Recensie 2084: ‘Geen diepgaande christelijke reflectie op AI’
Fulco Timmers bespreekt het boek 2084 van John Lennox over AI
AI heeft geen werkelijk inzicht en geen eigen bewustzijn, stelt John Lennox in zijn boek 2084. Hij biedt daarmee een ‘hoopvol perspectief op AI’, zoals de ondertitel suggereert. Theoloog Fulco Timmers ziet dat toch iets anders. Hij las 2084 met grote interesse, maar vraagt zich af: waar blijft de diepgaande christelijke reflectie?
De titel van John Lennox’ christelijke beschouwing van het fenomeen AI bracht mij in de war. Waar er ‘2084’ staat (spelend met Orwell’s 1984) las ik eerst ‘2048’. Dit laatste is een veelvoud van twee, het kerngetal van de digitale wereld van enen en nullen. Ik dacht dat Lennox, immers een wiskundige, een spel met dat getal aan zou gaan. Die verwachting moest ik dus bijstellen. Ik noem deze verwarring van mijn kant omdat ik bij het lezen van zijn boek ook mijn verwachting ten aanzien van de inhoud flink bij moest stellen. Op basis van de achterflap en het persbericht verheugde ik mij op een diepgaande kennismaking met kunstmatige intelligentie en eveneens diepgaande reflectie op dit fenomeen vanuit filosofisch en christelijk, dus zo dacht ik: theologisch, perspectief. Helaas ontbreekt wat mij betreft nu juist die diepgang en dat heeft alles te maken met de presentatie en argumentatie van Lennox.
Opgevoerde autoriteit
Lennox gebruikt veelvuldig autoriteitsargumenten om zijn betoog te onderbouwen. Een illustratief voorbeeld is zijn betoog tegen het idee dat (bewust) leven spontaan kan ontstaan uit natuurlijke processen (pp. 77-78). Lennox voert daarbij James Tour op, die hij als volgt introduceert: ‘hoogleraar scheikunde, nanotechnologie en computerwetenschappen aan Houston Rice University, is een van de grootste deskundigen ter wereld op het gebied van scheikunde van de oorsprong van het leven, zelfs een van de invloedrijkste wetenschappers ter wereld op dit moment.’ Daarna volgt een groot (inspringend) citaat met vooral stellingen, waarvan we op basis van de opgevoerde autoriteit van James Tour moeten aannemen dat die dus waar zijn. Hierna volgt een alinea met nog een fors citaat van Tour in de lopende tekst, waarin hij aangeeft dat er wat hem betreft geen goede wetenschappelijke verklaringen voor de oorsprong van het leven zijn, waarna Lennox concludeert: ‘Zo luidt het oordeel van de wetenschap.’ Zo verheft Lennox de visie van één wetenschapper, op grond van diens autoriteit in het veld, tot die van de wetenschap als geheel. De lezer die een diepgaande bespreking van dit alleszins fascinerende vraagstuk verwacht moet het stellen zonder inzicht in de daadwerkelijke argumenten, of een bespreking van verschillende stemmen rond dit onderwerp.
Helaas is deze stijl van redeneren kenmerkend voor heel het boek. Storend is de hiermee verbonden grote hoeveelheid en lengte van citaten. Met regelmaat zijn meerdere pagina’s overwegend gevuld met een afwisseling van grote citaten, gemarkeerd door inspringen en een iets kleiner lettertype, en vervolgens nog meer citaten in de lopende tekst.1
Naast de vele citaten kent het boek een fikse hoeveelheid opsommingen. Ook hier had ik wat diepgang betreft liever gezien dat één of enkele voorbeelden wat dieper uitgepakt waren.2 Nu krijgt de lezer bijvoorbeeld een overzicht van dertien pagina’s met voorbeelden van positieve toepassingen van AI. Dit overzicht laat zien dat Lennox zich zeer zeker in het onderwerp verdiept heeft, maar het doet tegelijk vanwege de razendsnelle ontwikkelingen in AI gedateerd aan. Veel meer pagina’s wijdt Lennox aan de meer negatieve toepassingen van AI.
Niets te vrezen
Over het geheel presenteert Lennox AI als een zeer geavanceerde vorm van patroonherkenning in allerlei vormen van data. Maar, zo benadrukt hij meermaals, het blijft in wezen software geschreven door menselijke programmeurs. Het heeft geen eigen wil en geen werkelijk inzicht. Het stellen van doelen, vervullen van verlangens en tonen van begrip is wat Lennox betreft voorbehouden aan mensen.
Zo komen we aan bij Lennox’ kernargument. Dat laat zich als volgt samenvatten: de menselijke geest is een gave van God, daarom kan een machine nooit bewust worden en is het maken van machine-intelligentie die die van mensen evenaart of zelfs overstijgt fundamenteel onmogelijk.3 We hebben als mensen wat dat betreft volgens Lennox niets te vrezen, vandaar de ondertitel ‘een hoopvol perspectief op AI’. Om dit argument te onderbouwen legt Lennox terecht het reductionistisch wereldbeeld bloot dat menig AI-ontwikkelaar drijft en voert hij, weliswaar veelal met behulp van autoriteitsargumenten, bezwaren tegen dit wereldbeeld aan.
De menselijke geest is een gave van God, daarom kan een machine nooit bewust worden.
Ik heb zelf ook een aantal van de bezwaren die leven onder wetenschappers tegen het strikt materieel verstaan van de wereld in een artikel naar voren gebracht. Wel heb ik moeite met Lennox’ redenering dat onderkenning van de tekortkomingen van een reductionistisch wereldbeeld als vanzelf uitkomt bij de gedachte dat de wereld dus wel geschapen moet zijn en wel specifiek door de Joods-christelijke God. Er zijn alternatieven mogelijk die Lennox onbesproken laat. Zo is er de gnostische gedachte dat de wereld inderdaad geschapen is, maar dan door een ondergod die de menselijke zielen gevangen heeft in de materie. Of er is de visie van de Stoa, waarbij de wereld bestaat als een zich eindeloos herhalende cyclus van ontvouwing en ineenstorting van de Logos, die overigens binnen de Stoa niet gedacht wordt geestelijk maar juist materieel te zijn.4
De snelheid van AI
Daarnaast wreekt zich wat Lennox’ kernargument betreft eveneens de snelheid van ontwikkeling in AI. Waar Lennox nog kan stellen dat er altijd mensen blijven om AI te programmeren, zijn we inmiddels zo ver dat nieuwe versies van AI-modellen mede door de voorgaande versies worden geprogrammeerd.5 Ook wat ‘willen’, ‘verlangen’ en ‘doelen stellen’ kan AI inmiddels veel meer dan wat er mogelijk was toen Lennox zijn boek schreef.6
Wat ‘begrip’ betreft, ontwikkelt AI zich eveneens door. Hoewel er veel op af te dingen blijft of er nu sprake is van werkelijk begrip, zijn zeker de duurdere betaalde modellen in staat tot bepaalde vormen van redeneren en reflecteren. Ontwikkelingen op dit vlak hebben bijvoorbeeld de grote sprongen op het gebied van programmeren mogelijk gemaakt. Ook worden er vormen van modellen onderzocht die fundamenteel anders zijn dan de Large Language Models die we nu vooral kennen, bijvoorbeeld door Yann LeCun, waarbij een zogeheten wereldmodel juist wel getraind wordt om concepten uit data te abstraheren en te kunnen redeneren in termen van oorzaak en gevolg.7 Als die modellen er komen, dan is niet per se meer waar dat een AI-model, zoals Lennox schrijft op p. 253, ‘geen concept heeft van wat een kat is.’
God-van-de-gaten
Lennox’ punt dat de menselijke geest wel van God moet komen omdat we geen goede wetenschappelijke verklaring hebben waar de geest anders vandaan komt, lijkt wat dat betreft te lijden aan het ‘god-van-de-gaten’-probleem.8 God wordt opgevoerd als verklaring voor iets wat mensen nu nog niet kunnen verklaren. Maar wat als er onverwacht toch een verklaring gevonden wordt? Of wat als AI-modellen toch gedrag gaan vertonen dat Lennox tot het domein verklaard heeft dat alleen aan mensen is voorbehouden? Eerder werd gedacht dat schaak, daarna Go en vervolgens beheersing van de natuurlijke taal iets was dat alleen aan mensen voorbehouden was. Eén voor één zijn die overtuigingen onderuitgehaald. Ik ben zelf, mede gezien bovenstaande ontwikkelingen, wat minder overtuigd dan Lennox dat het kunnen stellen van eigen doelen of het ontwikkelen van conceptueel begrip fundamenteel buiten het bereik van computersystemen ligt. Dat werpt de theologisch spannende vraag op: zou een machine dan toch ‘de (of: een) geest’ kunnen krijgen? Dat maakt overigens de risico’s en uitdagingen die Lennox bespreekt op het vlak van ‘inprogrammeren’ van ethische kaders des te urgenter.
God wordt opgevoerd als verklaring voor iets wat mensen nu nog niet kunnen verklaren.
Gebrek aan nuances
Al met al maakt dit boek van Lennox zijn belofte van een diepgaande christelijke reflectie over kunstmatige intelligentie wat mij betreft niet waar.9 Voor een deel kan Lennox dat niet helpen omdat het veld zich zo razendsnel ontwikkelt. Tegelijk vraagt die razendsnelle ontwikkeling juist om diepere doordenking van dit fenomeen dan Lennox nu biedt. Wat dat betreft had Lennox juist meer krediet kunnen geven aan de inzichten en kritische waarschuwingen die Yuval Noah Harari naar voren brengt, in plaats van hem vooral te framen als verstokte naturalist. Al in 2015 eindigt Harari zijn boek Homo Deus met onder meer de prikkelende vraag: ‘Zijn alle organismen inderdaad niet meer dan algoritmes, en leven niet meer dan dataverwerking?’10
Tot slot had Lennox wat mij betreft ook meer krediet kunnen geven aan de Bijbelwetenschap. Hoewel hij inspirerende inzichten ontleent aan Genesis over wat mens-zijn betekent, schrijft hij tegelijkertijd aan Genesis 1 onproblematisch de gedachte van een creatio ex nihilo toe. Dit filosofisch concept past bij hoe Genesis traditioneel wordt uitgelegd, maar in de tekst zelf komt dit niet expliciet naar voren. Verder neemt hij alle Bijbelse profetie letterlijk als voorspellingen van toekomstige gebeurtenissen (hoewel hij aangeeft dat het hierbij niet gaat om de toekomst vooraf al te weten, maar om achteraf te kunnen herkennen dat iets al voorzegt was). De mogelijkheid dat Bijbelschrijvers ook achteraf gebeurtenissen zo beschreven kunnen hebben alsof ze vooraf voorzegt zijn (de zogeheten vaticinium ex eventu) wijst hij integraal af als een knieval voor het naturalisme. Daar is genuanceerder over te denken. Onderkennen dat Bijbelschrijvers geen historici zijn in onze moderne zin van het woord betekent niet automatisch het uitsluiten van mogelijke goddelijke inspiratie in wat ze op schrift gesteld hebben.11
Naast diepgang mis ik in Lennox boek de ruimte voor dit soort nuance. Zaken zijn bij hem veelal zwart-wit.12 Zo wordt wat hem betreft iets gemaakt of groeit het. Dat AI iets kan zijn dat zowel gemaakt als gegroeid is past niet in dit schema.13 Ook is voor hem iets bewust en heeft ‘geest’ of niet.14 De mogelijkheid van een gradueel spectrum op het gebied van bewustzijn bespreekt Lennox niet.15 In die zwart-witheid past Lennox overigens weer goed bij de digitale wereld van enen en nullen waar ik deze recensie mee begon. Tegelijkertijd laat het fenomeen van AI nu juist zien dat de digitale wereld zo zwart-wit niet meer is.

Ds. Fulco Timmers is als predikant verbonden aan de Kloosterkerk in Den Haag. Naast theologie en natuurkunde is hij een liefhebber van science-fiction.
Bestel 2084 bij onze partner Boekenwereld

2084 van wiskundige en filosoof John Lennox is een diepgaande kennismaking met kunstmatige intelligentie. We vragen ons immers allemaal af wat kunstmatige intelligentie ons zal brengen. Lennox laat zien dat het christendom verstandige antwoorden heeft op vragen naar de aard van onze zoektocht naar superintelligentie. In dit boek maak je kennis met de filosofische posities die kunnen worden ingenomen en de belangrijkste inzichten van het christendom ten aanzien van de aard van de mens, de ziel, ons morele besef, onze toekomst en wat ons scheidt van machines. Kortom, een hoopvol boek over kunstmatige intelligentie en de toekomst van de mensheid in eenvoudige taal.
Schrijf je in voor de nieuwsbrief
Wil je op de hoogte blijven van Theologie.nl? Schrijf je dan in voor onze wekelijkse nieuwsbrief. Daarin selecteren we de mooiste, nieuwste en scherpste artikelen van de week. Ook houden we je op de hoogte van nieuwe boeken, speciale events en De theologie podcast.
Word lid van Theologie.nl
Wil je meer artikelen kunnen lezen over boeken, levensvragen, maatschappelijke thema’s en spiritualiteit? Word dan lid van Theologie.nl en sluit een basisabonnement af vanaf €5,83 per maand.
- Verbazing ging over in irritatie op het moment dat Lennox schrijft (p. 371) dat het interessant is om te zien wat ChatGPT antwoordt op de vraag naar de voor- en nadelen en waarschijnlijkheid van een wereldregering, waarna anderhalve pagina citaat volgt. Als lezer was ik tegen deze tijd dergelijke omvangrijke citaten moe. Bovendien vind ik het als lezer helemaal niet zo interessant wat ChatGPT ergens van vindt, ik had het interessant gevonden om te lezen hoe Lennox hier zelf over denkt en op basis van welke inhoudelijke argumenten hij tot dat standpunt gekomen is. ↩︎
- Zo geeft Lennox op p. 209 het voorbeeld van Replika, een vorm van chatbot die (intieme) relaties simuleert. Hij noemt dit voorbeeld wel, maar bespreekt niet de onderliggende oorzaken waarom wij mensen zo gevoelig voor dit soort simulaties zijn, namelijk onder meer doordat wij mensen een neiging hebben persoonlijkheid en zelfs bewustzijn toe te schrijven aan voorwerpen. ↩︎
- Hoewel Lennox deze onmogelijkheid meermalen stevig stelt, laat hij op andere plekken in zijn boek (zie bijvoorbeeld p. 301 en 306) de mogelijkheid open of mensen in staat zullen zijn AGI, artificiële algemene intelligentie die de menselijke intelligentie evenaart of overtreft, te ontwikkelen. ↩︎
- Lennox stipt op p. 277 het denken van de Stoa over de Logos wel aan, maar bespreekt niet het materialistisch karakter van deze filosofische stroming. ↩︎
- Zie over het zelfstandig programmeren door AI bijvoorbeeld dit onderzoek door Anthropic over het gebruik van hun AI-modellen en ook dit zelfkritisch onderzoek over wat het gebruik van AI voor programmeren doet met onder meer de motivatie en het werkplezier van hun eigen medewerkers. ↩︎
- Zo werd in november 2025 de wereld opgeschud en verrast door OpenClaw, een toepassing van AI die in staat is om bijvoorbeeld al meelezend of meeluisterend zichzelf doelen te stellen en vervolgens allerlei strategieën te bedenken en uit te voeren om die doelen te bereiken. Dat loopt in de praktijk lang niet altijd goed af, maar deze toepassing van AI laat zien dat we het stadium van ‘slechts software die alleen maar opdrachten kan volgen’ voorbij zijn. ↩︎
- Het gaat hier om zogeheten JEPA (Joint Embedding Predictive Architecture) modellen. Zie voor een inkijkje in de onderzoeksrichting van LeCun, inclusief kritiek t.a.v. de beperkingen van LLM’s, dit artikel en deze. Lennox noemt LeCun wel in zijn boek (bijvoorbeeld op p. 146), maar bespreekt diens JEPA-onderzoek niet. ↩︎
- Lennox noemt dit ‘god-van-de-gaten’-probleem wel, maar schrijft dit toe aan de godsdiensten van de oude Grieken en stelt dat dit hun wetenschappelijke ontwikkeling in de weg stond (p. 83). Het is onduidelijk waar hij deze visie op baseert, maar die doet geen recht aan de oude Grieken en hun wetenschappelijke vermogens. ↩︎
- Het klopt overigens niet dat, zoals in het begeleidend persbericht bij deze Nederlandse vertaling van Lennox’ boek gesteld wordt, dit ‘het eerste diepgaande christelijke boek over kunstmatige intelligentie’ is. Eerder verscheen bijvoorbeeld God in bits en bytes van Marcel Barnard (Skandalon 2024), zie evt. deze recensie ↩︎
- Zie Homo Deus (Vintage 2015), p. 462. Het gegeven dat Harari deze, en twee andere wezenlijke vragen, stelt laat duidelijk zien dat Harari’s eigen visie niet per definitie die van het naturalisme is. Dit in weerwil van Lennox’ verzuchting dat Harari wel wat duidelijker had mogen zijn over zijn opvattingen (zie p. 225). Mijn kritiek op de neiging om Harari alleen in dit frame te lezen heb ik meer uitgebreid verwoord in een bijdrage aan Woord & Dienst (maart 2019) ‘De wereld volgens Harari: doodsteek voor de hoop?’ ↩︎
- Op p. 332 noemt Lennox de evangelist Lucas een ‘geweldige historicus’. Dit is een verwarrende aanduiding. Wanneer Lennox hiermee Lucas bijvoorbeeld wil vergelijken met iemand als de Romeinse historicus Tacitus dan is de aanduiding ‘historicus’ begrijpelijk, hoewel dit wel enigszins afbreuk doet aan het eigene van het genre ‘evangelie’. Wanneer Lennox hiermee Lucas wil vergelijken met de moderne manier van geschiedschrijving dan slaat hij de plank mis. De manier waarop zowel Tacitus als Lucas gebeurtenissen weergeven, waarbij er veel ruimte is voor eigen kleuring en duiding in het weergeven van de gebeurtenissen zelf, laat zich niet goed vergelijken met de principes die hedendaagse historici hanteren, waarbij weergave van gebeurtenissen en de duiding ervan zoveel mogelijk worden onderscheiden (in het besef dat weergave en interpretatie nooit geheel van elkaar te scheiden zijn). ↩︎
- Storend ongenuanceerd is zijn vergelijking op p. 30 van het aanreiken van richtlijnen voor inclusief taalgebruik met de ‘nieuwspraak’ en ‘gedachtepolitie’ uit Orwell’s 1984. ↩︎
- Verhelderend op dit punt vond ik de beschrijving van hoe AI groeit door Eliezer Yudkowsky en Nate Soares in Als iemand dit bouwt gaat iedereen dood (Maven Publishing BV 2026), p. 34-46. ↩︎
- Ongenuanceerd is Lennox ook over of AI nu wel of niet intelligent genoemd kan worden. In zijn presentatie beschrijft hij meermaals eerst hoe indrukwekkend AI-systemen kunnen presteren, om daarna te betogen dat ze tegelijkertijd eigenlijk erg dom zijn. Het fenomeen van de zogeheten ‘jaggedness’ van de intelligentie van AI, dat wil zeggen dat het uit kan blinken in bepaalde terreinen (en daarin de mens regelmatig kan overtreffen) en tegelijk op andere gebieden enorme missers kan maken, blijft bij Lennox onbesproken. ↩︎
- Zoals bijvoorbeeld Philip Ball beschrijft in The Book of Minds (Picador 2022). ↩︎