Menu

Premium

Het visioen van Johannes

Bij Openbaring 1,12b-20 (en Genesis 28 en Lucas 24)

Het leesrooster voert ons dit jaar van Pasen naar Pinksteren in grote stappen door het boek Openbaring. We moeten het fragment uit hoofdstuk 1 daarom lezen als pars pro toto voor de eerste vier hoofdstukken van het boek. De brieven aan de zeven gemeenten zijn dus als het ware inbegrepen in het visioen van de figuur die deze brieven dicteert.

Het is dan wel beter om de lezing te laten beginnen bij vers 9. Want het visioen begint met een stem die de ik-figuur ertoe brengt om zich om te keren, en die stem introduceert in vers 11 de zeven gemeenten die in het visioen zijn inbegrepen. Ik zie geen enkele literaire of theologische reden om de lezing halverwege vers 12 te laten beginnen.

Integendeel: misschien is het wel een heel wezenlijk motief voor elke vorm van ‘openbaring’ dat je, om er deel aan te krijgen, ten eerste aangesproken of geroepen moet worden, en je ten tweede om moet keren. Je moet uit je eigen blikrichting en leefrichting gehaald worden, uit je eigen vaart en koers. Je moet omkijken, en dan al je aandacht wijden aan iets wat niet op jouw blikveld lag. Anders zal het je allemaal ontgaan.

In de kring van zeven lichten

Wat de ziener dan ziet en hoe hij erop reageert, doet sterk denken aan enkele visioenen van Ezechiël en aan de Mensenzoon in de profetieën van Daniël. Toch vertelt de auteur van Openbaring er een heel eigen verhaal mee. Mij valt op dat het begint en eindigt met de kring van zeven lichten. Die zijn een verbeelding van de gemeenten waaraan de brieven straks zullen worden gericht. Hoe overweldigend de gestalte volgens de beschrijving ook is, die lichtkring is het eerste wat de ziener ziet, en we keren daarnaar ook terug in de laatste zin die de gestalte spreekt voordat hij de brieven gaat dicteren. De gestalte staat in die kring en draagt de oudsten van de gemeenten als sterren in zijn rechterhand. Dat kleurt alles wat tegen en over de kerken gezegd gaat worden. Het is een soort basiskrediet: welk oordeel er ook in woorden doorklinkt, de Heer stapt niet uit die kring.

Zijn aanblik

Er zijn veel afbeeldingen gemaakt van wat Johannes zag, alsof het een statisch beeld betreft, maar in feite is het beeld vloeiend, als het ware met de blik mee, zoals dat hoort in een visioen. De eerste blikbeweging is van beneden naar boven: de kring, het lange kleed (podèrès, ‘tot over de voeten’), hogerop de borstgordel en dan het hoofd, waarbij de glans steeds toeneemt. Dan komt er een tweede blikbeweging, opnieuw van onderaf. Ditmaal zijn de onderbenen zichtbaar en ze zinderen, alsof de vuurgloed van de ogen uit vers 14 door de blik van de ziener wordt meegenomen naar de voeten. Maar de stem, ‘als van vele wateren’ zoals de stem van de Eeuwige in Ezechiël 1,24, trekt de blik weer omhoog en zo kom je bij de hand. Daarin rusten nu de zeven sterren. Het hoort bij een visioen dat dezelfde hand straks ook op het hoofd van de ik-figuur kan rusten, zonder dat je de sterren ‘ergens hoeft te laten’. Maar de blik gaat nu eerst weer verder omhoog, naar de mond, om de eindigen bij de opsis. Met dat laatste woord kan de algehele aanblik bedoeld zijn, maar ook, in de lijn van de beweging, het aankijken, de ontmoeting van de blik – want hierop valt de ziener voor dood neer.

Scherpe trefzekere woorden

De gestalte is niet alleen stralend en onaantastbaar. Het is uitdrukkelijk een gestalte met een andere macht dan die van wapens en paarden. Het lange kleed is letterlijk geen vechtjas. En de gordel is er niet om het lopen te vergemakkelijken, maar om het kleed op het hart te binden, waarbij het goud de zuiverheid beklemtoont: dit vredesgewaad is niet zomaar buitenkant. Hadden wij de ingrediënten van het beeld los aangeleverd gekregen, dan hadden we waarschijnlijk het zwaard in de rechterhand geplaatst en de sterren bovenop het hoofd. Maar dat is niet wat we zien: de zwaardmacht wordt sprekend uitgeoefend, met scherpe en trefzekere woorden, om te beginnen in de zeven brieven – maar de oudsten rusten in de rechterhand van de spreker en al gloeien zijn voeten, hij blijft binnen de kring.

Die de dood overwonnen heeft

De zelfaanduiding van de gestalte in de verzen 17-18 is een variatie op die in vers 8. Ze bestaat uit drie zinnetjes waarvan de middelste ook weer in drieën gaat: (a) de eerste en laatste; (b) die was, is en zijn zal; (c) die alle macht heeft. Meer dan in vers 8 benadrukken de bewoordingen van 17-18 dat de alomvattendheid van deze figuur de dood heeft overwonnen. Het begint en eindigt niet met het grote niets, maar met Hem. De dood lag op zijn route, Hij heeft er de sleutel van. Opnieuw is des te treffender dat de zeven kandelaren niet in dat oppermachtige figuur verdwijnen, maar dat Hij in hun kring wil staan.

Op die manier is dit visioen goed te lezen naast de andere lezingen op deze zondag na Pasen: over de Jakobsladder en de Emmaüsgangers. Ook dat zijn openbaringsverhalen, over de Eeuwige die aan Jakob verschijnt en de Opgestane die zich aan twee discipelen kenbaar maakt. In beide gevallen is er vanuit de eeuwigheid een grote compassie met de mensen tot wie God of Christus zich richt: ze worden niet weggeblazen of nietig gemaakt, ze worden heel gehouden en serieus genomen, zodat ze vervolgens kunnen opstaan om ‘met God’ te doen wat ze doen moeten. Dat is ook wat via de brieven van de zeven gemeenten zal worden gevraagd.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken