Menu

Premium

Het belang van geloof in de verrijzenis

Bij 1 Korintiërs 15,12-19

In deze lezing komt het tweede gedeelte van de vorige week begonnen lezing uit 1 Korintiërs 15 aan de orde. In de verzen 1-11 heeft Paulus het uitgangspunt van zijn nu volgende redenering breed uiteengezet: het door hem verkondigde, door vele betrouwbare getuigen bevestigde en eveneens doorgegeven evangelie van Christus’ dood voor onze zonden en zijn verrijzenis ten derden dage. Nu komt hij, in de verzen 12-19, over zijn eigenlijke argumentatie te spreken. Zo blijkt wat vaak als zelfstandige perikoop behandeld wordt (1 Kor. 15,1-11), de retorische functie van een uitvoerige eerste premisse voor de verzen 12-19 te hebben.

De overgang van het een naar het ander maakt Paulus door de vraag die hij in vers 12 stelt: als Christus verkondigd wordt als verrezen van de doden, hoe kunnen sommigen van jullie dan zeggen dat de opstanding van de doden niet bestaat? Dit was blijkbaar een kwestie die leefde in de gemeente in Korinte; het is in elk geval moeilijk voorstelbaar dat Paulus deze anders zou aansnijden.

Een bewijs uit het ongerijmde

Paulus is het met deze stelling uiteraard niet eens. Zijn weerlegging ervan bestaat eigenlijk uit twee delen. Het eerste gedeelte gaat aan zijn stellen van de vraag vooraf en omvat de uitvoerige presentatie – met begeleidende waarborgen – van zijn evangelie in de verzen 1-11. Na deze inleiding moet de vraag van de Korintiërs vanzelf al onwaarschijnlijk klinken. Het eigenlijke bewijs van de opstanding – op grond van getuigen en zijn eigen ervaring – heeft Paulus daarmee al geleverd. Wat volgt in de verzen 12-19 is een reductio ad absurdum (= bewijs uit het ongerijmde), waarbij uit het onmogelijke gevolg van een bepaalde gedachtegang – in dit geval de gedachte dat er geen opstanding van de doden zou zijn – de conclusie getrokken moet worden dat de gedachtegang onjuist moet zijn. Paulus maakt met verve gebruik van dit argumentatiemiddel en zet in vers 13 gelijk in bij zijn eigen voorbeeld (verzen 1-11): als er geen opstanding van de doden is – de stelling van sommige Korintiërs – dan is Christus logischerwijs ook niet opgestaan. Dit is precies het tegenovergestelde van wat Paulus nu net beweerd heeft: Christus is verrezen van de doden, dus er is wel degelijk zo’n verrijzenis. Paulus argumenteert daarbij vanuit het specifieke geval (Christus’ verrijzenis) naar de algemene regel, terwijl de Korintiërs die menen dat er geen opstanding is, juist het tegenovergestelde zouden moeten doen: vanuit een algemene waarneming – er is geen verrijzenis van de doden – ook Christus’ verrijzenis ontkennen. Dat is in ieder geval hoe Paulus hun opvatting weergeeft.

Zonder opstanding ‘onze’ verkondiging inhoudsloos

Nadat Paulus dit heeft vastgesteld, verliest hij geen moment om de consequenties hieruit te trekken – de eigenlijke reductio ad absurdum – en deze de Korintiërs voor te houden. Mocht er geen opstanding van de doden zijn, dan is Christus ook niet verrezen, en dus is ‘onze’ verkondiging ook zonder inhoud geweest. De eerste persoon meervoud die Paulus hier gebruikt, kan een pluralis sociativus zijn, waardoor hij de Korintiërs bij zijn eigen verkondiging betrekt: als dit zo is, namelijk als er geen verrijzenis is, dan is de gemeenschappelijke verkondiging leeg geweest. Dit is emotioneel nog moeilijker te verkroppen dan wanneer alleen Paulus’ eigen verkondiging – en niet die van de Korintiërs – leeg geweest zou zijn. Deze interpretatie wordt waarschijnlijker wanneer het laatste gedeelte van vers 14 meegelezen wordt: ‘jullie’ geloof zou voor niets geweest zijn. Wanneer de groep binnen de gemeente van Korinte die de opstanding ontkent gelijk zou hebben, dan is het geloof van alle Korintiërs leeg.

Blasfemie

Na deze argumentatie die naar het einde toe steeds meer een aanval ad hominem wordt, schakelt Paulus in vers 15 naar een nog hogere versnelling. Nu staat niet meer alleen de juistheid van een uitgangspunt of van de verkondiging van Paulus en de Korintiërs op zich op het spel, maar, toegespitst, de vraag of er niet sprake is van blasfemie, wanneer er geen verrijzenis is en Paulus en de Korintiërs deze toch verkondigd dan wel geloofd hebben. De gedachte hierachter is, dat de verrijzenis volgens Paulus en de zijnen een daad van God is en wanneer deze daad eigenlijk niet bestaat, God foutief wordt weergegeven en dat komt erg dicht in de buurt van blasfemie. Bovendien zou het betekenen dat de gehele verlossing niet bestaat die door Christus’ dood en verrijzenis bereikt zou zijn (zie de weergave van de betekenis hiervan in de verzen 1-11), dat de Korintiërs dus nog steeds zondig zijn en dat allen die ‘in Christus’ zijn, verloren zijn gegaan. Kortom, wanneer het een feit zou zijn dat de verrijzenis niet bestaat, dan zijn de Korintiërs die eigenlijk wel in de verrijzenis geloven, er buitengewoon beroerd aan toe – zoals Paulus ook eloquent zegt in vers 19.

De manier van argumenteren die Paulus hier kiest, zet het belang van het geloof in de verrijzenis op scherp. Zonder zich te uiten over de precieze vorm van de opstanding, is Paulus er zonder meer van overtuigd dat de opstanding een realiteit is, op grond van het getuigenis van anderen, van zijn eigen ervaringen en van de consequenties wanneer Christus niet verrezen zou zijn. Voor de prediking houdt dit enige uitdagingen in, vooral wat betreft de verhouding tussen de verrijzenis van Christus die Paulus verkondigt en vormen van ‘leven na de dood’ die in het hedendaagse discours voorkomen. Misschien kan Paulus’ manier van argumenteren worden toegepast op de gedachte van een vrijwel automatisch bestaan na de dood: hoe komen dan de soteriologische (Gods bevrijding) en theologische (Gods handelen) aspecten aan de orde? Wat gebeurt er, wanneer een ‘leven na de dood’ ontkend wordt – en biedt het paulijnse model van een op genade gebaseerde verrijzenis wellicht een correctief hierop?

Wellicht ook interessant

None

Studiemiddag op 4 juni naar aanleiding van publicatie ‘Gods slaafgemaakten’

De beroemde voormalige slaafgemaakte en abolitionist Frederick Douglass (1818-1895) was christen én buitengewoon kritisch op het christendom van vele slaveneigenaren in de Verenigde Staten. Die laatste vorm van christendom noemde hij “slaveholding religion” en die plaatste hij tegenover wat hij zag als het ‘echte christendom’ – de “Christianity of Christ”. In zijn recente boek Gods slaafgemaakten laat historicus en theoloog Martijn Stoutjesdijk zien dat beide interpretaties van het christendom eigenlijk altijd al aanwezig zijn geweest in de Bijbel en geschiedenis van het christendom.

None

Recensie van Amsterdamse Cahiers: Jesaja

Als predikant heb je je vaak te buigen over fragmenten uit het complexe Bijbelboek Jesaja. De bekendste flarden keren jaarlijks terug, vaak in combinatie met het Nieuwe Testament. Tekstfragmenten die ‘iedereen’ kent, roepen vaak allerlei beelden en herinneringen wakker (‘je hebt me bij de naam geroepen/ je bent de mijne’; ‘het volk dat in duisternis ronddoolt’; ‘zwaarden, ploegscharen…’). Tegelijkertijd blijft het grootse deel van de profetie doorgaans gesloten.

Medische verrassingen in de Bijbel
Medische verrassingen in de Bijbel
None

Thema: Medische verrassingen in de Bijbel

In de Bijbel staat verrassend veel informatie over gezondheid en ziekte, vanuit het oude testament komen veel regels naar voren om ziekte en de verdere verspreiding van ziekte te voorkomen. Veel van deze regels zijn nog steeds actueel. Van oud-testamentische narcose tot het nut van de reinheidswetten. Tom Mikkers gaat in deze aflevering in gesprek met Alie Hoek-van Kooten die het boek Medische verrassingen in de Bijbel schreef. Zij gaat in het gesprek ook in op de manier waarop mensen in de Bijbelse tijden met ziekte omgingen en welke rol hun geloof daarin speelde. Een nieuwe invalshoek op bekende materie, toegankelijk en verrassend.

Nieuwe boeken