Het Vlaams doperdom en de gedrukte tekst
Over de paradigmatische verschuiving van oraliteit naar tekstualiteit
Inleiding
Boeken, brieven, wetteksten, belastingpapieren, bibliotheken en internet. De filosofen zeggen ons dat we intertekstuele mensen zijn. In die alomtegenwoordige intertekstualiteit bedrijven we de theologie. De middeleeuwse theoloog daarentegen behoort in zijn tijd tot een zeer beperkte geletterde elite. De gewone middeleeuwse leek moet het in de godsdienstbeleving geheel en al zonder tekst stellen en beoefent het geloof vanuit een orale symboliek. Wij kunnen ons nog nauwelijks enige voorstelling maken van de enorme verschuiving die de boekdrukkunst en de toenemende schrijf- en leesvaardigheid veroorzaakt hebben in de zestiende eeuw. Graff meent dat de bijdrage van de boekdrukkunst aan de Reformatie gemakkelijk wordt overdreven.
[1]
Hij beperkt zich echter tot de hoofdstromingen van de Hervorming in de zestiende eeuw. Een duidelijker beeld van de kennistheoretische verschuiving die de boekdrukkunst genereert, zien wij in randgroeperingen zoals bijvoorbeeld de Vlaamse dopers, in het bijzonder de martelaren onder hen. In de historiografie worden de dopers in de zestiende eeuw over het algemeen gezien als nauwelijks ‘theologisch’ en hun theologisch verstaan heeft dientengevolge weinig academische aandacht verkregen. Vergelijken wij echter het oraal bewustzijn met wat er gebeurt wanneer mensen gaan lezen en schrijven, dan blijken groeperingen zoals de Vlaamse anabaptisten juist heel interessant. De eerste generatie dopers in Vlaanderen zijn immers hoofdzakelijk afkomstig uit de niet geletterde bevolkingsgroepen. Zij maken zich het lezen en schrijven eigen en beginnen zelf teksten te produceren. Zo laten zij een beeld zien van de mens die op het scharnierpunt tussen oraliteit en tekstualiteit theologie bedrijft.
[2]
Wij beogen in dit artikel ten eerste een korte verkenning van de kennistheoretische betekenis van de boekdrukkunst in de zestiende eeuw en volgen ten tweede, bij wijze van voorbeeld van de paradigmatische verschuiving van een orale cultuur naar een geschreven traditie, het theologisch verstaan in de Vlaams doperse martelaarsliteratuur.
1. De kennistheoretische betekenis van de boekdrukkunst in de zestiende eeuw
De gedrukte tekst en de Reformatie
De invloed van de gedrukte Schrift op de Reformatie is onderwerp van veel discussie. Zo bespreekt Packull de vraag in een lutherse context en geeft een overzicht van de discussie tussen de opponenten B. Moeller and R. Scribner.
[3]
Moeller gaat ervan uit dat de gedrukte tekst de belangrijkste inspirator geweest is, terwijl Scribner de voorkeur geeft aan de persoon Luther, die hij ziet als de apocalyptische boodschapper, de heilige, kortom de dynamische figuur die het volk inspireert. Als we deze beide visies op het Vlaams anabaptisme toepassen blijkt het moeilijk Scribners stelling vol te houden. Welke charismatische leider zouden we in Vlaanderen kunnen aanwijzen? De Vlaamse doperse diaken Jacob de Roore
[4]
was zeker een belangrijke figuur, maar we kunnen hem moeilijk een dergelijke inspirerende rol toebedelen. De bekende doperse leider Menno Simons komt ook niet echt in aanmerking: hij bracht nooit een bezoek aan Vlaanderen en slechts weinig Vlaamse dopers hebben hem in levende lijve ontmoet. Scribners voorstelling van zaken is daar relevant, waar hij de nadruk legt op het belang van de mondelinge verspreiding van het reformatorische gedachtengoed. De Schrift speelt echter voor hem slechts de rol van informatieoverdrager en moet in de context worden geplaatst van andere vigerende media zoals houtsneden,
[5]
volksfestiviteiten, de preek, gezangen en mond-tot-mond communicatie,
[6]
die alle een meer toegankelijke vorm van informatieoverdracht vormden in een oraal gerichte maatschappij.
[7]
Ook Ozment gaat ervan uit dat de Hervorming het wel zonder de gedrukte tekst had kunnen stellen omdat ‘(•••) the culture of the sixteenth century remained overwhelmingly oral’.
[8]
De gedrukte tekst zou dus weinig indruk gemaakt hebben op het gros van de bevolking en vereiste de hulp van het hardop voorlezen en/of de bijgevoegde illustraties. ‘To become a Protestant then required literacy no more than it does today (…)’, schrijft hij.
[9]
Deze discussie over de invloed van de gedrukte tekst beperkt zich tot de hoofdstromingen van de Reformatie, maar kunnen we hetzelfde beweren van de doperse beweging? Kunnen wij ons het anabaptisme voorstellen zonder gedrukte tekst? Of: kunnen wij ons het doperdom indenken zonder het toenemende leren lezen en schrijven veroorzaakt door het voorhanden zijn van de gedrukte tekst? Voor de gelovige die zich binnen een staatskerkelijk bestel situeert verandert er praktisch gezien weinig of niets en heeft de Hervorming pas achteraf theoretische betekenis. Voor de zich afscheidende mens verandert de kennis echter onmiddellijk en ingrijpend. De laatste moet immers een legitimerende symboliek opbouwen. De gedrukte tekst als fenomeen op zich speelt bij die symboliek een cruciale rol.
Het lezen en schrijven
De uitvinding van de drukpers geeft de mogelijkheid informatie op grotere schaal te verspreiden dan voordien het geval was, en zo zien wij dus veelal de uitvinding van de boekdrukkunst als middel tot verspreiding van de destijds vigerende reformatorische ideeën. Een dergelijk statisch begrip van communicatie, c.q. het doorgeven van stukjes informatie, gaat voorbij aan het feit dat elk communicatiemiddel als fenomeen sociale consequenties met zich meebrengt. Graham onderstreept dat ‘(•••) we have constantly to question our assumptions about books, reading, and writing, not only when dealing with non- Westem cultures that are often still highly oral, but also when studying our own culture prior to the nineteenth century.’
[10]
Als wij W. Ong mogen geloven wordt het menselijk bewustzijn zelf veranderd door de handeling van het lezen en schrijven en worden op gelijke wijze sociale structuren in een ander daglicht geplaatst.
[11]
Over het algemeen hebben wij deze handeling van het lezen en schrijven over het hoofd gezien, speciaal de invloed ervan op het christelijk denken en geloven. IJsseling zegt hierover:
Het is opvallend dat er in de grote filosofische tradities van Europa betrekkelijk weinig nagedacht is over de bezigheid van het lezen en schrijven (…). Noch in de analytische filosofie, noch in de zogenaamde continentale wijsbegeerte vindt men een grondige en uitvoerige analyse van het lezen en schrijven (…). Wel is er een grote belangstelling voor de hermeneutiek en de communicatie, maar lezen is niet hetzelfde als interpreteren en schrijven niet hetzelfde als communiceren.
De Vlaamse anabaptisten-schrijvers staan dichter bij de orale cultuur van de Middeleeuwen dan hun reformatorische tegenhangers, die zich meer dan de dopersen tot de literaire elite mochten rekenen.
[12]
De Vlaams doperse theologie is de theologie van de middeleeuwse leek die heeft leren lezen en schrijven en zal evenzeer door dit laatste beïnvloed worden als mogelijkerwijs door de inhoud van de Schrift die onderwerp is van dit lezen en schrijven.
De paradigmatische verschuiving
De diepgaande verandering, de epistemologische verschuiving van oraliteit naar tekstualiteit wordt eerder opgeroepen door het introduceren van de tekst als fenomeen dan door de inhoudelijke informatie die zij vertegenwoordigt!
[13]
Theoretisch zouden we kunnen stellen dat het dus niet uitmaakt om welke tekst het gaat, maar concreet betreft het in de westerse ontwikkeling van de boekdrukkunst in eerste instantie de bijbel. Godsdienstige geschriften zoals de bijbel vertegenwoordigen niet zomaar een willekeurige groep mensen die een bepaald geloof hebben aangenomen, maar juist omdat het religieuze teksten zijn, vormen zij tevens de essentie van de sociale begripsvorming, de maatschappelijke structuur en de kennistheorie. Dit is zeker ook het geval in de zestiende eeuw.
De Vlaamse middeleeuwse leek die doper wordt, leert lezen en schrijven maar verkrijgt daardoor niet slechts op een gemakkelijke manier toegang tot informatie. Deze nieuwe generatie lezers ondergaat een emanciperende transformatie van het bewustzijn zelf.
[14]
Dit kennistheoretisch effect van de boekdrukkunst is van het grootste belang. ‘Despite the assumptions of many semiotic structuralists, it was print, not writing, that effectively reifïed the word, and, with it, noetic activity,’ schrijft Ong.
[15]
Pas bij de uitvinding van de boekdrukkunst wordt het lezen en schrijven toegankelijk voor de massa. Het boek fungeert in een orale cultuur niet in eerste instantie als bron van informatie maar vervult evenzeer een symbolische functie en transformeert het wereldbeeld. ‘The technocratie culture eroded the line that had made the intellectual interests of educated people inaccessible to the working class (…)’, stelt N. Postman voor de technologische ontwikkelingen van de late achttiende tot negentiende eeuw.
[16]
Het zij opgemerkt dat deze beweging begint bij de techniek van de boekdrukkunst en in de zestiende eeuw haar wortels heeft. Sektarische rebellie (in de sociologische zin van het woord) zoals we die waarnemen in de Vlaamse doperse beweging betreft niet eenvoudigweg een godsdienstig meningsverschil maar is daadwerkelijk een teken van paradigmatische verschuiving: de gedrukte tekst dient zich aan als ongekende abstractie waar een bijna magische kracht van uitgaat,
[17]
een kracht die het mogelijk maakt zich te verzetten tegen de gevestigde gedragspatronen en opvattingen. Zo is tekst instrumenteel bij de paradigmatische verschuiving van monocultuur naar plurale maatschappij, van de ene katholieke kerk naar de veelheid van christelijke geloofsvormen.
Om een helder beeld te verkrijgen van de paradigmatische beweging die gedrukte tekst en in het bijzonder de gedrukte bijbelse tekst, teweegbrengt is het een gelukkige samenloop van omstandigheden dat de Vlaamse dopers over het algemeen juist geen theologische opleiding genoten, omdat zij daarom een reëel voorbeeld vormen van een analfabetische cultuur die overgaat naar een gemeenschap die zich het lezen en schrijven eigen maakt.
[18]
De dopers laten een verschuiving van een oraal bewustzijn naar geletterd bewustzijn zien. Wat dat betreft is de Vlaamse Peter van Ceulen, die in het gereformeerden-^versus-mennisten-godsdienstgesprek van Leeuwarden van 1596 de dopers vertegenwoordigde en geen formeel onderwijs genoot, interessanter dan iemand als een Menno Simons, die tenslotte een opleiding tot priester had doorlopen. De traditionele historiografie komt vaak tot de tegenovergestelde conclusie: hoe meer de desbetreffende persoon zich binnen de context van een orale traditie bevindt hoe minder hij of zij waardig geacht wordt om onderwerp te zijn van academische studie. Het is buitengewoon moeilijk voor de geletterde mens om zich van dit vooroordeel te ontdoen, en een diepgaande poging tot het begrijpen van het oraal bewustzijn is een schijnbaar onmogelijke taak. ‘Freeing ourselves of chirographic and typographic bias in our understanding of language is probably more difficult than any of us can imagine, far more difficult, it would seem, than the ‘deconstruction’ of literature, for this ‘deconstruction’ remains a literary activity.’
[19]
Ook al wordt de invloed van de wassende wetenschap en de toenemende technologie op de cultuur wijd en zijd besproken,
[20]
het schrijven als een vorm van technologie komt niet of nauwelijks aan bod. Denkpatronen die het kunnen lezen en schrijven als grondslag hebben, schijnen de moderne mens zo natuurlijk toe dat de veranderingen in godsdienstige en culturele bewustzijnsvormen in de zestiende eeuw ons grotendeels of geheel zijn ontgaan.
De grondlegger van de moderne linguïstiek, Ferdinand de Saussure, beklemtoonde opnieuw de orale aard van de taal die, zo stelde hij, complementair is aan het schrijven. Pas recentelijk hebben linguïstische studies een differentiatie verduidelijkt tussen primair orale culturen en culturen met een geschreven traditie.
[21]
‘We (those who read texts such as this) are for the most part so resolutely literate that we seldom feelcomfortable with a situation in which verbalization is so little thing-like as it is in oral tradition.’
[22]
Het geletterde westers denken neemt steeds de vorm van een abstracte structuur aan, het is inderdaad een ‘thing-like’ iets. Het is dan ook enigszins ontgoochelend voor de westerse theoloog om te beseffen dat de oorsprong van de christelijke theologie in een tijd is gesitueerd die nog niet van gedrukte teksten weet, dat er geen systematische theologie te vinden is in het Nieuwe Testament, dat Christus zelf geen enkele tekst produceerde, maar rondliep om verhaaltjes te vertellen die eigenlijk meer in de kinderbijbel passen dan dat ze een uitdaging vormen voor een rechtgeaarde academicus. De theoloog legt er zich dan vaak op toe om mystificerend en esoterisch met de bijbelse teksten om te gaan en alsnog structuren te vinden of op te leggen. Het is verontrustend dat de westerse theologie in feite diep antagonistisch is ten opzichte van de oorsprongen van het christendom dat enerzijds oosters is en anderszijds zelf wordt gemarkeerd door de sporen van oraliteit.
[23]
2. De paradigmatische veschuiving in de Vlaamse doperse martelaarsliteratuur.
Tekst als vorm
De geschiedenis van de Vlaamse dopers is weinig bekend. Anabaptisten zijn in de zuidelijke Lage Landen actief van ongeveer 1530 tot 1640.
[24]
Hun verhaal kenmerkt zich door lange periodes van wrede vervolging en ten slotte zullen zij uit Vlaanderen verdwijnen. Het grote aantal teksten dat zij nalaten getuigt echter van een gemeenschap die met originaliteit poogt te komen tot een nieuw theologisch verstaan.
De Vlaamse dopers identificeren zich als volgelingen van de Schrift.
[25]
In een martelaarsbrief met instructies aan haar kinderen schrijft de doperse Soetken van den Houte: ‘(…) leert seer leesen ende schryuen opdat ghy verstandich wordt (…).’
[26]
De tekst als symbool vervangt traditionele symbolen die bewust worden afgewezen. Als bijvoorbeeld de inquisiteur ten overstaan van de anabaptist Joos de Tollenaer stelt dat de godsdienstige beelden in de kerkelijke gebouwen toch het boek zijn van de eenvoudige mens, wijst Joos de Tollenaer zijn redenatie resoluut van de hand en gebruikt daarbij de term ‘afgoderij’. Joos betrekt zijn stelling verder op het gebruik van de landstaal als vervanging van het afgodische Latijn.
[27]
Met de boekdrukkunst verdwijnt de onbetwiste plaats van het Latijn. ‘Latinliteracy buttressed a social hierarchy that raised clergy above laity,’ stelt R. Bast.
[28]
Het zou te ver voeren, maar we zouden hetzelfde kunnen opmerken in de discussie rond de sacramenten. De symboliek van de orale cultuur wordt vervangen door de symbolische waarheid die men aan de tekst als vorm ontleent. De dopers beschuldigen de clerus dat ze de tekst afwijzen, omdat ze vrezen dat de mensen erdoor tot rede zouden komen.
[29]
Joos de Tollenaer gebruikt het begrip ‘rede’ in de bijbelse context. Zoals Vlaamse dopers in het algemeen, gaat ook Joos de Tollenaer ervan uit dat de rede nodig is om de Schrift te begrijpen én dat dit redelijk begrijpen een onafhankelijke bezigheid is. De beschuldiging van Joos de Tollenaer dat de clerus deze redelijke bezigheid vreest, is natuurlijk niet zonder grond. De zestiende-eeuwse opvatting van tekst als gevaar is overduidelijk gezien de lange index van verboden geschriften en de vele boekverbrandingen.
[30]
Zo wordt de mens als zelfstandig individu geboren. Niet langer de gemeenschap, de clerus of de orale symboliek zijn de exclusieve bron van kennis. De mens verkrijgt inzicht door zich te beroepen op een object, de tekst, en heeft daarbij alleen de eigen rede nodig.
De Vlaamse doper Jooskint
Het is onontkoombaar dat de tekst als verschijnsel ook de middeleeuwse theologie en vooral de wijze waarop zij wordt beoefend, in twijfel zal trekken. Een niet onbelangrijk voorbeeld van de kracht van de gedrukte tekst vinden wij in het gesprek dat zich ontspint tussen de Vlaamse doper Jooskint en zijn gerechtelijke ondervragers omtrent Mattheus 5 en het al dan niet zweren van de eed.
Jooskint wordt in Kortrijk gearresteerd om tenslotte zijn geloof met de marteldood te bezegelen. Jooskint heeft onder andere verzuimd ter biechte te gaan en heeft zich een half jaar eerder laten dopen. Zoals te doen gebruikelijk, wordt hij eerst door de gevestigde theologen ondervraagd omtrent zijn geloof met de bedoeling de weerbarstige ketter alsnog tot betere gedachten te bekeren. Uit zijn eigen verslaggeving blijkt dat Jooskint zeker geen geletterd theoloog is. Zo zegt hij van geen Augustinus, Gregorius of Ambrosius te weten. Alhoewel hij nu kan lezen en schrijven, blijkt zijn analfabetische achtergrond wanneer hij zegt zijn eigen leeftijd niet te kennen en deze schat tussen de twintig en de dertig jaar.
[31]
Het gesprek dat zich tussen beide partijen ontspint, gaat niet alleen over de theologische inhoud doch des te heviger over het feit dat Jooskint de mogelijkheid ziet om onafhankelijk van de middeleeuwse clerus een mening te vormen. Zo betoogt Jooskint, volgens de doperse opvattingen en naar aanleiding van Mattheus 5, dat het de christen niet toegestaan is de eed te zweren. Zijn ondervragers beweren dat er in Mattheus 5 niets wordt gezegd dat het zweren van de eed verbiedt. Als bewijsvoering dragen zij een bijbel in de volkstaal aan en tot hun verbazing blijkt dat Jooskint toch gelijk heeft. De parochiepriester biedt uitkomst: ‘Dien Bibel is vals, in ons Latijnsche staet anders.’
[32]
Jooskint verweert zich en weet te vertellen dat de vertaling is goedgekeurd door een Leuvense geleerde. De inquisiteur Ronse (de bekende Pieter Titelmans) vindt dan de volgende oplossing: de drukker had een knecht en terwijl hij zelf naar de stad moest, maakte de knecht er een potje van! We zien dat het paradigma voor beide partijen hetzelfde is: de tekst is correct en heeft gezag; tenzij er tekstproblemen aan te wijzen zijn, moet men hem aanvaarden. Door zo te argumenteren breekt Jooskint een gesloten maatschappelijke realiteit open en introduceert het gezag van het sprekend object (de tekst) tegenover dat van het sprekend subject (de clerus).
De handeling van het lezen van de bijbel reduceren tot het gemakkelijk toegankelijk maken van theologische informatie, zoals veelal het geval is geweest in de historiografie van de Reformatie, gaat voorbij aan dit fundamentele kernpunt: gedrukte tekst veroorzaakt een epistemologische verschuiving. Plato schreef reeds dat tekst kan genezen én vergiftigen en dat tekst een eigen onverwacht leven kan leiden.
[33]
Lezen en schrijven zijn handelingen die objectiveren en dat in onherroepelijke zin. We kunnen deze paradigmatische verschuiving nauwkeurig volgen in het verslag van Jooskint. De tekst als abstract object en kennistheoretisch referentiepunt drijft een wig tussen de leek en de clerus en verbreekt de eenheid van het middeleeuwse bestel.
[34]
De Vlaams doperse literatuur: oraal versus tekstueel bewustzijn
De verschillen tussen oraal en tekstueel bewustzijn zijn talrijk. Een orale cultuur is in haar kennis aangewezen op de onmiddellijke ervaring, het nuchtere verstand. In een geletterde cultuur wordt het denken lineair, logisch, coherent. In een orale cultuur is de spreker de focus van kennis, terwijl in een geletterde traditie de auteur van een tekst fysiek geheel afwezig is.
[35]
De centrale focus rond een thema in de orale cultuur moet in een literaire benadering plaatsmaken voor het detail, het accurate. Zo legt een orale cultuur de nadruk op de moraliteit van een gebeurtenis binnen een sociale context, terwijl een geletterde cultuur de voorkeur geeft aan analyse, het zoeken naar oorzaak en gevolg, en het juist indelen van de chronologische volgorde. De orale cultuur verkiest het clichématige, de geletterde mens minacht dit juist en zoekt originaliteit en het decontextualiseren van universele waarheid; niet de historische gebeurtenis zelf is van belang maar de abstracte kennis. Niettegenstaande deze grote verschillen blijven de beide culturen, vooral in de beginfase van het gebruiken van tekst, elkaar duidelijk overlappen. De eerste teksten zullen dus ook een grote mate van orale cultuur reflecteren.
[36]
‘[Rjeading from printed books does not silence oral culture’, schrijft Davis.
[37]
Het is nu juist deze situatie die we aantreffen in de Vlaams doperse literatuur! Elke brief en elk getuigenis bewijst niet alleen de zelfstandige werking van het verschijnsel tekst als zodanig (zoals wij reeds zagen bij Jooskint) maar ook de aanwezigheid van een orale denkwijze. Grofweg stellen we dat voor de Vlaamse dopers tekst qua vorm de hoofdtoon voert en dat inhoudelijk de traditionele orale denkwijzen grotendeels van kracht blijven.
Elementen die belangrijk zijn voor een orale denkwijze
[38]
en die verhelderend werken voor ons begrip van de doperse martelaarsliteratuur zijn bijvoorbeeld de karakteristieke afhankelijkheid van mnemonische middelen, addi- tieve en agonistische narratieve zinspreuken, het gemak waarmee men geweld bespreekt, het homeostatische verstaan van tijd en zelfs de belangstelling voor de martelaren zelf. Mnemonische middelen in de Vlaamse doperse literatuur laten zich illustreren door het veelvuldige gebruik van de Schrift, vaak uit het hoofd geciteerd. Een dergelijke parate kennis is voor ons verbazend, maar lijkt volkomen natuurlijk als men bedenkt dat een orale cultuur afhankelijk is van het geheugen dat voornamelijk opgeslagen wordt in het gebruik van formules en soortgelijke mnemonische trucjes. ‘Formulaic expressions function as wholes, as a convenient way to signal knowledge that is already shared,(…) a convenient tooi to signal already shared social meaning.’
[39]
De bijbelse tekst leent zich hiervoor bij uitstek daar hij grote hoeveelheden eeuwenoude formules bevat uit weer andere orale culturen en als zodanig de nodige structuren voor orale mnemoniek reeds in zich draagt. Daarom dan ook de eindeloze herhalingen van dezelfde bijbelversen in de Vlaams doperse martelaarsliteratuur. Wij vinden er de veelvuldige herhaling van verschillende bijbelse thema’s, bijvoorbeeld de bijl die aan de wortel van de boom ligt, mocht de vrucht uitblijven, de dienstknecht die niet meerder is dan zijn meester, het vuur dat het metaal beproeft, God die alle tranen van de ogen afwist, het eeuwig hemels huis dat niet door mensenhand gemaakt is, het niet vrezen van hen die het lichaam doden doch niet de ziel, en het vrezen van God als het begin der wijsheid.
[40]
Het additieve element is niet moeilijk te vinden in de Vlaams doperse literatuur. Behalve de belijdenissen van Jacob de Roore en Jacques d’Auchy zijn de brieven grotendeels narratief en geven geen blijk van een vooraf geplande literaire opbouw. Deze voorkeur voor de verhalende schrijfwijze is duidelijk kenmerkend voor oraliteit. In de orale cultuur is de kennis steeds onmiddellijk gerelateerd aan de menselijke ervaring. Hoewel dit in zekere mate kenmerkend blijft in alle culturen is het toch zo dat een geletterde cultuur deze verbintenis bedekt met meervoudige lagen van cognitieve abstractie. Orale culturen hebben geen toegang tot deze abstraherende bezigheid en het narratieve speelt dan ook een fundamentele rol in de organisatie van de kennis.
[41]
De Vlaamse dopers passen de narratieve techniek op tweeërlei wijze toe. Ten eerste geven zij bij het bespreken van de bijbelse tekst (vooral die van het Oude Testament) de voorkeur aan de narratieve gedeelten en ten tweede formuleren zij de eigen kennis in de context van het verhaal over de martelaren en de strijd waarin zij verwikkeld zijn. Terzijde wijzen wij erop dat ook de gezangen van de dopers deze verhaaltrant nogmaals bevestigen. Ook de veelvuldige herhalingen in dit verhalend communiceren onderstrepen de orale bewustzijnsstructuren. De eindeloze toevoegingen, de uitweidingen en de overbodige herhalingen zijn vermoeiend, nutteloos en vervelend voor de geletterde denker maar niet meer dan natuurlijk voor hen aan wie de orale cultuur eigen is. Zelfs wanneer een poging wordt ondernomen een abstract concept te omschrijven zoals (bij uitzondering) Herman Timmerman doet in zijn Een verklaringhe, kan men niet ontkomen aan eindeloze herhaling en amplificaties van hetzelfde thema. In plaats van de voor ons gebruikelijke stipte en beknopte ‘drie punten’ vinden we bij Timmerman gemakkelijk punt zeventien, achttien, enzoverder.
[42]
[43]
De agonistische toon is de Vlaams doperse literatuur ook niet vreemd. Ong leert ons dat de vroegste literatuur steeds, zoals gebruikelijk in een orale cultuur, getekend wordt door externe strijd en een grote mate van gewelddadigheid.
[44]
De sterke nadruk op eschatologische thema’s bij de dopers wordt in deze begrijpelijk als een normale orale focus op externe strijd. De vijanden die vertrapt zullen worden, verscheurd met ijzeren tanden,
[45]
het verbranden van de onrechtvaardigen gelijk het kaf,
[46]
de vlammen van het vuur en de verschrikkelijke wrake Gods vergezeld van zijn engelenheer,
[47]
de uiteindelijke verdoemenis
[48]
en eeuwige hellestraf
[49]
– dit alles past in het kader van het gewelddadige strijdthema dat zo prevalent is in de orale narratieven.
Ten slotte vermelden wij nog het homeostatisch verstaan van de tijd. Ook dit is evident in de Vlaams doperse martelaarsliteratuur. De nadruk op het heden wordt duidelijk in het betrekken van de eschaton op de tegenwoordige tijd enerzijds en het zichzelf verstaan als een onmiddellijke voortzetting van de nieuwtestamentische tijd anderzijds. De onderliggende vooronderstelling is dat alle christenen van alle tijden gelijk waren aan ‘ons’.
Besluit
Deze voorbeelden mogen voldoende zijn om te illustreren dat elementen van orale cultuur de Vlaams doperse literatuur doordrenken. Wij zouden hetzelfde kunnen betogen ten opzichte van vele andere kenmerken zoals de nadruk op participatie, het triomfalisme, het belichten van situaties in plaats van abstracte perspectieven, het luidop voorlezen van teksten
[50]
of de aarzeling te breken met de traditie. Ten slotte is ook de populariteit van de martelaar zelf als de figuur die de gewone mens overtreft een kenmerk van orale denkwijzen. Anderzijds werkt tekst een nieuw paradigma in de hand: de mens als zelfstandige lezer van het sprekend object kan zich in onafhankelijke groepen gaan opstellen en verzet zich tegen de gevestigde orde. Tekst en rede (of eigen geweten) vormen de nieuwe epistemologie. Zo geven de Vlaamse dopers blijk van de overlappende aard van oraliteit naar tekstualiteit in vroege gedrukte teksten.
We zien enerzijds dat de tekst an sich een emanciperende werking heeft, e.g. een kennistheoretische verschuiving veroorzaakt, anderzijds dat de inhoud zoals die uit de tekst gedistilleerd wordt nog sterke kenmerken van de oraliteit vertoont. Het kunnen lezen en schrijven heeft diepgaande gevolgen voor de ontwikkeling van godsdienst en theologie.
[51]
De drang tot bekering doet zich pas voelen wanneer een cultuur het schrift ontwikkelt en deze drang zal door de boekdrukkunst vele malen worden versterkt. Bekering veronderstelt een verschil tussen ‘mijn’ geloof en dat van ‘anderen’. De Vlaamse doperse verwoordt dit door onderscheid te maken tussen de ‘broeders en zusters’ en de ‘wereld’. Bovendien maakt de flexibele eenheid van de orale denkwijze plaats voor het rigide dogma. Deze verstarring, begrepen als (godsdienstige) tekst die statisch is, vormt de bron van alle pluralisme. Het is dit verlies van de vergetende orale flexibiliteit die bewegingen en sekten veroorzaakt. Waar de middeleeuwse maatschappij met haar beperkte geletterdheid alle verschillen nog redelijk binnen haar grenzen tot eenheid kan incorporeren, zal de post-boekdrukmaatschappij hervormend en zelfs revolutionair willen zijn. Ethiek en normatieve waarden worden gedecontextualiseerd en eerder universeel toepasbaar geacht
[52]
; zij worden onderwerp van het eindeloze hermeneutische debat. De geletterde elite is niet langer de schakel bij uitstek tussen de mens en God. De mens zelfheeft toegang tot het metafysische via het bezitten van tekst: een niet geringe inbreuk op de klassenstructuur van de Middeleeuwen. Het is in het kader van deze dynamiek dat we een beweging als de Vlaamse dopers moeten situeren. Zij zouden de implicaties van de boekdrukkunst op bijzondere wijze zichtbaar maken, bijvoorbeeld in hun originele benadering van de ecclesiologie: een democratisch en exclusief gemeentemodel. De kennistheoretische verschuiving is veel duidelijker bij sektarische bewegingen dan in de hoofdstromingen van de Reformatie, die pas veel later tot soortgelijke pluralistische conclusies zullen komen.
[53]
De Vlaamse dopers zijn in deze verrassend modem.
Een pragmatische benadering van de geschiedenis is misschien af te raden. Toch kunnen we ons niet aan de indruk onttrekken dat er zich een zekere relevantie ten opzichte van het heden voordoet. Vormen van orale theologie manifesteren zich opnieuw in de context van de huidige ‘beeldcultuur.’ Het is niet toevallig dat er bij een verschuiving van lezen naar (tv) kijken
[54]
geleidelijk minder belangstelling is voor dogmatische geschillen en dat de bovengenoemde kenmerken van oraliteit bij de Vlaamse dopers zich ook weer in de nieuwere godsdienstige bewegingen doen gevoelen. Daarnaast kan een goed begrip van deze verschuiving naar – en overlapping van – oraliteit en tekstua- liteit, inzicht verschaffen in de ontwikkeling van hedendaagse culturen die zich in een soortgelijk stadium bevinden en waarvan de bereidheid tot het martelaarsschap ons in hoge mate bevreemdt.