Menu

Premium

Het tegoed van Jesaja

3e zondag van de Advent (Jesaja 65,17-25 )

De Adventstijd is een tijd van verwachting. De lezing uit Jesaja 65 sluit daar mooi bij aan. Het gaat er over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Het leven is er goed en iedereen is gelukkig. Alle ellende en alle verdriet van vroeger worden vergeten. Het meeste in dit gedeelte zal de kerkgangers onmiddellijk aanspreken. De enige dissonant lijkt te zijn dat mensen uiteindelijk toch zullen sterven, al is het dan op een hoge leeftijd.

Het bijbelboek Jesaja verwijst naar gebeurtenissen uit een lange periode, van de tijd van de profeet Jesaja zelf (vanaf ongeveer 734 v.Chr.) tot het einde van de Babylonische ballingschap, zo’n twee eeuwen later. Er wordt verwezen naar onderdrukking van de armen en ander maatschappelijk onrecht, maar ook naar een aantal oorlogen, waarvan de laatste uitliep op de verwoesting van Jeruzalem en de deportatie van een deel van de bevolking naar Babel (587 v.Chr.).

Tussen de beschrijvingen van de ellende die het volk ondergaat is er ook sprake van hoop en van betere tijden. Bijna aan het einde van het boek gaat het twee keer over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, in 65,17 en 66,22. God schept een nieuwe wereld voor al degenen die bij Hem willen horen. Er komt een einde aan alles wat hun leven kapotmaakt. Alle narigheid waar het in de eerdere hoofdstukken van Jesaja over ging is definitief voorbij. God schept ook een nieuw Jeruzalem, met inwoners die jubelen van blijdschap (65,18). Als je bedenkt dat het boek Jesaja eerder verwees naar de verwoesting van Jeruzalem, zie je in hoe bijzonder die boodschap is. De verwoeste stad zal straks een centrale rol spelen in de nieuwe wereld die God tot stand brengt.

Grenzeloos geluk

In veel opzichten stijgt het geluk in Gods nieuwe wereld uit boven de gebruikelijke verwachtingen van het leven. Dat geldt voor de hele schepping, inclusief de dieren. Met woorden uit een oudere heilsprofetie in het boek Jesaja (11,6-9) wordt beschreven dat de dieren in vrede met elkaar zullen leven en dat leeuwen en slangen geen schade meer zullen aanrichten (65,25).

Ook voor mensen wordt het leven zoals het moet zijn. Ze spannen zich in voor een goede toekomst, maar het is tragisch dat ze nu de vruchten van hun inspanningen vaak niet kunnen plukken. Oude teksten uit het Midden-Oosten laten zien dat dat in de tijd van de Bijbel een van de grootste frustraties was. De verrassende boodschap is dat zulke frustrerende ervaringen in de toekomst niet meer zullen voorkomen (65,21-23). Iedereen leeft heel lang en gelukkig en niemand wordt jong uit het leven weggerukt. Dat betekent een enorme verbetering ten opzichte van de wereld van de eerste lezers: een wereld waarin volwassenen maar ook veel kinderen stierven door oorlog, honger en geweld. Zo zal het in de toekomst niet meer zijn.

Uiteindelijk toch sterven

De lezing kan ook vragen oproepen. De nadruk ligt er niet op, maar de vooronderstelling is dat ook op de nieuwe aarde mensen uiteindelijk nog steeds zullen sterven. In het Nieuwe Testament is dat anders. In Openbaring wordt van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde dit gezegd: ‘Er zal geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat er eerst was is voorbij’ (Op. 21,4). Die woorden doen denken aan Jesaja 65,17- 25, maar ze gaan dus een stap verder: op de nieuwe aarde zal de dood niet meer bestaan.

In het Oude Testament vind je de gedachte dat God de dood volledig aan banden legt maar zelden. Een voorbeeld is Jesaja 25,8: ‘Voor altijd doet Hij de dood teniet. God, de Heer, wist de tranen van elk gezicht; de smaad van zijn volk neemt Hij van de aarde weg.’ Maar die uitspraak is binnen het Oude Testament nogal uitzonderlijk. Over het algemeen zijn de verwachtingen daar aards en minder radicaal. Een heel lang en gelukkig leven wordt er als een grote zegen gezien, zelfs als de dood er uiteindelijk op volgt. Abraham, Gideon, David en Job stierven ‘in gezegende ouderdom’ of ‘verzadigd van het leven’ (Gen. 15,15; 25,8; Re. 8,32; 1 Kron. 29,28; Job 42,17). Hogere verwachtingen hadden ze kennelijk niet.

Dan is het aardse leven goed

Jesaja 65,17-25 lijkt al met al misschien niet zo’n gelukkige keuze. Kunnen we niet beter een gedeelte uit het boek Openbaring lezen? Toch heeft het gedeelte uit Jesaja een sterke kant die ik – met een term van Kornelis Heiko Miskotte – zou willen aanduiden als een ‘tegoed’. De beschrijving van het leven op de nieuwe aarde sluit aan bij onze ideeën over wat fijn, goed en rechtvaardig is. Daardoor roepen de woorden onmiddellijk herkenning op. Als we genieten met de mensen om ons heen, of als we na ons pensioen tevreden terugkijken op een goed leven, dan kunnen we dat ervaren als een zegen. Je zou kunnen zeggen dat zulke ervaringen volgens Jesaja vooruitlopen op wat nog komt.

Ten slotte nog iets over de interpretatiegeschiedenis. In Jesaja 65,22 staat dat ‘de levensduur van mijn volk zal zijn als de levensduur van een boom’. Interessant zijn twee heel oude joodse vertalingen van dat vers. De Griekse Septuaginta en de Aramese Targoem maken ervan: ‘De levensduur van mijn volk zal zijn als de levensduur van de levensboom.’ Die levensboom is een van de bekende bomen in de hof van Eden (Gen. 2,9; 3,22.24). Daarvan werd aangenomen dat hij nog steeds bestond (vergelijk Op. 2,7; 22,2.14.19), maar dat hij sinds de verdrijving van Adam en Eva uit de hof van Eden voor mensen onbereikbaar was. De twee vertalingen scherpen de tekst uit Jesaja dus aan: als die levensboom altijd blijft bestaan, komt er ook aan het leven geen einde.

Deze exegese is opgesteld door Paul Sanders.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken