Ruimte voor God in de wetenschap?
Over veranderende opvattingen binnen de natuurwetenschap
Strikt materialisme als verklaringsmodel is niet vol te houden, menen steeds meer wetenschappers. Toch lijkt de invloed van het puur materiële denken nog sterk te leven onder theologen, stelt Fulco Timmers, ook al beweegt de natuurwetenschap een andere richting op. Maar waar leidt de nieuwe interesse voor het immateriële eigenlijk toe? De overtuiging dat er toch ruimte is voor God in de wetenschap?
In wat voor wereld leven wij eigenlijk? De geopolitieke onzekerheden van onze tijd kunnen die vraag oproepen, maar in dit artikel gaat het om de dieperliggende vraag naar de fundamentele aard van de wereld waarin we leven. Aanleiding om die vraag te verkennen vormen wetenschappelijke ontwikkelingen die millennia-oude ideeën over ‘het zijn’ in herinnering roepen.
Vier manieren van ‘zijn’
Bijvoorbeeld de visie van de Joodse filosoof Philo van Alexandrië, die aan het begin van onze jaartelling leefde (ca. 25 v. – 45 n. Chr.). Hij beschrijft de aard van alles wat bestaat in termen van vier manieren van ‘zijn’.1 De eerste is structuur: dat wat ‘zijn’ fundamentele eigenschappen (kwaliteiten) geeft, bijvoorbeeld dat een steen zwaar en hard is. De tweede is groei, bijvoorbeeld van planten en bomen, die tegelijk de eerste omvat. Een boom kan bijvoorbeeld hard en zwaar zijn als een steen, maar groeit en verandert ook, terwijl een steen hetzelfde blijft. De derde manier van ‘zijn’ is leven, wat aan groei de mogelijkheid van zintuigelijke waarneming en beweging toevoegt. De vierde en wat Philo betreft hoogste manier van ‘zijn’ is die van rationaliteit.
Plutarchus, een Griekse filosoof van een generatie net na Philo (ca. 46-120 n. Chr.), beschrijft deze vier manieren van ‘zijn’ als een algemeen gedeelde opvatting. Waar verschillend over gedacht kon worden, is de ultieme grond van deze vier manieren. Voor Philo is dat helder: ze bestaan allemaal in en dankzij Gods Geest. Hij beschrijft in zijn werken hoe ieder van deze vormen herleid kunnen worden tot ontastbare, geestelijke aspecten. De kwaliteiten van zwaarte en hardheid van stenen, de vorm waar een plant of boom naartoe groeit, de geest waarmee levende wezens de wereld om zich heen waarnemen en de geest waarmee mensen kunnen redeneren: ze uiten zich wel in materiële vormen maar gaan volgens Philo ten diepste terug op een geestelijke werkelijkheid.2
Hopeloos verouderd?
Maar waarom zou ik deze millennia oude inzichten van stal halen? Zijn ze niet hopeloos verouderd? Inmiddels weten we toch dat er, wetenschappelijk gezien, niet meer kan zijn dan de materiële werkelijkheid. Die manier van denken is in onze samenleving alomtegenwoordig. Wie toegeeft naar een kerk te gaan of weleens een gebed uit te spreken, heeft daarom iets uit te leggen. Want wie of wat of waar kan een god dan zijn? Daar is binnen deze materiële werkelijkheid geen enkele plek voor. Écht is die geloofswereld dan ook niet, geven rationele gelovigen toe, maar mogelijk is zij wel zinvol. Zinvol omdat het je, tegen beter weten in, hoop kan geven. Dit kan dan weer helpen om dit ten diepste zinloze leven vol te houden en wellicht om af en toe iets goeds te doen.
Fascinerend genoeg ontstaat er juist in de natuurwetenschap steeds meer ruimte voor een meer geestelijke kijk op de werkelijkheid. Het zoeken van die ruimte hangt opvallend genoeg samen met de vragen die Philo al poogde te beantwoorden: Waar komen kwaliteiten vandaan? Hoe krijgt wat groeit steeds dezelfde vorm? Hoe werkt zintuigelijke waarneming? En wat is bewustzijn überhaupt?3
Zo betoogt natuurkundige Paul Davies in The Demon in the Machine (2019) aan de hand van diverse voorbeelden dat het fenomeen van leven niet puur reductionistisch te verklaren is. Eén van de nog niet volledig opgeloste vragen die hij bespreekt is hoe cellen ‘weten’ wanneer ze de juiste vorm bereikt hebben en moeten stoppen met doorgroeien. Dat is al niet helemaal duidelijk voor gewone lichaamsdelen, maar een vreemder voorbeeld dat hij bespreekt, is hoe bij bepaalde hertensoorten beschadigingen in het gewei steeds weer terugroeien. Waar wordt de informatie van deze beschadiging opgeslagen, vraagt Davies zich af? Niet in het gewei, want dat valt ieder jaar af…
Betekenisvolle informatie
Wat Davies betreft bestaat er in levende systemen een invloed vanuit het geheel op de delen. Hoe deze invloed kan werken, verdient nader onderzoek, schrijft hij. Zijn voorzet is dat die invloed samenhangt met de eigenschap van levende wezens om informatie te verwerken tot geïntegreerde informatie, dat wil zeggen: tot betekenis.4 Er zullen nieuwe wetmatigheden rondom informatieverwerking ontdekt moeten worden die kunnen verklaren hoe informatie in de vorm van betekenis invloed uit kan oefenen op een organisme.
Davies is overigens geen idealist, hij veronderstelt niet dat die informatie in een soort eigen werkelijkheid bestaat. Hij benadrukt hoe informatie altijd onlosmakelijk verbonden is aan materie. Wél wil hij het punt maken dat het immateriële, namelijk betekenisvolle informatie, niet gereduceerd moet worden tot alleen een bijproduct van het materiële, omdat het namelijk zelf die materie kan beïnvloeden.
Alles beweegt richting complexiteit
Natuurkundige Julian Barbour doet een voorstel voor hoe dit zou kunnen werken in zijn verkenning van wat ‘tijd’ is.5 Het gaat hem specifiek om de vraag waarom de tijd in één richting beweegt, namelijk naar de toekomst.6 Barbour laat zien hoe eerdere oplossingen vastlopen. Zijn wiskundig onderbouwde alternatief gaat uit van een wetmatigheid die ervoor zorgt dat alles in het universum toe beweegt naar almaar complexere structuren. Hij introduceert het begrip entaxie voor deze wetmatigheid. Het is deze beweging die de ervaring van tijd veroorzaakt en dat die tijd maar één kant op kan bewegen. Barbour betrekt in zijn verklaring expliciet de ideeënleer van Plato.7
Nog verder gaat filosoof en computerwetenschapper Bernardo Kastrup.8 Hij beschrijft in Analytical Idealism in a Nutshell (2024) de diverse problemen waar de visie op stukloopt dat we in een puur materiële wereld leven.9 Daaronder is het probleem dat er nog altijd geen goed verklaringsmodel is voor hoe activiteiten van het brein samenhangen met subjectieve ervaring van kwaliteiten, bijvoorbeeld de ervaring van ‘roodheid’. Kastrup keert de zaak als het ware fundamenteel om: hij neemt de immateriële ervaring als uitgangspunt, als grond van alles wat bestaat. Vandaar het ‘idealisme’ in de titel van zijn boek. We leven allemaal, zo stelt hij, als delen van één grote geest van de natuur.
De materiële werkelijkheid die wij mensen waarnemen bestaat niet als een losstaande materiële werkelijkheid, schrijft hij, maar is in wezen het product van onze waarneming. Eén van de metaforen die hij voor dit proces gebruikt is hoe een computerinterface een handzame weergave geeft van wat er in een computer gebeurt, terwijl die weergave totaal anders is dan wat er echt in de computer gebeurt.10 Zo neemt niemand aan dat er daadwerkelijk een vuilnisbak in je computer zit waarin verwijderde bestanden zitten. Evenzo zouden we niet moeten aannemen dat wat we waarnemen als een materiële werkelijkheid ook inderdaad een materiële werkelijkheid is.
Zie je wel, God bestaat?
Nu wil ik dit allemaal niet noemen om vervolgens als theoloog of gelovige triomfantelijk te roepen: ‘Zie je wel, deze wetenschappers komen tot het inzicht dat God bestaat!’ Zo geeft Davies expliciet aan geen theist te zijn en overigens ook geen idealist, zoals Barbour of Kastrup. Laatstgenoemde benadrukt dat hij geen spirituele theorie wil geven. De geest van de natuur presenteert hij als een relatief eenvoudige, voorspelbare, instinctieve, non-reflectieve geest. Dit doet hij onder meer zodat deze geest de grond kan zijn van natuurlijke wetmatigheden. Zo onderscheidt hij ook zijn idee van ‘analytisch idealisme’ van het ‘subjectieve idealisme’. In het ‘subjectieve idealisme’ wordt Gods Geest gezien als een bewust en ook moreel handelend subject, als grond van alles wat bestaat (het idee zoals Philo dit ook voorstond).
Waar het mij met voorgaande voorbeelden om gaat, is het signaleren dat deze denkers voorbeelden zijn van hoe er in het wetenschappelijk denken almaar meer ruimte komt voor het immateriële. Ook Kastrup merkt een verandering op in hoe zijn denken benaderd wordt. De voorzichtige interesse in zijn ideeën neemt toe, zo geeft hij aan, terwijl het strikt materialisme niet meer vol vuur verdedigd wordt. Hij ziet dit als een toenemende onderkenning dat het materialisme als verklaringsmodel voor al wat bestaat eigenlijk niet vol te houden is.11
Ruimte voor het immateriële betekent niet automatisch ruimte voor God. Voorgaande is ook geen betoog om weer vanuit de natuur het bestaan van God te willen onderbouwen. Niet alleen liggen de gevaren en tekortkomingen van de ‘natuurlijke theologie’ dan gelijk op de loer, maar ook het gevaar dat we God weer gaan zien als de verklaring voor wat we nu nog niet kunnen verklaren. Tegelijk wil ik met voorgaande laten zien dat gelovigen niet perse alleen maar hoeven te doen alsof, tegen beter (wetenschappelijk) weten in. Er is volop ruimte voor verwondering over de wereld waarin we leven, ook over de immateriële aspecten van die wereld. Een wereld die dus, ook wetenschappelijk bezien, niet perse alleen een materiële wereld hoeft te zijn: koud, leeg en ten diepste doelloos. Al wat er is, kan ingebed zijn in een oneindig geheel van creatieve mogelijkheden, zoals Barbour beschrijft.12 Het is goed voorstelbaar dat dit universum juist op leven gericht is, veronderstelt Davies. Het kan ten diepste zelfs een geestelijk universum zijn, betoogt Kastrup.
Ds. Fulco Timmers is als predikant verbonden aan de Kloosterkerk in Den Haag. Naast theologie en natuurkunde is hij een liefhebber van science-fiction.
- Daarbij is de eerste de meest eenvoudige, omvat iedere volgende de voorgaande(n), terwijl er steeds iets fundamenteel nieuws toegevoegd wordt. ↩︎
- Philo betoogt dat juist door het redeneren mensen de ‘geestelijkheid’ van al die aspecten kunnen doorzien. In het redeneren is deze ‘geestelijkheid’ ook het meest zuiver zichzelf en het minst materieel. ↩︎
- Ik ben me ervan bewust dat ik me hier als theoloog op glad ijs beweeg, want het is niet mijn directe expertise. Voor inzichten uit dit veld ben ik aangewezen op populairwetenschappelijke uitgaves. Toch wil ik deze beweging signaleren omdat in de samenleving als geheel en ook onder theologen de invloed van het puur materiële denken nog sterk kan leven, terwijl de wetenschap in een andere richting lijkt te bewegen. ↩︎
- Dat klinkt wellicht abstract, maar het gaat bijvoorbeeld om de mogelijkheid van een bacterie om zich doelbewust te bewegen naar een voedselbron. Dit type doelbewuste handelen is één van de fundamentele aspecten die levende van niet-levende materie onderscheidt. Tegelijkertijd raakt dit precies één van de raadsels van hoe leven begint, namelijk de vraag hoe de doelloze processen waardoor de materie gedacht wordt beheerst te worden doelgericht kunnen raken. ↩︎
- In The Janus Point – A new Theory of Time (2022). ↩︎
- Iets dat zich bijvoorbeeld uit in de ervaring dat we van een ei wel een omelet kunnen maken, maar dat het onmogelijk is uit een omelet een ei te maken, anders dan de oplossing om het omelet aan een kip te voeren, maar dat zou toch nog steeds niet de weg terug zijn naar het oorspronkelijke ei. ↩︎
- ‘If Platonic being is shape space, endowed as it is by mathematics with Alpha and the contours on its landscape that prescribe directions, the breeze is becoming.’ Barbour (2022), p. 230. ↩︎
- Of je zou kunnen zeggen dat hij het als het ware aandurft om de ultieme conclusie uit al deze ontwikkelingen te trekken? ↩︎
- Kastrup licht zijn ideeën ook toe in deze aflevering van Tegenlicht: https://tegenlicht.vpro.nl/artikelen/technologie-als-religie’. ↩︎
- Cognitiewetenschapper Donald Hoffman gebruikt deze metafoor ook in deze TED-talk: https://www.ted.com/talks/donald_hoffman_do_we_see_reality_as_it_is. Een andere vergelijking die veel terugkeert in Kastrups boek is die van hoe meters op het dashboard van een vliegtuig adequaat weergeven wat er buiten het vliegtuig gebeurt, maar hoe het een vergissing zou zijn de weergave op die meters samen te laten vallen met hoe de werkelijkheid ten diepste is. ↩︎
- De redenen waarom het materialisme in de bredere samenleving dan toch nog zo sterk leeft, licht Kastrup overigens ook toe. ↩︎
- Creatieve ingevingen en het fenomeen van vrije wil relateert Barbour juist aan een vorm van fundamentele verbinding tussen (menselijk) bewustzijn en deze mogelijke fundamentele aard van het zijn. Frappant genoeg kan ook Philo de menselijke geest voorstellen als een micro-kosmos die als het ware de macro-kosmos weerspiegelt. Ook Kastrup benoemt hoe de vorm die het universum aanneemt verrassende parallellen vertoont met hoe verbindingen in menselijke hersenen eruit zien. ↩︎