Het nieuwe katholieke Frankrijk
Simon Bénit over renaissance, secularisering en het pausbezoek aan Parijs
Paus Leo XIV bezocht dit najaar Lourdes, Metz en Parijs. Waar zijn voorganger Europa nog omschreef als ‘vermoeid en verschanst’ en een officieel staatsbezoek aan Frankrijk oversloeg, werd nu zichtbaar hoe populair de katholieke leider daar is. In Stade de France kwamen 80.000 jongeren voor de paus en bij de gezamenlijke mis nog eens 800.000 bezoekers. Waar komen al deze mensen vandaan? Is er sprake van een katholieke opleving in Frankrijk? Of moeten we voorzichtig zijn met al te snelle conclusies? Socioloog Simon Bénit geeft opheldering.
Dit najaar vulden honderdduizenden katholieken de Place de la Concorde, in hartje Parijs, om een mis van paus Leo XIV bij te wonen. Ruim twee eeuwen eerder verloor staatshoofd Lodewijk XVI op precies hetzelfde plein, na zijn staat, ook zijn hoofd, waarmee symbolisch een einde kwam aan de historische verwevenheid van Frankrijk en het katholicisme. Dat een van de beroemdste pleinen van de Franse Revolutie zich zonder veel gêne laat gebruiken als decor voor een pausmis, lijkt op het eerste gezicht misschien een opmerkelijke terugkeer naar een eerder verleden. Maar de gelijkenis is bedrieglijk. Achter die oude rituelen gaat een religie schuil die inmiddels maatschappelijk een heel andere positie inneemt. Wat gebeurt er met het Franse katholicisme wanneer katholiek-zijn niet langer vanzelfsprekend is?
Een renaissance zonder herstel
Wie de Nederlandse berichtgeving rond het pausbezoek volgde, kon gemakkelijk de indruk krijgen dat het katholicisme in Frankrijk een kleine wedergeboorte beleeft. Het Nederlands Dagblad sprak over een “opvallende toestroom” van nieuwe katholieken en een “explosieve groei” van het aantal volwassen dopelingen. Daar is ook wel iets voor te zeggen. Met Pasen werden dit jaar ruim 13.000 volwassenen gedoopt, ongeveer drie keer zoveel als vier jaar geleden, en specifiek onder jongvolwassenen groeit het aantal nieuwe bekeerlingen snel. Tel daar 80.000 jongeren in het Stade de France en de 800.000 mensen rond de pausmis in Parijs bij op, en het beeld van een religieuze opleving dringt zich haast vanzelf op.
Alleen meten deze cijfers verschillende dingen. Een groeiend aantal volwassen bekeerlingen zegt iets anders dan het aandeel katholieken in de bevolking, en een volle Champs-Élysées weer iets anders dan wekelijkse kerkgang. Op die laatste, minder mediagenieke maatstaven zet de daling gewoon door. De Franse godsdienstsocioloog Céline Béraud waarschuwt daarom voor al te grote woorden als réveil of renaissance. De groei van volwassendoop is oprecht spectaculair, maar valt in het niet bij het veel grotere verlies aan vanzelfsprekende en duurzame socialisatie via het gezin. In 2000 werden ongeveer 380.000 kinderen gedoopt, tegenover circa 150.000 in 2024. Ook van een massale terugkeer naar de kerkbanken lijkt vooralsnog geen sprake. Het aandeel regelmatige katholieke kerkgangers daalde in Frankrijk van 37 procent in 1952 naar 17 procent in 1981, en 7 procent in 2018.
Wat bezielt de nieuwe katholieke aanwas?
Ook zonder ware renaissance blijft het interessant te onderzoeken waarom nieuwe generaties hun heil zoeken bij een instituut waarvan al decennia wordt beweerd dat het niet meer bij een moderne samenleving past. De klassieke sociologie heeft hier al verrassend veel taal voor ontwikkeld. Max Weber beschreef bijvoorbeeld hoe modernisering de wereld steeds verder ‘onttovert’: wetenschap en rationalisering verdringen religie als vanzelfsprekend kader van betekenis, zonder dat daarmee de behoefte verdwijnt om richting en samenhang in het bestaan te zoeken en iets te ervaren dat boven het alledaagse uitstijgt. Twee recente enquêtes onder Franse catechumenen – katholieken die zich voorbereiden op hun doop – laten zien dat dit een belangrijke drijfveer was achter hun keuze. Veel respondenten noemen een intense spirituele ervaring als motief, een levensbeproeving die een zoektocht naar betekenis op gang bracht, of existentiële twijfel.
Diezelfde modernisering verandert ook wie geacht wordt te bepalen hoe een leven eruitziet. Waar identiteit en levensloop vroeger sterker werden vormgegeven door familie, kerk en andere instituties, is het nu meer aan individuen zelf om te kiezen wie ze zijn, wat belangrijk is en hoe ze willen leven. Dat geeft weliswaar veel vrijheid, maar die vrijheid is zelf ook een dwingende norm geworden, die gepaard kan gaan met keuzestress en een verlammend gevoel van persoonlijke verantwoordelijkheid. Die opgedrongen autonomie uit handen geven door je aan te sluiten bij een vastomlijnde oude traditie kan een deel van die spanning wegnemen. In de enquête van de christelijke krant La Croix zag bijvoorbeeld 63 procent van de nieuwe bekeerlingen de katholieke kerk als een “vuurtoren die de weg wijst in de duisternis”. Tegelijkertijd moet worden benadrukt dat het kiezen voor een traditioneel instituut met duidelijke regels en begrenzingen minder op gespannen voet staat met het individualisme dan het in eerste instantie lijkt. Sociologen Danièle Hervieu-Léger en Jean-Louis Schlegel wijzen erop dat katholieke bekeerlingen prima passen bij een cultuur waarin eigen keuzes centraal staan. Ze kunnen als een soort ‘modelgelovige’ functioneren. Op een bepaalde manier is zo’n geloof waar zelf voor is gekozen natuurlijk nog ‘authentieker’ dan dat van iemand die het klakkeloos van de ouders en omgeving heeft overgenomen.
Nieuwe bekeerlingen passen bij een cultuur waarin eigen keuzes centraal staan
Dat gezegd hebbende is bekering ook geen puur individuele aangelegenheid, en blijft sociale inbedding belangrijk. Mensen om ons heen maken een religieus leven zichtbaar als een reële mogelijkheid. Voor mensen zonder zulke directe contacten kan het internet natuurlijk een oplossing bieden. Franse en Nederlandse media wilden nog weleens wijzen op TikTok-priesters en online traditionalisme als verklaring voor de hernieuwde belangstelling. De enquête van La Croix biedt de nodige nuance bij deze voorstelling van zaken. Het directe sociale netwerk blijkt veel belangrijker in het geloofstraject dan de onlinewereld: vrienden en partners worden verreweg het meest als primaire motivatie voor de bekering genoemd. Influencers komen een stuk minder vaak voor, en zelfs dán vooral als aanvullende reden. Het internet is wellicht eerder een versterker en ontmoetingsplek dan de ware motor achter de hernieuwde interesse.
Dat sociale inbedding zo belangrijk blijkt voor bekering, suggereert ook dat de nieuwe aanwas misschien niet zo ‘nieuw’ is als soms wordt voorgesteld. In de enquête van de katholieke kerk bleek bijna de helft van de nieuwe dopelingen al een christelijke achtergrond te hebben. Hier kan een paradox van de secularisering meespelen. Historicus Guillaume Cuchet wijst erop dat de generatie die in de jaren zestig en zeventig met het katholicisme brak, de kerk nog van binnenuit kende en zich er bewust tegen kon afzetten. Voor hun kleinkinderen ligt dat anders. Zij hebben vaak weinig religieuze bagage, maar daardoor ook minder geërfde weerstand. Wat voor hun grootouders benauwend en ouderwets was, kan voor hen weer onschuldig of heilzaam worden, en zelfs de verleidelijke charme van een tegencultuur krijgen.
Van meerderheid naar minderheid
Er zijn dus verschillende redenen die helpen verklaren waarom mensen zich vandaag tot een oude religieuze traditie wenden. Maar dat betekent niet simpelweg een terugkeer naar het katholicisme van weleer. Zelfs een eeuwenoud instituut bestaat immers niet in een sociaal vacuüm. Decennia van maatschappelijke verandering hebben de betekenis en positie van de katholieke kerk in Frankrijk ingrijpend veranderd.
Om te beginnen verloopt de Franse secularisering asymmetrisch en zijn niet alle religieuze milieus in dezelfde mate geraakt. Ze heeft vooral de vanzelfsprekende overdracht van het historisch dominante katholicisme uitgehold, terwijl migratie groepen naar Frankrijk bracht die uit heel andere seculariseringstrajecten kwamen. Onder Fransen zonder migratieachtergrond nam de religieuze ongebondenheid het afgelopen decennium dan ook veel duidelijker toe dan onder immigranten, en vooral binnen de moslimgemeenschap wordt religie nog relatief sterk van ouders op kinderen doorgegeven. De omgang met orthodoxe moslimleeftijdgenoten kan het idee ondergraven dat secularisering nu eenmaal de natuurlijke loop der dingen is en een uitgesproken geloofsleven in 2026 ook voor katholieken weer voorstelbaarder maken. De overgang naar een meer religieus en cultureel diverse samenleving zet daarnaast ook oude zekerheden onder druk en kan daardoor de behoefte aan continuïteit en een duidelijker omlijnde identiteit versterken. Volgens godsdienstsocioloog Yann Raison du Cleuziou krijgt dat concreet vorm in een katholicisme dat zich nadrukkelijker als culturele minderheid organiseert met meer nadruk op eigen normen en tradities en duidelijkere etno-nationalistische ondertonen.
Daarnaast heeft secularisering ook de samenstelling van de kerkelijke gemeenschap beïnvloed. Raison du Cleuziou spreekt in dat verband van een transition minoritaire: naarmate katholiek-zijn in Frankrijk minder vanzelfsprekend wordt, verandert het profiel van degenen die zich nog tot de kerk rekenen. In een nationale volkskerk zitten overtuigde gelovigen naast mensen die vooral meedoen omdat hun ouders dat deden en bijna iedereen in hun omgeving katholiek was. Wanneer die vanzelfsprekendheid verdwijnt, vallen de lossere, nominale randen weg. Wie blijft, is gemiddeld nauwer betrokken; wie er als volwassene bijkomt, heeft er überhaupt bewust voor moeten kiezen. Raison du Cleuziou beschrijft dit proces als een interne ‘desecularisering’: een hardere kern waarin ritueel, religieuze discipline en duidelijk omlijnde geloofsartikelen weer meer gewicht krijgen, en die ook een stevigere katholieke groepsidentiteit ontwikkelt.
Secularisering kan een kerk dus paradoxaal genoeg tegelijk kleiner én religieuzer maken. Zo’n hechtere kern lijkt ook meer nadruk te leggen op de publieke rol van het geloof. Die kan zich vervolgens vertalen in collectieve mobilisering en een grotere publieke zichtbaarheid. In Frankrijk was dit goed te zien bij de verrassend felle protesten van katholieken tegen het homohuwelijk tussen 2012 en 2016, en het recente enthousiaste onthaal van de paus in Parijs.
Secularisering kan een kerk tegelijk kleiner én religieuzer maken
De dochter van de Kerk en de dochter van de Republiek
Dat veranderde katholicisme stelt ook een nieuwe vraag over wat die publieke aanwezigheid symbolisch betekent. Een massale pausmis op een van de beroemdste pleinen van de Republiek kan gemakkelijk de indruk wekken dat het seculiere Frankrijk terrein prijsgeeft. Om te begrijpen waarom dat niet vanzelf spreekt, moeten we kijken naar de specifiek Franse invulling van secularisme, de zogenaamde laïcité. Die berust niet alleen op de juridische scheiding van kerk en staat, maar op een bredere republikeinse visie op burgerschap.
Een ideaaltypische vergelijking met Nederland laat goed zien dat dezelfde liberale uitgangspunten kunnen leiden tot vrij verschillende voorstellingen van wat secularisme eigenlijk is. De Nederlandse staat is er historisch aan gewend geraakt religieuze en levensbeschouwelijke groepen als legitieme collectieve gesprekspartners te erkennen. Secularisme betekent hier dat de staat zulke groepen in beginsel op gelijke voet probeert te behandelen. Het Franse universalistische ideaal vertrekt daarentegen vanuit het idee dat een nationaal collectief pas kan ontstaan wanneer particuliere groepsidentiteiten naar de achtergrond verdwijnen en de nadruk komt te liggen op wat individuen gemeen hebben. De staat krijgt daarmee de actieve taak een neutrale publieke ruimte te bieden, waarin mensen worden aangespoord hun private groepsidentiteiten zo veel mogelijk thuis te laten, zodat ze elkaar in de eerste plaats als gelijkwaardige burgers kunnen ontmoeten. Het debatteren over welke aspecten van iemands identiteit vervolgens moeten worden gezien als ‘belemmering’ voor zo’n republikeinse ontmoeting, en welke mogen gelden als ‘neutraal’, is uiteraard uitgegroeid tot een nationale volkssport. Religie is een relatief stabiele uitzondering, in de zin dat de Republiek haar al vanaf de begindagen liever niet te nadrukkelijk aan de tafel ziet verschijnen.
Buiten Frankrijk bestaat hierdoor nog weleens het beeld van een republiek die bij iedere zichtbare religieuze uiting nerveus door haar grondwet begint te bladeren. Maar het is belangrijk om die ‘republikeinse publieke’ ruimte niet te verwarren met de ‘openbare ruimte’ in alledaagse zin. De neutraliteit die laïcité verlangt, richt zich in de eerste plaats op de politiek, de overheid en het onderwijs. Dit helpt mede verklaren waarom christendemocratie in Frankrijk nooit zo’n vanzelfsprekende regeringstraditie werd als in Nederland, Duitsland of Italië. Illustratief is bijvoorbeeld het incident waarbij de katholieke politica Christine Boutin er in 1998 in slaagde een klein nationaal trauma te veroorzaken door tijdens een parlementair debat plotseling een bijbel uit haar tas te halen. Je ziet het eveneens terug in de voor Nederlanders nogal overspannen houding tegenover religieus onderwijs en het dragen van zichtbare religieuze symbolen door docenten. Tegenwoordig draait het onderwijsdebat zelfs om religieuze klederdracht van scholieren en de vraag op welk punt afzonderlijke geloofsuitingen gezamenlijk een publieke school van een neutrale in een particularistische ruimte veranderen. Maar dat burgers hun religie zichtbaar belijden op straat, in een processie of tijdens een mis op een openbaar plein, is op zichzelf niet in strijd met Frans secularisme.
Binnen die republikeinse logica raakt katholieke zichtbaarheid vooral politiek beladen zodra ze aanspraak lijkt te maken op Frankrijk als geheel. Illustratief is in die zin de Clovis-affaire van 1996. Die ging over de vraag of president Chirac deel mocht nemen aan de viering van de vijftienhonderdste verjaardag van de doop van de Frankische koning Clovis, waar ook de paus aanwezig zou zijn. Met het typische Franse gevoel voor proportie verschenen er protestmarsen op links en rechts, pamfletten, minstens veertien boeken, een bom en een polemiek van de directeur van Yves Saint Laurent over een vermeende aanval op de laïcité. De steen des aanstoots was niet zozeer dat een paus in Frankrijk verscheen of dat katholieken publiekelijk hun geschiedenis vierden. Het probleem zat hem in de formule dat “de doop van Clovis de doop van Frankrijk” zou zijn. Zodra de staat zo’n religieuze oorsprongsmythe leek te onderschrijven, lag onmiddellijk weer de vraag op tafel wie Frankrijk eigenlijk vertegenwoordigde en zijn burgers moreel mocht vormen. Daarmee begon een nieuwe slag in de eeuwenoude strijd tussen les deux France: de dochter van de Kerk en de dochter van de Revolutie.
Dat is anno 2026 toch wel echt veranderd. Het katholicisme kan vandaag simpelweg geen geloofwaardige aanspraak meer maken op de positie van een nationale volkskerk. Er was rond de komst van paus Leo XIV nog enig gemor over gereserveerde plaatsen voor parlementariërs en de uitgaven die de gemeente Metz had gedaan rond de pontificale feestelijkheden. Maar een president kon inmiddels zonder nationale zenuwinzinking al citerend uit de Bijbel spreken over de historische “bijzondere band” tussen Frankrijk en de Kerk, en zich trots tonen over het Franse christelijke erfgoed. Laïcité betekende immers, zo verzekerde Macron de paus, “geenszins het afwijzen van religie”.
Er is kortom wel degelijk iets gaande in het religieuze landschap van Frankrijk. Nieuwe generaties weten de weg naar de kerk weer te vinden, maar zij treffen daar een katholicisme aan dat door decennia van secularisering kleiner, bewuster en scherper omlijnd is geworden. Ook de politieke betekenis van dat katholicisme is veranderd nu het ondubbelzinnig een minderheid is geworden. Een megamis op de Place de la Concorde past daarom prima binnen een seculariserend Frankrijk. Wat aanvankelijk voelt als een terugkeer naar vroegere tijden, is wellicht eerder een voorproefje van het Franse katholicisme van de toekomst.
Simon Bénit studeerde Antropologie en Frans in Leiden en Poitiers. Hij is nu wetenschappelijk docent Sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, met een focus op demografie, cultuursociologie en vraagstukken rond sociale cohesie en conflict.