Het geheim van de maagdelijke geboorte
Bij 2 Samuel 7,4-16 en Lucas 1,26-38
Zoals alle verhalen in de evangeliën heeft ook het verhaal van de aankondiging – de ‘annunciatie’ – nogal wat verbindingslijnen met verhalen uit Tenach. Als je de prachtige overgave van Maria/Miriam aan het slot leest (‘Zie, de dienstmaagd van de Eeuwige, moge mij geschieden naar jouw woord’, Luc. 1,38 – eigen vertaling), komen herinneringen boven aan de slotwoorden van Hanna in 1 Samuel 1,18: ‘Moge jouw dienstmaagd gunst, genade vinden in jouw ogen.’
Dat woord ‘gunst, genade’ is een belangrijk themawoord bij de annunciatie. Hierom gaat het. Wij delen als toehoorders in de genade en het begenadigd zijn van Maria/Miriam.
Tijd, plaats en namen
Het is een buitengewoon verhaal, maar de aankondiging door de bode aan Maria vindt plaats midden in onze menselijke werkelijkheid. Tijd, plaats en namen worden genoemd.
De tijd is ‘de zesde maand’ (Luc. 1,26). Deze ‘zesde maand’ wordt uitgelegd in vers 36. Het gaat om de zesde maand van de zwangerschap van ‘Elisabeth, jouw familielid’. Deze zwangerschap van Elisabeth is niet vanzelfsprekend. Het gaat om ‘haar oude dag’ en om ‘haar, die onvruchtbaar werd genoemd’ (1,36). Zo’n verhaal hebben we eerder gehoord over de oude Sara in Genesis 18 en 21. De aankondiging van de geboorte van Jezus staat niet op zichzelf, wil Lucas ons laten weten. Er is een nadrukkelijke verbinding met andere, bijzondere geboorteverhalen in heden en verleden van Israël. In de woorden van de bode Gabriël (‘je zult zwanger worden en een zoon baren’, 1,31) horen we ook een verbinding met Hagar (Gen. 16,11), met de moeder van Simson (Re. 13,3) en met Jesaja 7,14.
De plaats is de stad Nazaret in Galilea (Luc. 1,26). Deze stad kunnen we op de kaart opzoeken. Het mag duidelijk zijn, dat het gaat om een bestaande plaats hier op aarde.
Naast ‘de naam Nazaret’ klinkt ‘de naam Jozef’ en ‘de naam van de jonge vrouw (was) Maria of Miriam’ (1,27). Allemaal ‘namen’, die samenhangen met ‘je zult Hem noemen met de naam Jezus’ (1,31). Bij iedere geboorte is de naamgeving belangrijk. De Griekse naam Jezus (Jèsous) is afkomstig van de Hebreeuwse naam Jozua (Jehosjoe‘a) en heeft te maken met ‘De Eeuwige bevrijdt’. Dat past wonderwel bij deze aangekondigde geboorte.
In verband met ‘de naam Jozef’ wordt ook ‘het huis van David’ genoemd (1,27). De aankondiging van de geboorte van Jezus verbindt ons niet alleen met de geschiedenis van de onvruchtbare vrouwen in Tenach – en daarmee met de onvruchtbaarheid van Israël en van de mensheid. Deze aankondiging verbindt ons ook met het huis van David. Opmerkelijk genoeg is de verbinding met het huis van David niet biologisch of genetisch van aard, maar zuiver theologisch…
Het gesprek tussen de bode Gabriël en de vrouw Maria
Aan de ene kant horen we de woorden van de engel, de bode Gabriël. Hij begint zijn begroeting met ‘Wees verheugd, begenadigde, de Eeuwige is met je’ (1,28 in eigen vertaling). Maria’s eerste reactie is verwarring (1,29). Vervolgens vertelt de bode in woorden uit Tenach over de geboorte van haar zoon Jezus, die ‘zoon van de hoogste’ zal worden genoemd (1,30-33). De geboorte van deze zoon geeft de woorden ‘begenadigde’ (1,28) en ‘je hebt genade gevonden bij God’ (1,30) inhoud. Zijn geboorte betekent genade voor iedereen.
Dan volgt de volgende vraag van Maria: ‘Hoe zal dit zijn, daar ik geen man beken/geen omgang met een man heb’ (1,34 – eigen vertaling). Zo wordt expliciet duidelijk dat deze geboorte niet ‘uit de wil van een man is’ (Joh. 1,13). Hier is geen sprake van welke mannelijke potentie dan ook.
In het antwoord van de bode Gabriël horen we niet alleen de heilige Geest als belangrijk element klinken, maar we horen ook hoe ‘de kracht van de Hoogste je zal overschaduwen’ (1,35). Het wijst vooruit naar de verheerlijking op de berg, waar een lichtende wolk Jezus en de leerlingen ‘overschaduwt’ (Luc. 9,34; Mat. 17,5; Marc. 9,7). Het herinnert ook aan Exodus 40,35, waar de wolk van de Eeuwige de tabernakel ‘overschaduwt’. Zo wordt de vraag naar het ‘hoe’ beantwoord. Hier klinkt een diep geheimenis, een mysterie.
Verschil met Griekse mythologie
Dat is anders dan in de Griekse mythologie, waarin regelmatig sprake is van erotische bezwangering van een vrouw door een godheid. In het verhaal van Lucas is echter geen sprake van een daadwerkelijke bezwangering. Het gaat allemaal, op oudtestamentische wijze, via het spreken, via het woord. Niet voor niets is het laatste woord van de bode Gabriël: ‘Want ieder woord van God zal kracht hebben’ (1,37 in eigen vertaling). Niet voor niets is het laatste woord van Maria: ‘Moge mij geschieden naar je woord’ (1,38).
Hier klinkt ‘dabar’ door, de Hebreeuwse woorddaad, het daadwerkelijke woord, dat geschiedt en gebeurt. Niet zo vreemd dat de kerkvader Johannes Damascenus (676-749) het oor van Maria als het lijfelijke orgaan voor de maagdelijke zwangerschap heeft beschreven.[noot 1]
Tenachlezing
In 2 Samuel 7,4-16 horen we over een belofte aan ‘het huis van David’. De zoon van David zal een woning voor de Eeuwige bouwen. Ook wordt daar over de zoon van David gezegd: ‘Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen’ (2 Sam. 7,13 – NBG ’51).
In de evangelielezing zegt de bode Gabriël: ‘De Eeuwige zal Hem de troon van zijn vader David geven (…) en aan zijn Koninkrijk zal geen einde zijn’ (Luc. 1,32-33 – eigen vertaling). Hier klinkt de belofte door van Jesaja 9,6, van Daniël 7,14 en van Micha 4,7. In de aangekondigde geboorte zal deze belofte worden waargemaakt.
1 Karl Barth, Kirchliche Dogmatik, I/2, 19453, 220.