Het Evangelie van Judas
Het Evangelie van Judas (vervolg)
Wie heeft het nu nog over het Evangelie van Judas? Welke plaatselijke commissie ‘Vorming en Toerusting’ wil daarover nu nog een avond beleggen, en welke journalist wil hierover nog een artikel schrijven, nu de in 2005 en 2006 geënsceneerde ophef is geluwd? Inmiddels wordt het Evangelie van Judas bestudeerd en bediscussieerd door tal van wetenschappers, en die blijken het op allerlei punten niet met elkaar eens te zijn. De eerste publiciteit was in handen van de National Geographic Society. Die had een team van geleerden en journalisten in de arm genomen die Judas in de beschrijving van dit evangelie voorstelden als Jezus’ meest geliefde leerling, die als enige diens onderricht goed had begrepen en als enige, als een waar mysticus dan wel gnosticus, was verlicht en verlost. Dat hij Jezus zou overleveren aan zijn tegenstanders zou een goede daad zijn. Inmiddels blijkt deze interpretatie veel meer vragen op te roepen dan dit team in zijn aanvankelijke enthousiasme had vermoed en is er een onafzienbare stroom van boeken en artikelen over het Evangelie van Judas verschenen. Als vervolg op een eerder recensieartikel[1] volgt hier een bespreking van een aantal boeken die in het Engels zijn geschreven en waarvan enkele in het Nederlands zijn vertaald. Ik beperk mij tot de boeken voor een breder publiek en ga aan wetenschappelijke artikelen en congresbundels voorbij.
Eerst een boek dat nog behoort tot de eerste publiciteitscampagne van de National Geographic Society. De journalist Herbert Krosney schreef in 2006 een boeiend verslag van de wederwaardigheden van het Koptische manuscript dat onder meer het Evangelie van Judas bevat[2]. De aanvankelijke vondst in de jaren zeventig van de vorige eeuw, de machinaties van de kunsthandelaren en de ontwikkelingen waardoor de papyrus uiteindelijk in handen van geleerden kwam die de tekst konden ontcijferen en uitgeven, beschrijft hij goed. Hij is bovendien te rade gegaan bij diverse geleerden, onder wie Bart D. Ehrman (die ook het woord vooraf schreef) en Elaine H. Pagels. In zijn weergave van de gesprekken en in zijn conclusies daaruit staan echter diverse sensationele passages waarin hij suggereert dat dit geschrift historisch betrouwbare informatie over Judas en Jezus bevat en dat het in historisch opzicht een serieuze concurrent van de nieuwtestamentische evangeliën zou zijn. Die ongefundeerde suggesties ontsieren het boek.
In het kielzog van National Geographic heeft ook Bart Ehrman, hoogleraar aan de Universiteit van North Carolina, al snel een boek over het Evangelie van Judas gepubliceerd[3]. Hij beschrijft hoe hij, hoewel geen specialist inzake het Koptisch, bij de publicatie van het manuscript betrokken raakte. Hij behandelt hoe Judas voorkomt in het Nieuwe Testament en in het naar Judas genoemde evangelie, en plaatst het herontdekte geschrift in het bredere verband van de gnostiek van de tweede eeuw. Het boek is deskundig en meeslepend geschreven, maar op de laatste pagina’s laat hij zijn redelijk evenwichtige benadering varen. Hij suggereert daar dat de opvattingen die achteraf als orthodox zijn gaan gelden het alleen dankzij een machtsstrijd met de ‘ketterijen’ hebben gewonnen, en dat de uitslag ook anders had kunnen zijn. Hij meent dat de orthodoxe overwinnaars ‘rewrote the history’ (174), maar erkent tegelijk dat de canonieke evangeliën ouder zijn dan bijvoorbeeld het Evangelie van Judas (172). Hij maakt niet duidelijk hoe hij een en ander met elkaar rijmt. Mijns inziens ligt het voor de hand dat de oudste – lees: nieuwtestamentische – geschriften over Jezus dichter bij hem en zijn eerste leerlingen staan dan wat decennia later over hem is gefabriceerd. Ehrman houdt echter vast aan zijn voorstelling van een enorme diversiteit in het vroege christendom zonder onderscheid te maken tussen vroegere en latere tradities.
Al even snel na de eerste publicatie van het Evangelie van Judas heeft Tom (N.T.) Wright, Anglicaans bisschop van en nieuwtestamenticus aan de universiteit van , in een boekje op de ophef ingespeeld en het geschrift in historisch perspectief gezet[4]. Hij fulmineert tegen de tendens van Amerikaanse geleerden als Ehrman, Pagels en Marvin Meyer om het historische gehalte van apocriefe geschriften even hoog aan te slaan als dat van de canonieke evangeliën, zonder rekening te houden met de latere datering van de apocriefe geschriften. Hij stelt dat de voorliefde die bepaalde Amerikaanse geleerden voor gnostische geschriften aan de dag leggen veel zegt over de religieuze situatie in Noord-Amerika, maar niets met historisch onderzoek te maken heeft. Hij beschuldigt deze geleerden ervan dat zij een nieuwe mythe over de begintijd van het christendom ontwerpen. Sommigen zullen zich storen aan Wright’s besliste toon, maar mijns inziens heeft hij inhoudelijk gelijk. Zijn boekje bevat weliswaar geen gedetailleerde bijdrage aan de interpretatie van het Evangelie van Judas, maar biedt wel een heldere analyse van de aanvankelijke, dubieuze presentatie van dit geschrift.
Wat rustiger van toon, maar inhoudelijk op de lijn van Wright is het boekje van E. Porter en Gordon L. Heath, beiden werkzaam aan in [5]. De auteurs bekritiseren de publiciteitscampagne van de National Geographic Society en de vooringenomen voorstelling van het vroege christendom die door een aantal van hun Amerikaanse collega’s wordt gepropageerd. Zij bespreken hoe Judas voorkomt in het Nieuwe Testament, wat gnostiek is, en hoe het Evangelie van Judas in die context past. (Ten onrechte rangschikken zij het Evangelie van Maria echter onder de in Nag Hammadi gevonden geschriften!)
Al even kritisch over de aanvankelijke berichtgeving over het Evangelie van Judas is Simon Gathercole, nieuwtestamenticus aan de universiteit van Cambridge[6]. Anders dan de vorige auteurs geeft hij in zijn boek een vertaling van dit geschrift en voorziet hij het van een doorlopend commentaar. Hij zet kritische kanttekeningen bij de aanname dat het nu teruggevonden Evangelie van Judas hetzelfde is als het geschrift dat omstreeks 180 door Irenaeus van Lyon onder die titel wordt genoemd. Gathercole geeft enkele voorbeelden van andere vroegchristelijke geschriften die dezelfde titel dragen maar een verschillende inhoud hebben. Hoezeer hij zich ook distantieert van de suggestie dat dit evangelie teruggaat op tradities die qua ouderdom kunnen concurreren met de canonieke evangeliën, toch stemt hij goeddeels in met de aanvankelijke interpretatie dat Judas in het herontdekte evangelie wordt voorgesteld als de ware gnosticus die als enige van de twaalf discipelen Jezus goed heeft begrepen. Hij weet dat er inmiddels ook een andere, veel kritischer interpretatie van Judas in dit evangelie bestaat (zie verderop), maar geeft alleen aan het einde van zijn commentaar toe dat ‘within the work Judas is not a straightforwardly perfect figure’ (112) en dat ‘[t]here are certainly a number of ambiguities in this Gospel’ (113). In zijn slothoofdstuk concludeert hij dat het Evangelie van Judas geen echt evangelie biedt.
Een heel andere benadering vinden we in het boek van de hoogleraren Elaine Pagels en Karen L. King, werkzaam aan respectievelijk de universiteit van Harvard en die van Princeton[7]. Een typerende zin in hun inleiding luidt: ‘Much of the Gospel of Judas is filled with Jesus’s brilliant teaching about the spiritual life’ (xiii). Toch geven ze op de zelfde bladzijde toe dat dit evangelie omstreeks 150 is geschreven en dat het niets over Judas of Jezus leert dat historisch betrouwbaar is en dat we nog niet wisten uit de overige vroegchristelijke literatuur. Maar later schrijven ze: ‘Like the other recently recovered [gnostic] texts, the Gospel of Judas helps give us a more detailed, complex and above all more human account of the history of Christianity than anyone could have ever written without them’ (101). Ze oordelen zeer negatief over de kerkvaders die zich in woord en geschrift tegen de gnostici hebben gekeerd en leggen een duidelijke sympathie voor de gnostische ‘verliezers’ aan de dag. Ondanks talrijke slordigheden bevat dit boek toch een lezenswaardige interpretatie van de droom die Jezus’ leerlingen volgens het Evangelie van Judas hebben gehad. Die droom ging over twaalf mannen die, temidden van een grote menigte, op een altaar offers brachten, en daarbij zelfs hun eigen kinderen en vrouwen offerden. Jezus zegt daarop tot zijn leerlingen dat zij zelf die priesters zijn, dat zij de mensen misleiden en dat zij met dat offeren aan hun god moeten ophouden (37, 21 – 41, 6). Pagels en King menen dat de auteur van het Evangelie van Judas hiermee protesteert tegen de kerkleiders van zijn tijd die de christenen, ja zelfs hun eigen vrouwen en kinderen, ertoe aanmoedigden zo nodig het martelaarschap te ondergaan ter wille van het geloof in Jezus. Volgens deze interpretatie – die Pagels en King overigens niet als eersten hebben voorgesteld[8] – worden de martelaren geofferd aan de lagere God, de Schepper van deze wereld, en is Jezus gekomen om de gnosis omtrent de ware, hoogste God te verkondigen. In vorige boeken over het Evangelie van Judas is die droom verklaard met betrekking tot de eucharistie, die in de kerk van de tweede eeuw als een offer aan God werd beschouwd. Deze uitleg is nog steeds niet uitgesloten, maar ondanks allerlei slordige en tendentieuze passages hebben Pagels en King toch een interessante bijdrage aan het debat over dit geschrift geleverd. Hun boek wordt afgesloten met een vertaling van het Evangelie van Judas van de hand van King, die daarop een vrij zakelijk commentaar doet volgen. In het algemeen is Judas volgens de beide auteurs de held van dit evangelie.
Dit laatste is echter heftig bestreden door April DeConick, hoogleraar aan te [9]. Evenals vele anderen was zij hoogst ongelukkig met de presentatie van het Evangelie van Judas door het team van National Geographic, maar op andere gronden dan tot dusver zijn genoemd. Zij deelt de Amerikaanse visie dat de ‘proto-orthodoxe’, door haar ‘apostolisch’ genoemde kerk slechts een van de vele richtingen uit het vroege christendom was en dat de uitkomst van hun onderlinge machtsstrijd ook heel anders had kunnen uitvallen. Evenals geleerden als Ehrman en Pagels negeert zij de kwestie van de vroegere of latere datering van de onderscheiden tradities over Jezus. Haar bezwaar tegen de aanvankelijke presentatie van het Evangelie van Judas baseert zij op haar eigen vertaling van het manuscript[10]. In de Koptische tekst wordt Judas door Jezus, met een Grieks leenwoord, de dertiende daimon genoemd (44, 21), en dat woord is aanvankelijk neutraal of zelfs positief vertaald als ‘spirit’ (Kasser c.s., Gathercole) of ‘god’ (King). DeConick meent echter dat in de vroegchristelijke context waarin het Evangelie van Judas thuishoort daimon slechts één betekenis hebben, namelijk die van demon, en dat deze term is bedoeld als een negatieve kwalificatie. Dit houdt in dat Judas volgens dit evangelie helemaal niet de uitblinkende leerling van Jezus is waarvoor andere auteurs hem hebben gehouden. Andere vertalers hebben de zinssnede dat Judas allen zal overtreffen (56, 17-19) gelezen als een aanbeveling, maar DeConick leest hier dat Judas de anderen zal overtreffen in slechtheid. Dat Judas direct hierna van Jezus te horen krijgt dat hij de mens die hem draagt – Jezus’ aardse lichaam – zal offeren (56, 19-20), betekent volgens haar niet dat Jezus dankzij Judas van zijn aardse lichaam verlost zal worden, maar dat Judas zelfs zo slecht is dat hij bereid is Jezus aan de mindere God te offeren. In zijn offerbereidheid gaat hij dus nog veel verder dan de andere discipelen die hun vrouwen en kinderen aan die God offeren! Het team van National Geographic vertaalde aanvankelijk dat Jezus over de ‘andere geslachten’ tot Judas zei (46, 25 – 47, 1): ‘In the last days they will curse your ascent to the holy [generation]’[11], hetgeen getuigt van zijn door anderen vervloekte verlossing. Volgens DeConick ontkent de Koptische tekst juist dat Judas naar het heilige geslacht zal opstijgen en moet de vertaling van de gehavende tekst luiden: ‘And in the last days they […] to you. And you will not ascend to the holy [generation]’. DeConick meent dat Judas nog steeds valt onder de lagere engelmachten en demonen die over de materiële wereld heersen en dat hij geen deel heeft aan de verlossing. Na nog meer andere alternatieve vertalingen te hebben gegeven stelt zij dat het Evangelie van Judas een gnostische parodie op het vroeg-orthodoxe christendom is, en zeker geen rehabilitatie van Judas.
Dat DeConick met haar polemische boek enig effect heeft gesorteerd blijkt wel hieruit dat in de kritische editie van het Koptische manuscript die inmiddels bij National Geographic is uitgekomen enkele van haar kritiekpunten zijn verwerkt. In 44, 21 wordt daimon niet meer met ‘spirit’ vertaald maar onvertaald gelaten (‘daimon’), en de vertaling van 46, 25 – 47, 1 luidt nu: ‘you will not ascend on high to the holy [generation]’[12]. Hoewel haar algehele visie op de pluriformiteit van het vroege christendom mijns inziens onhoudbaar is, heeft zij in de Engelstalige wereld toch een belangrijke bijdrage aan de discussie geleverd door te wijzen op de dubieuze positie die Judas in het naar hem genoemde evangelie inneemt. Opmerkelijk genoeg waren oplettende Nederlandstalige lezers al eerder, en bovendien evenwichtiger, met de ambiguïteit van Judas’ rol in dit evangelie bekend gemaakt dankzij het boek van Jacques van der Vliet (zie noot 1), maar dit heeft op de Engelstalige discussies geen invloed uitgeoefend. Zelfs in het Nederlandse taalgebied heeft dit nog steeds verantwoorde boek weinig aandacht gekregen. Het vreemd gaan wanneer nuchtere wetenschappers moeten opboksen tegen een levensbeschouwelijke mode.