‘Toen ik het kruisje aan mijn halsketting toonde, wilde die speler met mij werken’
Interview met Rudy Heylen, mental coach bij voetbalclubs
In zijn loopbaan als mental coach bij Belgische voetbalploegen zoals Club Brugge, Standard, Antwerp en nu RC Genk heeft Rudy Heylen al veel gelovige voetballers begeleid. Uit alle werelddelen en van verschillende religies. Tijdens het wereldkampioenschap voetbal in de Verenigde Staten, Canada en Mexico ziet hij sommige van ‘zijn’ voetballers op het veld rondlopen en denkt hij weleens terug aan hun gesprekken. Hoe kijkt hij, die zelf gelovig is, aan tegen voetbal en religie?
Rudy, praten over geloof maakt wel degelijk deel uit van jouw gesprekken met voetballers, dus van de psychologische begeleiding in jouw club. Is het een thema dat jij belangrijk vindt, en dat clubs ook belangrijk vinden?
‘Op het eerste deel van je vraag kan ik volmondig en ongenuanceerd met ja antwoorden. Als ik bij een club begin te werken, zal ik tijdens de doorlichting van een speler niet nalaten om dit thema aan te snijden. Ik vraag hen of ze gelovig zijn en zo ja, welke invloed geloven op hun leven heeft. Je ziet het meestal ook snel of iemand gelovig is: velen zijn daar open over. Je hebt natuurlijk evengoed voetballers die geloof niet meteen aan het spirituele of goddelijke koppelen, maar met andere symbolen of waarden verbinden.’
‘De clubs zelf nemen daar niet expliciet een standpunt over in. Het zal meer zijn basis vinden bij de spelersbegeleider, mental coach of bij momenten bij het management.’
Ik veronderstel dat jij gelovig-zijn voor een voetballer zowel vanuit moreel als prestatiegericht standpunt niet per se beter vindt dan niet-gelovig?
‘Inderdaad. Het gaat erom dat je kracht put uit dat waarin je gelooft en dat het je, idealiter, helpt om te presteren. Als voetballers zeggen dat ze niet gelovig zijn in de traditionele zin, vraag ik hen waarin ze wel geloven. Iederéén gelooft namelijk in iets. Bijna altijd antwoorden ze: “In bepaalde waarden en normen.” Hoe mooi is dat! Deze mensen geloven in wat ze aanvoelen dat goed is. En dat kan mede bepaald zijn door hun opvoeding, partner, vrienden, ervaringen, hun coaches ook. Natuurlijk is het oké om niet gelovig in de religieuze of spirituele zin te zijn. En het is niet omdat je niet gelooft, dat je niet goed kunt presteren. Iedereen moet zijn eigen weg vinden.’
De indruk bestaat dat voetballers weer meer voor hun geloof uitkomen. Kijk in België naar de filmpjes van Jeremy Doku en de interviews van Joaquin Sys en Dodi Lukebakio, die alledrie aanwezig zijn in het wereldkampioenschap.
‘Wat je wel merkt, is dat er onder Vlamingen meer “nuchterheid” heerst en dat zij minder uitgesproken praktiseren. Ik bedoel daarmee dat ze minder openlijk hun geloof belijden. In andere culturen en voor andere nationaliteiten lijkt dat iets makkelijker te gaan, zeker bij moslims en orthodoxe christenen. Moslims volgen soms strikt de ramadan, hoewel ze daardoor soms minder fysieke kracht hebben. Toch houden ze zich eraan. Orthodoxe christenen zijn meestal ook zeer praktiserend, met prenten, iconen, relikwieën: echt alles erop en eraan. Ik ben geen theoloog en heb niet meteen een verklaring voorhanden waarom topvoetballers de laatste tijd makkelijker een geloof lijken te omarmen of zich erover uitspreken. Heeft het met corona te maken en de nood aan een houvast in onzekere tijden? Maar of je nu gelovig bent of niet, ook de tolerantie voor geloof is toegenomen.’
Orthodoxe christenen zijn meestal ook zeer praktiserend, met prenten, iconen, relikwieën: echt alles erop en eraan
Voetballers in de hoogste klasse verdienen veel geld, terwijl ze relatief weinig werken (omdat ze ook veel moeten rusten). En ze hebben veel stress want ze moeten altijd winnen, wat niet altijd lukt. Maar ze beschikken dus over veel geld. Dat nodigt toch uit tot een materialistisch bestaan met veel luxe? Maar wordt die spirituele leegte velen niet te veel? Is dat ook geen reden om zich spiritueel te ontwikkelen?
‘Pas op. Voetballers zijn wel degelijk dankbaar. Omdat ze maar al te goed weten dat er op duizend talenten misschien maar één iemand doorstroomt naar de top. En dat zij dat dan net zijn. Ze zijn ook dankbaar voor hun loon.’
Vooral voetballers uit arme landen zoals bijvoorbeeld Afrika onderhouden daarmee ook hun familie of gemeenschap of investeren fors in hun land…
‘Je zegt het. Vergeet ook niet dat het heel snel gedaan kan zijn met die mooie carrière. Ze kunnen een blessure oplopen waarbij het van vandaag op morgen gedaan kan zijn met voetballen. Of ze krijgen geen of minder speelkansen meer, waardoor hun carrière in het slop raakt en ze minder verdienen. Het kan snel keren. Ik heb het genoeg gezien. Dat zijn drama’s.’
Vergeet niet dat het heel snel gedaan kan zijn met die mooie carrière
Bijgeloof lijkt soms ook welig te tieren op het voetbalveld. Ik zou denken: alles waaruit ze kracht putten, is meegenomen?
‘Je zou kunnen zeggen dat bijgeloof ook een vorm van geloven is. Bijgeloof houdt altijd een actie-reactiedimensie in: ik doe iets, bijvoorbeeld met mijn linkervoet het veld betreden, en dan ben ik ervan overtuigd dat we zullen winnen. In die zin kan het een kracht zijn. Maar geloven in een religie is natuurlijk totaal iets anders: dat is vertrouwen hebben in een spirituele dimensie van je leven.’
Praten voetballers in de kleedkamer of waar dan ook onder elkaar over hun geloof?
‘Zeker weten dat ze dat doen, over hun geloof praten. En over culturen en nationaliteiten heen. Ja hoor.’
Je hebt ook met Aziaten gewerkt, zoals Japanners en Zuid-Koreanen. Ben je al in contact gekomen met voetballers die het shintoïsme, boeddhisme of een andere typisch Aziatische religie aanhangen? En zo ja, welke ervaring heb je daar mee?
‘Ik zou denken dat een boeddhistische insteek minder makkelijk is in competitiesport omdat het boeddhisme veeleer de nadruk legt op jezelf overwinnen in plaats van je tegenstander. Maar ik ben er nog niet mee in contact gekomen. Wel heb ik al met Japanse spelers gewerkt, en dat doe ik nog altijd. Meestal ligt het in hun cultuur om afstand te houden en hun geloof en overtuigingen niet openlijk te delen. In een individueel gesprek met hen gaat het ook vaker over hun bredere functioneren in de club en westerse maatschappij dan over geloof.’
Vragen voetballers soms of jij gelovig bent? Ik kan me indenken dat het voor gelovige spelers makkelijker is om over hun geloof te praten als ze die religieuze basis van hun leven met hun mental coach kunnen delen. Op dezelfde golflengte zitten, biedt toch voordelen.
Heylen (lachend): ‘Ooit liep een kennismakingsgesprek met een voetballer stroef. Hij was gelovig, en vroeg of ik dat ook ben. Ik zei dat dit zo was en haalde vanonder mijn trui een kruisje aan mijn halsketting op mijn borst tevoorschijn en toonde het. Dat kruisje heb ik ooit uit Kreta meegebracht en betekent veel voor me. “Ok, dan kan ik vanaf nu werken met jou,” zei hij. Dat had ik nog nooit meegemaakt. Die speler zei me dat ik zeker met “die en die speler ook moest praten en dat zij er ook veel aan zouden hebben”. Ik had een mandaat van die speler gekregen, vertrouwen, en ben daardoor ook het gesprek met die anderen makkelijker aangegaan. Het geloofsaspect dat we deelden, bracht ons inderdaad dichter bij elkaar.’
Waarin verschilt dan de visie of aanpak van een gelovige voetballer tegenover een niet-gelovige speler?
‘Ik houd niet van veralgemeniseren en boutades, en het antwoord hierop is niet altijd even makkelijk. Kijk, gelovige voetballers hebben een bepaalde kijk op het bestaan. Het gaat voor hen, denk ik, nooit alleen om de prestaties op zich, maar ook om hun zelfontplooiing, de manier waarop ze dat voetballer-zijn in overeenstemming met hun godsdienst invullen. Ze komen soms uitdagingen op hun pad tegen. Denk aan minder goed presteren, niet mogen meespelen, geblesseerd zijn. Als ze niet op de gelovige manier naar het leven kijken, zou het voor hen moeilijker zijn om met die situaties om te gaan, zeggen ze zelf. Voor hen is het geloof een onlosmakelijke voorwaarde in hun leven en beroep. Het helpt ze om met alle sportieve ervaringen om te gaan. Een steun ook, die hen hoop, kracht, doorzetting geeft.’
Gebruik je soms ook andere taal bij gelovige voetballers? Hoe werkt dat?
‘Met iemand die gelovig is, kun je praten over bijvoorbeeld kosmische energie, het goddelijke, een creator. Ik noem dat het juiste taalkader hanteren. En dat is altijd afhankelijk van de persoon die voor je zit. Bij iemand die niet gelovig is, zeker bij jonge spelers, ga ik misschien makkelijk verwijzen naar diens vader of moeder, naar de mensen en waarden die voor hem als niet-gelovige belangrijk zijn. Maar met gelovigen kun je dus zeker spreken met begrippen, symbolen en het typische taalgebruik van hun religie.’
Met iemand die gelovig is, kun je praten over bijvoorbeeld kosmische energie, het goddelijke, een creator
Geef eens een voorbeeld uit de praktijk, als je wil.
‘Op een bepaald moment maakte een speler bij de club waarvoor ik toen werkte in de eerste helft van een Europese wedstrijd een flater die tot een tegendoelpunt leidde. Ik vroeg hem tijdens de rust op welke praktische taken hij zich in de tweede helft zou concentreren, om zo zijn aandacht weg te halen van die flater, en zijn aandacht positief in te zetten. Die speler zei me later dat hij niet gelovig was. Als hij dat wel was geweest, had ik mijn taalgebruik misschien aangepast. Dan had ik kunnen zeggen dat God misschien een plan met hem had, en dat het zo was dat hij deze ervaring ‘moest’ doormaken om iets te leren. En dat hij dus de kans kreeg om sterker te worden door deze negatieve ervaring goed te verwerken. Dan zou ik meer op zielsniveau met hem gepraat hebben. Dat zou een andere dimensie geweest zijn, door daar het geloof bij te betrekken.
Heylen denkt even na. ‘Nu, uitdagingen zijn sowieso kansen, voor gelovigen en niet-gelovigen, maar gelovigen hebben nu eenmaal een andere insteek dan niet-gelovigen. Daar houd je rekening mee. Als mental coach is het belangrijkste dat je boodschap overkomt door te weten hoe je bij iemand de juiste snaar raakt.’
Ga door…
‘Door hun insteek, hun geloof dus, zijn gelovigen uitgenodigd om met situaties op een groeiende manier om te gaan. Ik vind dat een gezonde manier om naar uitdagingen te kijken. Wie niet gelovig is, lijkt meer geneigd om bij wat hem overkomt de rol van anderen te benadrukken. Dat is de toewijzingstheorie, maar die nodigt niet altijd uit om jezelf in vraag te stellen hoe je beter kunt worden. Denk maar aan ideeën zoals: ‘Ik ben iemand die altijd pech heeft.’ Of: ‘We hebben gewonnen omdat de andere ploeg slechter was.’
Door hun insteek, hun geloof dus, zijn gelovigen uitgenodigd om met situaties op een groeiende manier om te gaan
‘Ik denk dat het een gezonde manier is om vooral naar jezelf te kijken: hoe je met uitdagingen, zeg maar moeilijke of negatieve situaties, en groei omgaat. Dat is een minder materiële manier van denken. Denk maar aan de boeddhistische insteek. Het vraagt openheid om jezelf in vraag te stellen, maar ik denk dat mensen vanuit een religieus-spiritueel concept van mening zijn dat ze vanuit Gods energie, kracht en hun zelfanalyse goede energie putten, en dat hen dat misschien wel tot stabielere mensen maakt. Dat vergemakkelijkt goede prestaties.’
Een vraagje tussendoor: is er een godsdienst die per definitie betere prestaties in de hand werkt dan andere godsdiensten?
‘Nee. Nooit gemerkt en het zou me ten zeerste verbazen. Er is geen conflictmodel, en dat is geen toeval. De zondvloed bijvoorbeeld komt terug in alle monotheïstische godsdiensten. Er zijn wat de kern van de zaak betreft veel meer overeenkomsten tussen religies dan verschillen. Het gaat over de manier waarop je je godsdienst belijdt, minder over de aard van de religie. Het gaat om de manier waarop iemand met zijn geloof en zijn ervaringen omgaat.’
Tot slot: zijn godsdienst en topsport geen tegengestelde concepten? Godsdienst gaat om goed doen voor iedereen en bekijkt ieder mens als weliswaar uniek maar ook als een deel van de kosmos en door de Schepper geschapen. Godsdienst overstijgt het aardse bestaan door zijn spiritualiteit. Topsport is simpel: het gaat om winnen. Om geen medelijden met de ander te hebben, maar om die te verslaan, om de triomf van het ik en wij, zonder spirituele dimensie.
‘Die tegenstelling lijkt er soms te zijn, maar zeker in ploegsporten zoals voetbal werk je samen toe naar een doel. Het woord competitie komt van het Latijnse woord ‘competere’: samen zoeken, samen naar iets streven. Dat werpt toch al een ander licht op de zaak. Je mag ook het begrip fair-play vermelden waarop alle sport, ook de topsport, is gebaseerd: op een eerlijke, correcte manier wedijveren. Bekijk het ook zo: dankzij anderen kan ik mezelf ontwikkelen.’
Het woord competitie komt van het Latijnse woord ‘competere’: samen zoeken, samen naar iets streven
Je vindt mijn benadering van topsport te negatief.
‘In topsport streef je ernaar de beste versie van jezelf te worden, en in ploegsporten komt daar de dimensie bij dat je dat als ploeg doet. Alle spelers werken samen om dit doel te bereiken. In het topvoetbal gaat het dan ook nog eens om voetballers uit meerdere landen en culturen. Dat is toch positief. Om de beste versie van jezelf te worden, past ook een hardwerkende en zelfs ascetische levenshouding. Je kunt jezelf zijn vanuit je eigen groei. Je ontwikkelt je lichaam en geest zo goed mogelijk. Ik denk dat de boutade dat voetbal religie is, een grond van waarheid bevat omdat voetbal ook verenigt. Kijk maar naar de belangstelling voor het wereldkampioenschap waaraan zoveel landen deelnemen, klein of groot, uit alle plekken op de aardbol.’
‘Het verschil schuilt erin dat men minder van een visie zal spreken als een stem uit het voetbal weerklinkt, dan wanneer iemand dat doet die religie als mandaat draagt. Niemand zal de krachtige boodschap die Martin Luther King uitdroeg in vraag stellen als een religieuze boodschap. Ook natuurlijk omdat King een baptistische dominee was.’

Frank Van de Winkel is sportjournalist en kerkganger.