hemelse Hogepriester heilig genoemd. 28: Wegen ten leven: Vgl. Hand. 3:15; 5:20. 29. David is gestorven en begraven. Hoe hoog hij ook in aanzien mag staan getuige het woord aartsvader, hij isnimmer opgestaan. De psalm kan dus, zo wil Petrus zeggen, niet op hem betrekking hebben, maar getuigt van de Messias. 30. Profeet: Zie 1:16; 4:25. David wist van Gods eed aangaande zijn nakomeling, de Messias. 31: Als profeet heeft David de opstanding van Jezus voorzegd. 32: God heeft Jezus doen opstaan. De apostelen, die de verschijningen hebben meegemaakt, getuigen van wat zij gezien en gehoord hebben. Zij getuigen Gods waarheid (vgl. 1:21-22).
33-35. Jezus is verhoogd door Gods rechterhand (vgl. Ps. 118:16; de rechterhand als instrument van Gods macht). De weergave ‘aan de rechterhand Gods verhoogd’ is minder waarschijnlijk. Verhoging heeft betrekking op de hemelvaart (Filp. 2:9). De uitstorting van de beloofde Geest is Jezus’ werk (vgl. Joh. 15:16). Misschien bevat de tekst een zinspeling op Ps. 68:19. 34- de hemelvaart van Jezus wordt Ps. 110:1 vervuld (vgl. Mar. 12:36; Heb. 1:13; 1 Kor. 15:25). Dat de Messias als stedehouder van God heerst over zijn volk is naar joods besef een vanzelfsprekende zaak. Vs 36 geeft de samenvatting en de conclusie: Zeker, dwz. onwankelbaar moet het gehele huis van Israel, het gehele volk van het verbond weten, dat God de verworpen Jezus tot Messias en Here geproclameerd heeft (Filp. 2:10-11). Als we bedenken wat het kruis voor een jood betekende, nl. het teken van de vloek, komt het bijzondere van dit woord helder naar voren. De gekruisigde Messias is aller Here.
37. De toespraak van Petrus blijft niet zonder uitwerking. De hoorders worden diep in hun hart getroffen, nu zij horen dat Jezus de Messias is en zij hun Messias gedood hebben. Wat moeten wij doen? Vgl. Luc. 3:10; Hand. 16:30. Broeders: Innerlijk zijn zij al gewonnen.
38. Bekeert u: Zie Mat! 3:2; 4:17. Ook de apostolische prediking bevat de oproep tot afwending van de zonde en het gaan van een nieuwe weg. Dopen op de naam van Jezus Christus: De verbinding van doop en verkondiging keert herhaaldelijk in Hand. terug. De doop met water is van meetaf aan de ritus geweest waardoor men in de gemeente werd opgenomen. Vgl. Rom. 6:3. De doop vindt plaats op de grondslag van de naam van Jezus. De naam is aanduiding van de openbaring van Jezus in het door Hem volbrachte werk. Deze doop staat in de relatie met de vergeving van de zonde en positief met de gave van de Geest, als aanduiding van het nieuwe leven uit Christus. De doop markeert ook een scheidslijn tussen gemeente en wereld, vgl. vs 40. Elders is sprake van een dopen in of tot de naam van Jezus. 39. De belofte: Nl. de belofte aangaande de Geest uit Joël 2. Kinderen: In de lijn van het O.T. waar de beloften steeds ook het nageslacht gelden, vgl. Gen. 17:7vv; Jes. 44:3vv; Die verre zijn: Vgl. Jes. 57:19. Daar heeft het betrekking op de Joden in ballingschap. In de lijn van rabbijnse uitspraken en Ef. 2:13 is hier te denken aan de heidenen (vgl. ook Hand. 22:21). Van meetaf aan behoort de zending onder de heidenen tot de thema’s van Handelingen. Zovelen als de Here …ertoe roepen zal: zinspeling op Joël 2:32b. Bij Joël wordt dit verbonden met het heil op Sion.
40. Getuigde: Plechtig verklaren; het werkwoord heeft de notie van ‘bezweren’. Vermaande: Het gr. woord heeft vele betekenissen, die zowel vermanende als vertroostende noties in zich bergen. Te denken is aan wervende heilsverkondiging. Behouden: Zie 2:21. Verkeerd geslacht: Vgl. Deut. 32:5; Ps. 78: 8; Filp. 2:15. Het ‘verkeerde’ ziet op het zondige en het schuldige dat Gods oordeel oproept.
Het leven van de eerste gemeente 2:41-47
In dit gedeelte wijst Lucas op het resultaat, de zegen van de Pinksterprediking. Vs 41 vormt de overgang tot een bericht over het leven van de gemeente. De verbinding met het voorafgaande laat zien dat dit leven van de gemeente niet los te maken is van de Pinkstergave.
41 Aanvaardden: Dwz. gelovig de boodschap aannemen (vgl. Luc. 8:13; 8:14; 11:1). Het geloven vloeit voort uit het horen (Rom. 10:14-17). Zielen = Mensen, personen. Toegevoegd: Het is Gods daad, vgl. vs de LXX en in buitenbijbelse joodse geschriften wordt het werkwoord gebruikt van de toevoeging van de verstrooiden in de heilstijd aan het volk van God en de opname van proselieten in het volk Israel. Deze verwachting is verbonden met de voorzegging van de pelgrimage van de volken naar Sion. Zie ook 5:14; 11:24. Er is, vergeleken met 1: 15, sprake van een enorme groei, een thema dat in Hand. veelvuldig aan de orde komt.
De vss 42-47 vormen een van de drie samenvattende beschrijvingen van het gemeenteleven (vgl. Hand. 4:32-47 en 5:12-16). De tot geloof gekomenen volharden, dwz. zijn er voortdurend mee bezig. Lucas noemt 4 aspecten van het gemeenteleven in vs 42: le leer, het onderwijs van de apostelen, nadere ontvouwing van het heil in Jezus. 2. De gemeenschap, nl. de onderlinge eenheid en de goederengemeenschap. De Geest bindt ook samen. Met name in de brieven (bv. 1 Kor. 12-14) komt dit thema uitvoerig aan de orde. 3. Het breken van het brood. Brood breken gebeurde aan het begin van een maaltijd vermoedelijk moeten we denken aan een maaltijd in de zin van de door Jezus ingestelde maaltijd in de nacht waarin hij verraden werd (Luc. 22:14vv). Het accent valt in 2:42 evenals in Luc. 24:35 op de vreugde om het heil in de opgestane Christus. 4. Gebeden. De gemeente blijft in de lijn van wat in 1:14 gezegd wordt. In Handelingen neemt vooral het gebed om de voortgaande verkondiging een grote plaats in.
43. Bij de buitenstaanders komt vrees, nu de geduchte daden van God in de gemeente opbaar komen in de wonderen en tekenen (vgl. 2:19-22; 4:30). Evenals bij Jezus gaan prediking en tekenen in de apostolische tijd samen. Deze wonderen zijn signalen van de doorbraak van het Koninkrijk Gods. Zie als voorbeeld Hand. 3:1-10.
44-45: Hier en in 4: 32vv wordt de onderlinge gemeenschap in de jeruzalemse gemeente getekend. De tekening, die Lucas geeft doet denken aan het vriendschapsideaal zoals griekse auteurs dat schetsen. Binnen de gemeente na Pinksteren wordt de realiteit daarvan zichtbaar. De christenen worden niet aangeduid als vrienden, maar als mensen, die tot geloof gekomen waren. Hun daad van het delen berust op het geloof. Van een verplichting zoals bij de Essenen, een joodse gemeenschap die hun verblijf hadden in Qumran in de buurt van de Dode Zee, is geen sprake. Eerder is de achtergrond te zoeken in de impuls die van Jezus’ onderwijs inzake geld en bezit zal zijn uitgegaan.
46. Weer wordt de eensgezindheid vermeld. Het leven van de gemeente voltrekt zich in verbinding met de tempel. Als huis van onderwijs en gebed heeft de tempel voor de jonge gemeente betekenis, die tevens daarin de verbondenheid met Israel en het geloof van Israel uitdrukt. Aan huis: Tegenover: in de tempel. Bij deze maaltijden kan men denken aan een voortzetting van de maaltijden zoals de leerlingen die gekend hadden ten tijde van Jezus’ aardse leven. Er is blijdschap: Vreugde om Gods grote daden, waarvan in het voorafgaande gesproken is: Jezus’ dood, opstanding en verhoging. Eenvoud des harten: Dwz. oprecht, geheel op God gericht.
47. Loofden God: Vgl. Luc. 2:13-20; 19:37; Hand. 3:8. Voor de inhoud van dit loven vgl. de Psalmen.In de gunst bij het gehele volk: Zoals van Jezus geschreven staat in Luc. 2:51. De houding van het volk staat in contrast tot die van de leiders (vgl. 4:1). Voegde dagelijks toe: Gods werk gaat voort in de dagelijkse groei van de gemeente. Het gaat om mensen, die gered worden, dwz. deel krijgen aan het heil dat vergeving en volkomen verlossing omvat. De verbinding met het voorgaande duidt er op dat er aantrekkingskracht van de gemeente uitging op de buitenstaanders. Haar leven en zijn had missionaire betekenis. Aan de kring: Lett, op dezelfde plaats (vgl. 1:15).
De genezing van een verlamde 3:1-10
In dit gedeelte staat de naam van Jezus centraal. Negenmaal wordt het woord ‘naam’ gebruikt. Dat betekent: Jezus zelf in zijn reddend werk staat centraal. De naam Jezus is Hij zelf in zijn openbaring. De verkondiging van deze naam wekt geloof en roept aanstoot op.
1.Petrus en Johannes: Ook in 8:14 treden deze twee samen naar voren (vgl. ook Joh. 20:2). Opgaan: Vaker gebezigd voor de gang naar de tempel, naar de eredienst en het Paasfeest. Uur des gebeds: Hier is bedoeld het gebed ten tijde van het namiddagoffer, om ongeveer 3 uur ‘s middags. De gemeente houdt vast aan de joodse gebedstijden (vgl. ook Hand. 10:9).
2.Een man, die verlamd was: De woorden ‘van de schoot zijner moeder aan’ onderstrepen de ernst van zijn situatie. Vgl. Joh. 9:1. De man is er diep ellendig aan toe, sociaal en religieus een uitgestotene, en als bedelaar aangewezen op de giften van de tempelgangers. De Schone: Uit een andere bron kennen we deze naam niet. Meestal identificeert men deze poort met de Nicanorpoort die van de voorhof der vrouwen naar de tempelgebouwen leidde.
Aalmoes: Het geven van aalmoezen gold bij de Joden als een niet minder vroom handelen dan het bidden. Dat verklaart de aanwezigheid van bedelaars juist bij de tempel. 4. Zie naar ons. Dwz. gespannen kijken. Is het om contact tot stand te brengen? Of gaat het er alleen maar om de spanning in het verhaal op te voeren. 5-6. De lamme verwacht iets te krijgen. De apostelen beschikken niet over geld. Zij hebben iets anders te geven. Beter: zij verkondigen Iemand. Wat ik heb: Tegenover het bezit van geld staat dit ‘hebben’ waaraan Gods geven voorafgaat. Naam: de macht van Jezus Christus. Er is genezing en heil door Hem, vgl. 4:12.
7.Richtte hem op: Hetzelfde werkwoord op andere plaatsen gebruikt ivm. de opwekking van Jezus. Greep hem bij de rechterhand: zie ook Mar. 1:31,41; Hand. 9: 41. Terstond: Lucas gebruikt het bij genezingen en een opwekking (bv. Luc. 4:39; 8:55; 18:43) en bij verder ingrijpen van God (bv. Hand. 12:23). Werden… stevig: Vgl. vs 16. 8. Met 6 werkwoorden wordt de genezing op haast uitbundige wijze weergegeven. Bij ‘springen’ kunnen we denken aan Jes. 35:6. De genezing is een teken van de heilstijd. God lovende: Vgl. 2:47. De genezing heeft ook een religieuze dimensie.
9.De genezing trekt in wijde kring aandacht. Het volk is er getuige van. 10. Verbazing en ontzetting bevangen de mensen. Ten overstaan van het handelen van God is er eerbiedige verbazing en vrees. Zie voor soortgelijke reacties Luc. 4:36; 5:9.
De toespraak tot het volk 3:11-26
11. Zuilengang van Salomo: Deze bevond zich aan de binnenkant van de oostelijke buitenmuur. Hij kwam uit op de voorhof der heidenen. Dikwijls deed deze zuilengang dienst als plaats van onderricht. Ten onrechte werd hij beschouwd als reeds bestaande ten tijde van Salomo. 12. Eigen kracht of godsvrucht: Petrus ziet hoe de mensen bewonderend en verwonderend hen aankijken. Hij wil het misverstand wegnemen alsof zij door eigen kracht of vroomheid dit bewerkt hebben en zo de vraag wekken, wie dan toch wel deze genezing bewerkt heeft. Uit 1:8 blijkt dat de kracht van de apostelen ontvangen kracht is. De toespraak van Petrus bevat evenals in Hand. 2:22vv weer de verkondiging van Jezus’ dood en opstanding, en de oproep tot bekering.
13. De God van Abraham, Isaak en Jakob: Zie Ex. 3:615; Hand. 5:30; 7:32. Petrus wijst op het handelen van de God van de heilsgeschiedenis van Israel. Verheerlijkt: Dwz. God heeft Hem doen opstaan en verhoogd: vgl. Jes. 52:13-15. Zijn knecht Jezus: Het gr. woord kan knaap, zoon, knecht of slaaf betekenen. De SV vertaalt: Zijn Kind Jezus. Anderen: Zoon. In het O.T. worden de aartsvaders, Mozes, David, profeten en Job als knecht aangeduid. In Handelingen wordt Jezus 4x Knecht van de Here genoemd (3:13,16; 4:27,30). Op de achtergrond staat toch wel in het bijzonder de gestalte van de Knecht des Heren uit Jes. 42, 49, 50, 52- Jes. 52:13 is sprake van het ‘verheerlijkt worden van de Knecht des Heren’. Zie ook Mat. 12:18. In de apostolische prediking aangaande Jezus Christus wordt steeds weer beklemtoond, dat Hij de Christus der Schriften is.
14. Tegenover elkaar staan Jezus, de heilige en de rechtvaardige, en Barabbas, de moordenaar (vgl. Luc. 23:19,25). Voor ‘heilig’ tav. Jezus zie Hand. 4:27; Luc. 1:35; 4:34. In Mat. 27:19, Luc. 23:47, Hand. 7:52; 22:14 wordt Jezus de rechtvaardige genoemd. Lucas verzwijgt de rol van Pilatus niet, maar legt het accent op de schuld van de Joden en hun leiders. Pilatus wilde Jezus als onschuldige vrijlaten (vgl. Luc. 23:4). Petrus’ hoorders hebben Jezus overgeleverd en verloochend, dwz. ze hebben neen gezegd tegen hun Messias en Hem verworpen. In plaats daarvan hebben zij om de moordenaar Barabbas gevraagd.
15. Terwijl zij vroegen om de vrijlating van de man die het leven neemt, hebben zij gedood Hem die het leven geeft, Jezus, de Leidsman ten leven. Het gr. woord heeft verschillende betekenissen: leider, heerser, vorst, beginner, grondlegger, beschermer van een stad. In de vertaling ‘leidsman’ klinkt door, dat Jezus, die zelf de weg door de dood naar het leven gegaan is, ten leven leidt, nl. naar het eeuwige leven. Het is niet onmogelijk dat we in deze titel een parallel mogen zien met de oudtestamentische woorden: Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, heeft bevrijd. Niet alleen is er de tegenstelling Barabbas-Jezus, maar ook evenals in Hand. 2:24 de tegenstelling tussen het doen der mensen en het handelen van God: God heeft Jezus opgewekt uit de doden.
16. De genezing wordt beschreven als ‘sterk maken’ en ‘volkomen herstel geven’. Het leven wat Jezus schenkt, is totaal, omvat ook lichamelijk herstel. Het is de naam die geneest, dwz. Jezus zelf. Maar tegelijk wordt de betekenis van het geloof beklemtoond. Dat geloof is geen prestatie van de verlamde, het is geloof door Hem, dwz. in dit geloof openbaart zich de kracht van Christus’ opstanding. Het heil valt mensen ten deel in de weg van het geloof. Zie ook Hand. 14:9. In uw aller tegenwoordigheid: Zoals de apostelen getuigen zijn van de opstanding, zijn de hoorders het van de genezing.
17. Broeders: Petrus spreekt op milde toon. Dit vs vormt de overgang tot de oproep van vs 19. Uit onkunde: Wat gedaan is, is en blijft zonde, maar volk en leiders wisten niet wat zij deden (vgl. Luc. 23:34). Zie Num. 15:22-31 over het ‘zondigen uit onwetenheid’ en het ‘zondigen met opgeheven hand’. 18. Via de daden van de hoorders heeft God vervuld, wat Hij door alle profeten heeft laten verkondigen, dat zijn Messias zou lijden (vgl. Luc. 24: 7,26,46; Hand. 17:3; 26:23). Het tevoren duidt op het plan van God.
19. Komt dan tot berouw en bekering: De twee gebruikte woorden hebben op vele plaatsen dezelfde betekenis. Men kan het nuanceverschil als volgt weergeven: Het met ‘tot berouw komen’ vertaalde woord ziet op de omkeer in het denken, de gezindheid. Het tweede woord duidt vooral de beweging aan: weg van het kwaad naar God toe, van de duisternis tot het licht. Opdat uw zonden, nl. die ten aanzien van Jezus, uitgedelgd, dwz. vergeven worden (vgl. Kol. 2:14). 20. Nog wijder wordt het perspectief voor wie zich bekeert. Er zullen Tijden van verademing komen en God zal de voor Israel bestemde Messias Jezus zenden. Met de moeilijke uitdrukking ‘tijden van verademing of verlichting’ is vermoedelijk bedoeld de toekomstige messiaanse heilstijd, die aanbreekt met de wederkomst van de Messias. Anderen denken aan adempauzen, in wat zich afspeelt voor de dag van de Here. Maar dat is in het licht van Luc. 21 minder waarschijnlijk.
21. Hoewel de profetie in Christus reeds haar voorlopige vervulling gevonden heeft (vgl. 3:20, 22, 26) ligt er nog een tijdsruimte tussen het begin en het einde van de dagen der vervulling. De hemelvaart van Christus betekent naar Gods plan (vgl.‘moest opnemen”) een nieuw interim. Er is voor Israel nog tijd voor bekering opdat het in die weg mag delen in het heil van de beloofde toekomst, de messiaanse heilstijd. Bij wederoprichting aller dingen is te denken aan het herstel, het terugvoeren van alles tot de met de schepping overeenkomende integriteit. De sinds Origenes opgekomen gedachte van het terugbrengen van alle wezens, inclusief de duivel, tot God ligt niet in de tekst opgesloten. Heilige profeten: De profeten zijn instrumenten van de heilige God en staan in zijn dienst.
Vgl. bij vs 21b Luc. 1:70.
22. De oproep tot bekering wordt geadstrueerd en toegelicht vanuit de Schrift. Mozes… gezegd: Voornamelijk een citaat uit Deut. 18:15vv. Doen opstaan: D.w.z. doen optreden, zenden, in het leven roepen. Op de achtergrond kan de betekenis ‘doen opstaan uit de doden’ meeklinken (vgl. 3:26).
Oorspronkelijk is in Deut. 18 bedoeld dat Israel zich niet gelijk andere volken behoefde in te laten met tovenarij en allerlei vormen van waarzeggerij. God maakt zijn wil bekend door profeten die het werk van Mozes voortzetten. Het latere Jodendom kende de verwachting van een eschatologische profeet, een terugkeer van Mozes, Elia of Henoch. Ook de Samaritanen verwachten in aansluiting aan Deut. 18:15 het komen van een profetische heilsfiguur. Hoezeer de verwachting van de Profeet ten tijde van Jezus leefde blijkt uit Joh. 1:21,25; 4:19,25; 6; 10; 7:40. Zie voor Handelingen ook: 7:37. Petrus wil zeggen: Jezus is de door Mozes bedoelde profeet. Het vervolg (vs 24) laat zien dat Petrus Jezus niet uitsluitend als profeet heeft gezien. Tot deze Jezus moeten de mensen zich bekeren, door naar Hem te horen, dwz. te gehoorzamen.
23. Het niet horen naar wat de Messias zegt heeft kwade gevolgen. Dit wordt opnieuw gezegd met een aanhaling uit het O.T. grotendeels een citaat uit Lev. 23:29. Het contrast ‘horen / niet horen’ betekent leven of dood (vgl. Deut. 30:15-20).
24. Niet alleen Mozes, maar alle profeten hebben gewezen op het beslissende gebeuren van de komst van de Messias en de dagen van beslissing voor Israel.Van Samuel af: Ook in 13:20 wordt Samuel een profeet genoemd. Zie ook 1 Sam. 3:20. Aangekondigd: Hetzelfde woord ook in 4:2.
25. Gij zijt: Dat wordt met nadruk gezegd (vgl. ook het ‘voor u’ in vs 26). Zonen van de profeten: Wat de profeten gezegd hebben is voor u bedoeld, moet ter harte genomen worden. Van het verbond: Hier wordt herinnerd aan het verbond met Abraham (Gen. 12:3; 22:18). De hoorders worden als representanten van Israel aangesproken op het voorrecht Gods verbondsvolk te zijn. De belofte van Gen. 12:3 blijft gelden ook al verloochende Israel de belofte en verwierp het Hem in wie de belofte tot vervulling kwam. Toch kan het ongeloof van Israel het verbond niet ongedaan maken. Alle stammen: In afwijking van Gen. 22:18 waar sprake is van ‘alle volken’, Uw nageslacht: Nl. Jezus, vgl. Gal. 3:16, 19.
26. De belofte geldt in de eerste plaats Israel, de hoorders. Het in eerste plaats geeft niet alleen een historisch verloop aan, maar ook de heilsbestemming: eerst de Jood, dan de Griek (Rom. 1:16). Gezonden: Hier in verbinding met de opstanding. Te zegenen: De zegen bestaat in de afkeer van de boosheden – waarbij we vooral moeten denken aan wat in vs 14-15 gezegd is – en de omkeer tot God. In deze zegen wordt de belofte aan Abraham vervuld.
Voor het Sanhedrin 4:1-22
Lucas tekent ons in zijn tweede boek de weg van het Woord en de groei van de gemeente geenszins als een ongebroken lijn. Integendeel, licht en donker wisselen elkaar af. Hoofdstuk 4 spreekt van de eerste botsing vande apostelen, ditmaal slechts Petrus en Johannes, met de joodse autoriteiten.
1.Terwijl zij spraken: Er is een sterk contrast in dit vers. De apostelen worden gearresteerd op het moment, dat zijn Israel het heil in Christus verkondigen. Hoofdman: Vermoedelijk de priester met de hoogste rang na de hogepriester en belast met het oppertoezicht op de orde in de tempel. Sadduceeën: Zie bij Luc. 20:27. Overvielen: Lett, ‘toetreden op’. Het gebeurt plotseling. Jezus de opstanding: Jezus is opgestaan, met het perspectief en het uitzicht op de opstanding der doden. Vgl. Hand. 26: 23. De opstanding der doden zelf is het object van de prediking. Deze is in Jezus als de eersteling werkelijkheid gebleven (vgl. Kor. 15:20). Voor de Sadduceeën was er niet alleen de ergernis aan de Messianiteit van Jezus, maar ook aan de proclamatie van de opstanding der doden. Verontwaardigd: Zie Hand. 16:18. Ook voor de Grieken was, zoals Hand. 17:32 laat zien, de opstanding der doden een struikelblok. Leren… verkondigen: De wezenlijke inhoud van beide activiteiten is gelijk, nl. het heil in Jezus Christus. Beide begrippen liggen in Hand. dicht bij elkaar. bewaring: in de gevangenis. 4. De boodschappers gaan wel naar de gevangenis, maar het Woord Gods is niet gebonden (2 Tim. 2:9). Weer geeft Lucas het contrast aan. Terwijl de leiders zich verzetten, komen velen uit het volk tot geloof. Het Woord: Nl. het woord Gods. Vijf duizend: Vgl. 2:41.
5.Het Sanhedrin of de Hoge Raad was het joodse rechterlijke en bestuurlijke college in de hellenistisch-romein-se periode. Het bestond (in navolging van Num. 11:16) uit 71 (70+ 1) leden, onder voorzitterschap van de hogepriester. Ertoe behoorden overpriesters, oudsten (hoofden van de voornaamste families) en schriftgeleerden. Hier is in plaats van overpriesters sprake van oversten (vgl. Luc. 23:13, 35; 24:20; Hand. 3:17; 4:5, 8; 4:26; 13:27). Misschien denkt Lucas in 4:5 aan overpriesters. Het woord ‘oversten’ kan hier geplaatst zijn vanwege 4: 26 of ook omdat Lucas in vs 6 de hogepriesters met zoveel woorden noemt. Hun… hun… hun: De genoemden zijn de ambtelijke vertegenwoordigers van het volk (vgl. vs 8). 6. Annas… Kajafas: zie bij Luc. 3:2. Van Johannes en Alexander is verder niets bekend.
7.Toen… laten voorkomen: SV ‘Als zij hen in het midden gesteld hadden’. Het Sanhedrin zat in een halve kring. De aangeklaagden stonden in het midden. Kracht… naam: Vgl. 3:12, 16. Dit: Uit de vss 9, 10, 14 blijkt dat het in eerste instantie gaat om de genezing van de verlamde.
Vervuld met de Heilige Geest: Deze vervulling stelt in staat tot spreken. Hier wordt de belofte van Luc. 12:12 vervuld. Zie ook Luc. 21:12-15.
9.In verhoor… weldaad: Weer een schrijnend contrast. Gezond geworden is: Andere vert. ‘Gered is’ (vgl. vs 12). Het heil in Christus omvat ook lichamelijk heil, genezing uit ziekte. 10. Allen… en het gehele volk van Israel: Sanhedrin en volk moeten weten wat de Here gedaan heeft. De leiders zijn vertegenwoordigers van Israel, het volk van het verbond, vgl. 2:36; 3:12. 11. Zie bij 2:22-24 en 3: 13-15. Naam: vgl. 3;6, 16. Dien gij gekruisigd hebt: De aangeklaagde wordt aanklager tegenover dit college, dat zo’n belangrijke rol heeft gespeeld in het proces tegen Jezus. 11. Dit is: Petrus beroept zich op de Schrift, nl. Ps.
118:22. Vgl. Mat. 21:42 par. Vergelijking met de griekse vert. van Ps. 118 laat zien dat het geen letterlijk citaat, maar een vrije aanhaling is. Ps. 118, oorspronkelijk een loflied op Gods reddende daden, behoort tot de Hallelpsalmen, gezongen bij het Pascha. Zie voor het gebruik van dit psalmwoord in de eerste gemeente ook Ef. 2:20 en 1 Petr. 2:4vv. Versmaad: Dwz. veracht, geringgeschat, vgl. Mar. 9:12; Luc. 23:11. Bouwlieden: Terwijl de psalm spreekt over ‘bouwers’, staat in dit vs bouwmeesters, nl. de leiders van het volk. Hoeksteen: de steen die de bouw kroont, de sluitsteen, boven in het portaal aangebracht. Jezus, de verachte kruiseling is geworden tot de aan Gods rechterzijde tronende. 12. De redding is in niemand anders dan in deze Jezus, door mensen verworpen, door God verhoogd. Zie 2:21. Onder de hemel: Vgl. Pr. 1:13: 3:1. De uitdrukking betekent zoveel als: op de gehele aarde. Wij: Hoorders en spreker worden door dit ‘wij’ omvat. Moeten: Zo is Gods wil en plan. Het universele en het exclusieve van het heil komen in dit woord samen.
13. Vrijmoedigheid: In de griekse wereld aanduiding van het democratisch recht van de vrije burger in de volksvergadering alles te zeggen. Ook bevat het de betekenisnuancen: openheid tot de waarheid, vrijmoedig spreken in weerwil van hindernissen. In het N.T. aanduiding van het openlijk, vrijmoedig en met volmacht spreken van de predikers van het Evangelie.
Ongeletterde en eenvoudige mensen uit het volk: De leken tegenover de geschoolde redenaar of geleerde. De vrijmoedigheid van Petrus en Johannes heeft niets van doen met die van de redenaar. Toch spreken zij met kracht en gezag dankzij de hen verleende volmacht van de Naam. Deze Naam geeft vrijmoedigheid. Niet alleen is er bij de aanklagers verwondering, maar ook de herkenning, dat zij met Jezus geweest waren, dwz. behoorden bij de kring, die Jezus navolgde en in zijn gemeenschap verkeerde. 14. De genezene vormt het levend bewijs van de woorden van de apostelen. Niets tegen inbrengen: zie ook Luc. 21:15. 5.Raadzaal is vertaling van ‘sunhedrion’ waarmee anders de Hoge Raad zelf bedoeld wordt. 16. Wat moeten wij beginnen? Lett, ‘doen met deze mensen’, geheel anders dan in 2:37. Wonderteken: De genezing is teken, dat verwijst naar de naam Jezus, naar het Koninkrijk dat in Hem nabijgekomen is. Opvallend is dat het juist de leden van het Sanhedrin zijn, die de genezing een teken noemen. Onbedoeld betuigen zij de waarheid. 17. Maar: In tegenstelling tot de erkenning tegen wil en dank in vs 16. Het wonder mag dan algemeen bekend zijn, maar het spreken op gezag van deze naam, nl. van Jezus, mag niet meer plaats vinden. Dreigend gebieden: vgl. vs 21, 29. 18. De reddende naam van Jezus mag niet meer de grond zijn van hun spreken of hun onderwijs tot het volk, ja zij mogen helemaal niet meer het evangelie verkondigen.
19-20. De leden van het Sanhedrin moeten zelf maar beslissen of het rechtvaardig voor God is hen meer te gehoorzamen dan God. Horen in de zin van gehoorzamen is centraal in het geloof van Israel (vgl. Deut. 6:4vv). De gehoorzaamheid van God gaat die aan mensen te boven. Zie ook 5:29. De woorden die Lucas gebruikt herinneren aan de verdediging van Socrates bij Plato. Het thema van de gehoorzaamheid aan Gods woord of leiding is eendoorlopend terugkerend thema in Hand. Er is voor de apostelen geen andere mogelijkheid dan die van het spreken. Zij moeten wel spreken van wat ze als getuigen gezien en gehoord hebben ten aanzien van Jezus’ werk. Vgl. ook 5:32. De noodzaak is hen opgelegd.
21-22. Om twee redenen laat het Sanhedrin de apostelen vrij: Men ziet geen mogelijkheid om hen op een gegronde aanklacht te straffen. Ook durft men het niet aan het volk dat God verheerlijkt om de genezing, en dat positief staat tegenover de apostelen, tegen zich te krijgen. Verheerlijkten God: Zie ook Luc. 2:20; Hand. 11:18. Boven de veertig jaar: Dus al meer dan 40 jaar gehandicapt.
Het gebed van de gemeente 4:23-31
23. Dehunnen: De ‘geloofsgenoten’, dwz. de verzamelde gemeente. Sommige exegeten denken aan de apostelen. We achten dit minder waarschijnlijk, gezien het feit dat Lucas ook in 1:14 en 12:5 het gebed verbindt met de samengekomen gemeente. 24. Wat de gemeente doet, ligt in de lijn van Hand. 2:42. Evenals in 1:14 en 2:1 legt Lucas nadruk op de eensgezindheid. Allerlei elementen uit het gebed herinneren aan Jes. 37:16-20: Het gebed van Hiskia ivm. de dreigende woorden van de Assyriërs, en de aanval op Jeruzalem. Terwijl in Jes. 37 gebeden wordt om redding uit de macht van de belegeraars, bidt de gemeente in Hand. 4 om vrijmoedigheid tot verkondiging. Gij, Here: Het woord dat vertaald is met Here wordt in de griekse wereld gebruikt voor de bezitter, de huisheer, de heer tegenover de slaaf, de heerser, de romeinse keizer, de godheid als de machtige. In de LXX wordt met het woord vooral het machtsaspect van God aangeduid. Vgl. Luc. 2:29: de tegenstelling Here -dienstknecht. Die geschapen hebt: Vgl. Ex. 20:11; Ps. 146:6; Neh. 9:6 en Jes. 37:16.
25. Niet alleen wordt God’s scheppende macht beleden, ook wordt Hij aangeroepen als de sprekende God. Door de Heilige Geest bij monde van David: God sprak door de mond van David, zijn knecht, en door de Heilige Geest. Anderen verbinden de woorden ‘door de H. Geest’ met ‘Davids mond’ en vertalen ‘door de met de Heilige Geest vervulde mond van onze vader David’. In vs. 25b-26 wordt Ps. 2:1-2 geciteerd naar de Septuaginta, ln Hand. 13:33 wordt Ps. 2:7 aangehaald. Heidenen… volken: Op zich zou de vertaling met ‘naties’ en ‘volken’ beter zijn. Vs 27 geeft reden om het gebruikte woord met ‘heidenen’ te vertalen. 26. De oversten: hetzelfde woord als in 4:5, 8. Tezamen vergaderd: vgl. 4:5. Tegen de Here en tegen zijn Gezalfde: God en zijn koning, zijn Messias. De koning is type van de Messias.
27: Wat in de psalm is gezegd, is vervuld in de actuele gebeurtenissen: het verzet tegen Jezus en zijn gemeente. Hoewel alleen de verwerping van Jezus genoemd wordt, is er verband met de in Hand. 4 verhaalde gebeurtenissen. Zoals Jezus toen vervolgd werd, worden nu zijn volgelingen belaagd. Het profetisch woord wordt bewaarheid in de vijandschap tegen Jezus’ gemeente en daarmee tegen Hemzelf (vgl. 9:5). Uw heilige knecht: zie bij 3:13. Dien Gij gezalfd hebt: zie Luc. 3:22:4; 1, 14; Hand. 10: >8.
Al spant in feite op dit moment alleen het Sanhedrin samen tegen Jezus, toch worden in aansluiting aan het citaat vier tegenstanders genoemd: Herodes Antipas en Pilatus (zie bij Luc. 23:8-12), de heidenen en de volken van Israel, dwz. de stammen van Israel. Dat monsterverbond tegen Jezus, de Messias van Israel, wordt gesloten in deze stad nl. Jeruzalem. Om te doen… wat… bepaald had: Mede door de dienst van Gods vijanden komt zijn heilsplan tot volvoering. Uw hand en uw raad: De hand van God is de concretisering van de in de geschiedenis ingrijpende macht van God, wiens raadsplan zich doorzet. 29: Vrijmoedigheid. Zie bv. 4:13. 30. De tekenen waarom gebeden wordt, begeleiden en bevestigen de verkondiging van het Woord. Zie Hand. 14:3.
31. Zie Hand. 2:4. De plaats… werd bewogen: als teken van de verhoring. Zie Ex. 19:18, de berg beeft als God nederdaalt. Vervuld: De aanwezigen worden opnieuw toegerust met de Geest. De prediking gaat voort, ondanks de dreiging van Sanhedrin.
Het leven van de gemeente 4:32-37
Weer volgt een samenvattend bericht over het leven van de jeruzalemse gemeente, zie bij Hand. 2:41-47. 32. Menigte: Dit bij Lucas veel voorkomende woord duidt hier de gemeente aan. Eén van hart en ziel: Een combinatie van een bijbelse en een griekse zinswending. Zie o.a. Deut. 6:5; 10:12; 11:13. Evenals in Hand. 2 vinden we ook hier de verbinding van eenheid en onderlinge gemeenschap.
33. Het getuigenis van de opstanding is de achtergrond van het leven der gemeente. De opstandingskracht van Christus werkt zich uit in het daadwerkelijk gemeentezijn. Grote genade: Het is mogelijk te denken aan de gunst van het volk, in de lijn van 2:47 en 5:13. Anderen denken aan de genade van God. De parallel in Luc. 2:40 zou hiervoor pleiten. 34. Niet een behoeftige: Dit herinnert aan Deut. 15:4. Deze belofte wordt in de eerste gemeente na Pinksteren vervuld. Brachten: De werkwoordsvorm geeft aan, dat het vaak gebeurde. Al was er geen sprake van dwang of verplichting. Aan de voeten der apostelen: Voeten hebben te maken met macht en eigendomsrecht (vgl. Ps. 8:7). Wie zijn voet op iemand of iets zette, beschikte over het eigendomsrecht. De apostelen als leidinggevenden in de gemeente beheren de opbrengst van dat wat ter beschikking gesteld wordt voor de armen.
36.Barnabas: De apostelen hadden hem deze bijnaam gegeven. De bijgevoegde betekenis ‘zoon der vertroosting’ of ‘zoon der vermaning’ is een Hebraisme. De verklaring van deze woorden uit de naam Barnabas is niet eenvoudig. We moeten vermoedelijk denken aan een zakelijk verband tussen zijn persoon en zijn activiteit. Hand. 13:1 noemt hem onder de profeten. Vermanen/ vertroosten is een profetische werkzaamheid. Leviet: Heeft de vermelding van dit feit de bedoeling om het bezit en de verkoop van de akker in een bepaald licht te stellen? Levieten mochten immers volgens Num. 18:20 in Israel geen akker in bezit hebben. Uit Cyprus afkomstig: Dit wijst reeds vooruit naar Hand. 11 en 13. Als jood uit de Diaspora was Barnabas uitermate geschikt verbindende schakel te zijn tussen Jeruzalem en de heidenchristelij-ke gemeenten.
Ananias en Saffra 5:1-11
Tegenover het positieve voorbeeld van Barnabas plaatst Lucas als negatief contrast de handelwijze van Ananias en Saffira. 1. Ananias betekent: ‘De Here is genadig’. Zowel in het O.T. als in het N.T. vinden we verschillende personen, die deze naam dragen. Saffira: Deze arameese naam betekent ‘de schone’. Met: Dat onderstreept de medeplichtigheid, vgl. o.a. vss 2, 9. 2. Er is overeenkomst met 4:34-35, 37. Het verschil is, dat zij slechts een deel van de opbrengst geven. Niet dat is hun zonde, maar dat zij doen alsof zij alles geven. ‘Een modelvoorbeeld van halfheid die tot oneerlijkheid leidt’. Hield achter: Vertaling van een woord dat ook in de griekse vert. van Joz. 7:1 gebruikt wordt voor het ‘zich toeëigenen’ uit het «ebannene. In Tit. 2:10 wordt het woord vertaald met ‘oneerlijk, verduisterend’. 3. Petrus treedt ook hier op als woordvoerder der apostelen. Satan: De zaak komt in een wijd kader te staan. Terwijl in Hand. 2:4 sprake is van de vervulling met de Heilige Geest, is het hier Gods tegenstander, de satan (vgl. Hand. 26:18) die het hart van Ananias vervuld heeft. Om de Heilige Geest te bedriegen: Met zijn handelwijze heeft Ananias de Geest die in de apostelen en de gemeente woont bedrogen. 4. Hoe kondt gij…!: De daad van de satan heft de verantwoordelijkheid van de mens niet op. Het is Ananias, die de satan zijn kans gegeven heeft. Niet tegen mensen… maar tegen God: Dit onderstreept wat er staat in vs 3. 5. De dood van Ananias is de voltrekking van het oordeel van God. In de confrontatie tussen de satan en de Heilige Geest wordt de man, die de boze heeft toegelaten in zijn hart, weggevaagd. Blies de adem uit: Vgl. 12:23: de dood van Herodes. Grote vrees… over allen, die het hoorden: Met diep ontzag wordt kennis genomen van dit straffend ingrijpen van de Here. Zowel binnen als buiten de gemeente.
6.Jongemannen: Vgl. Luc. 22:26vvaar ‘jongere’ en ‘dienende’ met elkaar corresponderen. Legden… af: De betekenis van het griekse woord is niet eenvoudig weer te geven. Mogelijke vertalingen: inwikkelen, wegnemen, in doeken wikkelen. De bedoeling is: gereed maken voor de begrafenis. 9. Vgl. vs. dit vers is sprake van het verzoeken van de Geest des Heren. Ananias en Saffira hebben God uitgedaagd, Hem ‘geprobeerd’. Zie Ex. 17:2,7. Zie: Onverwacht en plotseling voor Saffira wordt het oordeel voltrokken. 11. Vgl. vs 5. Over de gehele gemeente. Voor de eerste maal wordt hier in Hand. het woord ekklesia gebruikt (= kerk, gemeente). In de gr. vert. van het O.T. is het vertaling van een woord dat de samengekomen gemeente van Israel aanduidt (vgl. Hand. 7:38). In Hand. 19:32,39 wordt het woord gebruikt in de betekenis van ‘volksvergadering’, zoals de griekse wereld die kende.
Het leven van de gemeente 5:12-16
Voor de derde keer een samenvattend bericht over het leven van de eerste gemeente. 12. Tekenen en wonderen: verhoring van het gebed van Hand. 4. Vgl. 4:30. Eendrachtig: Zie 1:14; 2:42-46. Zuilengang: Zie bv. 3:11. 13. Anderen: Zij worden onderscheiden van het volk. Het gr. woord heeft op verschillende plaatsen de notie in zich van de ongelovige buitenstaanders (vgl. Luc. 8:10; Mar. 4:11; 1 Tess. 4:13; 5:6). Waarschijnlijk moeten we denken aan ongelovige groeperingen die zich straks in vijandschap zullen verzetten. Aansluiten: In contact treden met. De strafvoltrekking aan Ananias en Saffira alsmede de door de apostelen verrichtte tekenen wekken ontzag voor de majesteit van God. Maar het volk: Vgl. 2:47.14. Des te meer: Lucas geeft een climax aan. Er is vrees bij de buitenstaanders; hoogachting bij het volk van Jeruzalem. In nog grotere mate dan te voren gaat de groei van de gemeente voort: scharen van mannen en vrouwen komen tot geloof in de Here en worden aan de gemeente toegevoegd. Toegevoegd… die de Here geloofden: Het is ook mogelijk te vertalen: Werden aan de Here toege-veegd(vgl. 11:24). Op grond van Hand. 16:34,18:8ende parallel met 2:47 geven we de voorkeur aan de verbinding met het werkwoord ‘geloven’. 15-16. Petrus’ schaduw valt genezend over de zieke. Er is verwantschap met Mar. 6:55-56 en Hand. 19:12. Het werk van God is zo wonderbaar, dat Hij zelfs door de schaduw van Petrus krachten doet.
Tweede botsing met het Sanhedrin 5:17-42
Voor de tweede maal schetst Lucas de tegenkanting van de autoriteiten in Jeruzalem. Naast de groei wordt ook het verzet zichtbaar. Er zijn verschillen met Hand. 4:122. Richt daar de aanval zich op Petrus en Johannes, in Hand. 5 worden alle apostelen gearresteerd. Terwijl in 4: 22 de botsing uitloopt op een spreekverbod, is in 5:40 ook sprake van geseling. Het verzet wordt heviger.
17. Vervuld met naijver: In schril contrast tot de vervulling waarvan sprake is in 2:4 en 4:30. Zie ook Hand. 13: 45. Het is mogelijk dat niet alleen gedacht moet worden aan jaloezie, maar ook aan fanatieke vrome ijver voor het behoeden van Gods inzettingen, die, naar de opvatting van de tegenstanders door de apostelen van Christus, aangetast werden. Evenals in 4:1 komt het verzet van de kant van de Sadduceeën. 19. Dit vs tekent de tegenbeweging van Gods kant. De engel van de Here bevrijdt Gods dienaren uit de gevangenis. Zie ook Hand. 12:6 en 16:25vv. De drie ‘deurwonderen’ in Handelingen laten zien dat de gang van het evangelie door gevangenissen niet is tegen te houden. Leidde… naar buiten: Vgl. 12:17. In’7:36, 40 en 13:17 wordt hetzelfde woord gebruikt voor de bevrijding uit Egypte. 20. Aan de bevrijding wordt het bevel tot prediken in de tempel verbonden. De bevrijding voert de apostelen dus opnieuw in een gevaarvolle situatie. De apostelen moeten in het hol van de leeuw gaan. Een naar menselijke maatstaf gemeten dwaas bevel. Woorden dezes levens: Vgl. Joh. 6:68. Zie bij Hand. 3:15. Het leven is het eeuwige leven door de opstanding van Christus. 21 Gaven… gehoor: Ondanks de risico’s gehoorzamen de apostelen zonder tegenspreken. Een in Hand. veelvuldig voorkomend thema (vgl. Hand. 4:19; 8:26-27).
21. Vergadering… Israels: Zie Ex. 12:21. Met deze vergadering is het Sanhedrin bedoeld. 22-23: Gods engel is de tegenstanders tegen het Evangelie voor geweest. 25: Zie: Met dit woord accentueert Lucas het onverwachte en ongedachte. 26. Evenals in Luc. 20:6, 19 en 22:2 is er sprake van vrees van de kant van de leiders voor het volk, dat op de hand is van Jezus en zijn apostelen. 28. Gij hebt Jeruzalem vervuld: Het getuigenis van de apostelen in Jeruzalem (vgl. 1:8) heeft als effect, dat heel de stad weet van het Evangelie. Gij wilt het bloed… doen neerkomen: De hogepriester verwijt de apostelen, dat zijde verantwoordelijkheid voor Jezus’ dood over de leden van het Sanhedrin willen laten komen en hen de gevolgen daarvan, nl. Gods vergelding, willen laten dragen. Vgl. voor de gebezigde woorden Richt. 9:24; Mat. 23:35; 27: 25; Hand. 18:6; 20:25. Deze mens: Het noemen van Jezus’ naam wordt vermeden. 29. Vgl. bv. Hand. 4:19-20. De gehoorzaamheid aan God impliceert dat men zich niet voegen kan naar het verbod van mensen (vgl. vs 28). 30-31. Evenals in Hand. 4:10 worden de aangeklaagden de aanklagers. Onze vaderen: Er is verbondenheid tussen de apostelen en hun tegenstanders. Beiden behoren tot Israel. Weer treffen we in deze verzen het contrast aan tussen wat de mensen gedaan hebben en wat God gedaan heeft (vgl. Hand. 2:22vv; 3:13vv). Gehangen aan een hout: Vgl. Deut. 21:22. Jezus’ dood was een smadelijke dood. Gods vloek trof de gehangene (vgl. Deut. 22:23). Leidsman: Zie bij 3:15. Om… te schenken: In de verhoogde Jezus Christus wordt Israel de mogelijkheid geschonken van omkeer. De deur staat open. Er is vergeving voor wat zij gedaan hebben. 32. Ook de Heilige Geest: Vgl. Joh. 15:26-27. De Geest is subject in het getuigen, maar bedient zich van mensen. Wellicht schemert hier de oude regel van Deut. 19:15 door, volgens welke er twee getuigen nodig zijn voor de waarheid van de feiten. 33. Hier is voor de eerste keer sprake van een poging de apostelen te doden.
33. Gamaliël: Gezaghebbend schriftgeleerde in de jaren 25-50. Ter onderscheiding van zijn kleinzoon Gamaliël, de oude genoemd. Van hem werd gezegd, dat met zijn dood de eerbied voor de wet ophield en reinheid en matigheid stierven. Hij stond in ere bij het volk. Paulus was leerling van Gamaliël (vgl. 22:3). Lucas tekent hem als wetsleraar, dwz. als schriftgeleerde (vgl. Luc. 5:17). 35. Mannen van Israel: De leden van het Sanhedrin worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid als leden van het volk van God. 36-37. Twee voorbeelden van oproerige bewegingen, wier leiders ondergingen, zodat hun aanhang verliep. Theudas: verkorting van de naam Theodoras of Theodorus. Hij wierp zich op als man van betekenis (vgl. Hand. 8:9). Josephus vermeldt het optreden van een Theudas onder de romeinse procurator Cuspidiuis Fadus (44 na Chr.). Gamaliel’s uitspraak valt 10 jaar voor het optreden van deze Theudas. Het is niet waarschijnlijk dat Lucas op dezelfde Theudas doelt. Er waren in die geladen periode voor de joodse opstand vele messiaanse pretendenten. Verliep: Eigenlijk: ‘werden tot niets’, in scherp contrast tot Theudas’ pretentie ‘iets’ te zijn. Judas, de Galileeër: Leider van een beweging die zich verzette tegen de onderdrukkende maatregel van de volkstelling met het oog op de door keizerlijke beambten te innen belastingen. De beweging was afkomstig uit Galilea, waar de verarmde boerenbevolking elke gelegenheid tot verzet tegen het romeinse bewind aangreep. De opstand van Judas werd snel onderdrukt, maar is het begin geworden van de beweging van de Zeloten, dwz. mensen, die geïnspireerd door de strijd van de Makkabeeën, door het optreden van Elia tegen Izebel en door de ‘ijver’ van Pinechas, met geweld het joodse land wilden reinigen van vijanden en colloborateurs en zo de weg wilden banen naar een theocratisch koninkrijk. De beweging van de Zeloten is wel getypeerd als de radicale vleugel van de partij der Farizeeën. Judas trad vermoedelijk op als leider met messiaanse aanspraken. Inschrijving: Vgl. Luc. 2: lw. Kreeg… opzijn hand: Lett. ‘Hij maakte het volk afvallig achter zich aan’. Wij hebben te maken met een vermenging van de griekse uitdrukking’ het volk tot afval brengen’ en de bijbelse zinswending’ het volk achter zich brengen’. Uiteengeslagen: Dwz. verstrooid in het gericht van God. De passieve werkwoordsvormen brengen de daad van God tot uitdrukking. 3839. Uit mensen… uit God: In het grieks is er verschil. Vs 38: Als dit werk uit mensen zou zijn. Vs 39: Als het uit God is. Lucas duidt met de wisseling van werkwoordsvormen aan, dat de arbeid van de verkondiging Gods werk is. Gamaliël wordt onwetend tot getuige van Gods daden. Evenals in vs 29 staan mensen en God tegenover elkaar. Tegen God strijdt: het motief van de strijd tegen God vinden we ook bij heidense en joodse auteurs. Terwijl de apostelen oproepen tot gehoorzaamheid, geeft Gamaliël de raad zich niet in te laten met de apostelen, om geen strijder tegen God te worden. 41. De apostelen zien de verdrukking en de smaad ‘voor Jezus’ als een voorrecht dat men waardig gekeurd wordt (vgl. Luc. 6: 22; Mat. 5:11; Hand. 9:16; 21:13). 42. Ondanks mishandeling en verbod gaat de prediking van het Evangelie door. In de tempel: Vgl. vs 20, 25. Aan huis: Dwz. bij huissamenkomsten. De Christus: Inhoud van de blijde boodschap is dat de beloofde Messias Jezus is.
Aanstelling van de zeven 6:1-7
In deze perikoop komt nogmaal de jeruzalemse gemeente ter sprake. Lucas bericht over de aanstelling van de zeven als overgang tot het bericht over Stefanus. Met een notitie over de groei van het Woord en de toename van de gemeente wordt de perikoop afgesloten.
1.Discipelen: In Luc. aanduiding van de apostelen en de bredere kring van volgelingen van Jezus. In Hand. ook aanduiding voor die christenen, die Jezus persoonlijk niet gekend of ontmoet hebben. Grieks sprekenden, dwz. Hellenisten, Grieks sprekende Joden in onderscheiding van de Hebreeën, Aramees sprekende Joden. Hier gaat het om twee groepen in de gemeente. In 9:29 zijn Joden uit de Diaspora bedoeld . Taalverschillen binnen de ene gemeente moesten spoedig tot verzelfstandiging leiden. Voor de gemeenteopbouw was een eredienst in de eigen taal, zodat allen het gebed, de profetie en het onderricht konden volgen, vereiste. Naast verzelfstandiging op grond van taalverschillen en levensgewoonten kunnen theologische accentsverschillen tussen beide groepen een rol gespeeld hebben, zoals de visie op de wet en de tempel. Weduwen: Dat het getal weduwen onder de Hellenisten betrekkelijk groot geweest zal zijn, kan samenhangen met het feit, dat vele Joden uit de Diaspora op latere leeftijd terugkeerden naar Jeruzalem om daar te sterven en in de nabijheid van de tempel begraven te worden. Dagelijkse verzorging: Lett, dagelijkse dienst (nl. aan de tafel), bestaande in materiële ondersteuning. Verwaarloosd: Terwijl de synagoge twee soorten armenzorg kenden, de wekelijkse uitdeling aan de armen op vrijdagavond, waarbij men geld kreeg voor 14 maaltijden uit de ‘buidel’, en de uitdeling van voedsel aan de vreemdelingen uit de ‘schotel’, kende de eerste gemeente wel spontaan hulpbetoon (vgl. Hand. 2:44vv en 4:32vv), maar geen georganiseerde armenzorg. Woord Gods: Deapostelen zijn belast met de dienst van het Woord. Deze mag niet in het gedrang komen door de dienst aan de tafels. 3. Zeven mannen: Het getal ‘zeven’ is wellicht naar analogie van de ‘zeven’ van een stad, het leiddinggevend college van een joodse stad. Goed bekend staan: Vgl. Hand. 10:22; 16:2;22:12. Vol van Geest en wijsheid: Vgl. Luc. 2:40, 52; 11:31; 21:15; Hand. 7:10,22. 5. De namen van de ‘zeven’ klinken grieks en doen dus vermoeden, dat zij afkomstig zijn uit de groep van de Hellenisten, al is dit niet strikt noodzakelijk. In het vervolg van Handelingen komen alleen Stefanus en Filippus naar voren. De andere vijf worden verder niet in Hand. genoemd. Het gaat te ver om hier de instelling van het diakenambt af te lezen. Wel treedt er differentiatie op tussen prediking van het Woord en dienstverlening. Opvallend is dat Stefanus en Filippus naar voren treden als prediker en getuigen. Jodengenoot: Nicolaüs was proseliet. 6. De gemeenteleden kiezen. De apostelen bekrachtigen de keus onder gebed en handoplegging. De handoplegging houdt verband met de toerusting voor een bepaalde taak, vgl. Num 27:15. 7. Het Woord Gods: De achtergrond van de spreekwijze, dat het Woord groeit wordt gevormd door de bijbelse zinswending inzake de groei van het volk Gods (vgl. Ex. 1:7; Hand. 7:17) en door motieven en voorstellingen uit de gelijkenissen van de zaaier en het mosterdzaad (Luc. 8:4-15; 13:19). Priesters: Zelfs uit de kringen van de bestrijders worden velen voor het Evangelie gewonnen (vgl. 4:1). Daarnaast kan een sociaal motief meegespeeld hebben. De zorg voor de armen kan juist op deze groep aantrekkingskracht uitgeoefend hebben. Het geloof, nl. de geloofsinhoud, vgl. Rom. 6:17; 10:16; 2 Tess. 1:8.
Verbreiding van het getuigenis van Jeruzalem naar Samaria 6:8-9:31
Aanklacht tegen Stefanus 6:8-15
8.Stefanus (= krans, kroon) is evenals de apostelen toegerust met kracht. Kracht en Geest hebben met elkaar te maken (vgl. 1:8; 6:5). 9. Het verzet komt van de kant van Diasporajoden, die in Jeruzalem eigen synagogen hadden. Sommigen denken aan vijf, anderen aan een of twee synagogeverbanden.Libertijnen = vrijgelatenen, dwz. door Rome vrijgelaten joodse slaven en kinderen. Cyre-neeërs: Joden, wonend in het gebied van Libië, dat bij Cyrene ligt worden in 2:10 genoemd. Alexandrijnen: Vgl. Egyptische Joden in 2:10. Cilicië: Gelegen in het Z.O. van Klein-Azië; Paulus kwam er vandaan (21:39). 10. Niet bij machte… te weerstaan: De belofte van Luc. 21:15 wordt vervuld. 11. Lasterlijke woorden: Stefanus spreekt, door de Geest bezield. Zijn tegenstanders beschuldigen hem van laster tegen Mozes, nl. de wet en tegen God. Deze beschuldiging woog zwaar, want de wet stond hoog aangeschreven. Voor het lasteren van de Naam zie Lev. 24:11, 16 en Num. 15:30vv. Vgl. ook Mar. 14:64; Mat. 26:55.
12. Zowel het volk als de oudsten: Het volk, dat eerst op de hand van de volgelingen van Jezus was, wordt nu opgehitst tegen Stefanus. 13. Valse getuigen: Wat deze zeggen, doet denken aan de beschuldiging van vs 11. Volgens Mar. 14:56-57 en Mat. 26:60 traden er valse getuigen tegen Jezus op. Lucas vermeldt alleen in het proces tegen Stefanus de valse getuigen. Stefanus treedt in de voetsporen van zijn Here (vgl. ook-Hand. 7:59-60). 13. Heilige plaats: 1. de tempel. Wij hebben hem horen zeggen: Vgl. Mar. 14:58. Lucas vermeldt niet, wat Stefanus werkelijk gezegd heeft. Uit 7:38 blijkt juist dat Stefanus de wet allerminst negatief beoordeelt. Er is in vs 14 sprake van de zeden, die Mozes ons heeft overgeleverd. Daarbij is vooral te denken aan de cultische wetgeving. Stefanus’ prediking zal in de lijn gelegen hebben van Jezus’ woorden aan het adres van de joodse leiders (vgl. Luc. 11:41-42; Mar. 7:15; 11:17). Uit Luc. 21:5 weten we dat Jezus de verwoesting van de tempel voorzegd heeft. De valse getuigen vatten de eschatologische vervullingswoorden over het einde van de bedeling, die met de tempeldienst samenhing en de verwachting van een nieuwe tempel op als een aanval op de tempeldienst. 15. Als van een engel: Een engel representeert als boodschapper van God Zijn Zender. Stefanus’ gezicht weerspiegelt hemelse heerlijkheid (vgl. Ex. 34:19vv). Aanstaarden: Gespannen kijken de leden van de joodse Raad naär hem, benieuwd wat Stefanus zal gaan zeggen.
Stefanus’ toespraak 7:1-53
Deze rede geeft een deel van Israel’s geschiedenis weer en culmineert in een felle aanval op de hoorders van Stefanus. Twee thema’s worden hoorbaar: 1. Door heel de geschiedenis heen gaf God bevrijders aan zijn volk, maar de Joden verwierpen hen en waren Gods wet ongehoorzaam. de woestijn had Israel de tabernakel en later de tempel, gebouwd door Salomo, maar zij vervielen tot afgoderij en begingen de vergissing te denken, dat God woont in een met handen gemaakt bouwwerk. Deze thema’s corresponderen met de aanklachten tegen Stefanus. plaats dat Stefanus lasterlijke woorden spreekt tegen de wet, zijn het de Joden zelf, die Mozes verwierpen en de God die hij diende. Zij doodden de profeten. 2. God zelf had verklaard dat Hij niet gebonden was aan tabernakel of tempel. Als Stefanus daarom sprak van een nieuwe plaats van eredienst voor God, was hij daarmee in overeenstemming met de prediking aan Israel. We kunnen drie doelen aangeven, die deze rede vervult: a. Een weerlegging van de tegen Stefanus ingebrachte aanklachten; b. Een aanklacht aan het adres van de Joden vanwege hun ongehoorzaamheid en hun verwerping van de Messias; c. In het geheel van Handelingen geplaatst markeert de rede een overgang: Wanneer de Joden het Evangelie verwerpen, gaat de verkondiging naar anderen: Samaritanen en heidenen.
1.Toen hij nog in Mesopotamië was: Volgens Gen. 11: 31; 12:5 ontving Abraham de Godsopenbaring in Haran. Ook bij joodse auteurs als Philo en Josephus vinden we de gedachte, dat Gods bevel tot Abraham kwam voordat hij naar Haran ging (vgl. Gen. 15:7; Neh. 9:7). 5. Hij beloofde: Zie Gen. 12:7; 13:15; 17:8. Over de belofte aan Abraham spreken ook Luc. 1:55, 73. Zie voorts Luc. 13: 16; 16:22-30; 19:9. Zelfs niet één voet (Deut. 2:5): Deze woorden laten buiten beschouwing, dat Abraham later een stukje grond in bezit krijgt als graf voor Sara (Gen. 23). 6. Bijwonen: Iemand die bij de eigenlijke bevolking van een land woont. Vierhonderd jaren: vgl. Gen. 15:1314. Rabbijnse exegese rekende 400 jaar van de geboorte van Isaak tot de uittocht. 7. En Mij vereren aan dezeplaats: Hierbij moet gedacht worden aan het cultische dienen via de offers. De woorden herinneren aan Ex. 3: 12. Abrahams nageslacht zal God in de tempel dienen. 8. Het verbond der besnijdenis: Zie Gen. 17:10-13. De besnijdenis is teken van het verbond. Patriarchen: Jakob’s zonen worden hier aartsvaders, patriarchen genoemd, evenals in vs 2:29 wordt David aartsvader genoemd.
9.Vanaf dit vers tot aan vs 34 bestaat het verhaal grotendeels uit een weergave van passages uit Gen. 37-Ex.3. Maar God was met hem: Vgl. Gen. 39:2, 10:38 wordt hetzelfde van Jezus gezegd. Zie ook Luc. 1:66; Hand. 11:21; 18:10. De uitdrukking ‘De Here is met u’ komt veelvuldig in het O.T. voor met betrekking tot individuele personen, van wie gezegd wordt dat zij begiftigd zijn met de Geest van God, die hen bekrachtigt en in staat stelt in woord en daad Gods opdrachten uit te voeren. 10. Genade en wijsheid: Vgl. Luc. 2:40, 52. 12. Onze vaderen: Nl. de zonen van Jakob, de aartsvaders. 14. Vijf en zeventig zielen: Volgens Gen. 46:26-27 komen er zeventig, inclusief Jozef en zijn twee zonen (vgl. ook Ex. 1:5; Deut. 10:22). Het getal 75 komt uit de griekse vertaling van Gen. 46:27 en Ex. 1:5 en wordt ook gevonden in een hebreeuws handschrift van Exodus uit Qumran. 16. Overgebracht naar Sichern: Jakob werd volgens Gen. 49:29vv begraven in het graf van Machpela bij Hebron. Jozef werd begraven bij Sichern (Joz. 24:32. Volgens Josephus werden de broers van Jozef in Hebron begraven. In het graf dat Abraham… had gekocht: Abraham kocht het graf van Machpela van de Hethieten (Gen. 23:16). Jakob kocht het land bij Sichern van de zonen van Hemor (Gen. 33:18-19). Twee gebeurtenissen zijn ineengeschoven in Lucas’ samenvatting van Stefanus’ toespraak.
7:17-43 behandelt de periode van Mozes. 17. De tijd der belofte: De geschiedenis van Abraham’s geslacht is een geschiedenis van belofte en vervulling. De gebeurtenissen rondom Mozes bewijzen Gods trouw, maar zijn niet de definitieve vervulling. Gods woord aan Abraham is de inzet van een geschiedenis van partiële vervullingen, verbonden met nieuwe beloften, uitlopend op de komst van de Messias. Vermeerderde… vermenigvuldigde: Zie Ex. 1:7. De beide verba komen veelvuldig voor in het O.T., o.a. in Gen. 1:22, 28; Gen. 28:3; 35:11; 47:27, vooral in verband met de door God beloofde groei van het volk Gods. De hier gebezigde werkwoorden vinden we ook in Hand. 6:7 en 12:24, waar het Woord Gods het onderwerp van de zin is. 19. Terwijl in vs 17 gezegd wordt dat de tijd van de vervulling naderbij komt, lijkt in dit vs de belofte te niet gedaan te worden door de wrede maatregelen van de farao. 20. Schoon voor God: Dwz. schoon in Gods ogen (vgl. Jona 3:3). Er is sprake van geboren worden, opgevoed worden (zie ook vs 21) en onderwezen worden (22). Dezelfde woorden vinden we in Hand. 22:3 mbt. Paulus. We hebben hier te maken met een in de oudheid bekend biografisch schema. 21. Nam de dochter van farao hem aan: Dwz. zij adopteerde hem 22. Alle wijsheid der Egyptenaren: De sobere weergave valt op, vergeleken met hellenistisch-joodse schrijvers, die Mozes tekenen als vader van alle wetenschap en cultuur, uitvinder van letterschrift, scheepvaart, bouwkunst, oorlogswerktuigen, staatsinrichting. Ook de griekse filosofie zou van hem afkomstig zijn. Mozes is in deze visie de ware leermeester der mensheid. Machtig in zijn woorden: In Luc. 24:19 wordt hetzelfde van Jezus gezegd. We hebben in dit vs de eerste parallel tussen Mozes en Jezus, zie ook vs 25,26, 35, 36, 37. 23. Naar zijn broeders… om te zien: Zie Ex. 2:11; Heb. 11:24vv. Ook in Hand. 15:36 is sprake van het omzien van mensen naar mensen. In het O.T. wordt het werkwoord oa. gebruikt voor het handelen van God in gericht of genade. Vgl. voor Gods barmhartig handelen Luc. 1:68, 78; 7:16; Hand. 15:14. 24.0n-rechtvaardig behandelen: Luc. bezigt hier een technischjuridische term. 25. Hij meende, dat…: Deze verklaring voor zijn handelwijze vinden we niet in het O.T. Mozes als boodschapper van vrede en heil is type van Jezus. Ook hij werd verworpen door zijn volk. 29. Twee zonen: Vgl. Gersom en Eliëzer (vgl. Ex. 22; 18:3-4).
30 Veertig jaar: Zie vs 23, 36. Mozes’ leven wordt dus in drie perioden van veertig jaar verdeeld. 30. Verscheen… in de woestijn: God verschijnt aan Abraham in Mesopotamië, is met Jozef in Egypte en openbaart zich aan Mozes in de woestijn, in het land van de ballingschap. De Here is niet gebonden aan stad of land. 31. Kwam een stem des Heren (tot hem): Vgl. Ex. 3:2vv. 32. De God uwer vaderen: In Ex. 3:6 is sprake van het enkelvoud: Uw vader. 35 Deze Mozes, die zij verloochend hadden… heeft God als overste en bevrijder gezonden: In 3:13-14 is sprake van het verloochenen van Jezus door de Joden. Het griekse woord voor ‘overste’ doet denken het in 3:15 en 5:31 gebruikte woord. Bevrijder: een woord met een messiaanse klank. Vgl. Luc. 1:68; 2:38; 21:28; 24:21. Mozes wordt ook hier getekend als type van Jezus. Deze… deze (36) …dit (37) …deze (38): de stijl van de lofprijzing, in de oudheid toegepast op de godheid of de keizer. Stefanus’ woorden over Mozes zijn een weerlegging van de hem ten laste gelegde aanklacht als zou hij lasterlijke woorden aan het adres van Mozes gesproken hebben. 37. Vgl. bv. 3:22. Mozes heeft verwezen naar de komende profeet. 38. Dit vers maakt melding van Mozes’ functie en taak bij de wetgeving. In de vergadering: Het in de griekse vert. gebruikte woord is in het N.T. meestal de aanduiding voor de gemeente van Christus. In de woestijn: De gemeente Gods is pelgrimerende kerk, volk van God onderweg, zie Heb. 12:18-24. Met de engel: In Ex. 19:20 is van een engel geen sprake. In de griekse vert. van Deut. 33:2 is sprake van een engel of van engelen. Zie ook Gal. 3:19.
Met de engel… en met onze vaderen: Mozes stond tussen de engel des Heren en het volk als middelaar, vgl. Deut. 5:5. Levende woorden: Vgl. Deut. 32:47. De wet van God is wegwijzer tot het ware leven. We kunnen in ‘levend’ ook horen: werkzaam, krachtig, leven scheppend. Vgl. Heb. 4:12; 1 Petr. 2:23. 39-41. De Israëlieten wilden niet luisteren, verwierpen de wetgever en daarmee de God van de wet. Ze wendden zich in hun harten naar Egypte, dwz. ze vervielen tot afgoderij. Vgl. Ex. 32. Juist in het licht van het voorgaande, waar de grote betekenis van de wet als oorkonde van het verbond en als levende woorden Gods wordt aangegeven, is de houding van de ‘vaderen’ des te schrijnender. Ondanks alle trouwbetuigen aan het adres van wet en tempel, behoren Stefanus’ hoorders tot een volk, dat van meet aan Gods wet veronachtzaamd en de ware dienst van God vaarwelgezegd heeft. 42. God keerde zich af: Wendde het volk zich tot de afgoden, nu wendt God zich op Zijn beurt van het volk af. Gaf hen over: Vgl. Rom. 1:24, 26, 28. God laat hen de bittere vruchten van hun afwending en afgoderij proeven. Om het heir des hemels te vereren: Dwz. de sterren, vgl. Jer. 7:18; 8:2; 2 Kron. 33:3, 5. De sterren werden als levende wezens en goddelijke machten gezien. Gelijk geschreven staat in het boek der profeten: Citaat uit Arnos. 5:25-27, vrijwel naar de LXX. De vraag doet als antwoord verwachten: Nee, we hebben aan de afgoden geofferd. 43. Hebt gij niet… gedragen: Terwijl in de hebr. tekst van Arnos 5 de woorden willen aangeven dat Israel in de woestijn die beelden niet gedragen heeft, drukt het citaat uit dat Israel in de woestijntijd al beelden gedragen heeft. De tent van Moloch: Itt. de tent der samenkomst. Moloch is een god die vereerd werd met vuuroffers en kinderoffers. Dester van de god Rom-pha: In Arnos 5:26 is sprake van ‘Kewan, uw stergod’. Kewan = Saturnus. De griekse vert. van Arnos 5 leest Raiphan. Nog verder dan Baby Ion: Bij Arnos lezen we ipv. Babyion Damascus. In Hand. 7 wordt de profetie aangepast aan de vervulling: de Babylonische ballingschap is de eigenlijke straf voor de ongehoorzaamheid en de afgodendienst van Israel. 44. Met dit vs gaat de toespraak over op het thema ‘tempel’. Allereerst wordt herinnerd aan de woestijntijd. De tent der getuigenis: in Ex. 33 LXX vertaling van ‘tent der samenkomst’. In deze tent vond de betuiging van God plaats, zijn openbaring. Daar werden de wetstafelen bewaard. Maken naar het voorbeeld: Itt. vs 41 is er nu sprake van een legitiem ‘maken’. 45. Tot de dagen van David: Begonnen onder Jozua duurde het proces van de verdrijving der Kanaänieten tot Davids tijd.
46 Een woonstede… voor het huis van Jakob: Dit vs knoopt vermoedelijk aan bij Ps. 132:5. Verschillende handschriften lezen ‘voor de God van Jakob’. Zo ook de SV. In ieder geval wordt gezinspeeld op David’s plan tot tempelbouw (vgl. 2 Sam. 7). Huis als vaste verblijfplaats staat tegenover de tent. 47-48 berichten van de tempelbouw door Salomo. De tempel is een door mensen gebouwd huis voor God, maar mag niet als woning Gods misverstaan worden. Aardse behuizingen kunnen God niet vasthouden, zoals Stefanus zegt in een aanhaling van Jes. 66:1-2. Stefanus vertolkt wat we reeds vinden in het gebed van Salomo, 1 Kon. 8:27. De tempel wordt niet volstrekt afgewezen, maar wel in zijn betekenis gerelativeerd. In zoverre is het een zeer kritisch woord, dat zijn hoorders ergerlijk in de oren geklonken zal hebben. De Allerhoogste: Deze benaming accentueert de verhevenheid en de majesteit van God, als ook de afstand tussen God en de tempel.
51. Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren: Na zijn woorden over de tempel volgt een felle aanklacht aan het adres van de hoorders en hun vaderen, in oudtestamentische bewoordingen (vgl. Ex. 33:5; Lev. 26:41; Deut. 10:16; Jes. 63:10; Jer. 4:4; Ez. 44:7, 9). De onbesnedenheid van het hart heeft te maken met hun ongehoorzaamheid. Reeds de profeten gaven te kennen dat uitwendig besneden-zijn niet voldoende is, maar dat het aankomt op geloofsgehoorzaamheid. Tegen de Heilige Geest: De Geest bedient zich vaak van mensen. Stefanus is vol van de Geest. Verzet tegen de boodschappers en hun boodschap is verzet tegen de Geest. 52. Vgl. Mat. 5: 12; 23:29-37; Luc. 13:33. Het O.T. spreekt op enkele plaatsen over vervolging van de profeten. In de latere joodse literatuur is de gedachte van het martelaarschap van de profeten zeer verbreid. De komst van de Rechtvaardige: Het voor ‘komst’ gebezigde woord heeft messiaanse klank. De Rechtvaardige is de Messias (vgl. Hand. 3:14). De hoorders van Stefanus bewegen zich in het spoor van hun vaderen. Hebben die de profeten vervolgd, zij hebben Jezus verworpen en gedood. Lucas gebruikt ‘verraden’ in zijn evangelie voor Judas (Luc. 6: 16). 53. Vgl. Gal. 3:19 en Heb. 2:2. We vinden de gedachte van de bemiddeling door engelen in joodse geschriften uit de intertestamentaire periode.
Dat zijn hoorders de wet niet hebben gehouden, is een schrijnende aanklacht, nb. aan het adres van de joodse religieuze leiders.
7:54-8:3 De dood van Stefanus en de vervolging van de gemeente
54. Toen zij dit hoorden: Vermoedelijk moeten we denken aan een onderbreking. De hoorders hebben meer gehoord dan hen lief was. Knersten de tanden: Zie Ps. 35: 16. 55. Vol van de Heilige Geest: Dat was reeds gezegd in 6:5. De herhaling juist op dit moment laat uitkomen, dat het de Geest is die uitzicht schenkt. Sloeg de ogen ten hemel: Vgl. 1:10. Jezus, staande ter rechterhand Gods: Stefanus is getuige van de verhoogde en verheerlijkte Jezus. Ipv. ‘zitten’ is hier sprake van het ‘staan’ van Jezus. Zitten is teken van macht van de heerser. Het ‘staan’ kan betekenen dat Jezus in de hemel is om te dienen en zijn macht dienstbaar te stellen aan Stefanus. We kunnen ook denken aan de Here, die opstaat ten gerichte. En niet in de laatste plaats aan Jezus als degene, die in actie komt om zijn bedreigde knecht bij te staan en hem te ontvangen. 56. De hemelen geopend: Dwz. er is een bijzondere relatie met God. (vgl. Gen. 28:12-19; Joh. 1:51). Zoon des mensen: Vgl. Dan. 7:13. In de evangeliën wordt deze titel steeds door Jezus zelf gebruikt. Ons vs is de enige plaats buiten de evangeliën, waar deze uitdrukking voorkomt. Staande ter rechterhand Gods: Zie vs 55. De woorden zijn een citaat uit Ps. 110, (zie Hand. 2:34). Stefanus woorden doen denken aan Mat. 14:62. 58. Zij wierpen hem de stad uit: Vgl. Lev. 24:16; Joh. 19:17; Heb. 13:12-13. Stenigden hem: de straf voor de lastering van God (vgl. 6:11; Lev. 24: 10vv).
Getuigen: De eerste getuige wierp de veroordeelde naar beneden. De tweede gooide hem een steen op het hart. Vervolgens gooide zo nodig het volk nog (vgl. Deut. 17: 7). Saulus: Lucas loopt hier reeds vooruit op het vervolg, door in ons vs, evenals in 8:1, 3 Saulus te introduceren als tegenstander. In Hand. 9 zal hij berichten van diens bekering en roeping. De naam Saulus is de griekse vorm van Sjaoel (= de gevraagde). Zie Hand. 22:20.
59. Die de Here aanriep: Vgl. 2:21. Ontvang mijn geest: Vgl. Luc. 23:46. 60. Stefanus bede voor zijn vervolgers herinnert aan Luc. 23:34. We vinden in dit gedeelte allerlei overeenkomsten met het proces van Jezus en zijn kruisdood. De eerste martelaar gaat de weg van zijn Here. 8:1. Zware vervolging: Uit het vervolg blijkt dat de aanval zich vooral richt op de griekssprekende jodenchristenen. Verstrooid: Het griekse woord betekent letterlijk uiteenslaan in losse delen, zodat het contact verloren gaat en ondergang dreigt. Wat verstrooid is, is waardeloos geworden. In de LXX en de buitenbijbelse joodse literatuur wordt het werkwoord dikwijls gebruikt ter aanduiding van het straffend oordeel van God (bv. Lev. 26: 33; Deut. 30:1-4; Jer. 13:24). De Joden beschouwden de verstrooiing, de Diaspora, als een vloek. 2. Vrome mannen: We moeten denken aan geestverwanten, christenen. Grote rouw: Nl. de dodenklacht. 3. Zie 1 Kor. 15:9; Gal. 1:13; Filp. 3:6; 1 Tim. 1:13.
Filippus te Samaria 8:4-25
Lucas beschrijft in dit gedeelte hoe een nieuw punt van het in 1:8 vermelde ‘program’ tot uitvoering komt: Vanuit Jeruzalem verbreidt het Evangelie zich naar het land van de Samaritanen. Naast Stefanus komt Filippus als een van de zeven in het licht te staan. Ook hier wisselen licht en donker elkaar af. De figuur van Simon Magus en zijn handelwijze laat zien, hoe er ook verzet tegen de boodschap is, van de kant van de in de antieke wereld wijdverbreide magie.
4.Verstrooid… verkondigende: In de nood van vlucht en verstrooiing blijkt een zegen verborgen te zijn. God gebruikt de vreemde weg van de verstrooiing om de boodschap van zijn heil verder te brengen. Men wordt gedwongen van Jeruzalem weg te gaan naar de wereld toe. De verstrooiing leidt tot vorming van nieuwe gemeenten. De beweging gaat via Samaria (8:4) naar Antiochië (11: 19-20) en zo naar de einden der aarde. 5. Daalde af: Nl. van het hoog gelegen Jeruzalem. De stad van Samaria: Bedoeld zal zijn de hoofdstad van het land, die door Herodes de Grote Sebaste ipv. Samaria genoemd was. Een tekstvariant leest ‘een stad’. In dat geval denkt men wel aan Gitta, de plaats waar volgens de kerkvader Justi-nus Simon geboren zou zijn. Predikte: Het griekse woord betekent ‘proclameren’. Het is het werk van de heraut. 6. Tekenen: evenals bij Jezus en de apostelen gaat ook hier de verkondiging gepaard met daden van genezing van zieken en uitdrijving van boze geesten. Hielden zich eenparig: Het zullen met name de tekenen geweest zijn, waardoor de Samaritanen geloofden. In vs 10 wordt hetzelfde werkwoord gebruikt voor de houding van de scharen t.o.v. Simon. 8. Blijdschap: Vgl. Luc. 1: 14; Hand. 8:39; 13:48, 52; 15:3. Bedoeld is wel de vreugde om het ontvangen heil.
9.Simon: Lucas tekent hem als tovenaar, wiens optreden het volk van Samaria buiten zichzelf bracht. Met ‘ma-gier’ kan in de antieke wereld zowel een vertegenwoordiger van geheime wijsheid en kennis bedoeld zijn als een religieuze kwakzalver en charlatan. Uit vs 10 blijkt, dat men hem vereerde als een soort goddelijke figuur. Kerkvaders noemen hem de stichter van de gnosis en de vader van alle ketterijen. Iets groots: Vgl. Hand. 5:36. 10. De grote kracht Gods: Het Jodendom kende allerlei krachten als goddelijke machten, tussenwezens tussen God en mens. ‘Kracht’ kan ook een joodse omschrijving zijn van de Naam. Wellicht hebben allerlei religieuze voorstellingen zich met deze benaming verbonden, tekenend voor het syncretistisch klimaat van deze samaritaanse religieuzi teit. 12. Geloof geschonken: Van welke aard dit geloof is geweest, wordt niet gezegd. Opvallend is dat gezegd wordt: zij schonken geloof aan Filippus. Het koninkrijkGods… de Naam van Jezus Christus: De prediking van het Koninkrijk – het grote thema van Jezus’ prediking -wordt verbonden met de prediking van de Naam van Christus. Jezus, de opgestane is de Here. 13. Ook Simon… kwam tot geloof: Uit vs 21 blijkt dat hier niet gedacht moet worden aan het waarachtige geloof, waardoor mensen behouden worden. Lucas gebruikt het woord in een algemene zin. Bleef… bij Filippus: Dwz. hij week niet van zijn zijde. De man die imponeerde door magische kunsten wordt nu zelf geimponeerd door de tekenen en wonderen van Filippus. 14. Het gebeuren in Samaria wekt aandacht in Jeruzalem. Petrus en Johannes gaan het resultaat van Filippus’ arbeid bezien. De moedergemeente Jeruzalem weet zich verantwoordelijkheid voor de verbreiding van het Evangelie. Het bezoek van de apostelen onderstreept de eenheid van de gemeente. Aanvaard: Vgl. 11:1; 17:11. 15. Het gebed is er op gericht dat de Samaritanen in de weg van het waarachtig geloof de gave van de Heilige Geest zouden ontvangen. 16. Zij waren alleen gedoopt: Een engelse bijbelvertaling geeft het woordje ‘alleen’ weer met: ‘dat en niets meer’, dwz. de Samaritanen hadden wel de rite van de doop ondergaan, maar de betekende zaak, nl. de Geest, niet ontvangen. Geloof en doop dienen samen te gaan. 17. Vgl. bij 6:6.
18. Bood hij hun geld aan: Simon wil voor geld de macht kopen om de gave van de Geest door handoplegging te kunnen verlenen. Wat de apostelen doen, dreigt aldus in de sfeer van de magie getrokken te worden. In de antieke wereld waren er velen, die zich voor hun religieuze praktijken flink lieten betalen. Wat Simon beoogt is het volstrekte tegendeel van het werk van de Geest. In de kerkgeschiedenis wordt later het kopen van geestelijke ambten ten eigen bate aangeduid als simonie 20. De Geest is gave; men kan er niet over beschikken. Met u: Een oordeelswoord ook over Simon. 21. Petrus trekt een grens tussen Simon en de gemeente. De gemeente van Christus heeft niet van doen met magische praktijken. Uw hart is niet recht voor God: Vgl. Ps. 7:11; 32:11; 36:11; 78:37. 22. Omkeer en gebed hangen nauw samen. 23. Hoe het met Simon gesteld is, wordt gezegd met aan het O.T. herinnerende bewoordingen, nl. Deut. 29:17; Jes. 58:6. 24. Simon maakt een verslagen indruk. Hij is evenwel meer tot zwijgen gebracht, dan dat hij tot inkeer is gekomen. De vraag om voorspraak kan evenzeer uit een magische gedachtenwereld voortkomen. Het gebed van de apostelen beschouwt hij als machtiger dan het zijne. 25. Keerden zij terug: nl. de apostelen.
Filippus en de ethiopische eunuch 8:26-40
In dit tweede bericht over Filippus duidt Lucas een verdere missionaire expansie aan, die uitgaat boven hetgeen tot dusver bericht is. Het Evangelie overschrijdt steeds nieuwe grenzen. Een kamerling, een eunuch, uit Ethiopië, behorend tot de zgn. ‘Godvrezenden’, of ‘vereerders van God’ komt tot geloof en wordt gedoopt. Deze ‘Godvrezenden’ waren heidenen, die zich aangetrokken voelden tot de joodse religie, de synagoge bezochten, die zich aan bepaalde geboden hielden, maar niet het volledige ‘juk van de Wet’ op zich namen. In Handelingen wordt op verschillende plaatsen over hen gesproken. Hoewel de ontmoeting waarvan dit gedeelte vertelt binnen degeestelijke horizon van Israel lag, vormt het bericht toch een fase op de weg naar de verkondiging aan de heidenen.
26. Engel des Heren: Het is God zelf die het initiatief neemt. Zie ook vs 29, waar de Geest Filippus instrueert. Tegen de middag: De middagtijd was de tijd waarop ieder rust en niemand reist. Dat verklaart ook de opmerking dat de weg eenzaam is. Het tekent het zo vaak in Handelingen voorkomende, naar menselijke berekening vreemde bevel. Filippus, die in Samaria een groot arbeidsterrein heeft, moet op een tijd waarop niemand reist, een weg opzoeken die ‘leeg van mensen’ is, zodat een prediker daar naar het schijnt niets te zoeken heeft. Een andere (mogelijke) vertaling is ‘naar het Zuiden’. Wij kiezen gezien het verband voor de vertaling van het NBG. De weg… naar Gaza: Gaza is de laatste grote stad van Judea, dicht bij de Middellandse zee, een handelsstad, knooppunt van karavaanwegen. 27. Hij stond op en ging: Hier weer het thema van de gehoorzaamheid aan Gods bevel. Vgl. daarentegen Jona 1:1-3; zie ook 1 Kon. 17:9; Ez. 3:22; Jona 3:2. En zie: Lucas laat daarmee het onverwachte uitkomen. Een Ethiopiër: dwz. een Nubiër uit het ten zuiden van Egypte gelegen gebied aan de Boven-Nijl, tussen Assuan en Khartoem, het huidige Soedan. Een kamerling: Dwz. een eunuch. Eunuchen waren in het oude Oosten dienaren en wachters bij de vrouwenvertrekken, dan ook vertrouwelingen en hoge ambtenaren. Deut. 23:1 zegt dat een ontmande niet in de gemeente des Heren zal komen. Maar de profetie van Jes. 56:3vv ziet in de heilstijd dit verbod opgeheven. Deze profetie staat op de achtergrond van deze perikoop. Rijksgrote van Candace: Het rijk werd geregeerd door een koningin, die de titel Candace droeg. De kamerling was hoofdschatbewaarder, een functie die we ook bij de Perzen vinden. Om te aanbidden: De pelgrimstocht tekent zijn liefde voor de joodse religie.
29. Op de terugreis leest hij de schriftrol van Jesaja, die hij kennelijk in Jeruzalem heeft aangeschaft wat voor een niet-jood niet zo makkelijk geweest zal zijn. 29. Zie bv. vs 26. 30. Hoorde… lezen: In de oudheid las men steeds hardop. Men schreef zonder ruimte tussen de woorden en zonder leestekens; dan is hardop lezen gemakkelijker en bovendien bevorderde dit de welluidendheid. Verstaat gij wat gij leest: de griekse tekst bevat een niet te vertalen woordspeling. Filippus vraag verwacht een ‘neen’. 31. De weg wijst: Vgl. het substantief ‘gids’ in 1:16. 32. Het gedeelte van de Schrift: een andere mogelijke vertaling is ‘de inhoud van het schriftwoord’. Het citaat is een aanhaling naar Jes. 53:7-8, LXX, de profetie van de lijdende Knecht des Heren, een voor de eerste gemeente centrale christologische tekst. 34. De eunuch stelt de vraag, die tot op de dag van vandaag vele uitleggers bezig houdt. 35. Filippus verkondigt uitgaand van dit schriftwoord (vgl. Luc. 24:27) Jezus. Hij is de Knecht des Heren, die de weg ging van vernedering naar verhoging, de lijdende Rechtvaardige (vgl. vs 33 a: Mogelijk is hierin een zinspeling op de opstanding te beluisteren). Het ‘uitgaande van dat Schriftwoord’ impliceert, dat Filippus zich niet tot Jes. 53 beperkt heeft, maar in overeenstemming met het missionaire onderwijs, andere gedeelten uit het O.T. zal hebben aangehaald om te verkondigen dat Jezus de beloofde Messias is (vgl. de toespraken in Hand. 2 en 3).
36. De eunuch wil gedoopt worden en spreekt daarmee impliciet zijn geloof uit in de prediking van Filippus. Zie, daar is water: een in die dorre, waterarme streek zeldzaam fenomeen. Men zal moeten denken aan een waterrijke wadi. Wat is er tegen: De SV vertaalt: ‘wat verhindert mij…’ Het woord ‘verhinderen’ wordt ook in Mat. 3:14; Hand. 10:47 en 11:17 in verband met de doop gebruikt, en in Mar. 10:14 in verband met de zegening van de kinderen door Jezus, een perikoop die al vroeg in de oude kerk betrokken is op de kinderdoop. Sommige zien het woord ‘verhinderen’ als een terminus technicus uit een liturgische doopvraag. 37. Dit vs staat in de vert. van het NBG tussen haken. Het komt maar in enkele handschriften voor en is vermoedelijk een toevoeging. Vgl. voor de woorden Mat. 16:16; Joh. 20:31. 38. Met de doop gaat Jes. 56:3vv in vervulling: de eunuch is opgenomen in de gemeente van de Here. 39. De Geest van de Here voert Filippus weg van de plaats van de doop naar Asdod. Vgl. voor de uitdrukking 2 Kon. 2:16; Ez. 3:4; 8: 3. Asdod lag ten N.O. van Gaza. 39. Hij zag hem niet meer, want de ontmoeting met Filippus heeft haar doel bereikt. Hij vervolgt zijn weg met blijdschap, vgl. 5: 22.Caesarea: Zie Hand. 21:8.
Bekering en roeping van Paulus 9:1-22
Het bericht van de bekering van Saulus/Paulus is een van de sleutelverhalen van Handelingen. Driemaal wordt dit gebeuren in Handelingen verteld: Eenmaal in de vorm van een verhaal, tweemaal in toespraken van Paulus (22:4-16; 26:9-18). Daarnaast zijn er verschillende uitspraken in de brieven, die op het zelfde gebeuren betrekking hebben (Gal. 1:11-16; 1 Kor. 15:8-10; Filp. 3:69; lTim. 1:12-17). In Hand. 7:58 en 8:1,3 was zijn naam al genoemd. Van vervolger van Jezus en zijn volgelingen wordt hij gemaakt tot discipel en getuige van Christus. Na het verhaal over zijn bekering en roeping volgt in Hand. 10 en 11 het bericht over de prediking tot Cornelius als overgang tot de zending onder de heidenen. In Hand. 13 begint het bericht over Paulus’ zendingswerk. 1. Saulus: Zie bv. 7:58. De joodse naam Saulus herinnert aan de naam van de eerste koning van Israel Saul, eveneens afkomstig uit de stam Benjamin (vgl. Filp. 3:6). Vanaf Hand. 13:9 gaat Lucas de romeinse naam Paulus gebruiken. Als romeins burger had Paulus drie namen: voornaam, familienaam en een toegevoegde naam, een ‘cognomen’. De naam Paulus is de toegevoegde naam. Dreiging en moord blazende: Het woedend optreden tegen de christenen van deze ijveraar voor de wet is wel tegengesteld aan de gematigdheid van zijn leermeester Gamaliël, vgl. 26:10-11; 2. Brieven naar Damascus: De brieven geven Saulus volmacht uit naam van het Sanhedrin te handelen. Volgens dit vs strekte de bevoegdheid van de joodse Raad zich uit tot de joodse gemeenschap in deze belangrijke syrische handelsstad. Die van die weg waren: de volgelingen van Jezus Christus worden hier ‘zij die van de weg zijn’, genoemd (vgl. 18:25-26; 19:9, 23; 22:4; 24:14, 22). Wie zich bekeert, komt op de weg des Heren, die Hij gebaand heeft en die Hij wijst aan wie in Hem geloven. ‘Weg’ is in het bijbels spraakgebruik de aanduiding voor een bepaalde stijl van leven. (vgl. Ps. 86:11; 119; 139:24; Spr. 3:6). 3. Licht uit de hemel: Inhet O.T. teken van de verschijning van God (Ex. 24: 15vv; Ps. 29:7; 97:lw; Ez. l:4vv). Zie ook Mat. 17:2. Ter aarde gevallen: De vervolger wordt zijn kracht en activiteit ontnomen. Van nu aan zal hij slechts als instrument van zijn Here in staat zijn tot activiteit. 4.Saul, Saul: Vgl. 1 Sam. 24:14; 26:18. Waarom vervolgt gij Mij?: Jezus treedt Saulus tegemoet als rechter. In de volgelingen van de gemeente wordt Jezus zelf vervolgd (vgl. Mat. 10:40; 25:40, 45; Joh. 13:20; Hand. 4:27). 6. Wat gij doen moet: Nl. wat de Here wil, dat hij zal doen. De verhoogde Here is zijn opdrachtgever geworden. 7. Die met hem reisden: Bedoeld zijn willekeurige medereizigers in de karavaan. 8-9: De blindheid is uitdrukking van zijn hulpeloosheid. At of dronk niet: Dit vasten begeleidt het gebed waarvan in vs 11 sprake is (vgl. Luc. 2:37). Het is een uitdrukking van boete en voorbereiding.
10. Ananias: Waarschijnlijk inwoner van Damascus, die via de prediking van uit Jeruzalem gevluchte predikers christen geworden was. Zijn naam duidt op joodse afkomst. 22:2 tekent hem als jodenchristen die de wet onderhield. Zie, hier ben ik: vgl. Gen. 22:1-2; 11-12; 1 Sam. 3:4. 11. De Rechte: de van Oost naar West door Damascus lopende hoofdstraat, geflankeerd door zuilenrijen, met portieken bij de kruispunten en poorten aan de uiteinden, een in oudheid beroemde straat. Iemand uit Tarsus. Tarsus was hoofdstad van Cilicië, in het Z.O. van Klein-Azië. Belangrijke hellenistische stad, centrum van de Stoa, trefpunt van allerlei godsdienstige stromingen. De stad kende een joodse minderheid, vgl. 21:39; 22:3. Zie: het onverwachte vindt plaats. De vervolger is in gebed verzonken. 12. Op indirecte wijze wordt aan Ananias gezegd, wat hij moet doen. 13-14. Het naar de mens gezien dwaze bevel roept tegenspraak op. Uw heiligen: de christenen, geheiligd door God en aan Hem toegewijd, vgl. bv. 9:32,41; 26:10; Rom. 1:7. De gelovigen behoren Christus toe. Die uw naam aanroepen: Vgl. 2:21.
15. Het bevel wordt herhaald. Uitverkoren werktuig: Vgl. Jer. 18:3-6, Rom. 9:21-23. De verkiezing tot heil en tot dienst zijn met elkaar verbonden. Om mijn Naam te brengen: Lett, te dragen, dwz. te beüjden. Heidenen, koningen, de kinderen Israels: Vgl. Mar. 13:9; Luc. 21:1217. De voormalige vervolger wordt belijder en getuige.
16. Lijden: Op bijzondere wijze is Paulus van Christuswege bestemd te lijden om het getuigenis. In het lijden krijgt de verkondiging mede gestalte. 17. Ging heen en kwam: Hier weer het motief van de gehoorzaamheid aan Gods opdracht. Legde hem de handen op: In 6:6 werd de handoplegging genoemd in verband met de toerusting tot een ambt; 8:17 in verband met de vervulling met de Geest. In 28:8 in verband met genezing. 13:3 vermeldt de handoplegging bij de uitzending van Barnabas en Saulus. Hier ivm. het weer zien en de vervulling met de Geest. Broeder: Niet alleen aanduiding van de volksgenoot, maar vooral vanwege de verbondenheid in Christus. Jezus, die u verschenen is: De opgestane Here is hem ontmoet, vgl. 1 Kor. 15:8; Gal. 1:16. 18. Als schubben: Uitdrukking, geformuleerd in aansluiting aan medische terminologie. Van zijn ogen vallen a.h.w schubben. Gedoopt: Door Ananias. 19. Voedsel: De vastenperiode is voorbij.
de synagogen waarheen hij gezonden was om actie te ontketenen tegen de christenen, gaat Paulusterstond verkondigen, dat Jezus de Zoon van God is. Er was kennelijk nog een nauwe relatie tussen de Messiasbelijdende Joden en hun volksgenoten. De ijveraar voor de wet is getuige van Christus. 21. Stonden verbaasd: Gezien het verleden van Paulus (vgl. 9:1-2) wekt zijn optreden verbazing. 22. Trad steeds krachtiger op: Paulus geestelijke kracht neemt toe; daardoor wordt ook zijn getuigenis krachtiger. Te bewijzen: Nl. uit de Schriften van het O.T. Vgl. 17:3; 18:5.
Vlucht uit Damascus en eerste bezoek in Jeruzalem 9:23-30
23. Het aangekondigde lijden komt in zicht. De Joden: De niet in Jezus gelovende Joden. Het woord drukt distantie uit tot de gemeente. 24-25: Vgl. 2 Kor. 11:32-33, waar sprake is van de stadhouder van de Nabateeënko-ning, Aretas IV. Het is niet zo duideüjk, hoe we ons de samenhang moeten denken tussen de Joden en deze stadhouder. Was de laatste benoemd om toezicht te houden op de in Damascus samenstromende Bedoeïnen? 25. Zijn discipelen: Dat zou duiden op christenen die onder Paulus tot geloof gekomen waren. Misschien moeten we op grond van een andere lezing vertalen: de discipelen namen hem. Zakken: Vgl. Joz. 2:15. Lucas zwijgt over een bezoek aan Arabië waar Gal. 1:17vv over spreekt.
26. Schuwden hem: In Jeruzalem overheerst wantrouwen, vgl. vs 13, 21. 27.Barnabas treedt als bemiddelaar op. Vrijmoedig… opgetreden: Zie bij 4:29, 31. Zie bij deze vss Gal. 1:18vv. 28. Ingaan… uitgaan: Dwz. voortdurend verkeren met. 29. Vrijmoedig… in de Naam des Heren: Openlijk verkondigt Paulus Jezus de Christus. De aanroeping van de Naam geeft vrijmoedigheid. Dit onverschrokken optreden wekt verzet. Griekssprekende Joden: Vgl. bij 6:1. In 6:9 worden Joden uit Cilicië genoemd. Misschien onderhield Paulus relaties met hen. De geschiedenis van Damascus herhaalt zich. Men probeert hem te doden. 30. Weer zijn het de medechristenen die hem helpen. Zij begeleiden hem naar de havenstad Caesarea. Van daaruit vertrekt Paulus naar zijn geboortestad Tarsus. Zie Gal. 1:21.
Samenvattend bericht over de gemeente 9:31.
De gemeente: In dit samenvattend bericht wordt over de gemeente in verschillende regio’s gesproken in het enkelvoud. Vanuit Jeruzalem heeft de gemeente zich verspreid over Judea, Galilea en Samaria. Van Evangelieprediking in Galila maakt Hand. geen melding. Lucas schetst de situatie als een toestand van vrede, dwz. eendracht. Bij joodse en hellenistische schrijvers werd de vrede van de staat gezien als ideaal contra twist en rebellie. In Hand. 19 schetst Lucas een ekklesia, dwz. een volksvergadering, gekenschetst door tumult. Opgebouwd: vgl. 20:32. De achtergrond van het spreken over opbouw vinden we in Jer. 1:10; 24:6. In de brieven is herhaaldelijk sprake van de opbouw van de gemeente, o.a. door de profetie en het onderricht. Wandelde in de vreze des Heren: Alleen in dit vs gebruikt Lucas de voor de oudtestamentische vroomheid zo tekenende uitdrukking (vgl. Deut. 4: 10; 8:6; Ps. 119:74; Spr. 14:26-27). In Ps. 34:12; 119:165 vinden we eveneens het verband tussen ‘vrede’ en ‘vreze des Heren’. In de SV zijn de woorden verbonden met ‘vermenigvuldigd worden’. Taalkundig is dit mogelijk.
Maar de oudtestamentische achtergrond pleit er voor de wandel in de vreze des Heren te betrekken op de vredestoestand van de gemeente.
Nam in aantal toe: Opbouw en uitbouw hangen samen. Bijstand: Het griekse woord paraklèsis kan ook de wervende heilsverkondiging aanduiden. De toename is vrucht van de door de Geest bepaalde prediking.
Het begin van het getuigenis onder de heidenen 9:32-16:5
Petrus in Lydda en Joppe 9:32-43
Tot en met Hand. 12 treedt Petrus, na Stefanus, Filippus en Saulus naar voren. Lucas vertelt in deze perikoop een tweetal gebeurtenissen in Judea, getuigend van de kracht van Jezus Christus tot genezing en nieuw leven. De gemeente in Judea breidt zich uit.
Lydda: Gelegen tussen Jeruzalem en Joppe is de griekse naam voor de stad Lod. 33. Aeneas: Wanneer het ‘daar’ terugslaat op ‘de heiligen’, dwz. de gemeente, valt daaruit af te leiden, dat Aeneas christen is geweest. Ondanks zijn griekse naam is hij christen van joodse afkomst. 34. Het is Jezus, de Messias die geneest, vgl. 3:16. Hij stond… op: Dwz. hij geeft gehoor aan het woord. 35. De indruk, die de genezing wekt, is groot. Velen komen tot bekering. Saron: De Saron-vlakte loopt van Lydda-Joppe naar de Karmel.
36.Joppe, hebr. Jafo, het huidige Jaffa, ligt ten westen van Lydda aan de kust. In 144 v Chr. was deze oude filistijnse havenstad door de Maccabeeën veroverd en behoorde sindsdien tot Judea. Tabitha… Dorcas: Zowel de arameese als de griekse naam betekenen ‘gazelle’. Discipelin: Het is de enige keer dat dit woord in het N.T. gebruikt wordt. Goede Vlerken… aalmoezen: zij beantwoordde aan het ideaalbeeld van joodse en jodenchriste-lijke vroomheid. Dat zij een ambtelijke functie had valt uit dit vs niet af te leiden. 37. Gewassen: Overeenkomstig een joods rouwgebruik. De begrafenis, die gewoonlijk in aansluiting daaraan plaatsvond, wordt uitgesteld. 38: Men laat Petrus komen. Kennelijk hoopt men op een wonder. 39-40: Vgl. 1 Kon. 17:17vv en 2 Kon. 4:21 w. Weduwen: Zij houden de dodenklacht. Uit 1 Tim. 5:3 w is af te leiden dat de weduwen in de oude christelijke gemeente als groep met een eigen functie gezien werden; het is de vraag, of we in dit vs al aan die functie moeten denken. 40. Zond… naar buiten: Vgl. 2 Kon. 4:33; Mar. 5:40. En bad: De apostel beschikt niet over de wonderkracht. Het is de Here die doet opstaan. 42. Vgl. vs 35. 43.Simon, een leerlooier: Leerlooier was een verachtelijk beroep bij de Joden. Het werd beschouwd als onrein makend. Petrus toont daarmee zijn innerlijke vrijheid. De door de joodse cultuswetten getrokken grenzen tussen rein en onrein zijn in de gemeente van Christus opgeheven. Al laat het vervolg zien, dat Petrus nog niet alle consequenties uit dit feit getrokken had. Toch geeft de mededeling een zinspeling op wat volgt in Hand. 10.
Petrus en Cornelius 10:1-48
Dit gedeelte markeert een belangrijke mijlpaal. Het Evangelie gaat naar de wil van God ook naar de heidenen. Met het verhaal van Cornelius geeft Lucas, na het bericht over de bekering van Paulus, de apostel der volken, de inzet tot het derde thema van Hand. 1:8: de prediking in de volkenwereld tot de einden der aarde. De lengte van het verhaal (10:1-11:18) en de herinnering eraan in Hand. 15 laten de betekenis van deze episode zien. 1.Caesarea: oorspronkelijk kleine nederzetting van de Sidoniërs, Stratons-toren genoemd. Door Herodes de Grote weer opgebouwd en voorzien van een haven, kreeg de stad ter ere van Herodes’ begunstiger, keizer Augustus, de naam Kaisareia Sebaste. Er waren grote theaters en paleizen. Na 6 n. Chr. werd de stad zetel van de romeinse stadhouder. De bevolking was overwegend heidens. Volgens 8:40 en 21:8 leefde Filippus er vele jaren. Cornelius: gebruikelijke romeinse naam. Hij is centurio, hoofdman over honderd, van de Italiaanse cohorte. Een cohorte is het tiende deel van een legioen, 600-1000 man sterk. De ‘Cohors II Militaria Italica’, een in Italië uit vrijgelatenen, die het romeins burgerrecht bezaten, gevormde boogschutters-eenheid was later naar Syrië verplaatst. Tot in de 2e eeuw was zij daar gestationeerd. 2. Lucas tekent Cornelius als Godvrezende of vereerder van God, behorend dus tot de groep niet-Joden die de synagoge bezochten. Voor een militair was het onmogelijk het beroep te combineren met het onderhouden van de gehele wet. Proseliet worden lag dus niet voor de hand. Aalmoezen: Vgl. Luc. 7:5. Geregeld… bad: Zie ook de vss 4, 31. Het gaat in dit verhaal dus om een heiden, die via de synagoge tot de gemeente van Christus komt.
3.Negende uur: Zie 3:1.4. Voor God in gedachtenis gekomen: Gebeden en aalmoezen worden voor Gods aangezicht vermeld, maar blijven bewaard, ingeschreven in net gedachtenisboek. Het heeft te maken met gebedsverhoring. Dat het hier de gebeden betreft van iemand die in wezen een heiden is, is het bijzondere. Naar joodse opvatting kon hij bidden en weldoen, zoveel hij wilde, hij kon nimmer zeker zijn van de verhoring. Het vervolg van Hand. 10 toont hoe deze toezegging van de verhoring geloofd en gezien wordt. 6. Deze is de gast: ‘Als gast wonen’ vgl. ook vs 18, 32. 7. Uit vs 2 valt af te leiden dat de huisslaven, evenals de soldaten behoorden tot de God-vrezenden. 8. Naar Joppe: Ongeveer van Caesarea gelegen.
9.Na de biddende Cornelius ontvangt nu de biddende Petrus de boodschap van Godswege, die nodig is voor de ontmoeting. 10. Hij werd hongerig: De Joden aten in het algemeen 2x per dag, aan het eind van de morgen en aan het eind van de middag. In zinsverrukking: Er komt een geestvervoering over hem. 11. Voorwerp: Lett. vat. 12. De beschrijving van de inhoud geschiedt in bewoordingen die herinneren aan het bericht over de schepping (Gen. 1:24) en de zondvloed (Gen. 6:20), vgl. ook Rom 1:23. De meerderheid van deze dieren gold voor de Joden als onrein. 13. Dit vreemde bevel gaat tegen de rituele reinheidswetten in. Weer het motief van het vreemde bevel en dat van gehoorzaamheid of verzet. 14. Onheilig en onrein: Vgl. Lev. 11 en Deut. 14:3vv. Geenszins: Zie Ez. 4:14. 15. Petrus mag niet onrein verklaren, wat God rein verklaard heeft. God zelf heeft de barrière tussen Israel en de onreine heidenen geslecht door het komen van Jezus Christus en zijn werk. Ook de heidenen ontvangen deel aan het heil door het geloof in Christus. In tweede instantie wordt ook de afwijzing van onreine spijzen opgeheven. Zie Hand. 15:9. 16. Tot drie maal toe: Dat bekrachtigt hetgeen getoond en gezegd is. Gods wil is onweersprekelijk.
17-23: De eerste ontmoeting tussen Petrus en de afgezanten van Cornelius.Voorportaal: het poortgebouw, dat door de hof van het huis gescheiden was. 18. Geroepen: Men kende ook het kloppen. 19. Uit vs 17 en dit vs blijkt hoe Petrus verlegen is met hetgeen hem getoond is. Het is de Geest die tot Petrus spreekt. God grijpt in. 20. Ik heb hen gezonden: Het werk van de engel is tegelijk het werk van de Geest. Via beiden handelt God. Opmerkelijk is, dat de Geest geen uitleg van het visioen geeft. Petrus moet zonder te aarzelen gehoor geven aan het bevel en met de afgezanten naar Caesarea reizen. 22. Rechtvaardig: Hetzelfde wordt ook gezegd van Zacharias en Elizabeth (Luc. 1:6), van Simon (2:25) en Jozef van Arimathea (23:50). Tehoren, wat gij zeggen zult: Dit is vergeleken met vs 5 opnieuw een element, vooruitwijzend naar de vss 34-43. 23. Petrus overtreedt de joodse regels voor de omgang met niet-Joden.
25. Cornelius bewijst Petrus eer alsof hij een bovenmenselijk wezen is. Dit typeert de heidense instelling. De heiden dreigt steeds de grens tussen God en mens uit te wissen. 26. Ik ben zelf ook een mens: Vgl. 3:12; 14:1 lw; 28: 6. 27. Kwam hij binnen: Evenals in de voorafgaande verzen schetst Lucas de gehoorzaamheid van Petrus aan het goddelijk bevel. 28. Doen zien: Dwz. tonen, leren, bewijzen. Vgl. bij dit vs vs 15. Wat hier gezegd wordt, wordt in vs 34-35 positief geformuleerd. Zich voegen bij: Hetzelfde woord als in 5:13; 8:29; 17:34. 29. Zonder tegenspraak: Dit onderstreept Petrus’ gehoorzaamheid. 30-32: Vgl. vss 3-8. 30. Juist vóór vier dagen: Eerste dag: verschijning aan Cornelius en vertrek; tweede dag verschijning aan Petrus en aankomst afgezanten; derde dag: Vertrek van Petrus; vierde dag: ontvangst bij Cornelius.
33. Koor het aangezicht Gods: De hoorders staan in Gods tegenwoordigheid. Petrus is immers apostel, toegerust met de volmacht door de Here verleend. Opgedragen: Het gaat om de boodschap die de apostelen op Gods bevel moeten brengen.
34. Geen aanneming des persoons: Een op het O.T. (Deut. 10:17; 2 Kron. 19:7) teruggaande uitspraak, in het N.T. verbonden met het oog op het oordeel van God (Rom 2:11; 1 Petr. 1:17; Ef. 6:8; Kol. 3:25). In het oordeel van God heeft de ene mens, ic. de Jood, geen prerogatief boven de ander. God kijkt bij de toewending van zijn heil er niet naar of iemand Jood of heiden is. 35. Wie God vreest en gerechtigheid doet is God welgevallig. Vgl. Ps. 15:2, de tekening van Gods gunstgenoot Cornelius doet, wat naar het O.T. van de gehoorzame verbondspartner gevraagd wordt. De verkiezing van Israel wordt met deze vss niet ontkend, wel een uitverkorenheidsidee, die niet meer weet van Gods grenzeloze barmhartigheid. Israels verkiezing is immers gericht op het heil der wereld. De toezegging van het heil voor de heidenen begint zich te realiseren. Welgevallig: Vgl. Spr. 15:8 en 16:7 in de LXX. 36. Het woord: Nl. de christelijke heilspredi-king. Inhoud van dit woord is de vrede, het heil door Jezus Christus (vgl. Jes. 52:7; Ef. 2:14-18). Deze is aller Heer: De heerschappij van Christus omvat alle volken, ja heel de wereld. Joden en heidenen kunnen door Hem het heil ontvangen (vgl. Rom. 10:12). 37-41: Herinnering aan wat door en met Jezus heeft plaatsgevonden. Genoemd worden: Het begin in Galilea na de doop, die Johannes verkondigde; de zalving van Jezus met de Geest; de wonderen van Jezus (genezingen, uitdrijving van demonen); zijn dood aan het kruis; de opwekking ten derde dage en de verschijning van de Opgestane. 39. Getuigen: Vgl. 1:21-22. Zie ook 10:42,43. 41. De verbinding van de verschijning van de Opgestane en de getuigen vinden we ook in 1 Kor. 15:5. Lucas beklemtoont de gemeenschap tussen Jezus en de getuigen van de opstanding in de periode tussen Pasen en Hemelvaart (vgl. 1:3; 2:32; Luc. 24:36-43). Gegeten en gedronken: zie Luc. 24:41-42. Het onderstreept de realiteit van de opstanding. De getuigen zijn door God verkozen. Het volk Israel is op hun getuigenis aangewezen. 42-43. De inhoud van de prediking is: Jezus, de opgestane Here, is door God aangesteld als rechter van levenden en doden (vgl. 17:30-31; 2 Tim. 4:1; 1 Petr. 4:5). Dit moet allereerst aan Israel betuigd worden. Cornelius, de Godvrezende, wordt bij Israel gerekend, gezien wat in vs 34-35 staat. 43. De getuigende apostelen geven het getuigenis van de profeten weer. Zij hebben tevoren getuigd van het heil, nl. de vergeving van de zonden, waardoor mensen aan het oordeel ontkomen. Ook Cornelius heeft die vergeving nodig. Het getuigenis omvat dus niet alleen de feiten, maar ook de heilsbetekenis. De verwijzing naar de profeten geeft aan dat de hoorders staat kunnen maken op dit getuigenis.
44. Terwijl Petrus nog sprak: God grijpt in. De gave van de Heilige Geest is zijn volstrekt genadig handelen, dat aan alle menselijk initiatief voorafgaat. Allen: Nl. de heidenen, de kring van Cornelius en de zijnen. 45-46. Hier is de gave van de Geest verbonden met de tongen-taal en het loven van God. Ook over de heidenen: God zelf is hier aan het werk. Hij is het, die zijn Geest ook op de heidenen heeft uitgestort. 47-48. De komst van de Geest is het teken dat God de heidenen heeft aangenomen. Menselijk verzet is niet meer mogelijk. Vgl. voor het ‘weren’ Hand. 8:36. Geen enkel theologisch bezwaar of vooroordeel kan het recht geven deze heidenen de doop te onthouden, nu God Cornelius en de zijnen heeft aangenomen. Evenals wij: Vgl. 2:11; zie ook 11:15, 17; 15:8. Hij beval: Kennelijk heeft Petrus niet zelf gedoopt.
Verantwoording in Jeruzalem 11:1-18
1.Evenals in 8:14 gaat het in deze verzen om de reactie van de gemeente in Jeruzalem op de volgende fase in de prediking van het Evangelie. Hier worden niet slechts de apostelen genoemd, maar ook de broeders van Judea, dwz. de gemeenteleden in Jeruzalem en omgeving. Het Woord Gods aannemen: Dit omschrijft de opname in de gemeente (Luc. 8:13; Hand. 8:14; 17:11; 1 Tess. 1:6). Wij horen in dit vs nog wel geen woord van kritiek, maar een zekere koelheid valt tussen de regels door wel te bespeuren. 2. Na de komst van Petrus in Jeruzalem, komt de kritiek los. Die uit de besnijdenis waren: Dwz. Jodenchristenen. De uitdrukking is kenmerkend voor hun theologische positie en geeft tegelijk het kernpunt van het conflict aan (vgl. 15:5). 3. Het verwijt richt zich tegen een voor wetsgetrouwe Joden ernstig gevolg van de opname van onbesnedenen in de gemeente. Petrus heeft door de tafelgemeenschap met hen te onderhouden zich verontreinigd. Volgens de mening van deze christenen van joodse afkomst kan er geen opname van heidenen in de gemeente zijn, zonder voorafgaande besnijdenis enovername van de wet. De weg tot het behoud liep via de door de besnijdenis gekarakteriseerde overgang naar het Jodendom. Onbesnedenen: Lett, mannen die de voorhuid hebben. 4-5. Petrus verdedigt zich, doordat hij de gang van zaken nog eens van het begin af aan bericht (417). Deze toespraak komt grotendeels overeen met Hand. 10:9-48. Er zijn vergeleken met hoofdstuk 10 enkele varianten in het verhaal, waardoor Lucas twee elementen onderstreept: a. Het handelen van God was absoluut overmachtig. Het ging aan ieder menselijk initiatief vooraf. In vs 14 deelt de engel aan Cornelius reeds het besluit mee van God, dat hij en zijn huis gered zullen worden (vgl. 11:14 met 10:5). Ook vs 15 tendeert in die richting: de Geest valt op de hoorders, toen Petrus begon te spreken (anders 10:44). b. Wat aan de heidenen geschiedde, was een tweede Pinksterfeest: Op de heidenen is de Heilige Geest gekomen ‘evenals in het begin ook op ons’ (vs 15). Met de verwijzing naar het woord van de opgestane Here over de doop met de Heilige Geest (1:5) onderstreept Petrus in vs 16 de parallel met het gebeuren waar Hand. 2 van vertelt. Wat in Caesarea geschied is, is een beslissende fase in het heilsplan van God. De weg naar de einden der aarde ligt nu open. 14. Gij en uw hele huis: Het huis omvatte niet alleen de familieleden, maar allen die onder de zeggenschap van het hoofd van de familie stonden: slaven, huisbeambten enz. In Hand. is vaker sprake van mensen die tot geloof komen en gedoopt worden met hun huis (vgl. 16:15, 33; 18:8; zie ook 1 Kor. 1:16). De achtergrond van deze uitdrukking is te zoeken in het O.T. (bv. 1 Sam. 1:21-22; 22:16; Gen. 17:12-13). Het huis was een eenheid voor Gods aangezicht, dat niet alleen de vader, maar ook kinderen en bedienden omsloot. 17. De vraag van 10:47 wordt nog eenmaal op een toegespitste wijze gesteld. Weigering van de doop zou verzet zijn tegen God die door de schenking van zijn Geest ook de heidenen in zijn heil omsluit. Op het geloof: God schenkt zijn heil in de weg van het geloof in Christus.
18. Kwamen zij tot rust: De tegenspraak verstomt. De onrust is gestild (21:14; Luc. 14:4). Verheerlijkten God: Vgl. Luc.2:20; Hand. 4:21; 21:20. Ook de heidenen: Zie 18:45. Bekering ten leven: Vgl. 11:14. In 5:31 is sprake van de omkeer ten leven voor Israel, hier voor de heidenen. De verantwoording loopt uit op de lofprijzing op Gods werk.
Het Evangelie in Antiochië 11:19-30
Steeds verder gaat de loop van het Woord Gods, de wereld in. Na Judea en Samaria volgen Fenicië, Cyprus en Antiochië. De vorming van een gemeente, uit Joden en vooral uit heidenen in de wereldstad Antiochië, vormt weer een markeringspunt. Antiochië wordt naast Jeruzalem een tweede centrum. Vanuit Antiochië vindt straks de uitzending plaats van Barnabas en Paulus tot de verkondiging onder de volken.
19: Die verstrooid waren: Dit woord grijpt terug op 8:4. Fenicië: De ongeveer lange kuststrook van de Karmel in het Zuiden tot de rivier Eleutheros in het Noorden met als voornaamste plaatsen Ptolemais (21:7), Tyrus (21:3) en Sidon (27:3). Cyprus: Vanaf 22 v. Chr. senatorenprovincie van het romeinse rijk. Antiochië: Gelegen aan de Orontes, hoofdstad van het rijk van de Seleuciden, na de inlijving in het romeinse rijk een vrije polis met zelfbestuur. Sinds 27 zetel van de stadhouder en hoofd van de provincie Syria. In sociologisch en godsdienstig opzicht vormde de stad een bont geheel. Griekse cultuur en religie, oosterse mysteriegodsdiensten telden vele aanhangers. Tot de op een half miljoen geschatte inwoners behoorden vele Joden. De synagogen oefenden aantrekkingskracht uit op de heidenen. 20. Christenen, afkomstig uit Cyprus en Cyrene, gaan in Antiochië met het evangelie niet alleen tot de Joden, maar ook tot de Grieken, dwz. mensen van griekse afkomst, beschaving en taal. In Handelingen is verschillende keren sprake van ‘Joden en Grieken’. De aanduiding gaat bijna betekenen: Joden en heidenen. Inhoud van de prediking is de Here Jezus, of zoals ook vertaald kan worden: Jezus de Here. In een in godsdienstig opzicht zo bonte stad als Antiochië was de belijdenis dat Jezus Here is, een geladen woord. 21. Hand des Heren: Vgl. Luc. 1:66. De uitdrukking vormt een parallel voor de presentie van de Geest, die de predikers bekrachtigt en hun arbeid zegent, zoals vs 21b laat zien. En bekeerden zich: Hun leven komt van nu af aan onder een andere Heer te staan. Voor het eerst is sprake van een gemeente in een wereldstad. 22. Lucas beklemtoont de relatie tot de moedergemeente Jeruzalem. Deze gemeente vaardigt Barnabas af, hetgeen voort zal komen uit dezelfde motieven die Petrus’ rekenschap in Jeruzalem noodzakelijk maakten (ll.Tw). Al heeft Jeruzalem een zekere leidende positie, het gaat te ver van een hiërarchie te spreken. Het bezoek van Barnabas drukt ook de eenheid van de kerk uit. 23. Genade Gods… verheugde hij zich: De griekse tekst bevat een woordspeling (charis… echarè). Er is geen zweem van twijfel of kritiek bij Barnabas inzake de bekering van de heidenen. Hij verheugt zich over Gods genade daarin, een in het licht van Hand. 11:2-3 en Hand. 15:1-5 tekenend gebeuren. En wekte hen allen op: De jonge gemeente heeft deze opwekking nodig om in het heidense zedeloze klimaat van deze stad niet af te vallen. Het element van de nazorg en de versterking speelt in Handelingen een grote rol (bv. 14:22; 15:41; 16:5). Het griekse woord bevat vele nuances: aansporen, bemoedigen, vermanen, vertroosten, opwekken. Wat dit pastoraat inhoudelijk betekent, wordt concreet in de brieven van de apostelen. Naar het voornemen van hun hart: Vgl. Hand. 13:43 en 14:22. We kunnen ook vertalen: met hartelijke toewijding. Het komen tot de Here moet gevolgd worden tot het blijven bij Hem. 24. Een goed man: Zie ook Luc. 23:50. Op griekse inscripties wordt de aanduiding gebruikt voor mensen die de staat goede diensten bewezen hadden. Barnabas is bij uitstek geschikt voor deze taak. Hij verricht deze dienst door de kracht van de Geest, in het geloof. Werd de Here toegevoegd: Dezelfde uitdrukking in 2:41, 47 en 5:14. Ook hier gaan versterking en missionaire uitbreiding, het bewaren en het vermeerderen, hand in hand. 25. Saulus: Saulus had de tijd, die verstreken is sinds de mededeling in 9:30, doorgebracht in verschilende delen van de provincie Syrië-Cili-cië, vgl. Gal. 1:21. 26. Gastvrij ontvangen werden: De SV vertaalt het hier gebruikte werkwoord met: ‘samen-vergaderden’. In dat geval kan men denken aan de samenkomsten van de gemeente (vgl. 14:27; 15:30; 20:7). Leerden: Vgl. Hand. 2:41-42. Christenen: Lett. ‘Christianoi’ dwz. aanhangers van Christus. In het N.T. wordt de aanduiding alleen door buitenstaanders gebruikt (Hand. 26:28; 1 Petr. 4:16). Heidenen zullen dus deze naam voor het eerst gebezigd hebben. In hun oren klonk Christus als eigennaam. Mogelijk had de benaming oorspronkelijk een spottende bijklank. ‘Christos’ kan gemakkelijk verward worden met het vertrouwde ‘chres-tos’, dat vrijwel op dezelfde manier werd uitgesproken (= braaf, verdienstelijk). De chrèstianoi zijn dan de brave burgers, de ‘fijnen’. 27. Profeten: Christelijke profeten zijn mensen, die begiftigd met de Geest, Gods wil bekendmaakten, inzake heel concrete vragen, maar ook met betrekking tot de toekomst. Profeteren is een pastorale werkzaamheid, tot opbouw van de gemeente. Profetie kon ook te maken hebben met de uitleg van de Schriften, de taak van de leraars. Gaven de laatsten de traditie van de Schriften door, de profeten spraken, wanneer de Geest hen inspireerde. Hun boodschap had geen gefixeerde inhoud. Zie 13:1; 15:32; 21:10.Agabus: Vgl. Hand. 21:10v. 23. Hongersnood: Mc. 13:8, Luc. 21:22, Op. 18:8 noemen hongersnood onder de verdrukkingen van de eindtijd. Onder Claudius: Keizer van 41-54 na Chr. Tijdens zijn regering zijn er op verschillende plaatsen hongersnoden geweest. Josefus vertelt dat omstreeks 46 Palestina geteisterd werd door hongersnood en dat de joodse koninginmoeder van Adiabene (N.O. Mesopotamië) koren kocht in Egypte ter verlichting van de nood in Palestina. 29. Tot ondersteuning: Vert. van het gr. woord diakonia = dienst. Evenals in 2 Kor. 8:4 wordt het woord hier gebruikt ter aanduiding van de inzameling voor de noodlijdenden. In deze vorm van ondersteuning realiseert zich de dienst, waartoe Jezus’ volgelingen geroepen zijn (vgl. Mar. 10:42vv; Luc. 22:27; Rom. 12: 7). 30. Oudsten: Hier wordt voor de eerste keer gesproken van oudsten als leidinggevenden in de jeruzalemse gemeente. Vgl. ook 15:2, 4, 6, 22, 23; 16:4; 21:18.
Herodes Agrippa en de gemeente 12:1-24
In Hand. 4-5 en 6-7 is er sprake van botsingen met het Sanhedrin, in dit hoofdstuk horen we van een aanval op de gemeente van Jeruzalem, gelanceerd door koning Herodes. Hand. 11:30 bericht van de komst van Barnabas en Paulus in Jeruzalem. 12:25 vertelt van de terugkeer naar Antiochië. In het tussenliggend gedeelte bericht Lucas wat er in die tijd met de gemeente van Jeruzalem is gebeurd.
1.Omstreeks die tijd: In de tijd dat Barnabas en Paulus naar Jeruzalem komen. Herodes: Nl. Herodes Agrippa I, kleinzoon van Herodes de Grote en Marianne, koning over een rijk, dat Judea, Galilea en Samaria omvatte. Al vroeg kwam hij aan het keizerlijke hof. Hij leidde aanvankelijk in Rome het leven van een avonturier. Agrippa had zijn rijk te danken aan de vriendschap met de heersers in Rome, keizer Caligula (37-41) en vooral keizer Claudius. Naar buiten toe gaf hij zich uit als hellenistisch monarch, in zijn binnenlandse politiek deed hij alles om de gunst van de godsdienstige joodse leiders te verkrijgen en te houden. Joodse bronnen vertellen dat Herodes Agrippa bij de voorlezing van de wet op het Loofhuttenfeest in October van het jaar tranen uitbarstte, toen hij Deut. 17:15 las, gedachtig aan zijn edomitische afkomst. Maar het volk riep toen uit: ‘Vrees niet, gij zijt onze broeder’. Agrippa stierf in 44. Sloeg… de hand: God bevrijdt uit de hand van Herodes (vs 11). In 11:30 is sprake van de handreiking aan de gemeente. Handen kunnen helen en slaan. 2. De aanval is primair gericht te-gén de leiders. Jacobus: Nl. de zoon van Zebedeüs, de broer van Johannes in onderscheid van de in 1:13 genoemde zoon van Alfëus en de broeder des Heren (12: 17). Jacobus is de eerste van de twaalven die als martelaar sterft. Zijn martyrium was voorzegd door Jezus (Mar. 10:38vv). 3. De Joden welgevallig: Zie bij vs 1. Petrus: Petrus en Herodes vormen de tegenpolen in de vss 1-19. Ongezuurde broden: Dwz. de tijd van het Pascha (vgl. Ex. 12:15vv). Het is niet geheel uitgesloten dat Lucas met de vermelding van dit tijdstip een overeenkomst wil aangeven met Jezus’ arrestatie (Luc. 22 en 23). Enkele elementen van Hand. 12 doen denken aan Exodus 12 (de analogie tussen Herodes en Farao; het motief van de nacht, vgl. Ex. 12:12, de haast van Ex. 12:11 en het ‘sta snel op’ in Hand. 12:7). Een bezwaar is evenwel dat Lucas het niet met zoveel woorden noemt. 4. Vier viertallen soldaten: Telkens één groep van vier zal, zoals in het romeinse leger, gedurende 3 uur de bewaking verzorgd hebben. De nadruk op de bewaking laat enerzijds het uit-zichtsloze van Petrus’ situatie zien, anderzijds de grootheid van Gods bevrijdend ingrijpen. 5. Tegenstelling tot de activiteit van Herodes,als gevolg waarvan Petrus gevangen zit. Maar de gemeente zit niet stil. Er is sprake van aanhoudend gebed (vgl. 4:24-30; 16:25). 6. Tussen twee soldaten: Normaliter zat een gevangene vastgeketend aan één soldaat. Hier zijn de bewakingsmaatregelen verdubbeld. Zie Hand. 21:33. 7. En ziet: Het verrassende en onverwachte van Gods ingrijpen. Een engel des Heren: Vgl. vs 8, 9, 10, 11, 23. Stond bij hem: Muren en wachters zijn voor de dienaar van God, uitvoerder van zijn bevrijdende wil, geen belemmering. Licht: Teken van de heerlijkheid van de hemel, vgl. Luc. 2:9, tegelijk ook symbool van de redding. In het O.T. zijn licht en heil dikwijls synoniemen (bv. Ps. 27:1). Driemaal wendt de engel zich tot Petrus om hem stap voor stap uit zijn slaap te wekken en hem er toe te brengen de weg naar de vrijheid, die hem gegeven wordt, in te slaan. 10. De ijzeren poort gaat vanzelf open (vgl. Mar. 4:28). Verliet de engel hem: Hij heeft het wonder van de bevrijding verricht. Nu verdwijnt hij terstond. Het goddelijk ingrijpen wordt er mee afgesloten. II. Nu weet ik…: Itt. het niet-weten van vs 9. Gerukt: Het griekse woord heeft verwantschap met het in vs 2 gebezigde woord, dat vertaald wordt met ‘ter dood brengen’. Subject van de bevrijding is de Here. Lucas tekent de passiviteit van Petrus in de vss 7vv en daartegenover de verandering die God teweeg brengt in een naar menselijke maatstaven uitzichtsloze situatie. Petrus is geheel en al de ontvangende. Uit al wat het volk der Joden verwachtte: Nl. de dood van de apostel.
12. Het huis van Maria: Dit huis blijkt dienst gedaan te hebben als ontmoetingsplaats voor een deel van de jeruzalemse gemeente. Men heeft wel vermoed dat het het huis was, waarin Jezus met zijn leerlingen het Pascha gevierd heeft. Meer dan een gissing is dit niet. Maria blijkt dus een eigen huis bezeten te hebben. Dat laat zien, dat de goederengemeenschap van Hand. 4 privè-bezit niet uitsloot. Johannes… Marcus: Lucas introduceert in ditvs Maria’s zoon Johannes Marcus, over wie in Hoofdstuk 13 en 15 verteld wordt. Deze stijlfiguur past Lucas vaker toe (vgl. Hand. 6:5; Stefanus; 7:58: Saulus-Pau-lus). Marcus wordt ook vermeld in Kol. 4:10; 2 Tim. 4: 11; Fil.; vs 24: 1 Petr. 5:13. 13.Rhode: De Rhodische, misschien een van het eiland Rhodos (rozen-eiland) afkomstige slavin. 14-16. Terwijl binnen de huisgemeente bidt voor Petrus, staat de geredde Petrus zelf voor de deur. De houding van Rhode en de andere gemeenteleden accentueert het wonder, dat ongedacht en onverwacht hen overvalt. God geeft boven bidden en denken. Het wonder gaat hun begrip te boven. 15. Wartaal: Zie ook Hand. 26:24. Het is zijn engel: Hier is verondersteld, dat elk mens zijn beschermengel heeft die op hem als zijn hemelse dubbelganger gelijkt, vgl. Ps. 91:11; Mat. 18:10. De engel van de Here heeft Petrus bevrijd. De gemeenteleden spreken over Petrus’ engel, omdat ze in zijn bevrijding niet kunnen geloven. 16. Toen zij opengedaan hadden: In onderscheid van het enkelvoud in vs 14. Dit kleine trekje illustreert de levendigheid van Lucas’ beschrijving. 17. Wenkte met zijn hand: Zie de opmerking bij vs 16. Aan Jacobus en de broeders: Bedoeld is de broeder van Jezus die een belangrijke plaats innam in de jeruzalemse gemeente. Paulus noemt hem in Gal. 2:9 een zuil. Deze Jacobus, de rechtvaardige, werd in 62 gedood. Opvallend is dat de apostelen niet genoemd worden. Kennelijk zijn zij aan het terugtreden. Uit het woord ‘broeders’ valt af te leiden dat niet de gehele gemeente in het huis van Maria bijeen is. Naar een andere plaats: De bedoeling is wel, om zich in veiligheid te brengen. Dat hier gezinspeeld wordt op missionair werk buiten Jeruzalem, valt niet aan te tonen. Na Hand. 15 verdwijnt Petrus uit het gezichtsveld. Zie verder 1 Kor. 9:5 en Gal. 2:11.
18. Alle bewaking blijkt niets geholpen te hebben. 19. Wegleiden: om terecht gesteld te worden. Wachters stonden met hun leven zorg voor de aan hen toevertrouwde gevangene. Vgl. bij deze vss 5:21-24. 20. Hevig vertoornd: Lucas zinspeelt op een niet nader aangegeven conflict met de handelssteden Tyrus en Sidon. Een gewapend conflict zouden’de Romeinen niet toegestaan hebben. Te denken is aan een handelsembargo, dat de van ouds van Palestijnse korenleveranties afhankelijke steden (vgl. 1 Kon. 5:25; Ez. 27:17) hard trof. Wisten Blas-tus… voor zich te winnen: Lett, die over de slaapkamer van de koning is. Met steekpenningen zal men Blastus hebben weten om te kopen. Verzochten om vrede: Het motief is de slechte voedselpositie. 21. Een bepaalde dag: Nl. ter afkondiging van het bereikte accoord. In een koninklijk kleed: De historicus Josephus zegt, dat Herodes een kleed droeg, dat geheel van zilver gemaakt was; toen de eerste stralen van de zon er op vielen, straalde het, en er kwamen vrees en huiver over hen die het zagen. 22. Het volk: De stadsbevolking van Caesarea.De stem van een god en niet van een mens: De mensen bejubelen Herodes als god in mensengedaante. Herodes laat zich deze apotheose welgevallen. 23. Sloeg hem een engel des Heren: Itt. de reddende macht van God is hier sprake van zijn slaande hand, zijn gericht. Omdat hij God de eer niet gaf: God de eer geven is de houding die past bij de mens, vgl. Joz. 7:19; Jes. 42:12; Jer. 13:16; Dan. 5:23; Luc. 2:14; Hand. 14:15. Door wormen gegeten: Hiervan is ook sprake bij anderen, o.a. Antiochus Epifanes (2 Macc. 9:5-9), Herodes de Grote volgens een bericht bij Josephus, keizer Galerius, Judas (volgens een mededeling van Papias). Twee motieven lopen in dit bericht van Herodes dood samen: a. Het motief van de hoogmoed die door God bestraft wordt; b. De dood van de vervolger van de gemeente en de strijder tegen God. Vgl. voor de oudtest. achtergrond Ex. 12:29; 2 Kon. 19:35, 37; Ester 7:10; Dan. 5:30. Dit vs bevat een scherpe aanval op de in de antieke wereld zo verbreide konings- en keizercultus (vgl. ook Op. 17-18). 24. Zie Hand. 6:7. Vervolging en bestrijding kunnen de groei niet tegenhouden. De groeikracht van het Woord blijkt uit de uitbreiding van het aantal gemeenteleden. Ondanks de dood van een apostel gaat het werk van God toch voort.
Het Evangelie op Cyprus 12:25-13:12
Met de mededeling in vs 25 sluit Lucas weer aan bij 11: 30. Barnabas en Paulus keren terug naar Antiochië. Vandaar worden zij uitgezonden en vangen zij hun tocht aan die hen brengt op Cyprus en in Klein-Azië, en die bekend staat als de eerste zendingsreis. Met de apostelen gaat mede de in 12:12 genoemde Johannes Marcus. 13:1. Profeten en leraars: Zie over de profeten bij 11:27. Daar ging het over reizende profeten, hier over profeten die als zielzorgers in de gemeente werken. Leraren: Vgl. bv. Hand. 2:42 en 4:2 zie verder 1 Kor. 12:28vvenEf. 4:11. Paulus kende zichzelf profetische gaven toe (1 Kor. 14:6) als ook die van leraar (1 Kor. 4:17; 2 Tess. 2:15; Kol. 1: 28). Ook het onderricht diende de gemeenteopbouw.Simeon, genaamd Niger: Dwz. de neger, de zwarte.Lucius: afkomstig uit Cyrene (vgl. Hand. 2:10). Ook in Rom. 16:21 komt een christen Lucius voor. Manaën: hij was samen met Herodes Antipas grootgebracht, stamde dus wel uit een voorname joodse familie, die connecties had met het hof van Herodes. Zijn naam betekent: ‘trooster’. ‘Zoogbroeder’ was een titel, die aan jonge mannen gegeven werd, die aan een hof samen met een prins werden opgevoed. 28. Bij de dienst des Heren: Te denken is aan een godsdienstige (gebeds)samenkomst, misschien een regelmatig terugkerende gebedstijd. Vasten wordt gezien als voorbereiding op de ontmoeting met God. Zeide de Heilige Geest: De Geest zal gesproken hebben door één van de profeten. Verkiezing en uitzending zijn ten diepste onttrokken aan ‘s mensen beslissingsmacht. Het is de Geest die roept en zendt (vgl. vs 3: Waartoe Ik ben geroepen heb. vs 4, door de Heilige Geest uitgezonden). Wel is de gemeente er, blijkens vs 3, bij betrokken. Zondert Mij af: De Geest beveelt Paulus en Barnabas apart te zetten (vgl. Gal. 1:15; Jer. 1:5). Tot het werk: nl. de arbeid van de verkondiging onder de volken. 3. Onder handoplegging van de achterblijvende profeten en leraars worden de beide geroepenen uitgezonden, in een samenkomst van de gemeente. Vgl. voor handoplegging bv. 6:6 en 9:17. Het gaat niet om overdracht van ambtsgenade, maar om een opdragen aan de genade van God (vgl. 14:26; 15:40). De handoplegging is een zichtbaar teken van de belofte van de Geest die bekwaam maakt tot de vervulling van ambt of dienst.
4.Seleucië: Havenplaats ten westen van Antiochië gelegen. Cyprus: Van ouds was dit eiland een economische en culturele brug tussen de griekse wereld en hetOosten. Vanaf de 2e eeuw voor Chr. was er een joodse kolonie. In 22 v. Chr. werd het eiland een senatorenprovincie van het romeinse rijk onder bewind van een proconsul, die in Paphos resideerde. Barnabas (4:36) en Mnason (21:16) waren afkomstig van Cyprus. Zie ook 11:19. De herkomst van Barnabas zal een belangrijke reden geweest zijn om met het werk in Cyprus te beginnen.
5.Te Salamis gekomen: Havenstad aan de Oostkant van het eiland. In de synagogen: Steeds weer vangen de apostelen aan met de prediking onder de Joden (vgl. Rom. 1:16). Helper: Marcus had dus een ondergeschikte positie als assistent van de apostelen.
6.Bar-Jezus: Joodse magiër, die geacht werd te beschikken over bovennatuurlijke kennis en vermogens. Hij wordt een profeet genoemd. Wellicht vanwege allerlei toekomstvoorspellingen. Waarzeggerij en tovenarij was in de wet van Mozes verboden (vgl. Deut. 18:14). ‘Wie een enkel woord van een magiër leert, is des doods schuldig’ luidde een rabbijnse uitspraak. Ook valse profetie was verwerpelijk (vgl. Deut. 18:20; Zach. 13:2vv). Toch kwam magie in het jodendom van die tijd wel voor. Salomo werd als meest vooraanstaande demonenbezweerder gezien; allerlei toverspreuken waren onder zijn naam in omloop. Zie ook Hand. 19:13vv. Het feit dat Bar-Jezus aan het hof verkeert, doet vermoeden dat hij de functie had van hofastroloog, te vergelijken met huisfïlosofen of in later tijd huisgeestelijken, die aanzienlijken er op nahielden. Het evangelie botst hier opnieuw (vgl. ook Hand. 8:12vv) op de wereld aan syncretisme en magie, een bedreiging voor de jonge kerk. Zie voor zijn naam ook vs 8. 7. Verstandig: Dwz. hij had inzicht. Deze romeinse bestuurder wordt positief getekend. Itt. de tovenaar en leugenprofeet wenst hij het Woord van God te horen. 8. Elymas: Misschien af te leiden van een aramees woord ‘magiër, droomuitlegger’. De verklaring van de naam is overigens problematisch. Het is niet bedoeld als weergave van Bar-Jezus, = zoon van Jezus, in die tijd frequent voorkomende naam. Zo wordt… vertaald slaat terug op ‘de tovenaar’. De magiër ontpopt zich als tegenstander, die de landvoegd van het geloof zoekt af te brengen. 9: Anders gezegd: Paulus: Lucas gebruikt vanaf dit vs de naam Paulus; zo zal hij de apostel zelf gekend hebben, die in zijn brieven steeds de romeinse naam gebruikt. De vraag waarom Lucas nu voor het eerst deze naam gebruikt is niet met zekerheid te beantwoorden. Is het ivm. de gelijkluidende naam van de stadhouder? Of omdat de apostel zich vanaf hoofdstuk de romeinse wereld gaat begeven en zijn arbeid onder de heidenen een sterk accent krijgt? 10. Paulus, vervuld met de Geest, ziet de tovenaar in relatie staan tot de boze: Zoon des duivels. En streken: Het griekse woord kan ook betekenen ‘bedrog’ en heeft de notie in zich van frauduleuze manipulaties in geldzaken. Magiërs trachtten immers uit hun praktijken munt te slaan, zoals bv. de geschriften van Lucianus laten zien. De rechte wegen des Heren verdraaien: Bij ‘wegen’ kan men denken aan de geboden en daden des Heren. Voor ‘verdraaien’ zie ook vs 8. Gods wegen zijn recht, voeren tot Christus. Deze boze gaat kromme wegen. 11. Gods slaande hand treft de tovenaar tijdelijk met blindheid. Het evangelie is sterker dan de magie, getuige vs 12. Het is een belangrijk moment aan het begin van deze zendingsreis: een hooggeplaatste heiden, een romeins gezagdrager, komt tot geloof.
Paulus’ toespraak in de synagoge van Antiochië in Pisi-dië 13:13-41
Het patroon van de toespraak tot de Joden en de God-vrezenden in de synagoge van Antiochië in Pisidië is gelijk aan dat van de andere redevoeringen in het eerste deel van Handelingen. Jezus wordt gezien als degene, in Die God de belofte aan David en anderen gedaan vervult. Mensen hebben Hem verworpen, maar God heeft Hem opgewekt. De hoorders worden opgeroepen niet de zonde van de inwoners van Jeruzalem te herhalen, die Jezus verwierpen. Opvallend is het gebruik van het Oude Testament, dat gelijkenis vertoont met joodse methoden van Schriftuitleg. Men heeft wel gesproken van een midrasj op 2 Sam. 7:6-16, dwz. een uitleg van deze passage met de bedoeling de blijvende actualiteit te laten zien door het toe te passen op een gebeurtenis uit de eigen tijd, nl. de opstanding van Jezus, en door het te interpreteren in het licht van andere Schriftplaatsen.
13. Te Perge in Pamphylië: Vgl. 2:10. Pergewas een stad waar Artemis (zie bv. Hand. 19:24vv) vereerd werd, en lag een stuk landinwaarts. Scheidde zich van hen af: Waarom Johannes Marcus naar Jeruzalem terugkeert, wordt niet vermeld. Gebrek aan moed? Of onvrede met het feit dat Paulus de leiding nam? Of wilde hij zich niet in dienst stellen van een zendingspraktijk die de besnijdenis en de wetsonderhouding achterwege liet? 14. Antiochië: Te onderscheiden van Antiochië in Syrië. Het hier genoemde Antiochië had de status van een romeinse kolonie en was de leidende stad in dit gebied, Phrygia Gala-tica. Romeinse kolonies speelden een belangrijke rol in Paulus’ zendingsstrategie. De apostelen kiezen de knooppunten en centra van die tijd uit voor hun verkondiging. 15. Lieten… vragen: Na de lezing van wet en profeten (na het ‘Hoor Israël’, het gebed en de priesterlijke zegen) volgde de toespraak. De leider van de synagoge kon hiervoor iedereen uitnodigen. De oversten: Normaliter was er één leider, zie bv. Luc. 8:49. Woord van opwekking: Zie voor dezelfde uitdrukking Heb. 13:22: ‘Woord van vermaning’. Het woord heeft zowel de notie ‘vermanen’ als ‘vertroosten’. 16. Stond op: Lucas tekent Paulus in de houding die de rhetor typeert. Paulus gaat staan. Doorgaans zat de prediker in de synagoge (vgl. Luc. 4:20). Mannen van Israel: De Israëlieten vormen het adres, maar de zgn. Godvrezenden, de heidense randbewoners van synagogen, zijn mede in de aanspraak begrepen. VI. De God van dit volk: God heeft gehandeld in Israels geschiedenis. Verhoogd: Het door de slavernij vernederde volk wordt verhoogd (vgl. Luc. 1:52: Hand. 5:31). 18. Verdragen: Een variante lezing gebruikt een werkwoordsvorm die één letter verschilt en betekent: ‘voeden’. Dit vs zou dan slaan op de zorg van God in de woestijn, door middel van het manna (vgl. Ex. 16:35; Deut. 1:31 in de LXX waar beide lezingen ook al voorkomen in de handschriften). 20. Omstreeks vierhonderdvijftig jaar lang: Deze periode heeft betrekking op de periode vanaf het verblijf in Egypte (400 jaar Egypte; 40 jaar door de woestijn; 10 jaar verovering Kanaän). Samuel: Zie ook Hand. 3:24. 21. Saul: Alleen hier in deze toespraak van de Benjaminiet Saulus wordt de naam van Israels eerste koning uit de stam van Benjamin genoemdin het N.T. 22. Verwekte… David: Het hier gebruikte werkwoord komt in vs 30 en 37 voor ivm. de opwekking van Jezus. In de LXX wordt het gebruikt t.a.v. de richters (Ri. 2:16; 3:9). Vgl. bij dit vs 1 Sam. 13:14; Ps. 89: 21; Jes. 44:28. 23. De Heiland: Jezus, de Zoon van David, wordt aangeduid als redder (vgl. Luc. 2: 11; 5:31). Vgl. 13:26,47. Naar de belofte voor Israel: Jezus is in de eerste plaats voor Israel gekomen als vervulling van de heilsbelofte. 24. Doop van bekering: vgl. Mar. 1:4; Luc. 3:3; Hand. 19:4. Zie voor de verhouding tussen Johannes en Jezus bv. Luc. 16:16. 25. Vgl. Mar. 1:7. 26. Zonen van… Abraham: Paulus spreekt de hoorders aan als broeders en leden van het volk van Abraham met wie God het verbond had gesloten. Zie over Abraham Hand. 3:25 en 7:2vv. Tot ons… is gezonden: Paulus’ hoorders moeten weten dat Hij die door Johannes was aangekondigd en die de inhoud van de prediking is, tot-hen gezonden is. Het woord van opwekking spreekt van het heil in Jezus Christus (deze heilsboodschap). Zie ook 10:36. 27. Die te Jeruzalem: Anders dan in 2:22vv, 3:13vv; 4:10vv en 5:30 worden de hoorders niet direct aangeklaagd, wel gewaarschuwd niet in dezelfde zonde te vervallen (vs 41). Schuldig zijn de joodse leidslieden en inwoners van Jeruzalem. Niet erkend: In Hand. 3:17 staat het zelfst. naamwoord ‘onwetendheid’. Het is een schuldig niet-weten, niet-erkennen. Zij hebben immers ook de stemmen van de profeten die op Jezus wezen, niet erkend en er niet naar geluisterd. Hebben… vervuld: Door hun veroordeling van Jezus hebben ze de profetie vervuld. Want: Nu is het woord van de redding realiteit geworden. 28. Alles volbracht… wat van Hem geschreven stond: Zie Luc. 18: 31. 31. Maar God: Vgl. Hand. 2:22vv; 3:15v; 5:30vv. Vanaf dit vs heeft de opstanding in dit gedeelte een centrale plaats. Getuigen: Zie 2:32. De verschijningen maken de volgelingen tot getuigen.
de tweede Psalm: Ps. 2:7 wordt hier gebruikt als voorzegging van de opstanding. In 4:25 wordt Ps. 2:lw geciteerd ivm. het verzet tegen God en zijn Messias. In vs 7 gaat het over de messiaanse koning, die door God verheven wordt in een machtige positie. Dit is vervuld in Jezus’ opstanding en hemelvaart. Jezus wordt door de opstanding Zoon van God in kracht (Rom. 1:4). 34. Ik zal u… is: Citaat uit Jes. 55:3. In de hebr. tekst staat ipv. ‘het heilige’ de betrouwbare genadebewijzen van David. Ons vs citeert de Septuaginta. ‘Heilig’ komt ook voor in Ps. 16. De opstanding van Jezus betekent dat de aan Israel beloofde weldaden nu in Hem gegeven zijn. 35. Citaat uit Psalm 16; vgl. Hand. 2:27. 36-37: David is… maar Hij: David heeft wel ontbinding gezien. De belofte van Ps. 16 kan dus niet op hem slaan, maar doelt op Jezus. Hij heeft geen ontbinding gezien, maar is door God opgewekt. 38. Zo zij u dan bekend: Paulus gaat nu zeggen, wat de betekenis is van Jezus’ dood en opstanding voor zijn hoorders. Door Hem… vergeving: Vgl. 2:38; 5: 31. De verbinding met de rechtvaardiging door het geloof doet denken aan Rom. 3:25-26 en 5:9; Gal. 2:16. Rechtvaardiging is niet mogelijk door de wet, alleen door het geloof. Ieder, die: Vgl. 10:43; Rom. 10:4, 11. Dit woord heeft universele klank. 40. Ziet dan toe: Waarschuwing met een beroep op Hab. 1:5. Dit citaat wordt grotendeels naar de Septuaginta gegeven. Bij Habakuk heeft dit woord betrekking op de weigering om de inval van de Chaldeeën te zien als oordeel van God. Paulus past het toe op het gevaar om Jezus als Heiland te verachten en zijn woord te verwerpen. 41. Ik werk een werk: Het tweede woord ‘werk’ ontbreekt in de LXX. Het accentueert de daad van God. In vs 34vv was gezegd dat de aan David beloofde weldaden voor de hoorders bestemd zijn. Hier wordt de oordeelsdreiging uit het verleden op de hoorders betrokken. De opgestane Christus is gezet tot een val en een opstanding (Luc. 2:34).
De reactie op de verkondiging in Antiochië 13:42-52
In dit gedeelte beschrijft Lucas hoe de apostelen zich tot de heidenen richtten, wanneer de joodse hoorders de prediking verwerpen. Licht en donker wisselen elkaar ook in dit gedeelte af. 42. Verzochten zij: De hoorders willen meer van de boodschap horen. 43. Volgden: Hier kondigt zich in nuce de gelovende gemeente aan. Te blijven bij de genade Gods: Vgl. 11:23. Het Evangelie is het woord van Gods genade (14:3).Die Jodengenoten waren: Lett, ‘die proselieten waren’. Bedoeld is wel dezelfde groep mensen die in de vss 16 en 26 genoemd zijn. Het gaat niet om proselieten in de stricte zin van het woord. 44. Bijna de gehele stad: Een climax vergeleken met vs 16. Naast Joden zullen ook heidenen aanwezig geweest zijn. Om het Woord Gods te horen: Vgl. vs 5, 7, 15, 26. Het horen kan tweeërlei uitwerking hebben. 45. Lucas tekent ons in dit vers het verzet van de kant van de Joden. Vervuld met nijd: Vgl. 5:17. Er is afgunst, dat er van de kant van de stadsbevolking zoveel belangstelling bestaat voor de prediking aangaande Jezus. Spraken, lasterende tegen: Vgl. Luc. 2:34; Hand. 28:19,22. In het verzet tegen de apostolische prediking gaat Simeon’s profetie in vervulling. De laster zal ingehouden hebben de ontkenning, dat Jezus de Messias is en dat in Hem het heil voor de mens ligt. Hun afgunst kan ook samenhangen met de ergernis tegen de prediking van het geloof, die de heidenen aantrekt. Voor de Jood liep de weg tot het heil over de wet en de besnijdenis. 46. Een belangrijk moment dat zich in 18:6, 19:9 en 28:28 herhaalt. Nu de Joden het Woord Gods wegstoten, wenden de apostelen zich tot de heidenen. Toch blijft men in Handelingen voortdurend kloppen op de deur van de synagoge, ook na 13:46. Het was nodig, dat eerst tot u… werd gesproken: Naar Gods plan is Israel, het volk van Abraham, het eerste adres van de evangelie prediking, vgl. 2:38; 3: 26; 13:16, 26; Rom. 1:17. Het eeuwig leven niet waardig keurt: De hoorders sluiten zich door hun verzet zelf buiten, vgl. Luc. 20:35; 2 Tess. 1:5. Zie: Het bijzondere van deze wending. Heidenen: Zie vss 47-48. 47. De wending tot de heidenen wordt gefundeerd in de Schrift, nl. de profetie van de Knecht des Heren, Jes. 49:6. In Luc. 2: 32; 24:47; Hand. 1:8 vinden we reminiscenties aan Jes. 49:6. Het citaat wordt betrokken op de dienaren van Christus, die na Pinksteren het heil verkondigen aan de volken en als representanten van Israel de taak vervullen die God heeft opgedragen aan zijn volk. Tot aan het uiterste der aarde: Zie bij 1:8.
48. Met drie werkwoorden wordt de positieve reactie van de heidenen aangegeven. Zij verheugen zich nu ze horen dat er ook voor hen licht, dwz. redding, heil is. Zij verheerlijken het Woord van de Here. Zie Luc. 2:20; Hand. 11:18. Zij komen tot geloof. Die bestemd waren ten eeuwige leven: dwz. het leven van de komende eeuw, een bij de Joden gangbare uitdrukking. Het ‘bestemd zijn’ ac-centrueert de genadige verkiezing, het initiatief van God. Er is geen symmetrie tussen verkiezing en verwerping, zoals vergelijking met vs 45 laat zien. 49. Het woord des Heren verbreidde zich: Een zakelijke parallel tot 6:7: 12: 24; 19:20. In het gebied om Antiochië (daaraan moeten we wel denken bij de uitdrukking ‘door het gehele land’) wordt de boodschap van Gods heil verkondigd. Er wordt niet met zoveel woorden aangegeven door wie dit geschiedt. Wij moeten wel denken aan het getuigenis van hen die tot het geloof gekomen waren (vs 48) en nu op hun beurt de boodschap doorgeven. Bekeerlingen worden evangelisten. Ons vs geeft een climax in de beschrijving van het positieve antwoord op de prediking.
50. Maar de Joden: In een schril contrast volgt nu de negatieve reactie van de kant van ongelovige Joden. Hier en in de volgende hoofdstukken is regelmatig sprake van verzet van de kant van het ongelovige Israel. Door Israel loopt een scheiding: geloof en ongeloof. 50. De aanzienlijke vrouwen, die God vereerden: Een voor de verhoudingen in de hellenistische maatschappij typerend beeld. Vrouwen uit de elite van de stad voelden zich vaak aangetrokken tot de joodse religie en behoorden tot de Godvrezenden. Het zal niet moeilijk geweest zijn hen op te stoken tegen de christenen, dwz. hen er toe te brengen hun invloed aan te wenden bij hun mannen en zonen, de ambtenaren van de stad, om maatregelen te nemen ten gunste van de synagoge en tegen de predikers van het evangelie. Vervolging: Vgl. Hand. 8:1; Luc. 21: 12. Dreven hen uit hun gebied: Als ongewenste personen, schadelijk voor de rust in de stad, worden Paulus en Barnabas weggejaagd. 5. Schudden het stof van hun voeten tegen hen: Symbolisch gebaar. Door het stof af te schudden verwijdert men alles wat nog de sporen draagt van de plek, die men achter laat. Jezus had het zijn volgelingen opgedragen, blijkens Mar. 6:11; Mat. 10:14; Luc. 9:5; 10:11. 52. Vervuld met blijdschap: Contrast met vs 45. Lucas sluit af met een opmerking die laat zien, dat Paulus en Barnabas niet tevergeefs gewerkt hebben. Wat achterblijft is een gemeente, waarin de vrucht van de Geest openbaar komt (Gal. 5:22).
Ikonium, Lystra en Derbe 14:1-28
Dit hoofdstuk is de voortzetting van de beschrijving van de eerste zendingsreis. Na een bezoek aan Ikonium, Lystra en Derbe keren de apostelen weer terug naar hun uitgangspunt Antiochië.
1.Ikonium. De route van Antiochië naar Ikonium volgde waarschijnlijk de door Augustus aangelegde Via Se-baste. Ikonium, het huidige Konya, was het centrum van een rijk landbouwgebied en gold als hoofdstad van het sinds 25 v.Chr. tot de provincie Galatia behorende landschap Lycaonië. Ook in deze stad beginnen de apostelen met de prediking in de synagoge. Hun prediking heeft resultaat. Er is sprake van een grote menigte Joden en Grieken – waaronder we wel Godvrezenden hebben te verstaan in dit verband – die tot geloof komt. 2. Die hun geen gehoor gaven: Ook hier is sprake van een tweedeling door de synagoge. Prikkelden en verbitterden: De Joden zetten de gemoederen der heidenen op tegen de broeders, dwz. de volgelingen van Jezus Christus. 3.
Vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Here: Deze vrijmoedigheid in de geladen situatie van verzet is gebaseerd op de openbaring van God in Christus. Die getuigenis gaf: Niet alleen mensen betuigen het Woord, God zelf legt getuigenis af door de prediking te bevestigen door tekenen en wonderen, die geschieden door de handen der apostelen (vgl. Hand. 2:43; 4:30; 5:12vv; Heb. 2: 4-5). Het woord zijner genade: Zie ook 20:32. Het is het woord dat spreekt van Gods genade in Christus. 4. Verdeeldheid: Vgl. Hand. 23:7; in Joh. 7:35 lezen we dat er verdeeldheid, een schisma ontstond bij de Joden om Jezus. Hier wordt de stadsbevolking verdeeld naar aanleiding van de evangelieprediking. De Joden en de apostelen staan als twee partijen tegenover elkaar. Lucas laat hier rusten, dat Barnabas en Paulus ook Joden zijn. De apostelen: alleen hier en in vs 14 worden Paulus en Barnabas apostelen genoemd. Doorgaans duidt Lucas met deze naam de twaalven aan. Mogelijk gebruikt Lucas het woord in een algemene zin, ter aanduiding van zendelingen, uitgezonden door de gemeente van Antiochië (vgl. 2 Kor. 8:23; Filp. 2:25). Maar gelet op 22:21 en 26:16v is het ook denkbaar dat Lucas geweten heeft dat de door Jezus met bijzondere volmacht uitgezondenen niet alleen uit de twaalven bestonden en dat hij zich bewust was van Paulus’ apostelschap, zoals deze dat in zijn brieven vermeldt. 5. Oploop: Vgl. 7:57. Te denken is aan een door de joodse en heidense autoriteiten ontketende volksoploop die voornemens zijn Paulus en Barnabas te lynchen door steniging. Mishandelen: Andere betekenis: ‘beledigen’, ‘beschimpen’ (vgl. Luc. 18:32; 1 Tess. 2:2). 2 Tim. 3:11 maakt melding van Paulus’ lijden in Ikonium. Wat de apostelen hier overkomt is te zien in het licht van Hand. 9:16. 6. De apostelen redden zich door de vlucht (vgl. 9:25, 30). Vluchten wordt niet als ongepast gezien, vgl. Mar. 10:23; Mar. 13:14. 7. Verkondigden: Ondanks verzet en vervolging gaat de prediking voort. Lystra lag ongeveer ten zuiden van Ikonium.Derbe: . ten Oosten van Ikonium. Beide plaatsen behoorden tot de landstreek Lycaonië.
8.Verlamd van de schoot zijner moeder aan. Hetzelfde wordt in 3:2 gezegd van de verlamde in Jeruzalem aan de Schone Poort. Er is een parallellie tussen de arbeid van Petrus en die van Paulus. Beide genezen een verlamde; beiden worden geconfronteerd met een tovenaar, beiden worden op wonderbare wijze bevrijd uit de gevangenis. Die nooit had kunnen lopen: De uitvoerige schildering van ‘s mans ellende doet de grootheid van het genezings-wonder des te sterker uitkomen. 9. Dat hij geloof had: Zie voor de verbinding tussen geloof en redding/genezing Luc. 7:50; 17:19; 18:42; Hand. 3: 16. De prediking van de apostel zal dit geloof gewekt hebben. Genezing: In het Grieks wordt het werkwoord gebruikt dat doorgaans betekent: gered worden. De redding of het heil omvat ziel en lichaam. 10. Ga… staan: Zie ook Hand. 9: 34, 40. Hij sprong overeind: Vgl. 3:8. De naam van Christus wordt niet genoemd. Uit het feit dat het bevel bijna woordelijk overeenstemt met Gods opdracht aan Ezechiël (Ez. 2:1) mogen we afleiden dat God hier aan het werk is. Vgl. ook 14:3.
vele berichten over wonderen volgt de lofprijzing op de daad van God door de toeschouwers (vgl. bv. Luc. 7:16; 18:43; Hand. 3:9). Hier is ook sprake van een reactie, een lofprijzing, maar dan een die getuigt van een diepgaand misverstaan van wat hier gebeurt. Paulus en Barnabas dreigen betrokken te worden in een heidensreligieuze offerplechtigheid. De scharen: Hetzelfde woord in 13,14, 18,19. In het Lykaonisch: Barnabas en Paulus konden zich in dit tweetalige gebied weliswaar verstaanbaar maken door het Grieks, maar de locale, inheemse taal waren zij niet machtig. Daarom zullen zij eerst niet begrepen hebben wat de schare op het oog had.
12. De goden zijn in mensengedaante tot ons neergedaald: In plaats van de verheerlijking van God, worden de apostelen beschouwd als in mensengedaante op aarde verschenen goden. Volgens een oude phrygische sage namen twee goden Pappas en Men hun intrek bij het oude echtpaar Philemon en Baucis, en werden door hen gastvrij onthaald. De romeinse dichter Ovidius vertelt in zijn Metamorfosen dit verhaal en helleniseerde de godengestalten tot de beide goden Zeus en Hermes, of te wel Jupiter en Mercurius, zoals hun romeinse namen luiden. Dat mensen voor een god worden aangezien, komt ook voor in Hand. 8:10; 10:25; 12:22; 28:6. In Heb. 2:17 wordt een werkwoordsvorm van het werkwoord dat in vs 11 vertaald is met ‘in mensengedaante’ gebruikt met betrekking tot Jezus, die in alle opzichten zijn broeders gelijk moest worden om als barmhartig en getrouw Hogepriester het heil te verwerven. 12.Zeus: Barnabas wordt aangekeken voor de oppergod Zeus.Hermes neemt in de griekse godenwereld een lagere, dienende positie in. Reeds bij Homerus is hij wegwijzer en bode van de goden. Later wordt hij beschouwd als god van handel en verkeer. Omdat hij het was, die het woord voerde: In een geschrift van Jamblichus, een filosoof uit de 2e eeuw wordt Hermes aangeduid als ‘de god, die de woordvoerder is’. Paulus was degene die in zijn prediking het Woord Gods bracht. Daarom laat het zich verstaan, dat hij vereenzelvigd werd met de woordvoerder der goden.
13. De priester van Zeus- voor- de- stad: De tempel voor Zeus stond, zoals dikwijls in hellenistische steden buiten de stadspoort. Stieren en kransen: Met slingers van bloemen werden de offerdieren versierd. Bij het poortgebouw: Het is niet helemaal duidelijk of we moeten denken aan de stadspoort of de tempelpoort. Mogelijk is ook, dat de plek, waar het altaar van de tempel stond, dicht bij een stadspoort gelegen was. 14. Scheurden zij hun mantels: Wanneer de apostelen merken dat er een offerplechtigheid geënsceneerd wordt, scheuren zij hun klederen, ontzet als zij zijn over deze lastering van de levende God (vgl. Mar. 14:53). Sprongen naar voren: Op levendige wijze wordt verteld, hoe de apostelen met een spontaan gebaar de menigte zoeken te weerhouden van hun opzet. 15. Zwakke mensen, zoals gij: Vgl. Jac. 5:17: Elia een mens van gelijke beweging als wij. Een scherp protest tegen de vergoddelijking! Verkondigen u: Deze toespraak tegen de heidenen is te vergelijken met de rede óp de Areopagus (17:22-31). De nadruk ligt op de prediking van de ene God, de afwijzing van het polytheïsme en de oproep tot bekering, vgl. 1 Tess. 1:9-10. Dit ijdel bedrijf: In Jer. 2:5 zijn ‘de ijdele dingen’ de afgoden (zie ook Jer. 8:19; Jes. 44:9-20). Misschien omvat het woord hier zowel de verering van mensen als goden als ook de offers aan de afgoden. In 1 Petr. 1:18 wordt de heidense levenswandel als een ijdele wandel gekarakteriseerd. De levende God: In tegenstelling tot de stomme afgoden die niet zien en niet horen is de Here, de Schepper van hemel en aarde, de levende God. Hij schenkt leven en bewijst zich in zijn handelen als de Levende (vgl. bv. Ps. 42:3; Hos. 2:l;2Kon. 19:4; Mat. 16:16; 2Kor. 6:16). Tot deze God moeten de mensen zich bekeren. Bekering is nodig, want de verering van het schepsel boven en in plaats van de Schepper toont hoe verstoord de verhouding is (vgl. Rom. 1:20-21). Die de hemel, de aarde, de zee en al wat er in is, gemaakt heeft: God is de Schepper van het heelal. Zie Gen. l:lw; Ex. 20:4; Ps. 136:5vv; Ps. 115). De bijbelse uitdrukking is sprekender dan ons bleke woord ‘heelal’. ‘Maken’ in de betekenis van ‘scheppen’ ook in Gen. 1:1 en 2:4. 16. Hij heeft… laten gaan: De Schepper en Here der wereld heeft de volken tijdens de vroegere geslachten laten gaan op hun eigen wegen, dwz. Hij heeft niet ingegrepen toen zij voortgingen op de wegen van afgoderij en gebodsovertreding. God heeft hen laten begaan, vgl. Hand. 17:30. 17. Toch heeft God zich niet onbetuigd gelaten. De weldaden die Hij gaf tot in standhouding van zijn schepping, getuigen van Hem.
De Schepper blijft aan het werk in zijn schepping. Daarom zijn de heidenen, ondanks het feit, dat zij verstoken zijn van Zijn Woord, toch niet te verontschuldigen. Het getuigenis van God in de onderhouding van de schepping ontneemt hen alle verontschuldiging (vgl. Rom. 1:20; Hand. 17:29-30). Regen en vruchtbare tijden te geven: Vgl. Joël 2:23; Ps. 147:8; 104:13; Jer. 5:24. Overvloed van spijs en vrolijkheid: Vgl. Ps. 4:8; 145:16; Pr. 9:7. Dit alles zijn gaven, die God de heidenen schonk. 18. Hoewel zij zo spraken: De getuigenissen van Gods weldaden hadden moeten leiden tot erkenning van Zijn bestaan. Tegenover het verleden, waarin God de volken had laten gaan, staat het heden: de oproep tot bekering. Met moeite weerhouden de apostelen evenwel de schare van de voorgenomen offers. Er wordt niet over gesproken dat de prediking vrucht heeft afgeworpen. Al blijken er volgens vss 20-21 gelovigen te zijn in Lystra. 19. Zie bij Hand. 13:50. Joden hitsen de menigte op. De bewondering slaat om in haat. En stenigden Paulus: Wat in Ikonium voorkomen was, gebeurt thans. vgl. 2 Kor. 11:25. 20. Stond hij op: God geeft zijn uitverkoren getuige niet prijs. Paulus ontwaakt weer tot leven. Een teken van de bewarende macht van de Here. 21. Discipelen gemaakt: Vgl. Mat. 28:19. Lucas gebruikt alleen hier het werkwoord. In 20:4 wordt een zekere Gajus uit Derbe als begeleider van Paulus genoemd. Keerden zij terug: De apostelen gaan terug naar de door hen gestichte gemeenten in steden waar tegenkanting en verdrukking hen niet bespaard gebleven waren. Een andere weg naar Antiochië in Syrië zou mogelijk geweest zijn! 22. Om… versterken: Deze pastorale nazorg was in de gegeven situatie van tegenkanting en mogelijkheden tot terugval dringend nodig. Versterken, lett. vast opstellen, stutten, sterken, wordt in Luc. 22:32 gebruikt voor Petrus tav. zijn broeders, in Handelingen voor het werk van Paulus, Barnabas, Judas en Silas (14:22; 15:32, 41; 18:23). Zie ook Rom. 1:17; 16:25. De versterking geschiedt opdat de gelovigen niet moedeloos worden. Het is een werk van God, waarin Hij mensen gebruikt. Zie als parallel bv. 14: 22; 1 Tess. 3:2vv. Te blijven bij het geloof: Vgl. bv. 11:23 en 13:43. Versterking en vermaning gaan hand in hand.
En dat wij: Er is in dit vs een merkwaardige overgang van de indirecte naar de directe rede. Opvallend is het ‘wij’. Het is algemeen voor de christenen bedoeld. Lucas schrijft aan gemeenten die onder de slagschaduw van de verdrukking leefden. Door vele verdrukkingen moeten binnengaan: De verdrukkingen gaan aan de eindtijd vooraf (vgl. Mat. 13:21; Joh. 16:33; Rom. 8:35; Hand. 20:23). Zij zijn geen toevallige incidenten, maar geschieden naar het plan van God (moeten). Zoals de Here Jezus zelf door lijden moest ingaan in zijn heerlijkheid (Luc. 24:26), zo is het ook met zijn volgelingen. Hun lijden is lijden in de navolging van Christus. Ervaring van lijden kan leiden tot afval en verstikking van het zaad van het Woord (vgl. Luc. 8:13-14). Daarom worden de gemeenteleden vermaand. Het Koninkrijk Gods: Dat is de troost. De weg van het lijden is toch de weg naar het Koninkrijk, naar de heerlijkheid van het eeuwige leven, vgl. Hand. 1:11; 2 Tim. 4:18. 23. Oudsten: Paulus en Barnabasnemen ook maatregelen tot consolidatie van de gemeente op het vlak van de kerkorganisatie. Zij stellen oudsten aan. Dit is de eerste keer dat verwezen wordt naar ambtsdragers buiten de gemeente van Jeruzalem. Zie Hand. 20:28; 1 Tim. 5:17; Tit. 1:5; Jac 5:14; Petr. 5: Rom. 12:6, 8; 1 Tess. 5:12; 1 Kor. 12:28; Filp. 1:1 is ook sprake van leidinggevende personen, onder andere namen. Denkbaar is dat Lucas een in zijn tijd gangbare term gebruikt heeft voor diensten, die vroeger wellicht onder andere namen bekend waren. Aangewezen: Lett, met opheffen van de hand kiezen, aanstellen. Onder bidden en vasten: Vgl. bv. 13:2. Droegen… de Here op: Er is hier geen sprake van een handoplegging. De gekozenen worden aan de genade van God opgedragen en aan zijn bescherming toevertrouwd. Zij zijn tot geloof in Hem gekomen. Nu zal Hij hen leiden en beschermen bij hun arbeid ten dienste van de gemeente en haar opbouw. 25. Attalia: de havenstad van Pamphylië, van waaruit de apostelen naar Antiochië varen. De stad was omstreeks 150 v.Chr. gesticht door Attalos II van Pergamon. 26. Waar zij… waren opgedragen: Zie 13:2, 3. Volbracht: De taak, waartoe de Geest hen had opgeroepen is volbracht. 27. Riepen… bijeen: De apostelen zijn uitgezonden vanuit de gemeente. Nu wordt de gemeente opnieuw bij het werk betrokken en leggen de zendelingen rekenschap af van wat zij gedaan hebben. Niet hun eigen doen, maar het handelen van God staat centraal in hun verslag. Deur des geloofs… geopend: Bekend beeld in het missionaire spraakgebruik, vgl. 1 Kor. 16:9; 2 Kor. 2: 12; Kol. 4:3; Op. 3:7-8. De Here heeft voor de heidenen de mogelijkheid ontsloten binnen te treden in de ruimte van het christelijk geloof en toe te treden tot de gemeente. Vgl. 11:18. Het beeld wordt in het N.T. ook gebruikt voor de open deur waardoor de prediker kan binnentreden naar de mensen toe. Ook voor de heidenen: De heidenen ontvangen het heil zonder besnijdenis en wetson-derhouding. Daarmee is een nieuwe fase in de opdracht van Hand. 1:8 begonnen. De verkondiging onder de volken zal voortgaan tot de einden der aarde.
Het ‘apostelconvent’ te Jeruzalem 15:1-35
Na de eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas, waarbij het tot stichting van overwegend heidenchristelijke gemeenten kwam en het aantal christenen van heidenseafkomst dus sterk toenam, kwam opnieuw het strijdpunt naar voren of heidenen niet verplicht moesten worden tot de besnijdenis en het onderhouden van de mozaïsche wet. Voor Paulus impliceerde het feit van de verkondiging van het Evangelie van Gods genade in Christus dat van de heidenen niet meer de besnijdenis gevraagd moest worden, aangezien zij alleen door het geloof in Christus gerechtvaardigd werden. Na zijn terugkeer uit Antiochië werd de vrijheid van de besnijdenis voor heidenchristenen aangevochten door ‘sommigen’ uit Judea: Zonder besnijdenis was er volgens hen geen behoud. Er ontstond een scherp conflict. In Gal. 2:1-10, dat ondanks enkele verschillen in de beschrijving over dezelfde gebeurtenis handelt (zie voor de verhouding van Gal. 1 en 2 tot Hand. 15 de inleiding bij de Brief aan de Galaten), zegt Paulus zelfs, dat er valse broeders binnengeslopen waren ‘om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen’ (Gal. 2:4). Paulus verzette zich tegen deze lieden om der wille van de waarheid van het Evangelie (Gal. 2:5). Het kwam voor de apostel aan op de prediking van de rechtvaardiging door genade alleen. Het ging dus om het hart van het Evangelie.
De gemeente van Antiochië zendt een delegatie naar Jeruzalem, onder wie de beide apostelen, om het geschil te bespreken. Ook daar rees verzet tegen de paulinische opvatting van de kant van mensen ‘uit de partij der Farizeeën die gelovig geworden waren’ (15:5), Judaïsten zoals ze later genoemd werden. Na scherpe discussies koos de gemeente op deze vergadering, het zgn. ‘apostelconvent’, de kant van Paulus. Vooral de inbreng van Petrus en de broeder des Heren, Jacobus, was beslissend. Heidenen moest niet het juk van de besnijdenis opgelegd worden. Het enige dat van hen gevraagd werd was onthouding van heidens offervlees, ontucht, niet-geslachte dode dieren en bloed. Principieel werd de lijn van Hand. 10 en 11 voortgezet. In het geheel van het boek Handelingen neemt dit hoofdstuk een sleutelpositie in. De gemeente uit Israel en de volken werd geen joodse sekte. De deur bleef open voor de voortgang van het zendingswerk onder de heidenen. De beslissing van deze vergadering wordt door Lucas drie maal in zijn boek vermeld. Dat tekent het gewicht van dit besluit.
1.Sommigen, uit Judea gekomen: zie ook de vss 5, 24. Blijkbaar is er niet sprake van een officiële opdracht. Gij… laat besnijden: De besnijdenis was door God bevolen als teken van Gods verbond met zijn volk (Gen. 17). Reeds Deut. 10:16 wijst er op, dat de besnijdenis van het vlees gepaard moet gaan met de besnijdenis van het hart, de innerlijke vernieuwing, vgl. Filp. 3:3. Jezus is ten achtste dag besneden, Luc. 2:21. Ook daarin vervulde Hij de wet (Mat. 5:17). In de nieuwtestamentische bede-liing neemt de doop de plaats der besnijdenis in, Kol. 2: llv. De vraag die in Hand. 15 aan de orde is is: Is de besnijdenis noodzakelijk om tot het volk Gods te behoren en het heil te ontvangen? 2. Apostelen en oudsten: Beide groepen worden in één adem genoemd als leidinggevenden in de moedergemeente. 3. Grote blijdschap: Vgl. 11: 18; 13:48v; 14:28. De antiocheense christenen stonden dus niet alleen. Ook de door de Hellenisten gestichte gemeenten verheugen zich over Gods werk onder de heidenen. 4. Wat God… gedaan had: Vgl. 14:27. Vóór de discussies uit laat Lucas zien dat in het werk van de apostelen God gehandeld heeft. 5. Zie vs 1. 6. Uit vs 12 en 22 valt af te leiden dat ook de gemeente tegenwoordig is. 7. Petrus: Na 12:17 verschijnt Petrus weer binnen de gemeente. Hand. 15 is het laatste verhaal waarin hij in Handelingen voorkomt. Weer treft ons de parallellie tussen Petrus en Paulus.Van de aanvang af: lett. Vanaf oude dagen. Verkoren, opdat… de heidenen: Vgl. 9:15. Het woord van het evangelie: Doorgaans is er alleen sprake van ‘het Woord’ of het ‘Woord des Heren’. Evangelie: zie ook 20:24. Petrus doelt in dit vs op het gebeuren in het huis van Cornelius. 8. God, die de harten kent: Het hart (4:32) is het centrum van gevoelens, gedachten en overleggingen. Zie ook Hand. 1:24; 10:34. Ook in vs 9 is sprake van het hart. Niet uiterlijke kenmerken zijn beslissend, maar de innerlijke houding van geloof in God. Heeft getuigd: Het schenken van de Geest aan Cornelius en zijn huis is Gods getuigenis, dat de heidenen mogen delen in het heil door het geloof. 9. Zonder enig onderscheid: Vgl. 10:34vv. Door het geloof hun harten reinigende: Ipv. vergeving is hier sprake van reiniging, vgl. 10:15; 11:9. Voor een rein hart zie Ps. 51:12; 1 Tim. 1:5; Mat. 5:8. De heidenchristenen zijn principieel gelijk gesteld met de jodenchristenen door deze daad van God. Hij heeft de scheiding opgeheven. In plaats van de besnijdenis/wet is bepalend het geloof in Jezus Christus. 10. Wat stelt gij God op de proef: Door vast te houden aan de eis van de besnijdenis daagt men God uit en verzet men zich tegen zijn duidelijke wilsbeslissing, vgl. Hand. 5:9. Een juk op… te leggen: De rabbijnen spraken over ‘het juk van de wet’ of ‘van de geboden’. In dit vs klinkt de gedachte door dat dit juk een last is (vgl. Mat. 23:4; Gal. 5:1). Petrus zegt, dat zij noch hun vaderen in staat waren dit juk te dragen, dwz. de eisen van de wet na te komen. Ook de jodenchristenen zijn gered, niet door wetswerken, maar door de genade van de Here Jezus (vs 11). 11. Vgl. Hand. 13:38, 39. 12.Werdstil: De twist is verstomd. Het zwijgen impliceert toestemming. Tekenen en wonderen… onder de heidenen: In het bericht van Gods daden (vgl. 14:27, 28) zijn de tekenen en wonderen de bewijzen van Gods werk (vgl. 14:3).
13. Jakobus gaat nu spreken. Het ‘hoort naar mij’ geeft aan de leidende plaats die de broeder van de Here Jezus in de eerste gemeente innam. Vgl. Gal. 2:9; 1 Kor. 15:7.
14. Simeon: In dit vs en in 2 Petr. 1:1 wordt deze hebra-ïserende vorm van de naam Simon gebruikt. Van meet aan er op bedacht geweest is: Lett, ‘het eerst heeft omgezien naar’, dwz. God heeft in het gebeuren met Cornelius genadig gehandeld (vgl. bv. 7:23). Een volk voor zijn naam: God heeft ook uit de heidenen een volk voor zijn naam, dwz. bij Hem behorend, staande in zijn dienst, toegevoegd aan het volk waaraan de Here zijn beloften heeft gegeven. Zie voor ‘volk’ ook Hand. 18:10. Vgl. ook vs 17: ‘heidenen, over wie Mijn Naam is uitgeroepen’ dwz. die Gods eigendom worden. 15-17: Met een citaat uit Arnos 9:11-12 laat Jacobus zien, dat in dit alles Gods belofte aan Israel vervuld wordt. In verschillende opzichten wijkt dit citaat over het herstel van Jeruzalem en het huis van David, af van de Septuaginta. ‘Ik zal wederkeren’staat niet in de gr. vert. van Arnos, wel vinden we die gedachte in Jer. 12:15; Mi.7:19; Zach. 1:16; 8:3. Uit alle volken worden de heidenen ingezameld in het eneGodsvolk, ingelijfd in Israel. Het uitwendig teken van de continuiteit en identiteit van Israel is niet meer de besnijdenis, maar bepalend is het reddende geloof. 18. Dit vs onderstreept, dat in de vervulling van Gods belofte aan Israel in Jezus komst en werk zich Gods heilsplan voltrekt. 19. Uit Gods daad en uit de Schrift blijkt, dat men de bekeerlingen uit de volken niet moet lastig vallen met de eis van de besnijdenis (vgl. vs 1, 5, 10). 20. Vier punten worden genoemd waarvan de heidenchristenen zich moeten onthouden, opdat de concrete levensgemeenschap, de tafelgemeenschap, tussen christenen uit de Joden en uit de volken praktisch mogelijk wordt. Het gaat om onthouding van wat door de afgoden bezoedeld is: offervlees, afkomstig van heidense offers en deelname aan de heidense cultus (vgl. 1 Kor. 8 en 10:20vv), hoererij: ongeoorloofd geslachtsverkeer (vgl. Lev. 18:6vv; Deut. 23:17vv), met name ook de in de wet verboden huwelijken met verwanten, het verstikte, dwz. het niet geslachte, dode dier, het dier dat stierf zonder dat het bloed eruit stroomde (Lev. 17:13vv), bloed: nl. het verbod om bloed te nuttigen (Gen. 9:4; Lev. 17:10). Dit vierde punt ligt in de lijn van het derde. Aanschrijven: vgl. vss 23,30.
21. Mozes heeft… in iedere stad… wordt voorgelezen: De bepalingen van vs 20 zijn nodig, want overal zullen de heidenchristenen Joden aantreffen die zich aan de wet gebonden weten en zich daarvan niet willen losmaken, en dan ook de genoemde zaken verafschuwen. Impliciet wijst ons vs op de verbreiding van de Joden in de Diaspora.
22. Toen besloten: Hetzelfde woord ook in Luc. 1:3; vgl. vss 25, 28. Judas, Barsabbas genaamd: Van hem is niets nader bekend.Silas: Vermoedelijk dezelfde als Silvanus (2 Kor. 1:19; 1 Tess. 1:1; 2 Tess. 1:1 en 1 Petr. 5:12), vermoedelijk betekent de naam hetzelfde als Saul, ‘de gevraagde’. Silas is de metgezel van Paulus op diens zendingsreizen (Hand. 16-18). Mannen van aanzien: Leidende mannen in de gemeente, vgl. Heb. 13:7, 17, 24. 23. Men schreef: De tekst van de brief beantwoord aan de klassieke vorm van de hellenistische brief (vgl. ook 23: 26). De broeders uit de heidenen: Naast Antiochië worden ook Syrië en Cilicië genoemd, maar opvallend is dat niet vermeld worden de gemeenten van de eerste zendingsreis. 24. Enigen… geboden hadden: De apostelen en oudsten distantiëren zich van de Judaïsten. Uw zielen in verwarring brengende: Door het twistpunt inzake de besnijdenis was bij de antiocheense heidenchristenen de zekerheid aangaande hun delen in het heil aan het wankelen gebracht. 25. Eenstemmig: Ook hier legt Lucas nadruk op de eensgezindheid, des te sprekender na de woorden over het conflict. Onze gelief den: Rom. 16:5, 8, 9, 12. 26. Mannen, die… hebben overgehad: Vgl. 5:41; 9:16. Deze vermelding van de bereidheid van de apostelen tot aan het offer van hun leven, hun inzet voor de zaak van het Evangelie laat zien dat Paulus en Barnabas terugkeren naar Antiochië met de volledige erkenning van hun missionaire arbeid van de kant van de gemeente van Jeruzalem. 27. De afgezanten van de moedergemeente worden gemachtigd tot mondelinge interpretatie en toelichting van de genomen beslissing, die in de vss 28-29 wordt meegedeeld. 28. De Heilige Geest en ons: Deze woorden zijn niet de uitdrukking van een soort partnerschap tussen de Geest en de kerkelijke autoriteiten, noch van een beschikkingsmacht van de laatsten over de eerste, maar geven aan, dat de leiders van de gemeente niet uit willekeur hun besluit genomen hebben, maar door zich te stellen onder de leiding van de Heilige Geest. Achter deze beslissing staat goddelijk gezag. 29. Zie bij vs 20. Zult gij weldoen: Deze wending kan ook inhouden: ‘zo zal het u wel gaan’. Vaart wel: het gebruikelijke slot van een brief in die tijd.
een gemeentesamenkomst wordt de brief uit Jeruzalem voorgelezen. De heidenchristenen reageren positief. Zij verblijdden zich over de bemoediging (de pa-raklesis). De lezers verstaan de inhoud dus niet als een last, maar als een bemoedigend appèl dat hen versterkt in de zekerheid van het geloof. Zij mogen zich ook zonder besnijdenis en doop volwaardige leden van het volk van God weten. Ook hier accentueert Lucas weer het aspect van de vreugde (vgl. bv. 11:23; 8:39; 15:3). 32. Die zelf ook profeten waren: Vgl. 11:28. Ook Judas en Silas bezitten het charisma van de profetie tot opbouw van de gemeente. We kunnen de woorden ‘ook zelf beter betrekken op ‘bemoedigden’. Dan wordt de betekenis dat de beide gedelegeerde niet alleen de schriftelijke bemoediging in de vorm van een brief overbrachten, maar ook mondeling (vgl. vs 27) de broeders bemoedigden en versterkten. Op die wijze ontving de gemeente een dubbele versterking en werd tevens de eenheid tussen Jeruzalem en Antiochië bevestigd. 33. Met de vredegroet gezonden: De broeders nemen afscheid van hen met de gebruikelijke groet: ‘Ga heen in vrede’ (vgl. 16:36). 34. Dit vs staat tussen vierkante haken. Het komt in de meeste handschriften niet voor. Het is een secundaire lezing die vs 33 met vs 40 wil verbinden. 35. Deze samenvattende notitie vat het verloop van de ontwikkeling nog eens samen. Na de vergadering in Jeruzalem en na de beslissing over het zo aangelegen punt van de vrijheid van de besnijdenis gaat de arbeid van ‘leren en verkondigen’ voort. Behalve Paulus en Barnabas zijn ook vele anderen daarbij betrokken. Het getal medewerkers groeit.
Verwijdering en contact 15:35-16:5
Deze perikoop vormt de overgang naar het verhaal van de tweede zendingsreis. Paulus vat het plan op van een bezoek aan de gestichte gemeenten. Hij ontwikkelt geen nieuw zendingsplan. Maar God laat uit deze reis de tweede zendingsreis voortkomen.
36. Terugkeren en omzien: Vgl. 14:21. Opnieuw een stukje nazorg aan de broeders. In ‘omzien’ zit de notie ‘zich bekommeren om, handelen uit besef van verantwoordelijkheid en zorg voor elkaar’. De benaming ‘broeder’ onderstreept het element van de zorg voor elkaar. 37-38.Johannes… Marcus: Zie Hand. 13:13. Meenemen… bij zich moest hebben: De verschillende tijden van hetzelfde werkwoord zijn in deze verschillende vertaling duidelijk tot uitdrukking gebracht. 39. Verbittering: Een scherp woord voor een conflict, dat een eind maakt aan de contacten, die vanaf 9:27 vermeld worden tussen beide apostelen. Barnabas wordt verder in Hand. niet genoemd. Gal. 2:13 maakt melding van een ander conflict. Heeft Lucas hier niet van geweten of is de scherpte enigermate verzacht? Het verschil in genre (Galaten: een brief in een strijdsituatie; Handelingen: een zendings-boek) kan evenzeer een verklaring zijn, waarom Lucas een ander motief noemt dan Gal. 2. Zodat zij uiteengingen: De ruzie blokkeert het zendingswerk niet. Nieuwe medewerkers worden aangetrokken. 40. Ziebv. 13:3; 14: 23, 26. Versterkte de gemeenten: Zie bv. 11:23 en 14:22. 16:1. Timoteüs (= Godvrezende): Hij wordt discipel, christen genoemd. Vgl. 1 Kor. 4:17. Vermoedelijk is hij gedurende Paulus’ prediking in Lystra tot geloof gekomen. Zijn moeder was een gelovige (= in Jezus gelovende) Jodin, zijn vader een Griek, een heiden. Uit vs 3b is af te leiden dat hij al overleden was. Een gemengd huwelijk tussen een Griek en een Jodin was in joodse ogen illegitiem. De kinderen werden voor de wet als Joden beschouwd en moesten daarom besneden worden. Daarom is er verschil in situatie tussen Timoteüs en de heidenchristen Titus, wiens besnijdenis Paulus volgens Gal. 2:3 uitdrukkelijk geweigerd had. Van alle medewerkers stond Timoteüs Paulus het meest na (Filp. 2:19vv). 2. Timoteüs wordt Paulus als medewerker aanbevolen. Besneed hem ter wille van de Joden: zie bv. vs het geval van de als Jood geldende christen Timoteüs wil Paulus geen aanstoot geven. Een joden-christen die niet besneden was zou ongeschikt zijn als medewerker in het contact met Joden in de synagoge. De toevoeging ‘ter wille van ‘ enz. doet vermoeden dat voor Paulus zelf de zaak geen principe-kwestie was, maar in de lijn lag van Gal. 5:6.
4.Beslissingen: Het griekse woord dogmata wordt ook gebruikt van keizerlijke decreten, vgl. Luc. 2:1 en Hand. 17:7. De steden, hier genoemd, komen niet voor in de aanhef van de brief van Hand. 15:23. Aan te nemen is dat deze gemeenten beschouwd werden als dochtergemeenten. Wij lezen er verder bij de stichting van gemeenten niet meer van dat Paulus deze besluiten ter sprake heeft gebracht. 5. Bevestigd ln het geloof: Zie ook Kol. 1:23 en 1 Petr. 5:9-10. Er vindt consolidatie plaats ten aanzien van het geloof. Namen… toe: Vgl. 2:41; 6:7; 9: 31. Lucas besluit dit gedeelte met een notitie over de innerlijke en uitwendige groei van de gemeente.
Het getuigenis in Griekenland en Klein-Azië 16:6-19:20
Dit gedeelte maakt melding van de evangelieverkondiging door Paulus en zijn medewerkers in Macedonië, Achaje en Klein-Azië. In de beschrijving wisselen licht en donker elkaar af. Het laatste vers van dit gedeelte is het ‘Leitmotiv’: Ondanks tegenkanting groeit het Woord; het breidt zich uit, legt beslag op de hoorders, dringt tot een beslissing en brengt mensen tot geloof. Evenals in het voorgaande vangt Paulus zijn arbeid steeds weer aan onder zijn volksgenoten in de synagoge. Het is niet aan menselijke overwegingen, maar aan de leiding van Gods Geest te danken dat Paulus en zijn medewerkers zich naar Macedonië begeven. Het is de Geest van Jezus, die Paulus belet voorgenomen plannen tot uitvoering te brengen. Hij leidt de apostel op nieuwe wegen, die hem voeren naar Europa. Waarbij we dienen te bedenken dat in de nieuwtestamentische tijd bij de eenheid van het romeinse rijk en de samenhang van de griekse cultuur de tegenstelling tussen Europa en Azië niet zo ervaren werd als door ons. Opvallend is ook in deze hoofdstukken, hoe de apostel de grote steden, de cultuur- en verkeers-centra opzoekt als uitgangspunt en basis voor zijn prediking. In 16:10-17 hebben we voor het eerst de ‘wij-stukken’, waarin de schrijver als deel van het reisgezelschap zijn verhaal vertelt.
Paulus en Silas naar Macedonië 16:6-10
6.Door het frygisch-galatische land: Het plan was om vanuit Lykaonië naar het Westen te gaan, via de officiële route, het Lykus-en Meanderdal volgende naar Efeze, de hoofdstad van de provincie Asia. Door de Heilige Geest verhinderd: Het is de Geest, die Paulus plannen omverwerpt. Er staat niet bij op welke wijze de Geest het Paulus kenbaar maakt. Te denken is wel aan een spreken door de profeten (vgl. 11:28; 21:10; 22:17v). Of aan concrete verhinderingen die als aanwijzing van de Geest opgevat werden. Ze trekken nu door Frygië, oostelijk van Asia en het landschap Galatië. Uit 18:23 blijkt dat Paulus in deze gebieden gepredikt heeft. 7. Een tweede plan wordt ontwikkeld: Naar het N.W. door het landschap Mysië naar Bithynië om het gebied rond de Bosporus met zijn belangrijke steden (Byzantium, Nicomedië) te bereiken. De Geest van Jezus: Deze verbinding wordt alleen hier gebruikt. Vgl. 2 Kor. 3:17. Poogden: De werkwoordsvorm drukt een herhaald pogen uit. Liet… niet los: Een andere werkwoordsvorm, die op een abrupte weigering wijst. Tot 2x toe is er de verhindering. De herhaling is een bij Lucas veel voorkomend motief om een belangrijke gedachte te onderstrepen.
8.Troas: Havenstad in het Noorden van de westkust van KI. Azië (zie ook vss 11 en 20:5-6). 9. Het derde goddelijk ingrijpen is de verschijning van de Macedoniër in een nachtelijk gezicht. Steek over… help ons: De hulp, waarom gevraagd wordt, is de redding door het Evangelie.
10. Naar Macedonië: Dit gebied kreeg grote bekendheid door de veroveringen van Filippus en diens beroemde zoon Alexander de Grote, 4e eeuw voor Chr. In de tijd van het N.T. was het een romeinse provincie. Dat God ons had geroepen: In de vraag van de Macedoniër klonk Gods roep. De predikers geven gehoor aan Gods roepstem.
Paulus en Silas in Filippi 16:11-40
11. Samotrake: het eiland ligt halverwege de route naar Neapolis, het huidige Kavla, havenstad vlak bij Filippi, gelegen in de buurt van de Via Egnatia, de weg die geheel Macedonië doorkruist in oost-westelijke richting. 12. Filippi: landinwaarts gelegen. De stad dankt zijn naam aan de vader van Alexander de Grote, Filippus, die de nabijgelegen goudmijnen liet ontginnen. Na de slag bij Actium (31 v.Chr.) werd de stad een romeinse kolonie, bevolkt door romeinse oud-soldaten. De bewoners hadden eigen bestuur en vrijheid van belastingen en stonden onder zgn. ‘italiaans recht’. De eerste stad van dit deel: Macedonië viel uiteen in vier delen. 13. Gebedsplaats: Paulus zoekt primair contact met zijn volksgenoten. We moeten vermoedelijk denken aan een eenvoudige plaats voor gebed in de open lucht, al kan het griekse woord ook ‘synagoge’ betekenen. Maar het feit, dat Lucas alleen melding van vrouwen doet vermoeden, dat er geen gewone synagogedienst gehouden werd, waartoe minstens 10 mannen bijeen moesten zijn. 14.Lydia: De eerste christin in Europa behoort tot de Godvrezenden. Haar naam duidt er op dat zij in Filippi een vreemdeling was, afkomstig uit de lydische stad Thyatira (Op 2: 18vv), beroemd vanwege de purperindustrie. Lydia zal een vermogende vrouw geweest zijn. Hoorde toe en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk: Het geloof is uit het horen naar het Woord (Rom. 10:17). Het is het werk van God, die het hart, het centrum van ons leven, opent. De goddelijke werking staat niet los van de verkondiging. 15. En haar huis: Vgl. bv. 11:14. Het huis was levensgemeenschap en godsdienstige gemeenschap. Het is waarschijnlijk dat bij de doop van ‘huizen’ ook kleine kinderen betrokken waren. Neem dan uw intrek in mijn huis: Dit huis wordt ahw. brugge-hoofd voor de wordende gemeente van Filippi. Vgl. voor ‘zij drong… er toe’ Luc. 24:29. Hier is sprake van de eerste huisgemeente op europese bodem.
16. Een… slavin, die een waarzeggende geest had: Lett, een Pythongeest. Python was oorspronkelijk de naam van de slang, die het orakel van Delfi bewaakte en door Apollo gedood werd volgens de mythologie. Later werd het een aanduiding voor een buikspreker, die geacht werd spreekbuis te zijn voor bovennatuurlijke machten en goden. De buikspreker gold als waarzegger. Niet de slavin zelf, maar de uit haar sprekende geest wordt als Python voorgesteld. Het verhaal van Hand. tekent het meisje als een door een boze geest bezetene (vgl. bv. Luc. 4:33vv over demonenuitdrijvingen door Jezus). Weer tekent Lucas ons de botsing van het Evangelie met de heidense wereld van de magie. Welke… veel voordeel aanbracht: Het meisje wordt commercieel uitgebuit. Weer treft ons de koppeling tussen magie en geldelijk voordeel. 17. Luid roepende: De demon openbaart wat nog geen mens in Filippi heeft ingezien. Weliswaar zijn in de mond van de boze geest de woorden geen belijdenis, maar provocatie. Dienstknechten van de allerhoogste God: vgl. 2:18; 4:29; Luc. 1:32, 35, 76.De weg tot behoudenis: Het motief van de redding is een centraal moment in Lucas en Handelingen. 18. Ik gelast u… van haar uit te gaan: Als brenger van het Evangelie stelt de apostel zich tegenover de wereld van de boze geesten. Vgl. Hand. 13:10. Vgl. Mar. 1:23. De Naam van Jezus maakt dit bevel mogelijk en bewerkt de uitdrijving van de demon. 19. Toen nu… zagen: In plaats van dankbaarheid voor de genezing van een mens, treedt de verontwaardiging om het feit, dat hun bron van inkomsten ophield. Vgl. Hand. 19:23vv. Het meisje was voor de eigenaars slechts een winstgevend object. De eigenaars slepen de apostelen naar de romeinse gezagsdragers. 20. Hoofdlieden: bedoeld zijn de praetoren of ‘duumviri’ die in romeinse kolonies voor de rechtspraak moesten zorgen. Deze mensen brengen onze stad in rep en roer: De privébelangen worden handig verborgen achter het voorgewende algemene belang. In de antieke wereld was men zeer beducht voor oproer. Dat maakt de beschuldiging des te gevaarlijker. 20-21: Daar zij Joden zijn… volgen: Nu wordt gezegd, waarom ze de stad in rep en roer gebracht zouden hebben. Paulus en Silas worden geacht de orde te verstoren door propaganda van vreemde godsdienstige leefregels. Voor de Romeinen was het hooghouden van de eigen mores een zaak van belang. Verstoring betekent voor de Romeinen revolutie. Als extra bezwarend wordt het Jood-zijn genoemd. Bewust en handig wordt geappelleerd aan het in de romeinse samenleving aanwezige anti-judaisme. 22-23: De volkmassa blijkt gevoelig voor de aanklacht. De praetoren laten Paulus en Silas geselen. De joodse geseling vond met riemen plaats (2 Kor. 11:24), in de romeinse wereld gebeurde het met roeden door de lictoren, de dienaren van de praetoren (vgl. vss 35, 38). Van een verhoor is geen sprake. De overheid laat zich gebruiken door de massa. Het beroemde romeinse recht staat hier in een negatief licht. Vgl. bv. vs 37. Zie ook 1 Tess. 2:2 over het lijden in Filippi. de binnenste kerker: De gevangenenbewaarder voert de orders stipt uit. Te denken is aan een onderaards hol. Hun voeten worden in het blok gesloten, zodat ze niet in staat zijn tot enige beweging. In het licht van de voorzorgsmaatregelen wordt het wonder van de bevrijding nog groter.
25. Baden… en zóngen Gods lof: Vgl. 5:40. Ondanks onrechtvaardige behandeling en zwaar lichamelijk lijden prijzen zij God. Luisterden: Zelfs in de gevangenis gaat het getuigenis door. 26. Plotseling: Vgl. 2:2. Aardbeving: Gods antwoord op het loflied van zijn dienaren. Evenals in Hand. 5:19-20 en 12:6vv grijpt God in ten gunste van zijn knechten. Het gevolg van de aardbeving wordt in drie dingen getekend: 1. De fundamenten van de gevangenis beven (vgl. 4:31); 2. De celdeuren gaan allen open (vgl. 5:19) Niet alleen voor de predikers, maar voor alle gevangenen. 3. De boeien van allen worden losgemaakt. Het 2x voorkomende ‘allen’ accentueert de grootte van het wonder. 27. Trok zijn zwaard: De cipier was aansprakelijk voor de gevangenen. De poging tot zelfmoord kan verklaard worden uit vrees voor de gevolgen of uit besef gefaald te hebben. Romeinse soldaten waren opgevoed in de gedachtenwereld van de plicht en de discipline. 28. Doe u zelf geen kwaad: Paulus redt het leven van de romeinse cipier. 30. De voormalige gevangenen worden aangesproken als ‘heren’. Om behouden te worden: Hier zit toch wel meer in dan alleen de gedachte aan lijfbehoud. Geen van de gevangenen is immers ontsnapt. De cipier beseft te maken te hebben met de God van deze gevangenen (vgl. vs 17). 31. Stel uw vertrouwen op de Here Jezus: Redding is er in de weg van het geloof (vgl. Rom. 10:19; 1 Kor. 12:3; Hand. 11:17). Gij en uw huis: Zie bv. Hand. 11:14. 33. ‘Hij waste hen en werd gewassen; hij waste hen van de wonden van de slagen, maar zelf werd hij gewassen van de zonden, hij voedde en werd gevoed’ (Chrystostomus). 34. Tafel: De maaltijd staat in het teken van de vreugde om het ontvangen heil (vgl. 13:48-49). Niets duidt er op dat Lucas aan de maaltijd des Heren gedacht zou hebben. 36. Gaat heen in vrede: De cipier groet met de bijbelse groet, vgl. Luc. 8:48. 37. Hoewel wij Romeinen zijn: Paulus verlangt als romeins burger, die naar romeins recht niet gegeseld mocht worden, gerehabiliteerd te worden. Ook Si-las was volgens dit vs romeins burger. 38. Vgl. Hand. 22: 29. 39. Het loopt uit op rehabilitatie van de predikers door de romeinse overheid. Een belangrijk gegeven voor de christelijke gemeente in haar verhouding tot de overheid. Vroegen… verlaten: De autoriteiten zijn de predikers toch liever kwijt dan rijk. In een lezing in één van de handschriften wordt als motief opgegeven, dat zij de woede van de volksmassa’s vreesden, die zich opnieuw kon ontladen tegen de vreemde predikers. Het is niet duidelijk of romeinse overheden een wettelijk recht tot zulk verzoek hadden. Maar stellig hadden zij er de feitelijke macht toe. 40. Spraken hen bemoedigend toe: De christenen, die achterblijven in een vijandige omgeving ontvangen versterking in hun geloof.
Tessalonica en Berea 17:1-15
1.Hun weg nemende: Over de Via Egnatia reizen Paulus en Silas in westelijke richting. Zij passeren Amfïpolis en Apollonia. Hebben ze deze afstand te voet afgelegd, dan zijn ze ongeveer 6 dagen onderweg geweest. Tessalonica: Het huidige Saloniki was de metropool van Macedonië. Bij zijn stichting (315 v.Chr.) had het zijn naam ontvangen ter ere van de halfzuster van Alexander de Grote, Tessalonikè. In de romeinse tjid was het de zetel van de romeinse proconsul. Tegelijk was het een vrije stad met eigen raad en volksvergadering. Vijf tot zes stadsprefecten (politarchen) gaven leiding. De economische bloei was mede te danken aan de gunstige ligging. De stad beschikte over een grote haven in een bocht van de Ther-maeïsche zeeboezem. Gemeentevorming in dit centrum was van betekenis, omdat van hieruit er mogelijkheden waren voor uitstraling in de gehele provincie. 2. Zoals hij gewoon was: Vgl. Luc. 4:16. Behandelde: Het hier gebruikte griekse woord dat ook met ‘prediken’ vertaald kan worden, vertoont verwantschap met ons woord ‘dialoog’. Lucas gebruikt het ook in 17:17; 18:4, 19; 19:8, 9; 20:7, 9; 24:12, 25. 3. Hier wordt de inhoud van de prediking nader aangegeven. Paulus opent de Schriften, dwz. wet en profeten worden zo gelezen, dat ze doorzichtig worden tot op Jezus, de Christus. Vgl. Luc. 24:27; Hand. 8:35. De prediking behelst als punten: de Messias moest lijden en opstaan (vgl. 2:25vv; 8:32vv; 13:33vv). Deze Messias is Jezus. Aan het slot van vs 3 gaat Lucas over in de directe rede. Vgl. voor de formule ‘dat Jezus de Christus is’ Joh. 20:30-31. Dit was het grote onderwerp in de discussies met de Joden in de synagoge. 4. Ook in Tessalonica heeft de prediking tweeërlei uitwerking. In dit vs wordt verteld van de positieve reactie bij Joden en bij heidenen die vereerders van God waren, met name vrouwen uit de elite. Vgl. 13:50 waar dezelfde categorie juist tegen de apostelen optreedt. Lucas legt nadruk op de betekenis van de vrouw bij de vorming van de gemeenten. 5. Maar de Joden: Er is ook verzet van de zijde van de Joden. Het motief is evenals in 5:17 en 13:45 jaloezie over het resultaat dat de predikers boeken. Enkele van het minste straatvolk: Lett, ‘mensen van de markt’, leeglopers die op de markt rondhingen. Vgl. 14: 5; 16:22; 19:23vv; 21:27vv. Zie ook vs 13.Jason: In zijn huis hielden Paulus en zijn metgezellen verblijf (vs 7). Jason is een bekende griekse naam, die zowel door Joden als door heidenen gedragen werd. Voor de volksvergadering: Lett, voor het volk. Daarmee kan de volksvergadering bedoeld zijn, de rechterlijke macht, waarbij het volk tegenwoordig was, of de volksmenigte. Het vervolg van het verhaal pleit voor de eerste mogelijkheid. 6. Stadsbestuurders zie bv. vs 1. Die de wereld (vgl. Luc. 2:1) in opschudding gebracht hebben: De predikers worden hier beschuldigd van het aanzetten tot revolutie, een gevaarlijke beschuldiging. In het antieke denken golden oproer en revolutie als een geweldige bedreiging voor de vrede en de eendracht binnen de steden en het rijk. Men lette op het contrast met vs 5: Zij die een volksoploop veroorzaken, beschuldigen hun slachtoffers van oproer. strijd met de geboden van de keizer: Hetzelfde woord als in Luc. 2:1 en Hand. 16:4. Een andere koning, Jezus: Zie voor Jezus’ koningschap Luc. 1:32; Joh. 19:12vv. Hoewel Lucas in Handelingen keer op keer laat zien, dat christenen loyale onderdanen zijn en geen rebellen, bevat de prediking van het koningschap van Jezus toch een aanval op elke vorm van keizerverering. 9. Borgtocht: De onrust bij het volk en de politarchen wordt weggenomen als Jason en de andere christenen (vs 6) een waarborgsom storten. Volgens het romeinse recht verviel deze, wanneer het vergrijp zich herhaalde. Maar tot zulk een herhaling zou het niet komen vanwege het vertrek van de apostelen.
10. Terstond: Er is haast bij. In de nacht: Wellicht moeten we denken aan een vlucht. Er is alleen sprake van Paulus en Silas, maar volgens vs 14 was ook Timoteüs in Berea. Berea lag ongeveer van Tessalonica verwijderd. Naar de synagoge: Er is veel overeenkomst met wat in de vss 1-7 verteld wordt. 11. Onderscheiden zich gunstig: De Joden in Berea geven een positiever antwoord dan hun volksgenoten in Tessalonica. Door eigen studie van de Schriften overtuigen zij zich van de juistheid van Paulus’ Schriftuitleg en worden zo gewonnen voor de prediking dat Jezus de Christus is. 12. Vgl. vs 4. Volgens Hand. 20:4 had de gemeente in Berea actief deelgenomen aan de collecte voor de gemeente van Jeruzalem. 13. Joden uit Tessalonica: Het verzet van Tessalonica herhaalt zich. Weer is sprake van een volksoploop. De zee: Paulus is per schip naar Athene gereisd. Silas en Timotheus bleven achter: Vgl. Hand. 18:5; 1 Tess. 3:lv.
Paulus te Athene 17:15-34
De redevoering van Paulus te Athene schetst de confrontatie van het Evangelie met de door de heidense filosofie gestempelde religiositeit. Terwijl Lucas in Hand. 14 verhaalt van de ontmoeting van de apostelen met de volksvroomheid, in hoofdstuk 16 en 19 de botsing tekent met de wereld van magie en waarzeggerij, zijn in dit hoofdstuk atheense filosofen de gesprekspartners van Paulus. De Areopagus-rede, zoals in dit gedeelte genoemd wordt, behoort tot de meest besproken passages van het boek Handelingen. De toespraak bevat allerlei motieven en reminiscenties uit de hellenistische filosofie en een citaat van de dichter Aratus. Verschillende geleerden zijn van oordeel, dat de rede ver verwijders is van de paulinische prediking en een ‘Fremdkörper’ is in het N.T., omdat ze in feite een hellenistische redevoering over de ware Godskennis zou zijn. Door anderen is deze visie terecht weersproken. Uit vs 23 blijkt dat Paulus ook in Athene verkondiger van de heilsboodschap is. Het thema is ‘Jezus en de opstanding’. De rede begint met de prediking van de ene God, Schepper en Onderhouder en loopt uit op de boodschap van Gods gericht en de opstanding. Hoewel er verwantschap is met hellenistische gedachten is het fundament van de boodschap toch de bijbelse openbaring zoals we die vinden in het O.T. Men heeft gewezen op aanrakingspunten met de zendingsprediking van het griekssprekende Jodendom in de verstrooiing. In de opbouw van deze rede is het schema terug te vinden, dat we ook aantreffen in 1 Tess. 1:9-10, Heb. 6:1-2; Hand. 14:15-17. Lucas geeft een samenvatting van paulinische zendingsprediking en toont zich ook hier een accuraat historicus. Accentsverschillen met Rom. 1-3 zijn te verklaren uit het feit dat de brief zich richt tot mensen die tot geloof in Christus gekomen zijn, terwijl Hand. 17 een zendingsprediking tot heidenen bevat.
15. Te Athene: Brandpunt van het geestelijke en culturele leven van Griekenland. Athene, de bakermat van de democratie, speelde een leidende rol in de 5e eeuw v.Chr. Gedurende enkele eeuwen bleef het een invloedrijke stad. In 146 v.Chr. werd deze veroverd door de Romeinen. Uit respect voor het roemruchte verleden kreeg de stad de status van een vrije stad in het romeinse rijk. De naam Athene is verbonden aan allerlei beroemde kunstwerken. Als geboorteplaats van Socrates en Plato en woonplaats van Aristoteles, Epicurus en Xeno was het een centrum van de griekse filosofie. In Paulus’ dagen teerde het op de roem van het verleden. Economisch en politiek telde het nauwelijks mee. Maar vanwege het verleden was het nog altijd een aantrekkelijke stad voor vele vreemdelingen. 16. Werd zijn geest in hem geprikkeld: Paulus ziet de stad niet met de ogen van een toerist, maar als apostel van Jezus Christus. Vgl. voor ‘geprikkeld’ Hand. 15:39. Vol afgodsbeelden: Wat de trots van Athene was, is voor Paulus teken van zondige religiositeit die het schepsel vereert in plaats van de Schepper. Vgl. Deut. 4:15vv;Rom. 1:25; 1 Kor. 8:5-6. 17. Zowel in de synagoge tot de Joden als op de markt, de agora (bedoeld is wel de zgn. Kerameikos ten N.W. van de Akropolis), gaat de apostel prediken. Ook hier is de regel van het ‘eerst de Jood’. Toch staat de arbeid onder de heidenen er gelijkwaardig naast. Ook van Socrates wordt gezegd dat hij op de markt zich onderhoudt met mensen. 18. Epicureïsche en stoicijnse wijsgeren: Van de vier atheense filosofen-scholen vermeldt Lucas er twee. De volgelingen van Epicurus (± 300 v.Chr.) legden nadruk op de levensvreugde, het vrij zijn van smart en leed. Bovennatuurlijke machten grijpen niet in in het leven. Epicurus wilde de mens verlossen van angst voor de goden en de dood. Het geluk ligt in het genot. Ten tijde van Paulus had het Epicureïs-me zijn betekenis verloren. De Stoa had destijds nog grote betekenis. De rationele strengheid van hun leer, waarbij de wereld als een tot in details door de logos beheerste kosmische harmonie gezien werd en elk mens zijn plaats daarin innam, en de kracht van hun ethos met de nadruk op de onbewogen innerlijke rust en de deugdzaamheid van de wijze maakten, dat de Stoa in de vroege keizertijd de beheersende filosofische stroming werd. Belangrijke vertegenwoordigers waren Epictetus en Seneca. Betweter: lett. graantjespikker, dat wil zoveel zeggen als kletskous. Hierin komt de verachting naar voren van de intellectueel voor de man, die in hun ogen vreemde gedachten uit alle hoeken oppikt en zonder ze te begrijpen doorgeeft. Verkondiger van vreemde goden: Socrates was destijds beschuldigd nieuwe godheden in Athene in te voeren. Hier is ipv. ‘Nieuwe’ sprake van ‘vreemde’. De reactie is dus negatief. Men ziet Paulus als propagandist van obscure, oosterse culten. Jezus en de opstanding: Het centrale thema van de evangelieprediking. Het is mogelijk dat Paulus’ gesprekpartners gedacht hebben aan een godenpaar: Jezus en Anastasis. 19. Naar de Areopagus: Om hun nieuwsgierigheid te bevredigen brengen zij Paulus uit het marktgewoel naar de zgn.’Axesrots’ ten N.W. van de Akropolis gelegen. Nu kan ‘Areopagus’ ook de naam zijn van een atheens rechterlijk college die zich oa. bezig hield met religieuze aangelegenheden en vergaderde op de Areopagus. Men heeft uit het werkwoord ‘meenemen’ wel willen afleiden, dat Paulus aan een soort verhoor onderworpen zou zijn. Maar uit het vervolg blijkt niet, dat we met een verdedigingsrede te maken hebben.
21. Alle Atheners nu: Niet de openheid voor de verkondiging van het Evangelie drijft hen, maar hun spreekwoordelijke nieuwsgierigheid. Van een echte dialoog is geen sprake. De atheense geleerden beschouwen het onderhoud als een welkome afwisseling.
22. Buitengewoon ontzag voor godheden: Het griekse woord betekent zowel religieus, vroom als bijgelovig. 23. Aan een onbekende god: Dit vs grijpt terug op vs 16. Bij antieke schrijvers vinden we meermalen vermeld dat er heiligdommen en altaren zijn, gewijd aan ‘onbekende goden’. Om zeker te zijn dat men geen god zou vergeten te vereren en zich daardoor diens toorn op de hals zou halen, richtte men ook een altaar op voor een onbekende god. Wat gij… u: De verering van de onbekende godheid staat onder het minteken van de ‘onwetendheid’. Tegelijk is het opschrift een teken voor het onbewust vermoeden van de ware God. Paulus grijpt dit aan. Tegelijk laat hij zien dat de onwetenheid niet opgeheven wordt door bemiddeling van een aanvullend weten, maar door de verkondiging die oproept tot omkeer en geloof. 24. De ware God is de Schepper en Here der wereld. Het voor antieke oren vertrouwd woord kosmos ( = wereld) wordt aangevuld met de bijbelse wending ‘Hemel en aarde’ (Jes. 42:5; Gen. 1:1; Ps. 146:5v; Ex. 20:11). Woont niet: Geen tempel is in staat het oneindige te vatten. Vgl. 7:48. Ook de Stoa gebruikte dit argument in hun religiekritiek. 25. Niet door mensenhanden dienen: God heeft de menselijke cultische dienst niet nodig. Hij is Gever van alle dingen. Vgl. Ps. 50:9vv; Jes. 42:5; Gen. 2:7. Ook hier bezigt de apostel woorden die zijn hellenistisch publiek vertrouwd waren. 26-27: Hij heeft… gemaakt: Herinnering aan de schepping van de mensen. Uit een enkele, nl. Adam. Om… te wonen: Dat is het eerste doel. De aarde is de mens als woonplaats gegeven. Tijden en grenzen: Met bijbelse motieven wordt de zorg van God voor de mensheid beschreven (vgl. Ps. 74:12-17; Jer. 31:35 zie ook Gen. 1:14). Opdat zij God zouden zoeken: De tweede schepselmatige bestemming is het zoeken van God. Het gaat om een zoeken, dat leidt tot een kennen van God, de Schepper. Voor de Grieken ging het bij het zoeken van God om een intellectueel onderzoeken, een kennen van Gods wezen. In het bijbelse spraakgebruik meer om een zoeken, dat gericht is op het dienen van God. Of zij Hem al tastende vinden mochten: Het blijft dus onzeker of het tot vinden komt. ‘Tasten’ betekent in de LXX ‘rondtasten in het donker’ (Deut. 28:29; Richt. 16:26; Jes. 59:10). Daar God van zijn kant dus alles gedaan heeft om zich te laten vinden, is de mens aanspreekbaar en niet te verontschuldigen.
Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij: Dat verklaart, waarom God niet ver van de mensen is. Ons hele bestaan is omsloten en gedragen door God. Vgl. Ps. 139: 5. De stoïcijnse traditie kende dergelijke uitdrukkingen en verstond ze in pantheïstische zin. Enige van uw dichters: Hier citeert de rede de dichter Aratus, die met deze regel doelt op een diepe wezenverwantschap tussen God en mens. In het verband van Paulus’ toespraak kunnen we denken aan de relatie Schepper-schepsel volgens Gen. 1:26-27. 29. Wij… van Gods geslacht… moeten niet menen: Mensen naar het beeld van God geschapen, moeten weten dat het door hen gemaakte nooit een afbeelding van de ware God kan zijn. Hier wordt aangesloten bij een grondmotief van het O.T. tegen de beeldencultus (Jes. 40:18-19; 44:9-10; 46:5vv). Bij de griekse filosofen was er zowel afwijzing van de beeldencultus als een rechtvaardiging ervan. 30. Tijden der ontwetenheid: Zie vs 23. Ook de schoonste uitingen van heidense godsdienstigheid vallen onder dit oordeel. Slechts door Gods ingrijpen kan het tot verandering komen. Lucas vermijdt het woord ‘zonde’ maar uit de context (bekering, gericht) blijkt dat de onwetendheid voor hem geen intellectueel tekort, maar een schuldig zich onttrekken aan de dienst van God is. Heden: Of ook: nu. Dit markeert een heilshistorische wending. Met de opstanding is een nieuwe tijd aangebroken. Dat zij allen overal tot bekering moeten komen: God ziet voorbij aan de vroegere tijden en laat hun schuldige houding ongestraft (vgl. Rom. 3: 26). Nu echter roept hij ieder tot bekering. De oproep tot bekering is universeel geladen. ‘Allen overal’ beantwoord aan wat in vs 24 en vs 26 gezegd is. 31. Een dag… oordelen: De ernst van de verkondiging, het appèl tot omkeer, wordt onderstreept door de aankondiging van het komend oordeel (vgl. Ps. 9:9; 96:13; 98:9). Dan zullen allen rekenschap moeten afleggen. Het ‘voorbijzien’ is dan ten einde. Door een man: nl. Jezus. Door hem uit de doden op te wekken: Het oordeel wordt door God aan Jezus opgedragen (vgl. 2 Kor. 5:10). Jezus’ opstanding is waarborg voor de zekerheid van zijn komst ten oordeel. Bewijs: Het hier gebruikte griekse woord betekent doorgaans ‘geloof’. ‘Hoewel het geloof de Atheners onbekend was, heeft hij met deze wending tenminste hoogst elegant daarop een zinspeling gemaakt’. (J.A. Bengel). 32. Spotten: De prediking van de opstanding wordt tot struikelblok voor deze hoorders. 33. Uit hun midden: Het heidendom van Athene heeft het heilsaanbod afgeslagen. 34. Enigen… kwamen tot geloof: Naast afwijzing en spot is er ook geloof. De prediking is niet geheel zonder vrucht.Dionysius: Lid van de Areopagusraad. Zijn naam wordt later gebruikt als pseudoniem door een mystiek theoloog uit de 5e eeuw. Damaris: Een ons verder onbekende vrouw.
Paulus verblijf in Korinte 18:1-17 1.
Te Korinte: In tegenstelling tot Athene, de stad met het rijke verleden, was Korinte een stad zonder tradities. Het oude Korinte was verwoest in 146 v.Chr. De gunstige ligging op de smalle landengte tussen Attica en de Peloponnesus, die de Saronische golf in het Zuidoosten scheidde van de Korintische golf in het Noordwesten, moest wel leiden tot vestiging van een nieuwe handels- en havenstad. Julius Caesar stichtte het nieuwe Korinte, dat te zijner ere de naam kreeg Laus Julia Corinthus. De stad werd bevolkt door romeinse kolonisten. Bovenlaag en bestuur waren romeins. Daarnaast telde de stad vreemdelingen uit Italië, Griekenland en het Oosten, aangelokt door de gunstige economische vooruitzichten. De vele bezoekers en kooplui kenden maar een hartstocht: geld verdienen. Het leven in deze havenstad vertoonde alle schaduwzijden, die doorgaans aan een havenstad met veel vreemdelingenverkeer verbonden zijn. Zedeloosheid, lichtzinnigheid, prostitutie en ontucht tierden welig. Ook in religieus opzicht vertoonde de stad een bont beeld van allerlei religieuze stromingen. Uit de brieven, die Paulus schreef aan de gemeente van Korinte valt af te leiden, dat de verleiding tot terugval in het heidense levenspatroon groot was. In 27 v.Chr. werd de stad zetel van de proconsul van Achaje. Twee havens deden dienst voor de transitohandel: Lechaion aan de westkust en Kenchreeën aan de oostkust.
Bij opgravingen is oa. gevonden de basilica, de rechts-hal, waar de rechterstoel was, waarvoor Paulus gebracht werd (Hand. 18:12).
2.Hij vond daar een Jood: Ook hier zoekt Paulus allereerst contact met zijn volksgenoten, de Joden. Aquila-…Priscilla (Prisca in de brieven): zie ook de vss 18 en 26; Rom. 16:3; 1 Kor. 16:9; 2 Tim. 4:19. Dit echtpaar was uit Rome verdreven met vele andere Joden vanwege een bevel van keizer Claudius. Uit een bericht bij de romeinse geschiedschrijver Suetonius vernemen we, dat spanningen en onlusten in de joodse gemeente van Rome vanwege de prediking aangaande Christus oorzaak waren voor deze verdrijving. Suetonius schrijft: ‘De Joden verdreef hij (nl. Claudius) uit Rome omdat zij op aandrijven van Chrestus (= Christus?) voortdurend onrust stichtten.’ Vermoedelijk waren Aquila en Priscilla in Rome al christen geworden. Zij behoorden tot Paulus’ medewerkers.
3.Hetzelfde handwerk: Als iedere rabbijnenleerling had Paulus een handwerk geleerd. Hij was tentenmaker. Tenten werden meestal van leer gemaakt. In de werkplaats van Aquila verrichte hij dit werk om in zijn levensonderhoud te voorzien. Ziebv. Hand. 20:34; 1 Tess. 2:9.
4.Elke sabbat: Op de sabbat was de apostel beschikbaar voor de verkondiging in de synagoge. Zijn gehoor werd gevormd door Joden en Godvrezenden, dwz. belangstellende heidenen. Vgl. Hand. 13:lw. 5.Silasen Timoteüs hebben vermoedelijk uit Tessalonica en Filippi financiële ondersteuning voor Paulus meegebracht. Nu kan de apostel, grotendeels ontslagen van de zorg voor zijn levensonderhoud, zich geheel aan de prediking wijden. De duur van Paulus’ verblijf in Korinte is van dien aard dat deze gaven niet toereikend geweest zullen zijn (vgl. 1 Kor. 4:12). Jezus, de Christus: Vgl. Hand. 17:3v. 6. Weer is sprake van verzet en laster van de kant van de Joden, vgl. 13:45. Schudde…uit: Vgl. 13:51. Uw bloed …ik ben er rein van: Vgl. Hand. 5:18; 20:26; 2 Sam. 1: 16 en Ez. 33:1. Bloed is hier metafoor voor levensvernie-tigende schuld. De verantwoordelijkheid voor hun houding valt op de Joden terug. Veel herinnert in dit vs aan de situatie in hoofdstuk 13 (vgl. vss 45, 46, 51).
7.Titus Justus: Een van de Godvrezenden, van wie in Hand. zo vaak sprake is. Over deze Titus is verder niets bekend. Wiens huis naast de synagoge stond: De nieuwe plaats, waar Paulus het evangelie predikt is een uitdaging voor de Joden en een uitnodiging voor de Godvrezenden die op sabbat de synagoge bezochten. Synagoge en ‘gemeente’ bevinden zich naast elkaar: een dramatisch en schokkend beeld. 8. Crispus: De bekering van de overste van de synagoge die Paulus zojuist verlaten heeft, is een opvallend gebeuren. Blijkens 1 Kor. 1:14 is hij door Paulus zelf gedoopt. Direct in aansluiting aan deze mededeling maakt Lucas melding van het tot geloof komen van vele Korintiërs, waarbij we vooral aan heidenen moeten denken. Ondanks verzet gaat de gemeentevorming uit Israel en de volken voort.
9.In een nachtelijke verschijning bemoedigt de verhoogde Here Jezus zijn dienaar. Paulus moet doorgaan met prediken. Vrees niet… want Ik ben met u (vs 10): Vgl. Jes. 41:10; 43:5; Jer. 1:8. De vrees wordt weggenomen door de actieve presentie van de Here door zijn Geest. Maar spreek en zwijg niet: Vgl. Deut. 31:6; Joz. 1:8. De Here Jezus bekrachtigt hier de toezegging van Hand. 9: 15. Niemand zal...ik heb veel volk: In Paulus’ arbeid wordt het werk van de verhoogde Here verwezenlijkt. Hij is het, die in Korinte een volk verzamelt, nl. zijn gemeente uit Joden en heidenen. De getuige is in deze arbeid betrokken. Niemand zal hem daarin kunnen tegenhouden. 11. Hij woonde…en leerde: Bemoedigd door deze verschijning en door de beloften van Christus verblijft Paulus 1Vi jaar in Korinte om er te onderwijzen. Zowel het missionaire als het gemeentebouwende is hierin opgesloten.
12. Gallio: Lucius Junius Gallio Annaeanus was de zoon van een uit Spanje afkomstige rhetor en werd door een rijke Romein geadopteerd. Zijn jongere broer was de bekende filosoof Seneca, dichter en opvoeder van keizer Nero. Uit een in Delphi gevonden inscriptie blijkt, dat hij in het jaar 52 proconsul over Achaje was. Zijn ambtstijd moet gedateerd worden van de zomer van 51 tot voorjaar deze periode valt zijn ontmoeting met Paulus. Uit vs 2 en uit de vss 12vv valt af te leiden,’dat Paulus’ arbeid in Korinte tussen herfst 50 en voorjaar 52 lagen. Keerden zich de Joden: Weer komt het verzet van de kant van de Joden, die tegen Paulus de autoriteiten inschakelen. De rechterstoel: Zie bv. vs 1. 13. Om God op onwettige wijze te vereren: Bedoeld is vermoedelijk de joodse wet. Vgl. 21:21, 28. Maar het is opvallend, dat men met deze aanklacht bij een heidense stadhouder komt. Misschien ligt de zin van de aanklacht in de lijn van Hand. 16:20.
14. Indien er sprake was…: Voordat Paulus zijn mond kan opendoen om zich te verdedigen, grijpt Gallio in. Hij doet het geval af als een intern joods dispuut, waarin hij zich niet wenst te mengen. Rebellie en verzet tegen de staatswetten kan Paulus niet te laste gelegd worden. Discussies over de joodse wetten gaan hem als stadhouder niet aan. De minachting van de romeinse aristocraat ten opzichte van de Joden klinkt hierin door. Tegelijk kan men uit vss 14-15 afleiden, dat de Romeinen de christenen niet staatsgevaarlijk vonden. 16. Hij joeg hen weg: Ook dit gebaar getuigt van zijn afkeer van de Joden. 17. Allen grepen Sostenes: De volksmassa neemt Sostenes, de leider van de synagoge te pakken. Men ranselt hem af bij de rechterstoel. Was Sostenes woordvoerder? Het is onjuist bij ‘allen’ te denken aan Joden. De anti-joodse houding van Gallio is de vonk, die de haat van de massa aanblaast. Sostenes behoeft niet dezelfde te zijn als de in 1 Kor. 1:1 genoemde. De pointe van het verhaal is, dat Lucas laat zien de machteloosheid van de tegenstanders tegen het Evangelie.
Paulus naar het Oosten 18:18-28
18. Er is geen sprake van een onvrijwillig vertrek. Naar Syrië: Vergezeld door Aquila en Priscilla begeeft Paulus zich naar Syrië, vermoedelijk moeten we in de eerste plaats denken aan Antiochië, de plaats van uitzending. Met Syrië kan ook bedoeld zijn de romeinse provincie Syrië waaronder ook Palestina valt met de steden Caesarea, Jeruzalem. Kenchreeën: Oostelijke haven van Korinte. Hij stond onder een gelofte. Te denken is aan de gelofte van het nazireeërschap (vgl. Num 6). Een nazireeër dronk geen wijn, liet zijn haar groeien en mocht niet bij een dode komen.
Zo’n gelofte kon levenslang gelden of voor een bepaalde periode. Het is moeilijk uit te maken of we in ons vs moeten denken aan het afleggen van een gelofte uit dank voor de aan Paulus bewezen redding in de gevaren in Korinte of aan het begin van een gelofte met het oog op de bewaring op de reis naar Efeze, Antiochië en Jeruzalem. Tot de afsluiting van een nazireeërschap behoorde het brengen van een offer in de tempel te Jeruzalem. Daarvan vermeldt Lucas overigens niets. Het gebeuren tekent Paulus als een Jodenchristen, die trouw de wet naleeft. Efeze laat Paulus Aquila en Priscilla achter. Beiden behoren tot Paulus’ meest vertrouwde medewerkers. Enkele jaren later zijn zij naar Rome teruggekeerd (Rom. 16: 3-5). Opvallend is dat in vs 18 de naam van de vrouw vooropgaat. Daarin weerspiegelt zich de betekenis van de vrouw voor de missionaire arbeid. Zie over Efeze bij Hand. 19:1.
20-21. Met de belofte terug te komen vaart Paulus af. Zo God wil: de uitdrukking is gemeengoed in de gehele antieke wereld. In het N.T. vinden we woorden van gelijke strekking in 1 Kor. 4:19; 1 Kor. 16:7; Jac. 4:15. 22. Hij kwam te Caesarea: lett. ‘afdalen’. Ging aan land: Lett, ‘hij ging op’. We moeten gezien de term ‘opgaan’ (vgl. Luc. 18:31; Hand. 15:2; 21:15) denken aan een bezoek aan de gemeente in Jeruzalem. De absolute uitdrukking ‘de gemeente’ is voorbehouden aan de gemeente in Jeruzalem. Opvallend is wel dat Lucas Jeruzalem niet met zoveel woorden noemt. Groette: Zie ook Hand. 20.T; 21:7,
19. De groet is teken van gemeenschap en verbondenheid, vgl. Rom. 16 bv. 23. Vanuit Antiochië bezoekt Paulus opnieuw de gemeenten in het land van Galatië en Frygië. Dit bezoek dient de versterking, dwz. de consolidatie van de gemeente. Wellicht ook de werving van de collecte voor de gemeente van Jeruzalem.
Apollos 18:24-28
24.Apollos: verkorte vorm van Apollonius. Hij was afkomstig uit Alexandrië, bolwerk van hellenistisch-joodse schriftuitleg en filosofie. De griekse vertaling van het O.T., de Septuaginta, was er tot stand gekomen. De joodse wijsgeer Philo, bekend om zijn allegorische verklaring van de boeken van het O.T., leefde er in de eerste helft van de le eeuw n.Chr. Een geleerd man, doorkneed in de Schriften. Ipv. ‘geleerd’ mogen we ook vertalen ‘welsprekend’. Apollos is een rhetorisch begaafd schriftgeleerde en theoloog geweest, gestempeld door de alex-andrijnse methode van uitleg. Lucas tekent Apollos als een Jood, die christen geworden is, maar nader onderricht nodig heeft. 25 Ingelicht omtrent de weg des Heren. Het griekse woord betekent ‘onderrichten’ (vgl. Luc.1: 4). Met de zinswending ‘de weg des Heren’ is bedoeld de door de Here geboden levenswandel. Vurig van geest: Vgl. Rom. 12:11. Misschien moeten we denken aan de Heilige Geest die mensen bezielt. Leerde… hetgeen op Jezus betrekking had: Apollos zal Jezus gezien hebben als de door de Doper aangewezen Messias. Ofschoon hij alleen wist: Hij kende alleen de doop van Johannes (vgl. Luc. 3.15; Hand. 1:5), niet de doop in de naam van Jezus Christus. 26. Als Jodenchristen gaat Apollos prediken in de synagoge. Priscilla en Aquila, blijkbaar synagoge-bezoekers, leggen hem de weg Gods nauwkeurig uit… We kunnen denken aan een nadere ontvouwing van het heil in de zin van de vervulling van de doop van Johannes door de doop in de naam van Jezus Christus. Opvallend is dat er niet gezegd wordt dat Apollos de christelijke doop ontving itt. Hand. 19:5. Apollos is al christen, maar moet nader onderricht ontvangen. 27-28: Apollos stelt zich in dienst van de verkondiging van het evangelie. Met een aanbevelingsbrief van de christenen van Efeze vertrekt hij naar Achaja, dwz. Korinte en omgeving. In het openbaar dwz. niet in de synagoge, gezien de breuk waarvan Hand. 18:8 vertelt. Door zijn weerlegging van de Joden is Apollos een grote steun voor de gemeente in Griekenland. Ook in zijn prediking gaat het om de betuiging dat Jezus de Christus der Schriften is.
Het Evangelie te Efeze 19:1-20
Meer dan twee jaar brengt Paulus door in Efeze (19:10; 20:31). Reeds deze lange periode geeft aan dit verblijf een bijzonder gewicht. Uit allerlei opmerkingen in de brieven van Paulus valt af te leiden dat deze periode van grote betekenis is geweest voor de groei en de consolidatie van de gemeenten. Lucas schetst in Handelingen 19 vooral de ontmoeting van het evangelie met de wereld van het syncretisme. In de vss 1-7 richt hij de blik op joodse doperkringen, vss 11-20 vertelt van de botsing met de wereld van de magie, terwijl in 19:23-30 een diep in het maatschappelijk leven verankerde volksvroomheid in conflict komt met het christelijk geloof.
1.De bovenlanden: Nl. de anatolische hoogvlakte. Efeze: Gelegen aan de monding van de Kaystros, een van de grootste steden van het romeinse rijk. In 133 v.Chr. had koning Attalos II de stad met het koninkrijk Pergamum vermaakt aan Rome. Efeze was hoofdstad van de provincie Asia en zetel van de proconsul. In religieus opzicht was de stad vooral belangrijk vanwege de Artemiscultus. Haar beeld stond in de Artemistempel, een van de zeven wereldwonderen (zie bv. 19:24). Ook de magie bloeide in deze handelsstad. Terwijl de stad tevens een centrum was van de keizercultus en de verering van Rome. Enige discipelen: Doorgaans duidt het woord ‘discipel’ in Hand. de christen aan. In Luc. 5:35 wordt het woord gebruikt ter aanduiding van de leerlingen van Johannes de Doper. In het licht van 19:2 is moeilijk vol te houden dat we in vs
1moeten denken aan gelovige discipelen van Christus. Het Nieuwe Testament laat immers op vele plaatsen zien dat christen-zijn het begiftigd zijn met de Geest impliceert (Hand. 11:17; Rom. 8:9; Gal. 3:2 enz). De conclusie is dan dat hier discipelen van Johannes bedoeld zijn.
2Hebt gij de Heilige Geest ontvangen: vgl. Rom. 8:9. Tot het geloof kwaamt: Door de vraag stelt Paulus de aard van dat geloof aan de orde. Lucas gebruikt het begrip ‘geloven’ in verschillende nuances, zoals Luc. 8:13 en Hand. 8:12 laten zien. Deze discipelen waren onder het beslag gekomen van de prediking van Johannes aangaande de komende Messias en door hem gedoopt. Vermoedelijk waren zij daarna, na de Diaspora, vertrokken en leidden daar een eigen leven. Wij hebben zelfs niet gehoord: Dat wil niet zeggen, dat ze van het bestaan van de Heilige Geest niets af wisten (Johannes de Doper verwees immers naar Hem, vgl. Luc. 3:16), maar dat ze niets gehoord hadden van de vervulling van de belofte. Ze wisten niet van het aanbreken van de heilstijd. de doop van Johannes: Vgl. Hand. 1:5,22; 10:37; 11:16; 13:24). Enige kennis van Jezus, afgezien van zijn opstanding en de uitstorting van de Geest zal bij deze mensen bekend zijn geweest. 4. Johannes wees door prediking en doop heen naar de komende Messias. Leerlingen van Johannes moeten bij Jezus uit komen. 5. Toen zij dit hoorden, lieten zij zich dopen: Dat deze leerlingen na de doop van Johannes de christelijke doop ontvingen, laat zien dat we de doop van Johannes en de doop in de naam van Jezus Christus wel moeten onderscheiden, zonder ze te scheiden. De doop in de naam van Christus of in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is de vervulling van de doop van Johannes. Als zodanig gaat ze de doop van Johannes te boven. De doop in de naam van de Here Jezus was teken van de aangebroken heilstijd: sterven en opstaan met Christus (vgl. Rom. 6: 3vv; 2 Kor. 5:17). De herdoop van deze Johannes-jongeren hangt dus niet samen met het feit dat zij de Geest nog niet ontvangen hadden, maar alleen met het feit dat zij niet de doop in de Naam van Jezus ontvangen hadden. Met de gegeven uitleg wijzen we de exegese af, die vs 5 als inhoud ziet van de woorden van Paulus, die in vs 4 beginnen. Het is niet mogelijk de doop van Johannes (vgl. Luc. 3:3) te karakteriseren als een doop in de Naam van Jezus.
6.De handoplegging vindt evenals in Hand. 8:14-17 plaats na de doop en is hier teken van de toezegging van de Heilige Geest.
Spraken in tongen en profeteerden: De Geest deelt ook gaven uit, vgl. Hand. 2:17; 10:46. Door doop en handoplegging worden deze leerlingen ook ingelijfd en betrokken bij de ene gemeente van Christus. 7. Twaalf: Misschien mogen we hier een zinspeling in horen op het twaalftal apostelen. Er is een parallel met Hand. 2. Hier wordt het Pinksteren voor de twaalf leerlingen van Johannes in een beslissende heilshistorische voortgang.
8.Vrijmoedig: Vgl. 4:29; 14:3. Door besprekingen te overtuigen: Een andere vert.. predikend en proberend hen te overreden. 9. Ook in Efeze komt het tot een scheiding der geesten. Sommigen openbaren een negatieve houding die met drie werkwoorden beschreven wordt: zich verharden, ongehoorzaam zijn, kwaad spreken. Ty-rannus: Wellicht de eigenaar van deze school. Anderen denken aan een leraar in welsprekendheid die er zelf onderricht gaf. Een handschrift heeft bij dit vs een interessante toevoeging: ‘Van het vijfde tot het tiende uur’. Dat is de tijd van de siësta. Paulus zou dan gebruik hebben kunnen maken van de zaal op een tijdstip dat deze toch leeg stond. 10. De actieradius van de prediking is wijd: Allen die in Asis woonden, de provincie waarvan Efeze de hoofdstad was, hoorden het Evangelie: Joden en heidenen. 11-12. God is het die wonderen van heil en genezing bewerkt en daarbij de handen van mensen gebruikt (vgl. 5:12, 15-16; 14:3). Zie ook Mar. 6:56. Zweetdoeken: waarschijnlijk doeken, die men op het hoofd droeg. Gordeldoeken: Men kan denken aan een soort schorten of aan zakdoeken. Evenals in de evangeliën zien we hoe de prediking van het Evangelie van het Koninkrijk vergezeld gaat met de tekenen van het Rijk: genezing van zieken en uitdrijving van demonen.
13. Rondreizende joodse geestenbezweerders. Zij vormden een bekend verschijnsel in de antieke wereld, zoals uit geschriften van Josephus en Lucianus blijkt. Skeva: Een hogepriester met die naam is verder onbekend. Misschien zijn deze exorcisten leden geweest van een hogepriesterlijke familie. Ook is wel gedacht dat zij de titel aannamen om hun praktijken hoger aanzien te geven bij het volk. Vs 13 luidt een tegenstelling in met de vss 11-12. Magiërs plachten zich van een veelheid van Godsnamen te bedienen. Deze joodse duivelbanners willen het ook eens proberen met de naam van Jezus. Ze misbruiken de naam als toverformule en roepen die naam aan, zonder dat er sprake is van een geloofsrelatie. 15. Maar wie zijt gijl De boze geest weet van de naam van Jezus en kent diens getuige Paulus, maar de bezweerders niet. De vraag kenschetst hen als machteloze lieden.
16. Sprong op hen af…overweldigde hen: Met een zekere humor laat Lucas zien, hoe het optreden van de duivelbanners op een fiasco uitloopt. De ‘krachtfiguren’ worden overmeesterd. Hun machteloos ondernemen steekt schril af bij de machtsdaden van God. De ‘meesters’ over de demonen moeten in de demon hun meerdere erkennen. Naakt en gewond vluchten zij weg.
17. Aan allen: Vgl. bij vs 10. De nederlaag van de joodse exorcisten wordt bij Joden en heidenen bekend. Vrees: Evenals in 2:43 en 5:11 is er sprake van het heilig ontzag voor de macht van Christus. En de naam… werd grootgemaakt: De naam, die de duivelbanners op magische wijze wilden misbruiken, wordt geprezen. Hun nederlaag wordt indirect een betuiging van de macht van Christus in deze stad, die centrum van de magie was.
18. Velen… die gelovig geworden waren: Na de reactie bij de buitenstaanders tekent Lucas de reactie in de gemeente. Kwamen hun schuld belijden: Zie voor deze betekenis van het hier gebruikte werkwoord Mar. 1:5; Mat. 3:16; Jac. 5:16. Uitspreken: Lett, ‘vertellen, verkondigen, proclameren’. De belijdenis geschiedt in het openbaar. Wat zij bedreven hadden: Dwz. hun toverpraktijken. Blijkbaar hebben deze gemeenteleden, ook nadat zij tot geloof gekomen waren, deze praktijken uitgeoefend. Levend in een heidens milieu waren zij kinderen van hun tijd, behept met allerlei heidense denkbeelden. Vgl. voor analoge situaties 1 Kor. 6:12-20, en 1 Kor. 8-10 die ook laten zien hoe moeilijk het was als christen te leven in een heidense wereld. Men stond bloot aan de verzoeking van het syncretisme. Nu bewerkt de naam van Christus een omkeer: belijdenis van zonden en een concrete daad van bekering. 19. Hun boeken: dwz. de zgn. Efesia gramma-ta. Efeze was beroemd om haar toverboeken. De handel in magische voorwerpen en papyri bloeide dan ook. Verbrandde ze: Gelet op het belang dat de antieke mens aan dergelijke boeken hechtte was dit wel een zeer radicale daad, een breuk met het heidense verleden. Vijftig duizend zilverstukken: volgens Mat. 20:2 vormt een zilverstuk het dagloon van een arbeider. Er gaat dus voor een kapitaal in vlammen op. Waarom vermeldt Lucas dit bedrag? Niet alleen om te laten zien dat het geloof in de Here Jezus deze mensen wat waard is, maar ook om de tegenstelling te laten zien tot allerlei lieden, die er juist op uit waren zich door dergelijke praktijken te verrijken. Vgl. het vervolg. 20. Vgl. 6:7 en 12:24. De groeikracht van het Woord komt tot uiting in de openbaring van de kracht van het Woord, dat sterker is dan de magie en dat mensen tot omkeer brengt. Tegenover de krachten van de magie stelt Lucas de kracht van het Evangelie.
Het getuigenis tot aan de einden der aarde 19:21-28:31
Met 19:21 begint het laatste deel van het boek. Centraal in deze hoofdstukken staat Paulus, weliswaar niet zozeer meer als zendeling onder de volken en stichter van gemeenten, maar veeleer als de lijdende getuige van Christus, die de voetsporen van zijn Here drukt en zo de aankondiging van 9:16 vervult. De redevoeringen in deze hoofdstukken dragen een wat ander karakter dan de overige redevoeringen. Ze zijn primair apologie, verdediging van de Evangelieverkondiging voor het forum van Joden en heidenen. Twee namen beheersen deze gedeelten: Jeruzalem en Rome. Jeruzalem blijft de plek, van waaruit het Woord uitgaat tot de volken, maar Lucas tekent in deze hoofdstukken de stad toch vooral als centrum van het verzet tegen het Evangelie en de dienaren van Christus. Rome is het doel van Paulus’ werk. Na een bezoek aan Jeruzalem wil hij naar Rome gaan. maar zijn plannen lijken dood te lopen op de acties, die een aantal godsdienstige leiders tegen hem ondernemen, hetgeen leidt tot zijn arrestatie. Romeinse overheidspersonen blijken, zonder het te weten of te willen, mee te werken aan de realisering van Paulus’ verlangen. Overigens zijn de obstakels en belemmeringen vele: Niet alleen vijandschap van de kant van de mensen, maar ook de storm op zee en de beet van de adder. Maar de verhoogde Christus staat er borg voor, dat Paulus toch in Rome komt (23: 11). De verkondiging van de boodschap in Rome wijst heen naar de toekomst: het getuigenis zal de einden der aarde bereiken, overeenkomstig de belofte van Handelingen 1:8.
Het verzet van de zilversmeden in Efeze 19:21-40
De vss 21-22 bevatten enige mededelingen over Paulus reisplannen.
21. Toen dit alles voorbij was: Lett. Toen deze dingen vervuld waren. Lucas onderstreept het gewicht van het moment. Op dit punt aangekomen vat Paulus een nieuw plan op. Via Macedonië en Achaje, gebieden die Paulus eerder bezocht had (16:9-18:18) wil Paulus naar Jeruzalem reizen (vgl. Luc. 9:51; 22:22,33,39). Jeruzalem is niet het einde. Paulusmoet Rome zien. Het ‘moeten’ is het door God beschikte plan (vgl. Mar. 8:31; Luc. 21:9; Hand. 4:12 eap.). De weg naar Rome is naar Gods wil noodzakelijk. Daarom zal niets Paulus kunnen tegen houden. 22. Erastus: Van deze medewerker is ons verder niets bekend. Dat hij de in Rom. 16:23 genoemde stads-rentmeester is, is allerminst zeker. Timoteüs en Erastus zullen samen met Titus de collecte voor Jeruzalem georganiseerd hebben (vgl. 2 Kor. 2:12-13; 7:6; 12:18), terwijl Paulus nog korte tijd in Efeze bleef.
23. De weg: Vgl. Hand. 9:2. Dit vers geeft het thema van het vervolg aan.
24. Artemis: De efezische Artemis heeft van huis uit niets te doen met de maagdelijke godin van de jacht van de Grieken. Zij is veeleer de aziatische ‘grote Moeder’, en haar dienst staat in verband met de dienst aan de frygi-sche godin Cybele. De naam Artemis werd in het helleni-seringsproces op deze oosterse vruchtbaarheidsgodin overgedragen. In het beroemde Artemison, een van de zeven wereldwonderen stond haar beeld, gekenmerkt doot typische vruchtbaarheidsattributen. Vs 35 spreekt van het ‘beeld, dat uit de hemel gevallen is’, vermoedelijk een meteoorsteen. De tempel was ongeveer lang en breed. Omgeven door 128 zuilen van hoog had het gebouw een grondvlak anderhalf keer zo groot als de Dom van Keulen. De vruchtbaarheidscultus trok jaarlijks een stroom bezoekers.Demetrius was misschien leider van een groot bedrijf. Anderen veronderstellen dat hij een soort gildemeester was. Hij brengt zowel de vaklieden als de minder geschoolde arbeiders in vergadering bijeen. Niet weinig inkomsten: De kleine afbeeldingen in zilver van de wereldberoemde tempel, bedoeld om als aandenken mee naar huis te nemen, of als wijgeschenk in de tempel te plaatsen, vormden een belangrijke bron van inkomsten. 25-27. Handig speelt Demetrius in op de zakenbelangen en de religieuze gevoelens. Het economisch winstmotief wordt verpakt in een godsdienstig kleed. Het verwijt tegen Paulus is geformuleerd vanuit het standpunt van de volksvroomheid.
28. De rede mist haar uitwerking niet. De emoties zoeken een uitweg in een massale demonstratie. Groot is de Artemis: Een heidense ‘belijdenis’formule. Tegenover het geloof in Christus, de verbondenheid aan Hem staat hier de collectivistische propaganda van de massa. 29. Theater: Met zijn 24.000 zitplaatsen de centrale vergaderplaats. Aristarchus: Vgl. Hand. 20:4, 27:2, Kol. 4:10; Fil.:24. Gaius en Aristarchus moeten als zondebok dienen. 31. Oversten van Asia: Lett. Asiarchen, hoge ambtenaren van de stedenbond van Asia. Ze hebben vooral een religieuze taak mbt. de verering van de keizer en de godin Roma. Zij blijken Paulus goed gezind en onderstrepen het advies van Paulus’ medechristenen zich niet in gevaar te begeven. 32. Volksvergadering: Vert. van ekklesia, doorgaans in het N.T. aanduiding van de gemeente van Christus, 33.Alexander: Wellicht voelden de Joden zich bedreigd en wilden zij via hun woordvoerder Alexander zich van de beweging rond Paulus distantiëren. Misschien was hij oudste van de joodse gemeente. Maar zijn optreden heeft een averechtse uitwerking. De hetze tegen Alexander is een bewijs voor de Jodenhaat in de antieke wereld en laat tevens zien, dat de christenen in de ogen van de heidenen van Efeze als een radicale beweging binnen het Jodendom beschouwd werden. 35. Secretaris der stad: Deze moest de besluiten van de volksvergadering uitvaardigen. Zijn toespraak is er op gericht de orde te herstellen. Wie ter wereld weet niet: Ook hij speelt handig in op de godsdienstige en nationale gevoelens van het volk. Tempelbewaarster: Eretitel van Efeze. Van godenbeelden werd vaak gezegd, dat zij uit de hemel gevallen waren. 37. Tempelrovers: Tempelroof gold inde oudheid als een zware misdaad. Weer geven de overheidsdienaren een gunstig getuigenis van de jonge gemeente. 38. Rechtszittingen: Op verschillende plaatsen werden op vastgestelde dagen rechtszittingen gehouden door de proconsul. Laat men daarom, zo wil de stadssecretaris zeggen, de legale wegen bewandelen. 40. Van oproer te worden aangeklaagd: Onlusten, relletjes en volksoplopen kwamen nogal eens voor. De romeinse overheid greep dan hardhandig in. Ontbond: Het antichristelijk tumult loopt op niets uit. Het gevaar is voor de gemeente afgewend. Tussen de regels door laat Lucas merken dat het Woord ook hier overwint.
Van Macedonië naar Troas 20:1-12
1.Bemoedigend: De bemoediging was wel nodig gezien het voorgaande. 2. Naar Macedonië …in Griekenland: Ook nu dient het bezoek de consolidatie en de versterking van de jonge gemeenten (vgl. 14:22; 16:5), Lucas zwijgt over de collecte voor Jeruzalem. 3. Een aanslag tegen hem: Paulus’ plan per schip naar Syrië-Palestina te reizen vindt geen doorgang. Joden beramen een aanslag tegen de apostel. Te denken is wel aan een aanslag op het schip waarmee Paulus wilde reizen. Daarom kiest hij voor de omweg via Macedonië. 4. Vermelding van Paulus’ reisgenoten en medewerkers. De genoemde personen zijn wel vertegenwoordigers van de gemeenten, die de collecte bijeengebracht hebben. Zij reizen met Paulus naar Jeruzalem om de realiteit van de heidenchristelijke gemeente en hun eenheid met de moedergemeente van Jeruzalem te onderstrepen. Sommigen denken bij dit vs aan het motief van de pelgrimage van de volken naar Sion, zoals de oudtestamentische verwachting daarover spreekt (vgl. Jes. 60). Tychicus: vgl. Kol. 4:7; Ef. 6:21; 1 Tim. 4:12; Tit.3:12.Troßmus: Vgl. Hand. 21:29; 2 Tim 4:20. 6. De dagen der ongezuurde broden: De zeven dagen die aan het Pascha voorafgaan, voor ieder Jood verplichte rustdagen. Paulus heeft vastgehouden aan de joodse zede. In Filippi heeft hij dus het Pascha gevierd. Vijf dagen: in 16:11 duurt de reis twee dagen. De langere reisduur is wel te verklaren vanwege de ongunstige wind. 7. De vss 7 w vormen een van de oudste getuigenissen inzake de vroegchristelijke viering van de zondag. De eerste dag: de dag na de sabbat, de dag des Heren, dwz. de dag waarop de Here is opgestaan (1 Kor. 16:4; Op. 1:10). Zie ook Mat. 28:1. Lucas volgt doorgaans de romeinse dagindeling: van middernacht tot middernacht. Te denken is dus aan een gemeentelijke samenkomst op zondagavond. Brood te breken: Vgl. 2:42, 46. Elementen van de samenkomst der gemeente zijn de viering van de maaltijd des Heren en de Woordverkondiging. Met het oog op het naderend afscheid neemt de prediking van Paulus een ongewoon lang deel van de samenkomst in beslag, zodat de maaltijd eerst na middernacht beginnen kon. 8. Bovenzaal: Wel een privéwoning. Eigen godsdienstige ruimten, kerkgebouwen, stonden de jonge gemeente nog niet ter beschikking. Lampen: Dit kleine trekje dient wel ter verklaring van het vervolg. Door al die brandende olielampjes zal de temperatuur in het vertrek aanzienlijk gestegen zijn! Deze verklaring ligt meer voor de hand dan het wel geopperde vermoeden, dat Lucas met dit trekje het heidens verwijt wil beantwoorden als zouden de christenen in hun samenkomsten in het donker ontucht bedreven hebben. Niets in de context wijst daarop. Ook de symbolische verklaring (‘licht-duis-ternis’) is weinig aannemelijk. 9-10. Eutychus valt uit het raam en sterft. De beschrijving van de opwekking doet. denken aan 1 Kon. 17:21 en 2 Kon. 4:32. Maakt geen misbaar: Vgl. Mar. 5:39. 11. Alsof er niets gebeurd is, wordt de dienst voortgezet. Sprak …tot de morgenstond: Dit element in de beschrijving accentueert de zorg van Paulus voor de gemeente, nu het afscheid nadert. 12. Nu schenkt het verhaal nogmaals aandacht aan het wonder van de opwekking van Eutychus. De gemeente wordt door het gebeuren en de daarin zich manifesterende macht van het leven van Christus getroost.
Van Troas naar Milete 20:13-16
13-15. Paulus gaat aanvankelijk te voet van Troas naar het aan de zuidkust gelegen havenplaatsje Assus. Daar scheept hij zich in: Via Mitylene op Lesbos, Chios en Sa-mos vaart men naar Milete: De vaart geschiedde overdag. Bij het aanbreken van de avond ging men voor anker, ‘s Nachts waagde men zich niet op deze gevaarlijke kustwateren. 16. Efeze, waar Paulus zo lang gewerkt heeft, wordt voorbijgegaan. Paulus beijvert zich in Jeruzalem te komen. Vgl. Hand. 21:17; 25:15. De Pinksterdag: Vgl. 1 Kor. 16:8. Het vermoeden is wel geuit dat Paulus uit veiligheidsoverwegingen niet naar Efeze is gegaan. De tekst duidt daar evenwel in het geheel niet op.
De afscheidstoespraak van Paulus in Milete 20:17-38
Dit gedeelte vormt een duidelijke markering in het boek Handelingen. Paulus verlaat nu definitief het gebied van Griekenland-Klein Azië. Zijn zendingswerk in die gebieden is afgesloten. Die bijzondere situatie stempelt deze toespraak van Paulus. Het is de enige redevoering, die aan christenen gericht is. Opvallend zijn de reminiscenties aan de paulinische brieven. Verleden, heden en toekomst worden in deze toespraak bijeengehouden. Men heeft deze toespraak wel gerekend tot het genre afscheidstoespraken, die in het Oude Testament, en ook in het Jodendom van de intertestamentaire tijd werden uitgesproken door dienaren van God bij de nadering van hun levenseinde (vgl. Gen. 47:29-49:33; Deut. 32-34; Joz. 23:1-24:30; 1 Sam. 12:1-25).
17. Milete: Belangrijke handelsstad ten zuiden van Efeze aan de kust van KI. Azië, welvarend door de wolhandel, vermaard door het orakel van Apollo van Didyma. Belangrijke denkers uit de griekse geschiedenis als Thales, Anaximander en Anaximenes waren afkomstig uit Milete. De muren van het theater getuigen nog van de glans van de antieke stad. Efeze was van Milete verwijderd. Oudsten: In vs 28 worden zij opzieners genoemd.
18. Dienende de Here: Vgl. Rom. 7:6; 12:11; 14:8. Filp. 2:22. Deze dienst aan de Here betekende de volstrekte inzet voor de gemeente. Kenmerken van deze dienst zijn: de ootmoed itt. het willen heersen, de tranen, die getuigen van de bewogenheid van zijn zielszorg (2 Kor. 2:4), de bereidheid vervolgingen op zich te nemen (vgl. 2 Kor. 4:8vv; ll:23vv). 20-21. Paulus’ verkondiging bevatte het volle Evangelie. Niets heeft hij achtergehouden. In de laatste decennia van de eerste eeuw waren er groepen die zich beriepen op geheime leringen die Paulus hen geopenbaard maar de grote menigte onthouden zou hebben. Voor de inhoud van de verkondiging zie de redevoeringen in Hand. en Rom.1:16; 10:12; 1 Tess. 1:9-10. 2223. Paulus beschikt niet over de toekomst. Hij gaat naar Jeruzalem als ‘gevangene van de Heilige Geest’ die hem betuigt dat verdrukking hem te wachten staat (vgl. 21: 4,11). Ook hier treft ons weer het tegen alle menselijke logica ingaande bevel van God.
24. Loopbaan: Vgl. Hand. 13:25; 2 Tim. 4:7. De bediening: Paulus’ bereidheid te lijden spruit niet voort uit levensverachting, maar uit zijn verlangen de hem door Jezus toevertrouwde dienst te voltooien. 25. Mijn aangezicht niet meer zult zien: De apostel rekent met zijn dood als consequentie van de arrestatie. 26. Rein…van aller bloed: Wanneer een lid van de gemeente verloren zou gaan, dan kan dat Paulus niet ten laste gelegd worden, vgl. Hand. 18:6. Zie voor dergelijke onschuldsbetuigin-gen ook 1 Sam. 12:2-5.
27. Al de raad Gods: Het gehele heilsplan van God. 28. Ziet toe op u zelf: De oudsten moeten er zorg voor dragen, dat zij bij het geloof blijven, in het spoor van de verkondiging van Paulus.De gehele kudde: Vgl. Luc. 12: 32. De gemeente wordt hier vergeleken met een schaapskudde, waarover Christus de Herder is. Vgl. O.T.: Jes. 40:11; Ez. 34. Zie ook Joh. 21:15-17. Opziener: Dit begrip, dat in de hellenistische wereld de aanduiding is van staatsambtenaren, wordt in het N.T. gevuld met de bijbelse gedachtenwereld van de zorg van de herder voor de schapen (vgl. Ez. 34:llw; 1 Petr. 2:25; 5:2; Ef. 4:11). Hun taak is het de kudde te weiden. Christus, die in de diepste zin van het woord Herder van de gemeente is, draagt hen deze taak op. De gemeente Gods, die Hij… verworven heeft: De gemeente is Gods eigendom, vgl. Jes. 43:21; 1 Petr. 2:9. Door het bloed van zijn Eigene: Vgl. 1 Petr. 1:19; Ef. 1:7; Op. 1:5; Rom. 8:32. Hier is duidelijk sprake van de verzoenende betekenis van Christus’ lijden en sterven. De Heilige Geest: Van een apostolische successie is geen sprake. Paulus draagt niet zijn ambt over. Jezus zelfheeft hen door de Geest geroepen tot hun opzienerstaak. 29. Grimmige wolven: Wolven bedreigen de kudde (vgl. Luc. 10:3; Joh. 10:12). In Mat. 7:15 worden de valse profeten met wolven vergeleken. Denkt Lucas aan vervolgers of aan dwaalleraars? Het beeld van de wolven doet het eerste vermoeden. De context wijst in de richting van het tweede. Misschien is het niet zozeer of – of als wel en – en. In Hand. valt overigens niet de nadruk op de dwaalleer. Vervolging en magie zijn veel grotere gevaren. 30. Achter zich aan te trekken: Dwz. wegtrekken, afvallig maken, vgl. Mar. 13:22. 31. Waaktdan: Vgl. Luc. 12:37; 1 Kor. 16:13. Ondertra-nen terecht te wijzen: De opzieners moeten zich het voorbeeld van Paulus voor ogen stellen en met niet aflatende zorg de dwalenden terecht wijzen (vgl. Rom. 15:14; 1 Tess. 5:12,14). Te bouwen: Vgl. Hand. 9:31. Alleen het Woord is machtig de kerk te bouwen. Opzieners zijn dienend instrument. Erfdeel: Dwz. deel te geven aan het Koninkrijk van God. Ambtsdragers en gemeente worden opgedragen aan de zorg van de Here. 33-34. Met nadruk wijst Paulus op het karakter van zijn werk. Hij was er niet op uit er beter van te worden, zoals zoveel godsdienstige propagandisten in de antieke wereld. Vgl. 2 Kor. 11:8-9; 2 Tim. 3:2, 6-9; 2 Petr. 2:3. Deze handen: vgl. Hand. 18:3. Het werk waar hij van spreekt, staat ahw. in zijn handen geschreven. 35. De zwakken: Bedoeld zijn de economisch zwakken, de armen. Het is zaliger te geven: Een woord van Jezus, dat in de vier evangeliën niet voorkomt. Grondhouding van de christen is het geven. 37-38. Na de beëindiging van zijn toespraak bidt Paulus met de oudsten. Lucas tekent de pijn van het afscheid.
De reis van Milete naar 21.T-14
1.Losgescheurd: Vgl. 20:30, waar hetzelfde werkwoord wordt gebruikt in de betekenis ‘meetrekken, wegtrekken’. Het afscheid gaat met pijn gepaard. 2. Een schip: Langs de kust van Klein-Azië gaat de vaart naar Patara. Daar verlaten Paulus en zijn medereizigers het kustvaartuig om via een ander schip over open zee langs naar Foenicië te reizen. Lading lossen: Lucas geeft een levendig beeld van de wijze, waarop men in de oudheid reisde, alsmede van de moeilijkheden die het verkeer in die tijd opleverde. Het is niet geheel duidelijk of het lossen van de lading 7 dagen in beslag nam en men met het zelfde schip verder ging, of dat men zo lang op aansluiting moest wachten. 4. De discipelen: De gemeente die in deze stad aangetroffen wordt, is ontstaan ten gevolge van de arbeid van de Hellenisten (11:19vv). Deze zeiden …door de Geest…zich niet naar Jeruzalem moesten inschepen: Dit lijkt in tegenspraak met 20:22 en 21:11. We moeten de verklaring in die richting zoeken, dat de Geest niet de reis verboden heeft, maar bekend maakte dat Paulus in Jeruzalem verdrukking te wachten stond, en dat de discipelen er de waarschuwing aan toe gevoegd hebben om er niet heen te gaan. Die waarschuwing is hun commentaar op de openbaring door de Geest. 5-6: Vgl. 20:36-38. 7. Van PtolemaïS gaat de tocht naar. Het is niet geheel duidelijk waarom Paulus een oponthoud van zeven dagen in Tyrus en een omstandige reis naar kiest, terwijl de tocht over land 3-4 dagen gevergd zou hebben. Men heeft wel vermoed dat hij ivm. de afdracht van de collecte de risico’s van een reis over land schuwde. Zeker is dit niet. 8. Filippus, de evangelist: Zie Hand. 8:4-40. Het woord ‘evangelist’ ook in Ef. 4:11 en 2 Tim. 4:5. Lucas bedoelt met de aanduiding: ‘verkondiger van goede tijding’. 9. Vier ongehuwde dochters, die profetessen waren: Hier blijkt weer de aandacht van Lucas voor de positie van de vrouw in de gemeente. De dochters van Filippus hadden de gave van de profetie (vgl. Luc. 2:36; Hand. 2:17). De vermelding van de maagdelijkheid behoeft niet in verband te staan met de profetische begaafdheid. Opvallend is dat deze profetessen niets zeggen aangaande Paulus’ lot. 10.Agabus. Vgl. 11:28. 11. …de gordel: Hier is sprake van een symbolische, profetische handeling zoals we ook in het O.T. meermalen tegenkomen (vgl. 1 Kon. 11:29 w; Jes. 8:1-4; Jer. 19: lw; Ez. 4-5). Met de gordel is bedoeld een lange doek die meervoudig om het lichaam gewikkeld kon worden. Dit zegt de Heilige Geest: Een parallel van de oudtestamentische bodenspreuk ‘zo zegt de HERE. De man van wie deze gordel is: De symbolische handeling is meer dan een aankondiging. Het teken anticipeert op het toekomstig gebeuren, en garandeert de realisering ervan. Wat Agabus aankondigt zal gebeuren. Binden… uitleveren in de handen der heidenen: Hier is weer overeenkomst met het lijden van Jezus (vgl. Mar. 10:33; Luc. 18:32). In stricte zin hebben de Joden Paulus nietuitgeleverd aan de heidenen. Wel hebben zij door hun optreden Paulus’ gevangenschap bij de Romeinen veroorzaakt. Ook in het verhaal van Jezus’ lijden is veelvuldig sprake van ‘overleveren’. 12. Vgl. vs 4. Zie Mat. 16: 22. Weer is er de parallellie tussen Jezus en Paulus. 13. Mijn hart week maakt: Men probeert het hart, centrum van emoties en overwegingen, te vermurwen en Paulus tot een andere keus te brengen. Ik…ben bereid: 2 Kor. 12:14; Hand. 20:24. Voor de naam van de Here Jezus: Vgl. 5:41; 9:16; 15:26. Paulus is bereid de weg te gaan die de apostelen gingen, ja die Jezus zelf heeft aangeduid.
14. De wil des Heren geschiede: Dit is geen berusting, maar aanvaarding van wat naar Gods wil moet geschieden. Paulus en de broeders gehoorzamen aan zijn opdracht. Zie Luc. 22:42 voor de overeenkomst tussen Paulus’ lijden en dat van zijn Meester.
Te Jeruzalem 21.15-26
15. Gingen op weg naar Jeruzalem: Tegenover het verzoek waarvan in vs 12 sprake is. Vgl. voor ‘opgaan’ Luc. 18:31. 16. De reis van Caesarea naar Jeruzalem, ongeveer , duurde ruim twee dagen. Enige christenen uit Caesarea begeleiden de apostel. Dat tekent de zorg, die ze voor hem hebben. Mnason: Een Cypriër, evenals Barnabas. Het is niet duidelijk of het huis van Mnason de laatste etappe onderweg markeerde of dat het het logeeradres in Jeruzalem was. In een van de handschriften komt de lezing voor: ‘En toen we aangekomen waren in een dorp, namen we onze intrek bij Mnason’. Ook uit vs 17 valt op te maken, dat het waarschijnlijk gaat om het laatste logeeradres voor de aankomst in Jeruzalem. Een der eerste discipelen: Lett, ‘een oude discipel’. Mnason heeft dus vanaf de eerste tijd tot de gemeente behoord.
17. Heetten…welkom: Lett, ‘ontvingen ons met blijdschap’. Niet nader genoemde christenen, door Lucas met de bekende term ‘broeders’ aangeduid, nemen Paulus en zijn begeleiders gastvrij op.
18. Naar Jacobus: Jacobus, de broeder van de Here Jezus, heeft de leidende plaats in de gemeente. Alle oudsten: Itt. 15:2 worden de apostelen niet meer genoemd. De vermelding van de aanwezigheid van alle oudsten onderstreept het officiële karakter van de ontmoeting. 19. Evenals in 14:26-27 en 15:4 geeft Paulus een bericht over zijn missionaire werk, dat hier aangeduid wordt met dia-konia, dienst. Evenals in 15:3,12 en 11:18 valt de nadruk op het feit, dat het Gods werk is door Paulus’ dienst.
20. Zij loofden God: Vgl. 11:18. Hoeveel duizenden: Lett, ‘myriaden’ di. tienduizenden. Vgl. Luc. 21:1. Vanaf Hand. 2:41, 4:4, 5:14, 6:7, 9:31 schetst Lucas de groei van de gemeente in Jeruzalem in numerieke zin. Paulus heeft Gods werk laten zien in de toebrenging van heidenen. Nu wordt de aandacht gericht op Joden die tot geloof gekomen zijn. De prediking onder Israel draagt vrucht. Daarnaast tekent Lucas ook het verzet van een deel van Israel in Handelingen. IJveraars voorde wet: Ze houden dus sterk vast aan de onderhouding van de wet van Mozes, vgl. 22:3. Broeder: Jacobus en de oudsten aanvaarden Paulus als medegelovige. Dat gij afval …leert: Paulus wordt er van verdacht Joden in de verstrooiing, dus in heidense landen, aan te zetten tot afval, dwz. zich onthouden van de besnijdenis en het niet na komen van de regels van de tora. Uit 16:3 en 18:8 blijkt dat het gerucht, wat over Paulus verspreid werd, onjuist is. Wel heeft de apostel zich verzet tegen de rechtvaardiging door de wet. De woorden van Jacobus laten iets zien van de spanning in de jonge christelijke kerk aangaande het samenleven van jodenchristenen en heidenchristenen. En met name de spanningen,- die er bestonden tussen Paulus en de Judaisten, vgl. de brief aan de Galaten en de Filippenzen. 23. Vier mannen hebben de Nazireeër gelofte afgelegd vgl. Num 6:7 en Hand. 18:18. 24. Door een actieve deelname aan deze cultische daad, deze gelofte, moet de apostel zijn trouw aan de wet der vaderen demonstreren en zo de verdenking wegnemen. Heilig u met hen: Waarschijnlijk is niet bedoeld, dat Paulus de gelofte van het nazireeërschap moet afleggen – deze periode duurde namelijk veel langer, tw. 30 dagen – maar dat hij zich moest reinigen van de in het heidense land opgedane onreinheid. Draag de kosten: Nl. de kosten van de in Num 6:13vv genoemde offers. Arme Joden konden deze zelf niet opbrengen. Josefus vertelt van koning Agrippa I die eens de kosten betaalde voor een grote groep Nazireeërs. 25. Jacobus onderbouwt zijn betoog met een verwijzing naar de bepaling van de vergadering van Jeruzalem (Hand. 15). Ging het in het voorafgaande over het probleem van de jodenchristenen in een gemengde gemeente, nu wordt ten aanzien van de positie van de heidenchristenen nog eenmaal teruggegrepen op de in Jeruzalem aangenomen besluiten. 26. Deed aangifte: Nl. de mededeling dat de reinigingsperiode ten einde loopt. Lett, ‘de vervulling van de dagen der heiliging’. Ook al beschouwt Paulus de wet als heilsweg afgedaan, in het licht van Hand. 16:3, Rom. 7:12 en 1 Kor. 9:20 is zijn gedrag te verklaren en niet strijdig met de felle uitspraken uit de Galatenbrief. Zie ook Gal. 5:14.
Gevangenname van Paulus 21:27-39
27. Joden uit Asia: Vermoedelijk uit Efeze, die ter gelegenheid van het Pinksterfeest in Jeruzalem verbleven (vgl. 20:16). Al het volk: Zie ook vs 30,34,35-36. 28. Mannen van Israel: Hierin kan meeklinken de notie van verantwoordelijkheid, die ze als leden van het uitverkoren volk hebben ten aanzien van de heilige instellingen. Dit is de mens, die: Twee beschuldigingen worden tegen Paulus ingebracht: a. Paulus zou zich met zijn prediking richten tegen het volk van God en zijn instellingen, wet en tempel, vgl. Hand. 6:13; 18:13; 21:21. b. Paulus zou Grieken, dwz. heidenen, onreinen in de tempel gebracht en daarmee het gebouw ontwijd hebben. Heidenen mochten in de tempel alleen de voorhof der heidenen betreden. Overtreding van deze regel betekende de doodstraf. 29. Troflmus was afkomstig uit Efeze. Lucas laat uitkomen, dat de beschuldiging ten onrechte is. ‘IJveraars die iets menen, dwalen vaak’ (Bengel). De tempel uit: De opzet is Paulus te lynchen. Een dergelijke moord mocht niet op het tempelterrein plaats vinden. Dat zou ontwijding betekenen (vgl. 2 Kron. 24:20vv; Mat. 23:35). De poorten gesloten: Daarmee is een vluchtweg voor Paulus, nl. asiel in het heiligdom, afgesneden.
31. Overste van de bezetting; Lett, ‘chiliarch’, dwz. hoofdman over duizend, tribuun. De bezetting was gestationeerd in de burcht Antonia, ten N.W. van het tempelplein. Van daaruit kon men relletjes op dit plein snel onderdrukken. 33. Paulus wordt gearresteerd en geboeiddoor de romeinse soldaten. Vgl. 20:22; 21:11. De officier beschouwt hem als een gevaarlijk misdadiger. Deed er onderzoek naar. De tribuun geeft de Joden gelegenheid hun beschuldigingen tegen Paulus te verwoorden. De één dit, de ander dat: Vgl. Hand. 19:32. 35. Het tumult neemt zulke vormen aan, dat de soldaten Paulus de trappen naar de burcht Antonia moeten opdragen. 36. Weg met hem: Vgl. Luc. 23:18; Joh. 19:5. Hier is weer overeenkomst met het lijden van Jezus.
37. Kent gij Grieks: Paulus spreekt de tribuun aan in het Grieks, de wereldtaal in de landen rond de Middellandse Zee. 38. Zijt gij dan niet…! De hoffelijke wijze waarop Paulus hem aanspreekt, verrast de tribuun. Hij had Paulus ten onrechte voor een rebel gehouden. De Egyptenaar. Over diens optreden vertelt Josephus in zijn Joodse Oudheden: Een egyptische Jood had zijn aanhangers in het land verzameld, hen in de woestijn geleid en tenslotte naar de Olijfberg gevoerd. Daar wilde hij de muren van Jeruzalem, zoals eens de muren van Jericho, ineen laten storten. De procurator Felix verijdelde zijn poging en sloeg zijn aanhang uiteen. De Egyptenaar zelf verdween spoorloos. Bandieten: Lett, mannen van de Si-cariërs. Dat is een aanduiding voor speciale afdelingen binnen de Zeloten, een soort terreurbende, mensen, die door sluipmoorden hun tegenstanders ombrachten. Si-carri = dolkmannen (afgeleid van sica = dolk). Hun motief was hartstochtelijke ijver voor God en in die ijver schuwden zij geweld niet. Lucas laat in dit vs zien, dat christenen geen Zeloten of staatsgevaarlijke rebellen zijn. 39. Paulus presenteert zich als Diasporajood en burger van de beroemde stad Tarsus.
Toespraak van Paulus tot het volk 21:40-22:29
30. Wenkte…met zijn handen: Het gebaar van de redenaar om stilte te vragen, vgl. 12:17; 13:16; 22:1. Vaders: Nl. leden van het Sanhedrin. Ter verdediging: Lett, ‘apologie (vgl. 25:16; 24:10; 25:8; 26:1,2,24). Het is een veel voorkomend motief in de laatste hoofdstukken van Handelingen. Paulus verdedigt zich tegen aanklachten van joodse en romeinse autoriteiten. Elders in 1 Petr.3:15 krijgt het woord ‘apologie’ ook de betekenis van ‘getuigenis’, ‘verkondigend spreken’. Misschien moeten we deze nuance ook in deze hoofdstukken horen meeklinken. Paulus’ persoonlijke verdediging is tegelijk verkondiging en wervend getuigenis. de hebreeuwse taal: Dat wil vermoedelijk zeggen: het Aramees. Te meer stil: Lett, een diep zwijgen. Dat Paulus hen aansprak in het Aramees maakt indruk. Blijkbaar sprak dat niet vanzelf. In Jeruzalem was in die tijd het Grieks wijd en zijd bekend. Dat de apostel zich van het Hebreeuws of Aramees bedient, brengt hem dichter bij zijn volksgenoten.
3.Geboren…opgevoed…opgeleid: Lucas bezigt hier een vaste formule, die we bij allerlei antieke auteurs aantreffen, om de drie stadia van de menselijke ontwikkelingsgang tot volwassenheid weer te geven. Geboortig in de hellenistische stad Tarsus is Paulus opgevoed in het ouderlijk huis te Jeruzalem, waarheen zijn ouders dus al kort na zijn geboorte moeten zijn verhuisd. Zijn opleiding en vorming door studie verkreeg hij bij Gamaliël. Vgl. voor het schema ook Hand. 7:20-22. Aan de voeten: In het leerhuis was het de gewoonte dat de rabbi, de leraar, op een stoel zat, terwijl de leerlingen op de grond zaten. Hiermee duidde men de eerbied voor de wet aan. Met nauwgezette inachtneming…evenals gij: Paulus weet zich met zijn hoorders verbonden in zijn op de tora gefundeerde ijver voor God. Vgl. voor ‘nauwgezet’ 26:5. 5. Broeders: De Joden in Damascus worden met dit woord aangeduid. De verzen 6-11 sluiten nauw aan bij Hand. 9:3-9. Wel zijn er enkele nieuwe details. 6. Omstreeks de middag: Ontbreekt in 9:3. Een fel licht: Het licht is sterker dan het licht van de zon op de middaghoogte van de dag. 8. Nazoreeër, vgl. 2:22. 9. Zagen, …hoorden niet: Anders in 9:7. Lucas accentueert hier het karakter van de ontmoeting tussen Jezus, de Here en Paulus. 10. Opgelegd om te doen: Sterker dan in Hand. 9:6 komt hierin uit dat Paulus in Damascus over zijn dienst en zijn zending nader geïnformeerd zal worden. 11. Vanwege de glans van dat licht niet meer kon zien: Vgl. 9:8. Uit dit vs blijkt dat de verblinding geen straf is. Vss 12-16: vgl. 9:10-16. 12. Ananias, een godvruchtig man naar de wet, van wie…getuigenis gaven: Uit Hand. 9 weten we dat Ananias christen is. In deze rede voor een joods publiek wordt Ananias geïntroduceerd als wetsge-trouwe Jood die gunstig bekend stond voor ‘godsvruchtig’ vgl. 2:5. De beschuldiging tegen Paulus luidde im-, mers, dat hij tegen de wet leerde. Hier wordt gezegd, dat een wetsgetrouwe Jood Paulus’ leidsman is geweest en schakel op de weg naar zijn missionaire arbeid. 14. De God onzer vaderen: Vgl. 3:13. Ook nu onderstreept Paulus tegenover zijn volksgenoten, dat het de God van Israel is die hem geroepen heeft. De verkiezing door God tot getuige (vgl. ‘zien’ en ‘horen’) wordt beklemtoond. De Rechtvaardige: Nl. Jezus, zie Hand. 3:14. Getuige zijn bij alle mensen: Naast de twaalven is Paulus naar Gods wil getuige van de opgestane Christus onder de volken. 16. Dopen…zonden afwassen: Vgl. bij Hand. 2:38; zie ook 1 Kor. 6:11.
17. Te Jeruzalem…in de tempel: Deze gebeurtenis moet hebben plaats gevonden tijdens het in 9-26-30 bedoelde verblijf in Jeruzalem. Paulus bidt in de tempel. Hij blijft dus verbonden met zijn volksgenoten ook na zijn bekering. Vgl. 3:1; 22:3,12,14. Ook dit is zijdelings een weerlegging van de beschuldiging. In zinsverrukking: Vgl. voor de relatie tussen gebed en verschijning 9:12; 10:2-3. Op de heilige plaats van Israel, die Paulus volgens zijn aanklagers ontwijd zou hebben, ontvangt hij uit de mond van de verhoogde Christus de autorisatie tot zijn missie onder de volken. Evenals de twaalven ziet ook Paulus de Here te Jeruzalem. 18. Vertrek…uit Jeruzalem: Het is Jezus zelf die de opdracht geeft het ongehoorzame Jeruzalem te verlaten. 19. Zij weten zelf: Paulus verzet zich tegèn dit bevel. Men kent zijn verleden, zijn ijver voor de God der vaderen. Als hij, die zo dicht bij hen stond in zijn verzet tegen de volgelingen van Jezus, nu zelf, gewonnen door Hem, de boodschap aangaande Christus brengt, moet dit toch voor zijn volksgenoten des te overtuigender zijn.
20. Het bloed van uw getuige Stefanus: Vgl. 7:58-8:1. Ook Stefanus wordt hier getuige genoemd. Dat hangt wel samen met zijn prediking. Niet omdat hij sterft, is Stefanus getuige, maar omdat hij van Christus getuigd heeft, sterft hij. Zijn bloed wordt vergoten zoals het bloed van de profeten (Luc. 11:50). De verbinding van het begrip ‘getuige’ met de dood van de getuige is eenstap in de richting van de latere betekenis van martus: Bloedgetuige, martelaar. 21. Ga heen: Zie Mat. 28:19. Ik zal u uitzenden: In het griekse woord voor ‘uitzenden’ horen we het woord ‘apostel’. Ver weg: Vgl. Hand. 2:39; Ef. 2:17. Naar de heidenen: Vgl. ‘bij alle mensen, vs 15. 22. Tot dit woord: Het woord ‘naar de heidenen’ wekt de-woede van de hoorders op. Kennelijk heeft men er een aanval in gehoord op de bijzondere positie van het volk Israel. Overigens is door de apostel alles gezegd wat er te zeggen was. De onderbreking van de toespraak is een stijlmiddel, die het laatste gezegde accentueert (vgl. Hand. 14 en 17). 23. Met hun kleren zwaaiden (lett. zij wierpen de mantels) en stof in de lucht wierpen: Het is niet geheel duidelijk wat men ermee wilde uitdrukken. .Sommigen denken in de lijn van 13:51 en 18:6 aan een gebaar, waarmee men wilde uitdrukken elk contact met de godslasteraar te verbreken, hem niet meer als Jood te accepteren. Anderen zien de handelingen als uiting van woede en verontwaardiging, nu ze niet de mogelijkheid hebben Paulus te stenigen. 24. Onder geseling in verhoor nemen: De tribuun, kennelijk voornemens de gevangene via een verhoor tot bekentenis van de waarheid te brengen, past de maatregel toe, die men in die tijd óp slaven en niet-Romeinen toepaste: Verhoor onder foltering. 25. Moogt gij een Romein. ..geselen: Paulus beroept zich nu, evenals in 16:37 op zijn romeins burgerrecht. 27-28. Burgerrecht voor een grote som…door geboorte: Het verhoor van een romeins burger via foltering en bovendien iemand boeien zonder geldige veroordeling was door twee romeinse wetten verboden. Terwijl de tribuun het romeins burgerschap voor veel geld heeft moeten kopen, bezit Paulus het door zijn geboorte. Dat doet de gevangene in de achting van de tribuun stijgen. Maatschappelijk gezien staat Paulus boven deze officier. 29. Ook de overste werd bevreesd: Vgl. de vrees bij de praetoren in 16:38. Het laten boeien van een Romein was verboden. Toch blijkt uit vs 30 dat de tribuun pas de volgende dag de boeien losmaakt. Dat lijkt in tegenspraak met de vrees van vs 29. Enige handschriften voegen toe: ‘En dadelijk liet hij hem de boeien afnemen’.
Paulus voor het Sanhedrin 22:30-23:11
30. Voor de vierde maal vindt er een confrontatie plaats tussen christenen en het Sanhedrin (vgl. Hand. 4:lw; 5: 17vv; 6:8vv). Paulus gaat ook hier in de voetstappen van Jezus (Luc. 22:66-71). Opvallend is dat het de tribuun is, die het Sanhedrin laat bijeenroepen. Dat is vreemd, omdat het niet tot de bevoegdheden van een romeins ambtenaar behoorde een officiële zitting van het Sanhedrin bijeen te roepen. Misschien moeten we denken aan een informele consultatie, op last van de tribuun, om aan de weet te komen waarvan de Joden Paulus beschuldigen. 23:1. Paulus verwerpt de tegen hem ingebrachte beschuldigingen. Zijn geweten is zuiver voor God (vgl. 24:16; 2 Tim. 3:1). Over mijn gedrag: Het hier gebruikte werkwoord betekent lett. ‘burger-zijn’ (vgl. Filp. 1:27; In 21: 39 was er sprake van ‘burger’; in 22:38 van ‘burgerrecht’). 2. Ananias: Hogepriester van 47-59. Gedurende de ambtsperiode van Felix werd hij afgezet en later bij het begin van de joodse oorlog als vriend van de Romeinen door de Zeloten vermoord. Met zijn daad brengt de hogepriester tot uitdrukking, dat hij Paulus’ verklaring als een leugen beschouwt. 3. God moge u slaan: Paulus bezigt een bekende joodse formule om iemand te verwensen. Mogelijk is het een aankondiging van Ananias’ latere lot. Gewitte wand: Zie Mat. 23:37. Dit scheldwoord doet denken aan Ez. 13:10-15. De hogepriester gelijkt op een man, die een bouwvallige, lemen wand een stevig aanzien geeft door een pleisterlaag. Paulus ontmaskert de innerlijke voosheid van de priesteraristokratie. 4-5 De hogepriester Gods: Het ‘van God’ accentueert de hoogheid van het ambt. Ik wist niet: Dit lijkt uitermate onwaarschijnlijk. Mogelijk is het door de apostel ironisch bedoeld. Een overste uws volks: Zie Ex. 22:28. Paulus erkent het gezag van de tora. 6-8. Paulus maakt gebruik van de tegenstelling tussen Farizeeërs en Sadduceeërs ten aanzien van de leer van de opstanding der doden, (vgl. bij Luc. 20:27). Ik ben een Farizeeër: Vgl. 22: 3; Fil. 3:5. De hoop en de opstanding der doden: Dwz. de hoop op de opstanding der doden, zie ook 24:15. 9. Een geest…een engel: Zie vs 8. Sommigen Farizeeërs meenden dat de verschijning, waarop Paulus zich beroept een bewijs vormde inzake de juistheid van hun geloof in geesten en engelen. Wij vinden generlei kwaad: Vgl. Luc. 23:4,14,22; Hand. 23:29; 25:18,25; 26:31; 28: 10. 10. De vergadering vindt een tumultueus einde. Om zijn gevangene te redden, grijpt de tribuun in en laat Paulus naar de kazerne brengen. 11. Te Jeruzalem-te Rome: In een nachtelijk visioen bemoedigt de Here hem. Paulus moet naar Gods plan in Rome getuigen. Mensen kunnen dat niet verhinderen.
Samenzwering tegen Paulus 23:12-35
12. En toen…maakten de Joden een complot: Opvallend is het generaliserende ‘de Joden’. Dit woord kan gebruikt worden als tegenstelling tot ‘de Romeinen’. Er zit ook een negatieve kwalificatie in, als aanduiding van de tegenstanders tegen Paulus en het Evangelie. Opnieuw komt de aanval van de kant van Paulus’ volksgenoten. Meer dan veertig mensen beramen een samenzwering tegen de apostel. Vermoedelijk moeten we denken aan een fanatieke groep Zeloten, die als ‘dolkmannen’ (sicarii) aanvallen uitvoerden op mensen die zich in hun ogen schuldig gemaakt hadden aan overtredingen tegen de reinheid van Israel, het geloof en de tempel. Hun bijbels voorbeeld was Pinehas (Num. 25:7vv). Wanneer de officiële instanties er niet in slaagden een straf opgelegd te krijgen – en in dit geval zag het er naar uit dat de Romeinen Paulus de beschermende hand boven het hoofd hielden – probeerden zij door sluipmoord hun tegenstander uit de weg te ruimen. Uit geschriften van Josephus weten we dat in die tijd dergelijke sicarii regelmatig hun ter-reuraanvallen uitvoerden. En vervloekten zichzelf: Een eed, die de vorm van een zelfvervloeking had, onderstreept de ernst van hun plan. 14. Naar de overpriesters en de oudsten: Hieruit blijkt dat slechts een (klein) deel van de Farizeeën het voor Paulus had opgenomen. De priesters vormden de meerderheid in de joodse raad. Zij waren fel gekant tegen de belijders van de Messias Jezus. Ofschoon de Zeloten de Sadduceeën als pro-romeins haatten, is het niet onaannemelijk dat de gemeenschappelijke afkeer van Paulus – de afvallige in hun ogen – hen deed samenspannen in dit complot. 15. Kennelijk is de opzet om Paulus, in het gedrang van een volksoploop,wanneer hij overgebracht wordt van de burcht naar de vergaderplaats van het Sanhedrin, om te brengen, zonder dat de verdenking op iemand van de raadsleden valt. 16. Een neef van Paulus licht hem in over de moordaanslag. Contact met een gevangene was voor familieleden en vrienden dus blijkbaar mogelijk. Over deze neef is verder niets bekend. Dat hij in het complot was ingewijd en dat zijn trouw aan de familie het won van zijn wetsge-trouwheid is pure speculatie. 19. De overste…ging terzijde: Een klein trekje dat de levendigheid van Lucas’ wijze van vertellen illustreert. De tribuun is bang voor verklikkers. 22. De tribuun legt de jongen zwijgplicht op. 23. Tweehonderd soldaten: Terwijl de samenzweerders voorbereidingen voor de aanslag treffen, laat de tribuun Paulus onder bewaking overbrengen naar Caesarea. De omvang van de maatregelen is opvallend groot. De totale sterkte van het romeinse garnizoen in Jeruzalem bedroeg 1000 man. Bijna de helft van het garnizoen wordt ingezet om Paulus te begeleiden op zijn tocht naar Caesarea. Het getal illustreert de betekenis van de apostel, de grootte van het gevaar en de kwaliteit van de romeinse maatregelen. Omtrent het derde uur van de nacht: Dwz. negen uur ‘s avonds. 24. Veilig over te brengen: Lett, ‘redden’. Stadhouder Felix: Zie bv. 24:1.
25-30. De enige door een niet-christen geschreven brief in het N.T. De brief vertoont de vorm en de stijl van een hellenistisch-romeinse brief. 26. Hoogedele: Vgl. Luc. 1: 3 en Hand. 24:3; 26:25. 27. De geseling wordt niet vermeld. Ook het romeins burgerrecht van Paulus speelde aanvankelijk niet mee. De tribuun komt wel in een erg gunstig daglicht te staan. 29. Inzake vragen van hun wet: Vgl. Hand. 18:15. Geen aanklacht, waarop dood of gevangenschap staat: De romeinse overheid vindt geen schuld in de apostel. Opnieuw wordt uitgesproken dat de staat de christenen niet staats vijandig vindt.
30. En heb ik ook de aanklagers gelast: Dat de aanklagers, tw. het Sanhedrin of vertegenwoordigers daarvan zich tot Felix moeten wenden, zal Lysias hen pas meegedeeld hebben na het vertrek van Paulus naar Caesarea.
31. Naar Antipatris: Een stadje dat ongeveer van Jeruzalem af ligt. 32. Lieten zij de ruiters verder trekken: De soldaten die te voet Paulus begeleid hebben, zijn als escorte mee gegaan ter bescherming, door de gevaarlijke omgeving van Jeruzalem, waar de mogelijkheid van een complot het grootst was. Daarna zijn zij teruggekeerd, terwijl de ruiters de apostel naar Caesarea brengen. 33. Brachten zij Paulus voor hem: Voor een kort verhoor wordt Paulus voor Felix geleid. De bedoeling is wel dat de stadhouder er zich van verzekeren wil of hij de zaak in behandeling moet nemen. 34. Vroeg…uit welke provincie: Normaliter werd een zaak behandeld door de stadhouder van de provincie waarin het vergrijp begaan werd. De mogelijkheid bestond evenwel een gevangene door te verwijzen naar de functionaris van de provincie, van waaruit de beklaagde afkomstig was. 35. Ik zal u nader in verhoor nemen: Felix maakt van deze mogelijkheid geen gebruik. De reden hiervoor kan zijn dat Cilicië in die tijd tot de provincie Syria behoorde en dat de legaat van Syrië met rechtszaken zoals de onderhavige niet lastig gevallen wilde worden. Misschien ook wilde Felix de Joden niet voor het hoofd stoten. In het paleis van Herodes: Paulus wordt gevangen gehouden in hetpraetorium van Herodes, een voormalig paleis gebouwd door Herodes de Grote, dat nu dienst deed als ambtsverblijf van de stadhouder.
Paulus voor Felix 24.1-27
1.Vijf dagen na de aankomst van Paulus verschijnt er een delegatie van het Sanhedrin onder leiding van de hogepriester Ananias (vgl. 23:2) in Caesarea om een aanklacht in te dienen tegen Paulus bij de stadhouder Felix: Felix was van lage afkomst. Hij was slaaf geweest, maar door Antonia, de moeder van keizer Claudius, vrijgelaten. Sindsdien heette hij dan ook Antonius Felix. Dankzij de invloed van zijn broer Pallas, eveneens een vrijgelaten slaaf, die door allerlei intriges een machtige positie aan het keizerlijk hof had weten te verkrijgen, klom Felix snel omhoog en werd hij omstreeks 52-53 benoemd tot procurator, stadhouder van Judea, in een functie die doorgaans door ridders bekleed werd. Hij is dat waarschijnlijk gebleven tot ongeveer het jaar 60. De romeinse schrijver Tacitus velt over hem een ongunstig oordeel: Tn iedere vorm van wreedheid en liederlijkheid heeft hij een koninklijk recht met slaafse geest uitgeoefend’. Al kan in dit scherpe vonnis de afkeer van de aristocraat tegenover de slaaf meespelen, niettemin wordt dit negatieve oordeel door andere antieke bronnen bevestigd.
Felix is driemaal getrouwd geweest. Zijn eerste vrouw was een kleindochter van koningin Cleopatra van Egypte. In het jaar 54 trouwde hij met een Jodin, Drusilla, dochter van Agrippa I. Tijdens zijn stadhouderschap heeft Felix te strijden gehad met oproerlingen en rovers. Valse Messiassen, alsook het optreden van de Zeloten, zorgden in die jaren, zo kort voor de oorlog met Rome, voor veel onrust. Toen Felix van zijn ambt ontheven was, hebben de Joden bij keizer Nero een aanklacht tegen hem ingediend wegens wanbeheer. Vermoedelijk was het aan de invloed van zijn broer te danken dat die aanklacht voor Felix geen ongunstige uitwerking had.
Een advocaat Tertullus: Om een proces voor eep romeins gerechtshof te kunnen voeren, was het voor de Joden belangrijk de aanklacht zo te formuleren, dat de indruk vermeden werd, als ging het alleen om godsdienstige kwesties van intern-joodse aard. Daarom schakelt men een advocaat in, lett. een retor, dwz. een redenaar, geoefend in de welsprekendheid, die men juist in processen aan de dag legde. Niet alleen moest men de knepen van het vak kennen. Maar ook moest de redevoering goed verzorgd zijn. Een volgens de regels van de kunst opgestelde rede maakte in de antieke wereld altijd indruk. De naam Tertullus is een verkleinwoord van Tertius (= de derde). Niet met zekerheid kan vastgesteld worden of Tertullus een heiden geweest is of een gehelleniseerde Jood uit de Diaspora.
2-3. Met enkele handige, retorische wendingen prijst de advocaat het zegenrijke werken van hem, bij wie men zijn zaak bepleit, en doet hij een beroep op diens welwillendheid. Tertullus schrikt er daarbij niet voor terug de waarheid geweld aan te doen. Felix had nl. door enkele wrede maatregelen wel voor orde en rust gezorgd (vgL Hand. 21:38), maar die getuigden allerminst van verbetering van het lot van het joodse volk. Grote vrede: Dwz. harmonie, geen strijd. De grote of ‘diepe’ vrede was in de antieke wereld het ideaal van velen in hun staatsconceptie in tegenstelling tot oorlog, rebellie, strijd en oproer. In vs 5 wordt Paulus er dan ook van beschuldigd oproer te stichten en relletjes te veroorzaken.
5-6. Drie zaken worden Paulus ten laste gelegd. Allereerst wordt hij er van beschuldigd onder de Joden in het gehele rijk opstanden te verwekken. Dwz. de verleiding tot oxxozr(seditio) wordt hem in de schoenen geschoven. Pest: De uitwerking van het optreden van de apostel wordt vergeleken met een besmettelijke ziekte, wiens dodelijke werking het gehele organisme aantast. Er is in vs 5 een herinnering aan de aanklacht van de Joden voor Pilatus tav. Jezus. In de tweede plaats wordt Paulus er van beschuldigd een eerste voorstander te zijn van de sekte der Nazoreeërs: Dwz. een raddraaier onder de volgelingen van Jezus, de Nazoreeër (vgl. 2:22; 6:15; 17:7). Het woord dat hier vertaald wordt met ‘sekte’ duidt in het griekse spraakgebruik een partij binnen het Jodendom aan. Vgl. Hand. 5:17; 15:5. Voor de buitenstaanders vormden de volgelingen van Jezus een joodse groepering naast anderen (Hand. 28:22). In het verband van de aanklacht heeft het woord ‘sekte’ hier een negatieve bijklank. Als derde punt in de aanklacht wordt genoemd: een poging om de tempel te ontvrijden: op tempelschending stond de doodstraf. Om tegemoet te komen aan de godsdienstige gevoelens van hun joodse onderdanen stonden de Romeinen zelfs tegenover romeinse burgers de uitvoering van de desbetreffende strafmaatregelen toe.
6b-8a. Deze woorden staan in de vertaling van het NBG tussen vierkante haken. In de beste handschriften ontbreken ze. Neemt men deze verzen er bij, dan slaat ‘hem’ in de zin: wanneer gij hem in verhoor neemt… op Lysias. Laat men de woorden weg dan heeft het ‘hem’ betrekking op Paulus. De stadhouder zelf kan zich vergewissen van de juistheid van de aanklacht door Paulus te verhoren. Ook de joodse afgevaardigden onderstrepen de juistheid van de beschuldigingen. 10. Toen de stadhouder hem een wenk gaf: Met een gebaar geeft Felix Paulus verlof tot antwoord. Het werkwoord komt ook voor in Joh. 13:24. Daar ik weet: Ook Paulus begint met een vriendelijk woord tot Felix, zij het dat het er veel minder dik op ligt dan bij Tertullus. De apostel beroept zich op Felix’ bekendheid met de situatie onder het joodse volk. 11-13. Wat betreft het eerste punt van de aanklacht wijst de apostel er op dat een tijdsruimte van nog geen twee weken geen mogelijkheid biedt een oproer te plannen. Noch in de tempel, noch in de synagoge, noch in de stad heeft Paulus een discussie gevoerd die aanleiding zou kunnen zijn tot een volksoploop. Paulus beroept zich op de rechtsregel, dat de aanklacht en niet de onschuld bewezen moet worden. Terwijl Tertullus gesproken had van de ‘gehele wereld’, beperkt Paulus zich tot Jeruzalem. 14. Naar de weg, die zij een sekte noemen: De christenen vormen geen obscure partij, maar het volk van God van de eindtijd voor wie de beloften van God gelden en dat overeenkomstig Gods wil begeert te leven. Zie voor ‘weg’: Hand. 9:2. De God der vaderen: Vgl. Hand. 3:13. Terwijl ik van God hoop: Opnieuw belijdt de apostel zijn geloof in de opstanding der doden (zie 23:6) tot heil en tot gericht (Dan. 12:2; Joh. 5:29; Mat. 25:3146; Op, 20:12vv). 16. Oefen ik mijzelf: Zich gewennen iets te doen. Een onergerlijk geweten: Zodat men voorGod in het gericht kan bestaan (Filp. 1:10). Dat betekent dat men van Paulus mag verwachten dat hij zich aan de wetten houdt en niet uit is op rebellie en staatsgevaarlijke activiteiten. Daarmee weerlegt de apostel het tweede punt van de aanklacht. 17. Om aalmoezen…en offeranden (te brengen): Hier vermeldt Lucas de collecte ten behoeve van Jeruzalem (vgl. 2 Kor. 8 en 9; Hand. 20:3). Geheiligd zijnde: Paulus kwam niet naar de tempel om die te ontwijden, maar integendeel om zich juist aan een gelofte te onderwerpen. 19. Joden uit Asia: De afwezigheid van de klein-aziatische Joden, die het gerucht verbreid hebben dat Paulus heidenen in de tempel gebracht zou hebben (21:28) is voldoende bewijs voor de ontoereikendheid en voosheid van de aanklacht. Was de aanklacht werkelijk steekhoudend, dan zouden zijn tegenstanders niet geaarzeld hebben deze Joden als bezwarende getuigen mee te brengen. Niet Paulus, maar juist deze Joden hebben het tumult veroorzaakt. 21. Vgl. Hand. 23:1-10. Nogmaals onderstreept Paulus zijn overeenstemming met een centraal punt van het geloof van de Joden.
22. Die zeer goed…op de hoogte was: Felix wordt getekend als een functionaris die over de christelijke gemeente goed geïnformeerd is, en dus weten kan, dat christenen niet staatsgevaarlijk zijn. Vanwaar Felix deze kennis bezat, wordt niet gezegd. Moeten we denken aan informatie via Drusilla? Verdaagde: terminus technicus uit de rechtsspraak.
bewaring…maar minder streng: Paulus krijgt een milde vorm van arrest opgelegd. Bezoek van medechristenen wordt toegestaan. Van dienst te zijn: Dwz. door hulp en verzorging om zijn lot te verlichten. Lucas laat in de vss 22-23 uitkomen, dat Felix tegen beter weten in Paulus gevangen houdt, om zo via een tactische manoeuvre de Joden niet tegen zich in het harnas te jagen.
24. Met Drusilla, zijn vrouw: Deze was eerder gehuwd geweest met koning Azizus van Emesa in Syrië. Via een magiër uit Cyprus was Felix er in geslaagd Drusilla van haar echtgenoot te verwijderen. Het huwelijk van een Jodin met een heiden was tegen de wet. Het geloof in Christus Jezus: Vgl. Hand. 20:21; 26:18; Kol. 2:5. 25. Gerechtigheid, ingetogenheid en het toekomstig oordeel: Een samenvatting van het geloof in Christus en het daaruit voortvloeiende levensgedrag, toegespitst op de situatie van een hoge, romeinse functionaris. Het gaat om een verantwoorde levensstijl met het oog op het komende oordeel. Voor ‘ingetogenheid’ zie Gal. 5:23; 2 Petr. 1:6; 1 Kor. 9:25; Tit. 1:8. Werd Felix bevreesd: De stadhouder schrikt voor het verbindend karakter van de boodschap. Vgl. de tegenstelling tot Paulus in verband met het oordeel (24:15v): vrees contra hoop. Ga voor heden heen: Met een beroep op zijn drukbezette leven onttrekt Felix zich aan het appèl van de boodschap. Een dergelijke reactie ook in Hand. 17:32 en 26:29. 26. Geld…aangeboden: De stadhouder wil Paulus er toe brengen om zijn vrijlating af te kopen met steekpeningen. Dat stadhouders als Felix omkoperij als middel te baat namen om zich te verrijken wordt ook door antieke bronnen bevestigd. 27. Het past helemaal in het beeld wat de antieke literatuur van Felix geeft, dat deze om de Joden te vriend te houden Paulus na twee jaren niet vrij liet, toen hij van zijn post ontheven werd. De termijn van twee jaar: zievoor de uitdrukking ook Hand. 28:30. Het gaat om een twee jaar durende gevangenschap in Caesarea, niet om een ambtstermijn van Felix.
Porcius Festus: Deze is slechts kort stadhouder geweest (60-62). We weten zeer weinig van hem. De joodse historicus Josephus vermeldt geen schandaaltjes van hem. Dat wijst er wellicht op dat hij een correct en betrouwbaar bestuurder is geweest.
Paulus voor Festus 25:1-2
1.Hield…zijn intocht: Lett, betrad de provincie waarover hij het bestuur uitoefende. Zeer kort na zijn ambtsaanvaarding gaat Festus van Caesarea naar Jeruzalem. De nieuwe stadhouder pakt de zaken energiek aan. Opnieuw komt de zaak Paulus aan de orde.
2.De voornaamsten der Joden: vermoedelijk zijn hiermee de oudsten bedoeld (vgl. 24.T; 25:15). 3. Verwachtten een gunst: Gebruik makend van de onervarenheid van de nieuwe stadhouder proberen de leden van het Sanhedrin van Festus gedaan te krijgen, dat hij als gunst het proces zal verleggen naar Jeruzalem. De opzet is dan om Paulus onderweg te vermoorden (vgl. 23:12vv). Hieruit blijkt nog sterker dan in 23:14 hoe het Sanhedrin de moordaanslag beraamt. 4-5. Festus geeft er geen gehoor aan. Paulus zal in Ceasarea verhoord worden. Die onder u bevoegd zijn: Lett, de machtigen, de aanzienlijken (Vgl. 1 Kor. 1:26). iets onbehoorlijks: Zie Luc. 23:41; Hand. 23:6.
Rechterstoel: Zie ook Hand. 12:21; 18:12,16,17; Joh. 19: 13. Festus houdt een officiële rechtszitting. 7. Omringden hem: Er gaat iets dreigends uit van de aanklagers om Paulus. Toch laat Lucas uitkomen, dat de aanklagers machteloos zijn, omdat de klachten niet te bewijzen zijn (vgl. Hand. 24:12vv). Ook nu weer zal blijken dat Paulus onschuldig vastgehouden wordt. 8. Noch tegen de wet… noch tegen de tempel, noch tegen de keizer: vgl. Hand. 24:11-19. Betrekken de eerste twee uitdrukkingen zich op intern joodse aangelegenheden, het derde raakt een zaak die een romeins stadhouder moest interesseren. Verleiding tot oproer gold als schending van de keizerlijke majesteit. Daarop stond de doodstraf.
9.Festus, die…een gunst wilde bewijzen: In plaats van Paulus vrij te spreken, oppert Festus het voorstel Paulus te laten terechtstaan in Jeruzalem. Evenals zijn voorganger wil hij de Joden te vriend houden. Vgl. de tegenstelling tot vs mijn bijzijn: Lett, ‘voor mij’. Bedoeld kan zijn een verhoor voor het Sanhedrin in aanwezigheid van Festus, zoals in Hand. 23:1-10. Anderen vertalen: onder leiding van Festus. Gezien de reactie van Paulus is het eerste het waarschijnlijkste. Zou Paulus in Jeruzalem terecht staan voor het Sanhedrin, dan lag een terdoodveroordeling voor de hand, waarbij de stadhouder moeilijk anders kon doen dan het vonnis bekrachtigen. 10. Ik sta voor de keizerlijke rechtbank: De romeinse stadhouder hield rechtszittingen als gevolmachtigde van de keizer. Paulus staat als romeins burger op zijn recht. Daar moet ik ook terechtstaan: Als romeins burger weigerde Paulus zich te laten berechten door een inheemse rechtbank. Tegelijk zit in het ‘moeten’ de gedachte aan het raadsplan van God (Luc. 24:7, 26, 44; Hand. 14:22; 23: 11). Paulus moet naar Rome om daar te getuigen.
Tegen de Joden…gelijk ook gij zeer wel inziet: Paulus doorziet de opzet van Festus. Zonder te vergeten dat hij tegenover een hooggeplaatst Romein staat, richt de apostel niettemin een zwaarwegend verwijt tot Festus. Wanneer het proces in Jeruzalem gevoerd zal gaan worden, dan handelt Festus tegen beter weten in uit opportunistische motieven. Aan een verdiende straf wil Paulus zich niet onttrekken. Tegen verdraaiing van het recht verzet hij zich. Paulus speelt hoog spel. Festus zou zich kunnen wreken door de apostel te veroordelen. De stadhouders hadden het recht doodvonnissen uit te spreken. Paulus’ woorden laten iets zien van zijn vrijheid en vrijmoedigheid. Terwijl Festus geroepen is de romeinse rechtsregels te handhaven, is het Paulus die hem er aan herinnert. Ik beroep mij op de keizer: Paulus maakt gebruik van het recht van de romeinse burger. Het gaat hier om de zgn. ‘provocatio’, dwz. het recht dat aan romeinse burgers toekwam om zich te beschermen tegen terechtstelling of foltering zonder proces en tegen een uitspraak van magistraten buiten Rome door een beroep op de hoogste instantie in Rome. 12. Toen antwoordde Festus: We krijgen uit dit vs de indruk dat de stadhouder tot een dergelijk beroep op de keizer toestemming moest geven. Na overleg met zijn Raad: Festus pleegt overleg met het college van assessoren dat de stadhouder ter zijde stond. Misschien hebben zij hem herinnerd aan de wet: ‘Aan geweldpleging is schuldig hij, die, wanneer hij met macht bekleed is, een romeins burger die zich beroept op de keizer, doodt of laat doden. Naar de keizer zult gij gaan: Zo zal de toezegging van de Here (23:11) in vervulling gaan. Met de keizer is bedoeld keizer Nero (54-68).
Paulus voor Agrippa 25:13-27
13. Koning Agrippa: Voor de laatste keer in het boek Handelingen treden leden van de dynastie van Herodes voor het voetlicht. Marcus Julius Agrippa II was de zoon van Herodes Agrippa I (vgl. 12:1-25). Hij was dus een broer van Drusilla (24:24). Toen zijn vader stierf vertoefde Agrippa in Rome aan het hof van keizer Claudius. Hoewel de keizer het niet opportuun achtte een zo onrustige provincie als Judea, waar het nationalisme oplaaide, door een zo jong iemand als Agrippa te laten besturen, is hij toch koning geworden, aanvankelijk over een miniatuurstaatje (Chalcis). Geleidelijk aan werd zijn gebied uitgebreid. Hem was het oppertoezicht op de tempel opgedragen en bovendien had hij het recht de hogepriester te benoemen. Door zijn funktie was hij op de hoogte van de joodse godsdienst en de joodse zeden. Agrippa II komt in het N.T. alleen in Hand. 25-26 voor.
Bernice: Eig. Ferenike (lat. Veronica) = de overwinning behalend. Zij was de zuster van Agrippa II, met wie zij samenleefde, na de dood van haar man, Herodes van Chalcis. Allerlei geruchten deden de ronde, dat er tussen Bernice en Agrippa een ongeoorloofde verhouding bestond. Om de praatjes de kop in te drukken huwde zij Polemon, koning van Cilicië. Het huwelijk was maar van korte duur; spoedig keerde zij weer terug tot haar broeder. Tijdens de joodse oorlog had zij een verhouding met de romeinse veldheer en latere keizer Titus die echter niet met haar trouwde vanwege de openbare mening in Rome. Kwamen…om…te begroeten: Zij maken met een officieel bezoek hun opwachting bij de nieuwe stadhouder. 15-16. Festus legt aan zijn gasten de zaakvoor, die hem door zijn voorganger is achtergelaten. Alle nadruk valt op de beschuldigingen van joodse zijde, terwijl Festus zich opstelt als degene die de romeinse rechtsregels handhaaft. Bij wijze van gunst: zie vs 3. 18. Over de boze dingen, die ik vermoedde: Nl. misdaden tegen de staat, opruiende praktijken. 19. Enige twistpunten over hun eigen godsdienst: Vgl. Hand. 23:29. Voor ‘godsdienst’ zie Hand. 17:22. Een zekere Jezus, die dood is, van wie Paulus beweerde, dat Hij leeft: Het woordgebruik verraadt de Romein die op afstandelijke wijze praat over de opstanding als een bewering die hem niet raakt. Zie voor een overeenkomstige houding bij de Grieken Hand. 17:32. Intussen blijkt hier, dat het eigenlijke twistpunt de opstanding van Jezus Christus betreft. 20. Festus laat het hier voorkomen alsof zijn poging Paulus in Jeruzalem te laten terechtstaan uit verlegenheid voortvloeit. Maar zie vs 9. 21. Zijne Majesteit: In het grieks Sebastos, vertaling van Augustus; zie ook Hand. 25:25 , 27:1. Beslissing: Nl. de uitspraak van de keizerlijk-juridische instantie. 22 En Agrippa zeide: Paulus zal nu ook door een deel van de dynastie van Herodes verhoord worden. Er is opnieuw een overeenkomst met het lijden van Jezus (Luc. 23:7vv). 23. Met grote praal: Er kan een zekere ironie in schuilen. Uiterlijk vertoon moet het gebrek aan werkelijke macht vergoeden. De gehoorzaal: Het auditorium van het stadhouderlijke paleis. Met de oversten: De hogere officieren. Misschien de tribunen van de vijf in Caesarea gestationeerde cohorten soldaten. De mannen die…: Ook de notabelen van de stad zijn aanwezig. IA. De gehele menigte der Joden: Opnieuw geeft Festus een verslag van het gebeurde. Nu zijn het niet meer alleen de leiders, maar het gehele volk dat een veroordeling eist (vgl. 21:36). Sterke nadruk valt op Paulus’ onschuld (vgl. 23:29; 25:18; 26:31). 26. Aan mijn heer: Nl. de keizer van Rome. Sinds Claudius worden de romeinse keizers op deze wijze aangeduid. Dit vs is de oudste ons bekende bewijsplaats voor het absolute gebruik van de titelKurios voor de keizer, een titel, die pas onder Domitianus gangbaar werd. De belijdenis van Christus als de ene Kurios (1 Kor. 8:6; Filp. 2.11) kreeg zodoende een polemische spits tegen de keizerverering. Daarom heb ik hem vóór u laten komen. Lucas gebruikt termen uit het juridisch spraakgebruik, ‘voor laten komen’, ‘onderzoek’, ‘verdedigingsrede’ (26:1).
Paulus’ verantwoording voor Agrippa 26.1-32
1.Het is u vergund: Agrippa die nu de leiding heeft, geeft Paulus verlof tot spreken. Toen strekte Paulus zijn hand uit: het gebaar van de redenaar (13:16; 19:33; 21: 40). In vs 29 lezen we van een geboeide hand. En verantwoordde zich: Dwz. Paulus houdt een verdedigingsrede, een apologie (vgl. 22:1; 25:2,4). Paulus krijgt verlof over zichzelf te spreken. Maar zijn apologie is, zoals uit het slot blijkt, vooral prediking, getuigenis aangaande Jezus Christus. Het in 9:15 aangekondigde, nl. het getuigenis aangaande de naam voor koningen, gaat nu geschieden. In zijn verdediging volgt Paulus de vermaning van Jezus (Luc. 12:8-12; 21:12-19) op. 3. Vooral een kenner: Paulus prijst zich gelukkig zich voor Agrippa te mogen verantwoorden. Als kenner van de joodse wetten en de discussies over godsdienstige onderwerpen bij de Joden kan Agrippa als competent en ter zake kundig worden beschouwd. 4-5. Mijn leven…mijn volk: De apostel drukt zijn verbondenheid met Israel uit in deze woorden (vgl. Rom. 9:3). Jeruzalem, de heilige stad van de Joden is het centrum van Paulus’ leven geweest. Over zijn leven als Farizeeër zie Hand. 22:3; Filp. 3:6. 6. Mijn hoop op de belofte: Paulus moet terecht staan vanwege zijn geloof in de aan de vaderen gedane belofte, die in de Schriften betuigd wordt. Het gaat om de verwachting van Israel (vgl. 23:6; 24:15; 28:20), nl. de toekomstverwachting, gericht op de Messias, het Koninkrijk van God en de opstanding der doden. In de komst en het werk van Jezus, met name zijn opstanding uit de doden, is deze belofte vervuld. 7. Onze twaalf stammen: Lett, ‘ons twaalf stammenvolk’. God te vereren: In de eredienst betuigt het volk voortdurend deze verwachting. Om deze hoop…aangeklaagd: Paulus, die de hoop van Israel deelt, wordt juist hierom door zijn eigen volksgenoten aangeklaagd. Daarmee wordt het onverwachte en absurde van de beschuldiging aangegeven.
9.Ik voor mij was: Met dit woord begint de apostel de terugblik op zijn levensperiode, waarin hij de volgelingen van Jezus vervolgde. Er is een tegenstelling tot vs 19. Tegen de naam…fel optreden: Vgl. Hand. 4:11; 9:15. De naam is Jezus zelf in zijn openbaring. Als wetsgetrouwe Jood meende Paulus tot deze aktiviteit te moeten overgaan. 10. De heiligen: Dwz. de gelovigen, de christenen (vgl. 9:13, 32, 41). Anders dan in 9:lv en 22:4v is hier sprake van vervolging in Jeruzalem. En als zij … heb ik mijn stem eraan gegeven: Niet alleen heeft Paulus met volmachten van de hogepriester arrestaties uitgevoerd, ook heeft hij zijn stem gegeven aan doodvonnissen. Lucas tekent hem dus als lid van het Sanhedrin. Het griekse woord voor ‘stem’ betekent letterlijk het bij een stemming gebruikte steentje, waarbij een zwarte steen duidde op veroordeling, een witte op vrijspraak. 11. Door toepassing van straffen: Wellicht moeten we denken aan geseling. Tot lastering: Nl. tot afzweren en loochenen van de naam van Jezus Christus (vgl. 13:45; 18:6).
12-13. Hier geeft Paulus de verschijning van Christus op de weg naar Damascus weer. Vgl. 9:3vv en 22.6vv. Midden op de dag… schitterender dan de glans der zon: Nog sterker dan in Hand. 22:6 wordt de glans van het licht geaccentueerd. Zelfs op de middag, de tijd waarop de zon hoog aan de hemel staat, is het licht sterker dan het zonlicht. Het licht is teken van de aan Paulus geschiede openbaring. de hebreeuwse taal: Tw. het Aramees. Vgl. de vorm van de naam: Saul ( = Saoul). Het valt u zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan: Een spreekwoord dat we ook bij antieke schrijvers (o.a. in het drama Bacchae (van de tragediedichter Euripides) vinden.) Het beeld in ontleend aan last- of trekdieren die door een stok of zweep met prikkels worden opgedreven en er in verzet tegen aantrappen. De bedoeling van het gezegde in het tekstverband is, dat verzet van Paulus tegen de opgestane Here en zijn gemeente zinloos is.
15. En de Here zeide: Alle nadruk valt op de verschijning van Christus en de roeping van Paulus door hem. Lucas maakt in dit hoofdstuk geen melding van Ananias. In de vss 15-18 vinden we allerlei zinspelingen op woorden uit de oudtestamentische profeten en uit het spraakgebruik van de eerste gemeente, zoals we dat in de brieven aantreffen. 16. Sta op uw voeten: Vgl. Ez. 2:1. Dat wil zeggen: Maak u gereed om als dienaar van Christus heen te gaan en te getuigen van Christus. Hiertoe ben Ik u verschenen: Hetzelfde woord vinden we ook in de berichten die spreken van de verschijningen van de Opgestane aan de discipelen (Luc. 24:34; 1 Kor. 15:5vv). Om u aan te wijzen als dienaar en getuige: Christus heeft Paulus verkoren als dienaar (vgl. Luc. 1:2) en getuige (Luc. 24:48; Hand. 1-8), woorden, waarmee Lucas bij voorkeur de bijzondere taak van de twaalf apostelen omschrijft. Het ambt van Paulus wordt hier op een lijn gesteld met dat van de twaalven. Daarvan dat gij Mij gezien hebt… De verschijning van de opgestane Here op de weg naar Damascus fundeert het getuige-zijn van Paulus (vgl. Hand. 9:15). Het getuigenis heeft primair de opstanding van Christus als inhoud. Daarnaast zal Paulus ook getuigen van wat Christus hem later openbaren zal (vgl. Hand. 16:9-10; 18:9; 23:11; 22:17). Het getuigenis is Christusgetuigenis.
17.Uverkiezende uit: Deze vertaling van het NBG is mogelijk. Beter is het hier te vertalen: U reddend uit alles wat Joden en heidenen Paulus willen aandoen. Er is een analogie tot de roeping van Jeremia (vgl. Jer. 1:6,8,19). Zie ook 1 Kron. 16:35, waar we eveneens de wending ‘redden uit’ tegenkomen. Zie voor dit gebruik van het werkwoord ook Hand. 7:10, 34; 12:11; 23:27. Waarheen Ik u zend: Het werkwoord heeft verwantschap met het woord ‘apostel’. Hoewel Paulus vooral de apostel der volken is, is de zending ook te betrekken op Israel, zoals steeds weer uit de missionaire strategie van Paulus blijkt, tw. zijn gang naar de synagoge steeds weer. 18. Om hun ogen te openen: Ook in dit vs vinden we de specifieke oerchristelijke missionaire terminologie uit de brieven in aansluiting aan motieven uit het O.T. Zie vooral Kol. 1: 12-14. Paulus’ zending is er op gericht, dat Jood en heiden door geloof en bekering aan het machtsgebied van de boze ontrukt worden en onder de reddende heerschappij van Christus gesteld worden. De bekering wordt omschreven als een ‘openen van de ogen’ (vgl. Jes. 42:7 waar het van de Knecht des Heren gezegd wordt), en als een wending van het duister tot het licht (Jes. 42:16; 1 Tess. 5:4-5; 2 Kor. 4:6; Kol. 1:13; Ef. 5:8; 1 Petr. 2:9). Zoals de ogen van Paulus zelf door de verschijning van Christus geopend zijn, zo zal hij nu door zijn prediking er toe mogen dienen dat anderer ogen opengaan. De bekering is de bevrijding uit de macht van de satan en de omkeer for God (vgl. Hand. 14:15; 15:19; 26:20; 1 Tess. 1:9). ‘Duisternis’ en ‘satan’ staan tegenover ‘licht en God’. Zo zullen zij de vergeving van zonden deelachtig worden (vgl. Luc. 24:47; Hand. 5:31; Ef. 1:7) en een erfdeel onder de geheiligden (vgl. Hand. 20:32). Het door ‘erfdeel’ vertaalde woord duidt aan het door God aan de mens toebedeelde heil in de grote toekomst. Het woord geeft aan, dat dit heil niet ontvangen wordt op grond van prestaties, maar op grond van de genadige belofte. Tevens wijst het ook op de zekerheid (vgl. het oudtestamentische spreken over de erfenis van het beloofde land). Door het geloof in Mij: Het geloof in Christus is de weg waardoor men deelt in dit heil (vgl. Hand. 10:43). 19. daarom ben ik…niet ongehoorzaam geweest. In dit vs wendt de apostel zich opnieuw tot Agrippa om de conclusie te trekken uit het voorafgaande. Gehoorzaam aan zijn Here heeft de apostel het Evangelie verkondigd, eerst te Damascus (9:20), vervolgens te Jeruzalem (9: 28vv), daarna in het gehele joodse land, dwz. Judea, om vervolgens tot de heidenen te gaan. Duidelijk komt in dit vs naar voren, dat deze universele zending van Paulus niet gegrond is in een eigenwillige beslissing tegenover zijn volk, maar plaats vindt in gehoorzaamheid jegens Hem in wie de messiaanse belofte (vs 6-8) vervuld wordt. 20. Met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen… Lucas gebruikt hier de twee woorden voor ‘bekering’ evenals in Hand. 3:19. Het eerste woord dat vertaald is met ‘berouw’ ziet vooral op de verandering van gezindheid, het tweede woord accentueert vooral de verandering van levenswijze. Zie voor de werken die aan de bekering beantwoorden: Luc. 3:8. 21. Hierom…gegrepen… getracht… om te brengen: In schril contrast tot de gehoorzaamheid van de apostel staat de houding van zijn volksgenoten, zijn broeders, de Joden. Van tempelschending is geen sprake. De haat van zijn volk richt zich op de inhoud van Paulus’ apostolaat, de universele verkondiging onder de volken van het heil in de naam van Jezus Christus.
22. Als een getuige, die hulp van God ontvangen heeft tot op deze dag sta ik hier: De apostel is in zijn arbeid als getuige tot op dit ogenblik staande gebleven dankzij de hulp en de bescherming van de Here God. Lucas heeft daar in de voorgaande hoofdstukken menig voorbeeld van gegeven. Alle tegenkanting van Joden, heidenen, wereldlijke en geestelijke overheden hebben niet kunnen verhinderen, dat Christus’ belofte inzake de bescherming van zijn dienaar Paulus (Vgl. Hand. 18:9; 23:11; 26:17) waarheid is gebleken. Dat geeft grond voor de verwachting, dat dit getuigenis ook in de toekomst ongehinderd zal voortgaan, ondanks weerstanden en vijandschap. Als getuige… zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou: Paulus’ getuigenis is in overeenstemming met de Schriften van het O.T. Inhoud van dit getuigenis van wet en profeten is, zoals vs 23 zegt, het lijden en de opstanding van de Messias als ook de verkondiging aan Israel en de volken van het licht, dwz. van het heil. Vgl. Jes. 49:6 en Hand. 13:47. En dat Hij…het licht zou aankondigen: Christus zelf is het, die het licht is en brengt aan Jood en heiden. Paulus is daarbij alleen maar een instrument.
24. En terwijl hij dit…aanvoerde, zeide Festus: De verdedigingstoespraak van Paulus wordt door Festus onderbroken. Zie voor dergelijke onderbrekingen ook Hand. 4:1; 7:54,57; 17:32; 19:28; 22:22. Wanneer de opstanding ter sprake komt, grijpt Festus in (vgl. 17:32; 25:19). Gij spreekt wartaal: Voor de pragmatisch-nuchter denkende Romein is de verkondiging van de opstanding der doden het produkt van geleerde speculatie, dat niet past in zijn verstaan van de werkelijkheid en dat hij daarom meent te kunnen afdoen als taal van een waanzinnige. In de griekse deugdenleer staat de waanzin tegenover de bezonnenheid (vs 25). Niettemin erkent Festus Paulus’ grote geleerdheid. Uw vele studie: Lett, letters, geschriften, de wetenschap. 25. Paulus ontkent de beschuldiging. Hoogedele: Vgl. Luc. 1:1,3; Hand. 23:26; 24:3. Nuchtere waarheid: Lett, ‘woorden van waarheid en bezonnenheid’, betrokken op de realiteit. Het heeft immers betrekking op een reëel gebeuren dat in de ruimte van de tijd en de geschiedenis heeft afgespeeld, niet in een verborgen uithoek, maar midden in het publieke leven. Niet in een uithoek geschied: Vgl. Hand. 2:22; Luc. 24:18.
27-28. Koning Agrippa: Paulus wendt zich rechtstreeks tot de koning, die als Jood wordt aangesproken. Niet alleen moet hij weten van wat er met Jezus gebeurd is in Jeruzalem en in het joodse land. Maar ook kent hij de beloften van de profeten. Met vrijmoedigheid (vgl. Hand. 4:13) spreekt Paulus tot hem. De boodschap aangaande Jezus Christus is geen geheime speculatie, zoals in mysterie-religies, maar de openbaring en de ontvouwing van het heilsplan van God. Gelooft gij de profeten, ik weet, dat gij ze gelooft: Met overtuigingskracht probeert Paulus Agrippa tot geloof te brengen. Hij beroept zich op Agrippa’s kennis van de profeten van Israel. Opnieuw wordt een lid uit het huis van Herodes met Christus geconfronteerd (vgl. Luc. 3:19; 9:7; 13:31; 23:7; Hand. 12:lw). Opnieuw met negatief resultaat. 28. Wel spoedig als christen laten optreden: een ironisch antwoord, waarmee Agrippa op een elegante manier zich probeert te onttrekken aan het appèl van het Evangelie. ‘Als christen optreden’ kan betekenen de rol van een christen spelen (vgl. LXX 1 Kon. 21:7). We kunnen ook vertalen: ‘christen maken’ (in de zin van Mat, 23:25: proseliet maken). 29. Ik zou God wel willen bidden: Uit de ironisch geformuleerde woorden van de koning maakt Paulus een bede tot God. De verdediger is getuige, gedreven door de liefde van Christus (2 Kor. 5:14). Paulus weet dat de vrucht op de missionaire arbeid Gods werk is. Niet alleen gij, maar ook allen: alle hoorders worden in dit appèl betrokken. Ook…als ik, uitgezonderd deze boeien: Vgl. 1 Kor. 4:16; Filp. 3:17; 1 Tess. 1:6. Hij zelf is immers door God getrokken uit het duister binnen het licht van het heil. Als de gebondene is hij de enige, die in waarheid vrij is.
30-32. Deze man is aan niets schuldig: Zowel Herodes als de romeinse stadhouders bevestigen de onschuld van Paulus.Op de keizer: Met dit woord wordt vooruitgewezen op het vervolg: de reis naar Rome.
Paulus naar Rome 27:1-44
Op zeer gedetailleerde wijze beschrijft Lucas de zeereis van Paulus naar Rome, en de lotgevallen van de apostel en de andere schepelingen. Reizen was in de antieke wereld een gevaarlijke en avontuurlijke aangelegenheid. Vgl. 2 Kor. 11, waar Paulus enige van de gevaren opsomt die hij op zijn reizen heeft moeten doorstaan. Ook in dit gedeelte komt naar voren hoe God zijn knecht door de nood van storm en schipbreuk heen bewaart, zodat hij toch het doel van zijn reis bereikt. Alles wordt dienstbaar gemaakt aan het getuigenis van de prediking in de wereldhoofdstad Rome.
Opvallend is de vertrouwdheid van Lucas met scheepsterminologie in dit hoofdstuk. Vanaf vs 1 tot 28:16 staat het bericht in de wijvorm: de concrete en gedetailleerde beschrijving verraadt de hand van de ooggetuige. Het mag zeker opvallend en curieus genoemd worden, dat een gevangene als Paulus op een transportschip, met een romeins militair geleide, zo’n grote invloed heeft, maar dat dit historisch ondenkbaar zou zijn, valt niet in te zien noch aan te tonen. Dat een Romein gunstig oordeelt over christenen, komen we vaker tegen in Handelingen.
1Julius: De naam duidt op afkomst uit het julische geslacht. Hoofdman van de keizerlijke afdeling: Deze afdeling behoorde als Cohors Augusta tot de syrische hulptroepen. 2. Adramyttium lag ten Z.O. van Troas. Het schip was een vrachtschip, dat graan vervoerde (vs 38) en ook passagiers meenam. Aristarchus: Afkomstig uit Tessalonica (vgl. Hand. 20:4; Fil.:20; Kol. 4:10. 3. Julius is Paulus goed gezind. Paulus mag zijn vrienden, dwz. leden van de christelijke gemeente (vgl. Joh. 15:14; 3 Joh: 15) ontmoeten. Wel zal hij onder bewaking gestaan hebben (vgl. 28:16). Verzorgen: Vgl. Luc. 10:34-35. Vriendelijk: Lett, mensenvriendelijk. Van het griekse woord is ons woord fnilantropie afgeleid (vgl. Hand. 28:2,7).
4-5. Omdat de winden tegen waren: Met deze tegenwind is bedoeld de in de herfst heersende N.W. wind. Men vaart langs de oostkust vän Cyprus, steekt dan over om vervolgens langs de kust van Klein-Azië naar Myra te varen. 5. Myra in Lycië: De belangrijkste stad in Lycië, slechts hier in het N.T. vermeld. Tussenstation voor de graanschepen, die van Alexandrië afkwamen op weg naar Rome. De stad zelf lag van de haven verwijderd.
6.En daar vond: In Myra moet het voor Julius niet mogelijk geweest zijn een schip te vinden. Hij liet ons daarop overgaan: Lett, ‘inschepen’. Het ‘ons’ omvat zowel gevangenen als passagiers. Vanzelfsprekend zijn alleen de eersten onder bewaking aan boord gebracht. 7. Weinig vorderden: De weersomstandigheden zijn van dien aard, dat men slechts langzaam verder komt. De vaart gaat eerst noordelijk langs Rhodos en dan ten zuiden van de havenstadKnidos, een schiereiland aan de karische kust. 8. Onder Kreta: Tenslotte bereikt men Kreta (behalve in Hand. 27:7,12,3,21 ook in Tit. 1:5 genoemd). Zie ook Hand. 2:11 en Tit. 1:12.Salome: Het voorgebergte aan de noordoostkust van Kreta, het huidige Kaap Sideros. Goede Rede: Of: Goede havens, KaloiLi-menes-Lasea moet dus aan de zuidkust van Kreta gelegen hebben.
9.Het vele tijdsverlies …de vasten: De vaart tot nu heeft veel tijd gekost. Oktober was reeds aangebroken. De tijdsaanduiding is joods. De vasten, dwz. 5 dagen voor de Grote Verzoendag, was reeds voorbij. Ook in 20:6 dateert Lucas volgens de joodse kalender. Het loofhuttenfeest gold als het begin van het voor zeereizen ongeschikte jaargetijde. Tussen 1 nov. en 10 maart gold als parool: de zee is afgesloten. 10. Paulus waarschuwt degenen die voor het schip verantwoordelijk zijn voor de gevaren van doorvaren op dit tijdstip. Niet alleen voor de lading. Maar vooral voor het leven van de opvarenden. (Het griekse woord psyche betekent: ziel, leven, vgl. Hand. 14:26; 20:25; 27:22). Lucas tekent Paulus niet zozeer als deskundige, als wel als degene die door Gods Geest geïnspireerd inzicht heeft in de situatie. 11. De hoofdman hecht meer geloof aan de adviezen van stuurman en kapitein dan aan de woorden van de gevangen Paulus. Schipper: het griekse woord kan ook betekenen ‘scheepseigenaar’, ‘reder’. De vertaling van het NBG vertaalt met ‘schipper’. Anderen denken aan de reder, die als eigenaar de reis meemaakt. 12. Besloten wordt zee te kiezen omdat men de havens niet geschikt achtte voor overwinteren, en een gunstiger plaats te kiezen. Fenix: Misschien identiek met de huidige Fineka-baai, ten westen van Kaap Muros. Fenix was ongeveer van Goede Redeverwijderd. De havenstad Fenix lag open naar het zuidwesten en noordwesten en bood geen gevaar voor stormen uit het noorden en oosten.
plaats van de wij-vorm schrijft Lucas hier: zij meenden hun oogmerk bereikt te hebben’. Zij doen het, tegen Paulus advies in. De opkomende zuidenwind lijkt hun opzet te doen gelukken. 14. Vandaar. Nl. van het eiland Kreta af, dwz. van de berg Ida af. Een stormwind: Lett.: ‘een tyfonische wind’, een wervelstorm, een orkaan. De zogenaamde Eurakylon: Het woord is een grieks-latijnse mengvorm (euros=oostenwind; aquilo: noordenwind). De plotselinge verandering van een zuidenwind in een noord-oosterstorm kwam in dat gebied veelvuldig voor. 15. Meegesleurd: Zie voor het gebruik van het werkwoord ook Luc. 8:29; Hand. 6:12; 19: 29). De stormwind drijft het schip naar open zee. 16. Een eilandje, Klauda geheten: Een andere lezing luidt: Kau-da. Het eilandje lag ten Z.W. van Kreta. Het is het huidige Gavdho of zoals de Italianen het noemen Gozzo. Waar wij nog moeite hadden de sloep meester te worden: De sloep werd bij naderende storm binnengehaald om te voorkomen dat zij tegen het schip aansloeg. De storm kwam zo plotseling, dat men geen gelegenheid gehad had dit te doen, en nu slechts met de grootste moeite erin slaagde. Lucas spreekt van ‘wij’ in onderscheid van het ‘zij’ in vs 17-18. 17. Hulpmiddelen …door …te onder-gorden: Rondom het schip werden touwen gelegd om het bij zware zee meer stevigte te geven. Het woord ‘hulpmiddelen’ is een zeevaartterm. Op de Syrtis te worden geworpen: De grote Syrtis is een gevaarlijke zandbank in een bocht bij de afrikaanse kust, ten westen van Cyrene. Deze zandbank lag overigens een eind van Klauda af. Maar de hevige wind kon het schip ver doen afdrijven. Haalden zij het tuig neer: Lett, ‘gerei’. Bedoeld is het anker, dat neergelaten wordt om de vaart te remmen. Het had de vorm van een brede recht in het water staande plank. Op deze wijze poogt men koers te houden. 18. Wierpen … lading over boord: Het noodweer dwingt hen om het schip lichter te maken door lading overboord te werpen. Vgl. de griekse vert. van Jona 1:5. 19. Ook de uitrusting van het schip – waarschijnlijk takels – wordt prijsgegeven.
20. Zon noch sterren: Gedesoriënteerd zwalkte men rond. Men kende immers geen kompas, maar was voor de oriëntatie aangewezen op de hemellichamen. Alle hoop op redding: Het noodweer is zo hevig dat men in moedeloosheid vreest aan de golven prijsgegeven te zijn. Het woord voor ‘redding, redden’ (vs 20, 31, 34, 44) is een kernwoord in dit verhaal en in het geheel van Lucas’ tweedelige boek. Het heeft hier vooral de betekenis: ontkoming aan levensgevaar. In de context van Handelingen krijgt het in dit hoofdstuk een speciaal accent, zie bv. vs 44. 21. En nadat… ging Paulus in hun midden staan: Midden in de wanhoop en de moedeloosheid waarin men verkeert, neemt Paulus het woord. Het ‘ging in hun midden staan’ (vgl. Hand. 2:14; 17:22) accentueert dit moment. De gevangen apostel blijkt de centrale figuur te zijn, die de situatie doorziet en van Godswege woorden van hoop spreekt. Er is een contrast tot het verhaal van Jona: daar een schepeling die zijn profetische opdracht ontvlucht, lüer een gevangen apostel die tot heidense schepelingen getuigt van zijn God. 22. Moed te houden: Vgl. vss 25, 36. Paulus kondigt aan dat iedereen gespaard zal blijven,’alleen het schip zal teloor gaan. 23. Deze nacht… een engel van God: Paulus’ weten berust op hemelse openbaring. Gods engel is verschenen met een boodschap van Godswege. God, Wie ik toebehoor en Die ik vereer: Twee kenmerkende uitdrukkingen. Paulus is van God (vgl. Gen. 50:19 LXX) en Paulus dient God (Hand. 7:1 en 24:14). 24. Wees niet bevreesd: Ivm. de levensgevaarlijke situatie waarin ze verkeren. Gij moet voor de keizer staan: Naar Gods plan zal de apostel Rome bereiken en voor de keizer zijn getuigenis afleggen (vgl. Hand. 9:15; vgl. voor het werkwoord ‘staan voor’ Rom. 14:10). Allen, die met u varen, heeft God u geschonken: .Allen zullen deel krijgen aan de redding die God zijn getuige schenkt. Dat is een gunstbewijs van Gods kant (vgl. Luc. 7:21; Rom. 8:32; 1 Kor. 2:12; Gal. 3:18; Filp. 1:29; Ef. 4:32 waar eveneens het woord ‘schenken’ voorkomt met God als subject). En zie: Dit onderstreept het verrassende. 25. Dit vertrouwen heb ik op God: Vanwege Paulus’ geloof dat God zijn belofte en toezegging gestand zal doen, moet men moed vatten. Wij moeten …stranden: In een concrete, profetische uitspraak kondigt de apostel aan, dat men zal stranden op een eiland, nl. Malta. 27. De veertiende nacht …in de Adriatische zee: Twee weken zwalkt men rond op de ‘Adria’ dwz. de zee tussen Sicilië en Kreta, die door antieke geografen tot de Adriatische zee gerekend werd. vermoedde het scheepsvolk…dat er land naderde: Midden in de nacht bespeurt men tekenen dat men land nadert. Hoe men dat bespeurt vertelt Lucas niet. Misschien hoorden de geoefende oren van de zeelui het beuken van de branding op de kust. 28. Twee peilingen maken het vermoeden tot zekerheid. Eerst meet men 20 vademen dwz. ruim , dan 15 vademen, ruim . 29. Om het stranden op de rotsen te verhinderen werpt men vier ankers uit. Van het achterschip uit: Dat was ongebruikelijk. De bedoeling is wel, dat men wil voorkomen dat het schip in de storm gaat draaien. Dat het dag mocht worden: Opdat men zich enigermate zou kunnen oriënteren.
30. Doch toen het scheepsvolk: De matrozen willen zichzelf in veiligheid brengen. Blijkbaar biedt de sloep niet allen plaats. Vgl. daarentegen vss 25-26. Onder voorwendsel: Zij gebruiken het voorwendsel alsnog het anker uit het voorschip uit te brengen. Men heeft wel gezegd dat het ronduit zelfmoord zou zijn om er in de nacht met een sloep vandoor te gaan. Niettemin tekent Lucas de handelwijze als een vluchtpoging.
31. Zeide Paulus: Opnieuw neemt de apostel het initiatief. Ditmaal geeft de centurio er gehoor aan (vs 32). Zijn soldaten: Deze worden hier voor de eerste keer in dit hoofdstuk genoemd (zie ook vss 31, 42). De matrozen mogen er niet vandoor gaan. Zij zijn immers onmisbaar voor wat er op het schip gebeuren moet. Als zij niet aan boord blijven kan er geen sprake zijn van redding. 32. Lieten haar in zee vallen: Hetzelfde werkwoord wordt in vs 7 vertaald met ‘geworpen worden’, in vs 26met ‘stranden’, in vs 29 met ‘tegen…geslagen te worden’. Wat de soldaten doen is de touwen waarmee de sloep aan het schip verbonden was, kappen, met als gevolg dat de sloep naar het eiland afdrijft en op de kust strandt.
33. Voedsel te nemen: Vgl. 2:46. Het duurt nu reedsveertien dagen: De bemanning was daardoor uiteraard bijzonder verzwakt. Door te eten zou men weer nieuwe kracht opdoen. 34. Vandaar dat de apostel zegt: Dit is goed voor uw redding. Niemand …zal een haar van zijn hoofd gekrenkt worden: Dat onderstreept de zekerheid van hun redding. Er zal hen geen enkel letsel overkomen. Vgl. voor de oudtestamentische achtergrond de uitdrukking: ‘geen haar zal ter aarde vallen’ (1 Sam. 14:45; 2 Sam. 14:11; 1 Kon. 1:52). Zie ook Luc. 12:7 en 21:18. 35. Nam brood…dankte God …brak het …en begon te eten: Het ‘nemen’, ‘danken’ en ‘breken’ herinnert aan Luc. 22:19 (vgl. ook Luc. 24:30). Vandaar dat verschillende uitleggers van mening zijn, dat Lucas hier zinspeelt op dé maaltijd des Heren, die Paulus in deze noodsituatie gevierd zou hebben. Het is echter zeer onaannemelijk, dat Lucas de voorstelling gehuldigd zou hebben dat Paulus de maaltijd des Heren gevierd zou hebben met een overwegend uit heidenen bestaande groep mensen. Ook het voor de maaltijd van Christus zo wezenlijke ‘gaf het hun’ (vgl. in Luc. 24:30: ‘toereiken’) ontbreekt. Paulus zelf neemt voedsel tot zich. Aangemoedigd door zijn woorden beginnen allen te eten en ontvangen nieuwe kracht. Het gaat dus om een gewone maaltijd waarbij wel bedacht moet worden, dat voor de Jood elke maaltijd een sacraal karakter had. Paulus doet wat elke joodse gastheer of huisvader deed: de lofspreuk over de maaltijd uitspreken. Vgl. voor het ‘breken’ Jer. 16:7. Zie ook Mar. 6:41 en 8:6. 36. Allen werden goedsmoeds: Vgl. vss 22, 25. 37. Tweehonderdzesenzeventig man: Schepen in de oudheid konden grote aantallen mensen vervoeren. Bij de joodse historicus Josephus is sprake van een schip dat 600 man vervoert. De vermelding van het getal wijst op de aandacht van Lucas voor het kleine, verlevendigende detail. We zullen er geen bijbetekenis achter moeten zoeken, al kan het feit dat het hier gaat om een zgn. ‘driehoeksgetal’, waarbij de som van de cijfers 1 t/m 23 samen 276 oplevert, voor de antieke lezer het getal een geheimzinnige klank geven. 38. Om dichter bij het eiland te komen, maakt men het schip lichter door opnieuw lading in zee te werpen, nl. het graan.
39. Een inham, die een strand had: Velen identificeren deze inham met de St. Paul’s baai. De westkant van deze baai is rotsachtig en heeft twee kreken. 40. Men koerst op het strand af na de ankers losgemaakt te hebben en het voorzeil te hebben gehesen. Roerbanden: De riemen waarmee de stuurinrichting was vastgemaakt om het schip minder beweging te geven, worden nu losgemaakt om het schip in de goede richting te kunnen sturen. Op een romeins schip bestond de stuurinrichting uit twee lange roeiriemen die elk aan een kant van het schip bevestigd waren. 41. Op een uitstekende bank: Het schip loopt vast op een zandbank. Het schip breekt aan de achterzijde uiteen, terwijl de voorzijde vast komt te zitten. Door het geweld: De vertaling van het NBG voegt er tussen haakjes aan toe: ‘der golven’. Woorden die in de griekse tekst ontbreken. Nu wreekt zich het verlies van de sloep.
42. De soldaten waren van plan… te doden: Er dreigt opnieuw gevaar voor de gevangenen. Aangezien een romeins soldaat verantwoordelijk was voor het leven van een gevangene, willen de soldaten niet het risico lopen aansprakelijk gesteld te worden voor de vlucht van hun arrestanten. Daarom besluit men tot de rigoreuze maatregel hen te doden. De hoofdman: Julius, die Paulus welgezind is, verijdelt hun plan. Opnieuw blijkt de apostel op het schip de centrale figuur te zijn, terwille van wie anderen gespaard blijven. 44. En zo geschiedde het dat allen behouden aan land kwamen: Zwemmend of drijvend en zich vastklampend aan stukken wrakhout bereikt men het land. De door God gedane toezegging in vs 24 gaat in vervulling: alle opvarenden worden gered. In eerste instantie is bedoeld de redding van schipbreukelingen. Maar gezien de centrale plaats van de boodschap van de redding in het ev. van Luc. en de Hand. (vgl. bv. Luc. 2:11; 19:10; Hand. 2:21,39; 5:31; 11:18,18) is deze redding uit het gevaar van verdrinken een teken, dat God redt uit grote nood en doodsgevaar (2 Kor. 1:10). In het gewone leven openbaart de Here God zich als Redder en Heiland. Door deze redding zal Paulus Rome bereiken. De twee aspecten van ‘redden’ hangen wellicht ook samen met het feit dat voor de mens in de antieke wereld de zee symbool was van de macht van het dodenrijk.
Paulus op Malta 28:1-10
1.Malta: Eerst nu, na hun redding, komen de schipbreukelingen de naam van het eiland aan de weet, nl. Malta of Melita. De naam is het eerst aan het eiland gegeven door foenicische zeelui. De betekenis van het kanaanieti-sche woord ‘Melita’ is ‘toevluchtsoord’. In meer dan één opzicht is dat een tekenende naam voor dit eiland, dat als steunpunt fungeerde voor het verkeer van Oost naar West. Het is 237 km2 groot. Op het platteland werden olijven en koren verbouwd. In de fabrieken werden gewaden en kussens vervaardigd. Naast de inheemse bevolking die van foenicische afkomst was en een foenicisch dialect sprak, hadden zich ook romeinse burgers en oudsoldaten van Caesar op Malta gevestigd. In 218 v.Chr. was het onder romeins bewind gekomen. 2. De inlanders: Lett, de barbaroi, de vreemdelingen. Deze naam drukt iets uit van de distantie van de beschaafde Griek of Romein, die deel had aan de hellenistische cultuur ten opzichte van mensen die deze griekse taal met machtig waren. Men kan als vergelijking denken aan de gevoelswaarde die bij ons het woord ‘inheemsen’ dikwijls had. Menslievendheid: Lett, filantropie, vgl. Hand. 27:3. Schipbreukelingen werden in de oudheid vaak beschouwd als een welkome buit en tot slaven gemaakt. Daartegenover valt het humane gedrag van deze heidenen op. 2. Ons allen: Vgl. 27:24. 3. Toen…kwam door de hitte een adder uit: Tegen de koude en de regen legt men een vuur aan, opdat de doornatte schipbreukelingen zich kunnen drogen. Wanneer Paulus een bos hout op het vuur werpt, kruipt er een adder uit die zich vasthecht aan de hand van Paulus. Dat er thans geen giftige slangen op Malta voorkomen, is geen argument tegen de historiciteit. Waarom zouden er 2000 jaar geleden geen gifslangen op dit eiland voorgekomen zijn. In de vss 4-5 gebruikt Lucas een ander woord, dat betekent: schadelijk, wild dier.
4.Een moordenaar, die de wraakgodin niet wil laten leven; De eilandbewoners zijn van mening dat de adder-beet bewijst dat ze met een misdadiger te maken hebben, een moordenaar die door de wraakgodin, Dike, achtervolgd wordt. Dike, de dochter van de griekse oppergodZeus en Themia ( = wet, vonnis) was de godin van de rechtspraak en de straffende vergelding. Via de slang zou de godin Paulus zijn rechtmatige straf doen toekomen. Er is een grieks grafschrift bekend over iemand die ontsnapte aan wind en zee, maar daarna slapend op het strand door een adder werd doodgebeten: ‘Waarom streed hij vergeefs tegen de golven, niet ontkwam hij aan het lot dat hij op het vasteland moest ondergaan’. S. Paulus schudt het dier van zich af. Hierin gaat in vervulling het woord van Jezus uit Luc. 10:19 en Mar. 16:18. Volkomen tegen de verwachting in blijven de schadelijke gevolgen uit. Opnieuw ontkomt de apostel aan het gevaar dat hem bedreigt.
6.Opzwellen: Zie Num 5:21,27. En zeiden zij, dat hij een god was: Wanneer de bewoners zien dat de werking van het gif uitblijft slaat de pendel door van vrees en huiver naar vergoddelijking. Men beschouwt de apostel als een god. Zie Hand. 14:11. Terwijl men in Lystra de apostelen eerst bejubelt als goden in mensengedaante en hen vervolgens stenigt, is hier de omgekeerde richting: eerst zien ze Paulus als misdadiger, dan als een god. Beide voorbeelden laten zien de dwaling van het heidendom.
7.Een landgoed van de bestuurder van het eiland, Pu-blius genaamd: Het door ‘bestuurder’ vertaalde woord betekent eigenlijk ‘eerste’ (vgl. Hand. 13:50; 17:4; 25:2; 28:17). De titel is ook aangetroffen op te Malta gevonden inscripties en zal betrekking hebben op een leidende persoonlijkheid uit de maltezer elite. De naam Publius is een latijnse naam. Was hij een romein? Ons: Lucas vermeldt niet wie exact bedoeld zijn. In elk geval Paulus met zijn metgezellen. Vriendelijk: Vgl. 27:3 en 28:2. 8. Ingewandskoortsen: De vader van Publius leed aan koortsen en dysenterie. Vgl. Luc. 4:38vv. Pauluslegde deze man de handen op (vgl. 6:6; 8:17). Vooraf echter is er sprake van het gebed (vgl. 9:40). De genezing is niet het werk van Paulus, maar van God. Anders dan Jezus kan Paulus niet genezen uit eigen volmacht. 9. Ook anderen worden genezen. Vgl. Hand. 19:11. 10. Dat het evangelie op Malta ingang gevonden heeft vertelt Lucas niet. Wel is er sprake van eerbetoon jegens de apostel. Vele eerbewijzen: Te denken is aan eer in woorden, maar ook aan geschenken. Het griekse woord kan ook betekenen: ‘honorarium’ (vgl. 1 Tim. 5:17).
Paulus’ aankomst in Rome 28:11-15
de nu volgende verzen wordt verteld hoe de apostel Rome binnenkomt. Alexandrijns schip: Men maakt opnieuw gebruik van een (graan)schip uit Ale-xandrië dat bij het eiland overwinterd had. DeDioscuren als kenteken: Bedoeld zijn de tweeling-broeders Castor en Pollux. Volgens de griekse mythologie waren zij zonen van Zeus en Leda en broeders van Helena, de bekende griekse vrouw, om wie de strijd om Troje ontbrand is. Ze werd beschouwd als ‘heilanden’, redders in de nood, beschermers van reizigers, soldaten, gewonden, helpers van zeevarenden. Vooral in Egypte was hun cultus verbreid. Het sterrebeeld van de ‘tweelingen’ is een van de tekenen van de dierenriem.
Bij ‘kenteken’ kunnen we denken aan hun beeld dat aan beide kanten van de voorplecht stond opgesteld. Antieke zeelui beschouwden zo’n beeld als beschermend teken.
12. Te Syracuse op Sicilië verblijft men drie dagen, hetzij om lading te lossen of in te nemen, hetzij om een gunstige wind af te wachten. 12. TeRegium… te Puteoli: Het traject van Regium tot Puteoli is ongeveer . Re-gium is de eerste stad op het vasteland van Zuid-I talie. Men wacht er één dag op een gunstige wind. Gemiddelde snelheid van een schip bij gunstige wind was . Op de tweede dag bereikt men Puteoli, waarbij aangenomen moet worden dat het schip ‘s nachts doorgevaren heeft. In de oudheid voer men liever ‘s nachts niet. In dit geval kon men zolang de wind uit zuidelijke richting bleef waaien, dit veilig doen. Puteoli was destijds de voornaamste haven van Italië voor de handel overzee. Later werd deze havenstad overvleugeld door Ostia. 14. Broeders: In Puteoli treffen Paulus en de zijnen christenen aan, bij wie men een week blijft. Paulus’ bewakers hebben er blijkbaar in toegestemd dat de apostel bij de christenen logeert, En zo gingen wij naar Rome: Vgl. 23:11. Paulus komt naar Gods belofte in de hoofdstad van het Imperium Romanum aan. De tocht duurde vijf dagreizen. Men volgde eerst de Via Campana tot Capua, vervolgens ging de tocht langs de beroemde Via Appia. Deze weg, de ‘koningin der wegen’ zoals de Romeinen hem noemden, was al eeuwen oud. In 312 v.Chr. was de weg aangelegd door Appius Claudius Caecus. Hij was zo breed, dat twee wagens elkaar konden passeren. Een gedeelte liep door de zgn. Pontijnse moerassen.
15. Forum Appii: De halteplaats ‘Appiusmarkt’ lag van Rome verwijderd. Daar ontmoet de apostel een eerste afvaardiging van christenen uit Rome. Er blijkt in de wereldhoofdstad dus een gemeente te bestaan. De tweede delegatie treft de apostel bij Tres Tabernae, dwz. de ‘drie taveernen’. Kwamen …ons tegemoet: Lett, ‘tot ontmoeting met ons’. Het griekse woord dat Lucas bezigt, is een technische term voor het binnenhalen van hooggeplaatste personen door de burgers van Rome. Mogelijk heeft Lucas dit woord gekozen om het belang van de gebeurtenis te onderstrepen: De apostel der heidenen komt in de hoofdstad van het rijk, een stad waar men buitenlanders van allerlei nationaliteiten aantrof, smeltkroes van religieuze en filosofische overtuigingen. Toen Paulus hen zag dankte hij God en greep moed: Paulus dankt God voor de aanwezigheid van christenen in Rome. Het contact met hen is het eerste contact met Rome. De ontmoeting met medegelovigen is bemoedigend (vgl. Rom. 1:11-12). Een lang gekoesterde wens om in Rome het evangelie te verkondigen gaat in vervulling.
Paulus in Rome 28:16-31
Met dit gedeelte wordt het tweede boek van Lucas afgesloten. Ook nu weer valt alle nadruk op de prediking van het Evangelie. Het laatste woord van Handelingen wijst op de dynamiek en de voortgang van de verkondiging. Hoe het met Paulus in Rome afgelopen is, wordt door Lucas niet meegedeeld. Ook over het beroep op keizer Nero vernemen wij verder niets. Dat Lucas het plan gehad zou hebben een derde boek te schrijven is een veronderstelling die op geen enkel feit te baseren valt. Het slot van Handelingen (28:31) wijst terug naar 1:8. De verkondiging van het evangelie in Rome wijst vooruit naar de toekomst. Gods heil zal de einden der aarde bereiken. Alle lijnen in de twee boeken van Lucas lopen uit op dit slot. Wat reeds in Luc. 2:30-32 hoorbaar wordt, vernemen we nogmaals in Hand. 28:28.
16. Kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen: In Rome ontvangt de apostel de lichtste vorm van gevangenschap. Hij mag samen met een soldaat die hem moet bewaken een huurwoning betrekken (vgl. bv. vs 30). In een handschrift van de zgn. westerse tekst wordt vermeld dat Julius zijn gevangenen ter hand stelde van de ‘strato-pedarch’, dwz. de commandant Van de keizerlijke praeo-rianen-garde, toendertijd Aranius Burrus, en dat Paulus een woning kreeg toegewezen buiten de kazerne van de Praetorianen.
17. De voormannen der Joden: Paulus zoekt al na drie dagen contact met de leiders van de joodse gemeente. Door keizer Claudius waren de Joden uit Rome verdreven (18:2); na diens dood vestigden zij zich weer in grote getale in Rome. Gezien de aard van dit eerste onderhoud is het er de apostel kennelijk om begonnen aan de weet te komen of de Joden hun invloed tegen Paulus zullen laten gelden aan het keizerlijke hof. Uit Josephus valt af te leiden dat romeinse Joden goede betrekkingen onderhielden met het hof. Met name Poppaea Sabina, gemalip van Nero, stond de Joden na. Onder de ‘eersten’ hebben we te verstaan de oudsten van de synagogen. Mannen broeders: Paulus spreekt hen aan als broeders. Hij verduidelijkt in dit gesprek zijn positie; Vgl. bv. vs 17 Hand. 22:1-16; 26:2-23. Gevankelijk overgeleverd in de handen der Romeinen: Vgl. de profetie in 21:11. 18. De Romeinen, die …wilden vrijlaten: De voorstelling door Paulus gegeven wijkt enigermate af van Hand. 25:9, terwijl in 26:32 het Agrippa is, die Paulus van invrijheidsstelling spreekt. verzet gingen: Vgl. voor ‘tegenspreken’ vs22, Hand. 13:45 en Luc. 2:34.
Niet …wilde beschuldigen: Paulus is niet vervuld van wraakgevoelens ten opzichte van zijn eigen volk. Mijn volk: Hier gebruikt Paulus weer het woord ethnos, dat hij doorgaans bezigt in ontmoetingen met niet-Joden. 20. Om de hoop van Israel: De aan Israel geschonken belofte van de verwachte opstanding der doden, waarvan Christus de eersteling is. 23:6, 24:15 vgl. Hand. 26:6. 21. Geen brieven over u: Het Sanhedrin heeft geen brieven over de apostel naar Rome gestuurd. Lucas deelt over de oorzaak van dit zwijgen niets mee. Het blijft gelet op het levendige contact tussen de Joden in de verstrooiing en die van Jeruzalem en gezien de haat tegen de afvallige Paulus uiterst merkwaardig. Ook individuele bezoekers hebben niets ten nadele van Paulus verteld. 22. Deze sec-te …die overal tegenspraak vindt: Hier wordt een woord gebruikt dat partij, groep binnen het Jodendom aanduidt. De messiasbelijdende Joden worden dus als joodse groepering gezien. Tegelijk maakt Lucas duidelijk, dat de volgelingen van Jezus verzet ontmoeten.
23. Een dag… verscheidenen: Er is een parallel tussen Hand. 28:22vv en Hand. 17:19- beide gevallen legt men belangstelling voor de apostel aan de dag. Tegelijk zit er in het ‘horen’ in vs 22 iets van een distantie. In beide gevallen zal de reactie niet positief blijken te zijn. De tweede ontmoeting met de Joden vindt voor een groter gehoor plaats en spitst zich met name toe op de prediking. Wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde: Lett, ‘betuigde’ (vgl. 2:40; 18:5; 20:21,24). Pogend hen te overtuigen: Het wervende getuigenis heeft als inhoud, dat Jezus de Christus der Schriften is. Vgl. Hand.13:16-39. De boodschap van het komende en gekomen Rijk van God is nauw verbonden met de Christusprediking (vgl. 8:12). Jezus is de door God verhoogde Messias en Here. Van de vroege morgen: Een hele dag is Paulus bezig met de poging zijn volksgenoten te winnen voor het getuigenis aangaande Jezus Christus. 24. De reactie is niet gelijk. Sommigen laten zich overtuigen dwz. komen tot geloof (vgl. Luc. 16:31; Hand. 17:4), anderen blijven ongelovig. Ook in Rome vindt binnen de joodse gemeente een scheiding der geesten plaats. De vss 25-28 moeten dan ook niet gelezen worden alsof de Joden in hun totaliteit zich verharden tegen de evangelie-prediking. Zie ook Hand. 14:1-2. 25. Terecht heeft de Heilige Geest…gesproken: De Geest van God heeft door de profeten tot de vaderen, dwz. tot Israel gesproken. Wat toen gezegd werd, gaat nu bij het ongelovige deel van de Joden in Rome in vervulling. Paulus citeert Jes. 6:9-10 (vgl. Mar. 4:12; Mat. 13:13-15; Luc. 8:10; Kol. 12:40). Terwijl Lucas, vergeleken met Mat./Mar. in Luc. 8 slechts een korte zinspeling op Jes. 6 geeft, geeft hij in de finale van zijn boek het citaat in extenso weer. de LXX hoort ‘dit volk’ bij ‘zeg’, terwijl in vs 26 staat: Ga tot dit volk.
27. De negatieve houding van het volk wordt scherp getekend: Hart…oren…ogen: De totale mens verzet zich tot in het centrum van zijn bestaan. De vermelding van het citaat op deze plaats onderstreept de ernst van het ‘neen’ van de Joden. 28. Hetzij u bekend: Dit klinkt appellerend en verkondigend. De klop op de deur van de synagoge blijft hoorbaar. Dit heil van God: Vgl. Luc. 2:30-32 en 3:6. Aan de heidenen gezonden: De woorden herinneren aan Jes. 40:5; 49:6; 52:10 en Ps. 67:3 en 98:3. Die zullen dan ook horen: Dwz. gehoorzamen. Deze houding staat in schrille tegenstelling tot die van een deel van de Joden. Het verzet van Israel vermag het plan van God inzake het heil voor de volken, waarvan wet en profeten getuigen, niet te blokkeren. 29. Dit vs staat in de vertaling van het NBG tussen vierkante haken. Het ontbreekt in de belangrijkste handschriften.
30. De volle termijn van twee jaar: Vgl. Hand. 11:26. Het is mogelijk, maar niet geheel met zekerheid vast te stellen dat we hier te maken hebben met een juridische term, die de uiterste termijn aangeeft, binnen welke iemand gevangen mocht worden gehouden. Was die tijd verstreken en was er geen aanklager verschenen, dan moest een gevangene vrijgelaten worden. De moeilijkheid is dat het niet zeker is, of dit ook gold in het geval van een beroep op de keizer. Zijn eigen gehuurde woning: Vgl. vs 16. Zie ook vs 23 waar sprake is van ‘zijn verblijf. Sommigen hebben een andere vertaling voorgesteld, nl. ‘van zijn eigen inkomsten’, maar het door ‘bleef vertaalde werkwoord heeft altijd betrekking op ‘wonen’, waar het in Handelingen gebruikt wordt. De sociale omstandigheden in Rome waren van dien aard, dat een groot deel van de mensen in huurwoningen leefde. Ontving allen: De huurwoning is centrum van verkondiging en onderricht. 31. Predikende …onderricht gevende: Vgl. bv. vs 23. Het onderrichten vormt een nadere concretisering bij het verkondigen. Bij dit onderwijs wordt teruggegrepen op de Schriften (vgl. 18:24-25; 28: 23). Met alle vrijmoedigheid: Deze uitdrukking wordt in Hand. voortdurend verbonden met de verkondiging van het Evangelie (vgl. bv. 4:13). Ondanks het feit dat Pauluszijn bewegingsvrijheid kwijt is gaat toch de openlijke, vrijmoedige prediking voort. De Here schenkt zijn dienaar vrijmoedigheid. Zonder enige belemmering: In decreten van staatszijde, zoals deze bij Josephus worden vermeld, wordt de uitdrukking ‘onverhinderd’ betrokken op het verlof tot ongehinderde uitoefening van de godsdienstige plichten door de Joden. Mogelijk laat Lucas zien dat dit ‘onverhinderd’ van de zijde van de overheden ook de christelijke prediking en de voortgang van de missionaire arbeid betrof. Juist de instanties en staatsambtenaren betuigen de onschuld van de apostel Paulus.
Een zeker apologetisch motief is niet te miskennen. Christenen zijn geen rebellen. Tegelijk wijst het ‘onverhinderd’ ook de voortgang van Gods werk aan. Niet zozeer romeinse verdraagzaamheid als wel de leiding van God baant wegen voor de prediking. Mensen noch machten kunnen de loop van het Woord tegenhouden. Lucas’ tweede boek eindigt met het bericht over een gevangen apostel maar vooral met het uitzicht op de voortgang van de verkondiging tot aan de einden der aarde. Het woord Gods is niet gebonden (2 Tim. 2:9).