Menu

Premium

Het hoogste gebod

Bij Marcus 12,28-34

Wat is het eerste gebod? Deze vraag komt in dit evangelie als een verrassing. We lezen nogal eens over strijdgesprekken tussen Jezus en de Schriftgeleerden, waarbij de vragen die men aan Jezus stelt, meestal strikvragen zijn, zoals: is het geoorloofd de keizer belasting te betalen of niet? Men gaat met Jezus in dispuut, niet om verder te komen of iets te leren, maar om het eigen gelijk te halen. Misschien was die vraag van vandaag ook wel zo bedoeld. Naar het eerste van alle geboden te vragen, heeft iets van een examenvraag. Maar zodra deze vraag in de ruimte staat, is het niet meer goed mogelijk om spitsvondig te redeneren, elkaar in de hoek te drijven.

Wat is het belangrijkste gebod? Dat is zoiets als: waar gaat het vanuit God gezien nou allemaal om? Wat is de waarde van ons menselijk leven? Waar doen we het eigenlijk allemaal voor? Het is een vraag die niet zo snel in iemand opkomt die gelukkig is; eerder in iemand die vertwijfeld is of iemand die door verveling is gegrepen. Wat is nou het doel van deze hele oefening, van die reeks jaren dat we hier op aarde rondlopen? Waaraan kunnen we de zin ervan afmeten?

Een unieke consensus

Over deze vraag kun je niet goed discussiëren, niet hakke­takken, met deze vraag kun je elkaar niet in de hoek drijven. En dat gebeurt dan ook niet. Het strijdgesprek blijft uit: de gesprekspartners zijn het met elkaar eens. Een uniek moment in de evangeliën: Jezus spreekt met een Schriftgeleerde, en ze zijn het zomaar eens. Misschien laat het zien dat er ook onder de Schriftgeleerden goede mensen waren; misschien zelfs wel dat Jezus en de Schriftgeleerden het over de fundamentele geloofszaken eigenlijk gewoon met elkaar eens waren.

Heb lief

Het antwoord dat Jezus geeft, bestaat uit twee Tora­citaten: Deuteronomium 6,4-5 en Leviticus 19,18. Het antwoord op de vraag naar het hoogste gebod is een dubbel gebod van liefde. Twee keer: ‘Heb lief’, zoals de NBV en de Naardense Bijbel vertalen.

Op de vreemdheid van deze imperatief wijst Eugen Drewer­mann in zijn Marcuscommentaar.[1] We zijn aan die woorden wel gewend geraakt, vooral in de oude vorm ‘gij zult liefheb­ben’. Wat is dat voor liefde, die je als gebod kunt opleggen? Kun je tegen iemand zeggen: U moet mij liefhebben? Kan een mens tegen zijn levenspartner en kinderen zeggen: Ik gebied jullie dat je van mij houdt? In de Tien Geboden staat: eert uw vader en uw moeder, maar kun je van iedereen – wat er ook gebeurd is – verlangen: heb je vader lief en heb je moeder lief? En kun je God liefhebben, omdat dat nou eenmaal het hoogste gebod is? Kun je werkelijk liefde opbrengen omdat het moet?

Schriftgeleerdheid

Jezus is in gesprek met een Schriftgeleerde, een Torageleerde, wiens leven erop gericht is die toen al eeuwen­oude geboden uit de Tora toepasbaar te maken op het leven van alledag, in een veranderde wereld. Op zich een uiterst zinvolle bezigheid, een roeping. Wel draagt die roeping tot Schriftgeleerde het gevaar in zich, dat je zo geconcentreerd bent op de geboden en regels, dat je wat bang wordt voor de maker van die regels. Daar horen we Jezus in de evangeliën regelmatig tegen tekeergaan. Als het in een godsdienst alleen nog maar gaat om het penibel observeren van de wetten, is er geen ruimte om God lief te hebben met heel je hart, heel je ziel, heel je kracht en heel je verstand.

Als een vogel de Eeuwige prijzen

Toch gaat het in diezelfde geschriften van het Oude Testament wel over de liefde tot God. Er zijn psalmen die de hele schepping oproepen God te prijzen, ook een vorm van lief­hebben: ‘Loof de HEER, bewoners van de aarde, zeemonsters en oceanen, vuur en hagel, sneeuw en rook, (…) dieren van het veld en dieren in de wei, alles wat kruipt en op vleugels gaat’ (Ps. 148,7-9).

Zelfs vogels prijzen God. De kleine zwaluw verlaat zijn nest en vertrouwt zich toe aan de draagkracht van de lucht. Als het licht afneemt, vliegt de zwaluw duizenden kilometers en oriënteert zich op sterrenbeelden die hij nooit gezien heeft. Hij prijst God doordat hij gehoorzaamt aan een wet die hij met zich meedraagt. Zo kunnen we ook leren om God lief te hebben: door onze vleugels uit te slaan en te gehoorzamen aan de wet die we in onszelf ontdekken. God liefhebben met je hart, je ziel, met je kracht en je verstand kun je alleen als je zelf je leven leeft en je niet laat besturen door andere mensen die je van alles willen voorschrijven. God liefhebben is in die zin het einde van alle geboden en verboden. Misschien dat daarom na het gesprek niemand Jezus nog iets durfde te vragen. Zijn antwoord was juist, maakt verdere discussie zinloos.

De naaste

Maar hoe is het dan met de naastenliefde? Vaak wordt die gezien als het overwinnen van je egoïsme. In een kantoor van een Amerikaanse evangelicale organisatie zag ik op een boekenkast een sticker met de woorden: LOVE YOURSELF. Toen ik iemand daarop wees, zei hij: Jawel, maar dat is heel christelijk: heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt. Als je jezelf veracht, wordt het met die naastenliefde ook niets. Eigenliefde en liefde tot God en de naaste staan niet in tegenstelling tot elkaar. Er is wel een groot verschil tussen het egocentrisme van een in feite angstig mens en het jezelf liefhebben omdat God je lief heeft. Dat laatste is een basis van waaruit ook weer de liefde tot de ander als een heilig moeten kan ont­staan. Niet omdat iemand het je vertelt, maar vanuit je eigen drijfveer.

Bij Marcus 12:28-34

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken