Het feestvarken
Bij Johannes 6:1-15
Varkentje is jarig. Vanmiddag geeft hij een feest voor al zijn vriendjes. De kasten puilen uit van al het lekkers, maar nog is er niet genoeg. Moeder gaat nog even een boodschap doen en nu is Varkentje alleen thuis. Hij verheugt zich al op de lekkere taart.
Net als het water hem in de mond loopt, hoort hij een piepstemmetje: ‘Ik heb zo’n honger!’ Het is een mager muisje. Varkentje rent naar de kast. Hij geeft het muisje kaas. ‘Kom je vanmiddag ook op mijn partijtje?’ vraagt Varkentje, ‘zes uur precies.’ Het tuinhek is net dicht als Varkentje iemand hoort huilen. Het is een poesje dat ook al honger heeft. Varkentje holt naar de keuken en komt terug met een vissalade en een kan melk. ‘Kom je ook op mijn partijtje?’ vraagt Varkentje, ‘zes uur precies.’ Het poesje is nog niet weg of een hondje, een stekelvarken, een kalf, een lammetje en een jongetje komen vragen of hij nog iets te eten heeft.
Varkentje geeft gul alles weg. Alle dieren nodigt hij uit voor zijn feestje. Dan bedenkt hij zich opeens dat hij niet zoveel prijsjes heeft. Snel gaat hij aan het werk. Dan komt moeder thuis. Ze ziet dat de kasten leeg zijn. ‘Hoe kan dat! De kasten zijn leeg. Je feestmaaltijd is verdwenen. Hoe kunnen we nu een feest geven als we niets te eten hebben?’ Varkentje huilt tranen met tuiten. Geen feest? Hoe moet het dan straks als al zijn vriendjes komen? Om zes uur zijn al zijn vriendjes er en ze hebben allemaal wat meegenomen. Varkentje kan geen woord meer uitbrengen. Zo blij is hij. Het wordt een geweldig feest. Iedereen smult van de meegebrachte spullen, maakt grapjes en zingt ‘Lang zal hij leven…’